Van den Ende (1847/'50)

De Visscherman

Uit het eerste deel van de
'Verslagen van de Vereeniging tot Bevordering der Inlandsche Ichthyologie',
samengesteld door W.P. Van den Ende (1847)

De Visschenwinkel

HET SCHOTTEN.

Onder de verschillende middelen, die, hier te lande, worden aangewend om snoek te vangen, behoort het schotten (*) vermeld te worden. Deze visscherij heeft in Gelderland, en vooral in den omtrek van Zutphen, plaats (**).
Men gebruikt hiervoor eenen stevigen boonstaak van de gewone spar (pinus sylvestris, LINN.). Zulk een boonstaak behoort eene lengte van twaalf tot veertien voet te hebben; hij wordt gewoonlijk geschild en geverwd. Vervolgens neemt men koperdraad van een pijpensteel dikte, waarvan men twee groote haken buigt. Het langste been van ieder is drie tot vier Rijnlandsche duimen lang. De opening van deze haken loopt wijd uit. Het bovenste gedeelte van het langste been van iederen haak wordt vervolgens zoodanig omgebogen, dat het met den haak eenen regten hoek vormt. Dit omgebogen gedeelte van den haak dient om dien aan den boonstaak te kunnen bevestigen; het best geschiedt dit door het omwoelen met pikdraad. Van deze twee haken wordt de een aan het boveneinde, de andere in het midden van den staak bevestigd. De haken vormen nu met dien staak eenen regten hoek, en zijn daardoor zoodanig geplaatst, dat men er een koord, tot het schotten geschikt, kan inleggen.
Een boonstaak, op deze wijze met haken voorzien, ten einde voor het schotten te dienen, wordt eene schotgarde genoemd. Het koord, gewoonlijk bekend onder den naam van gordijnkoord, hetwelk twaalf vademen (***) lang behoort te zijn, en in de haken ligt, noemt men schotlijn. Tot meerdere duidelijkheid volgt hier eene afbeelding van eene schotgarde met de schotlijn.

De schotgarde met haken is eene verbetering, die, zoo als het schijnt, later aan dit vischtuig is aangebragt; vroeger gebruikte men, in plaats van haken, twee koperen ringen.
Aan het voorste einde van de schotlijn, die in den haak ligt, welke aan den top van de schotgarde is bevestigd, worden twee of drie van dun koperdraad gedraaide stropjes vastgeknoopt; zijnde deze het een aan het ander met oogen verbonden. Men gebruikt bij het schotten liever twee of drie korte stropjes, dan één lang, ten einde het koperdraad minder stijf zoude zijn. Een van deze stropjes is dikker en korter, doch heeft overigens veel overeenkomst met dat, hetwelk bij fleuren of zetlijnen gebruikt wordt. Aan het oog van het onderste stropje is de schotangel. De schotangel is een haak, gebogen van stevig koperdraad. Het langste been van dezen, waaraan van boven een oog is, ten einde daarin dat van het onderste stropje te kunnen bevestigen, is twee Rijnlandsche duimen lang, en in zijne geheele lengte, tot daar de kromte van den haak begint, met lood voorzien. Tot dit lood zal het wel het gereedste zijn, theelood te gebruiken. Het kortste been van den haak is ruim één duim lang, scherp aangepunt en zonder weêrhaak.- Het andere einde van de schotlijn wordt op een rolletje, hetwelk om een spil loopt, opgewonden. Tot zulk een rolletje wordt gewoonlijk de klos van een spinnewiel gebruikt. De spil, waarom de klos draait, is omstreeks vier Rijnlandsche duimen lang, van voren met een ijzeren pennetje voorzien, om het afglijden van den klos voor te komen. Aan het tegenovergestelde gedeelte is de spil verlengd tot een handvat. Op de plaats, waar de spil in het handvat overgaat, is eene borst, waartegen de klos loopt en stuit. Zulk een handvat is omstreeks vijf duimen lang. De spil, handvat en klos, op deze wijze voor het schotten ingerigt, wordt te zamen het schotrolletje geheeten. De geheele lengte is negen Rijnlandsche duimen. Deze maat, als ook de overige, zullen wel eens wat verschillen; de bovengenoemde zijn ons echter de meest geschikte voorgekomen. Zie hier eene afbeelding van een schotrolletje.

Bij het schotten worden tot aas alleen kikvorschen gebruikt, en wel zoogenoemde gele kikvorschen, zijnde deze waarschijnlijk eene verscheidenheid van de rana temporaria, LINN. Onze groene kikvorsch (rana esculenta, LINN.) wordt voor deze visscherij geheel ongeschikt gehouden. Men schijnt de gele kikvorschen, gedeeltelijk, daarom bij voorkeur te gebruiken, wijl zij het best door den snoek worden opgemerkt. Hoe geler men deze dus krijgen kan, hoe beter. Men zegt, dat men deze kikvorschen vooral kan vinden op land met wortelen of peen bezet.
Men doet wèl, om, vóór dat de tijd van het schotten dáár is, zich een genoegzaam aantal te bezorgen, die men dan in een kelder of diepen kuil (§) kan bewaren.
Wil men gaan schotten, dan wordt de kikvorsch op de volgende wijze aan den schotangel aangeslagen. Na de schotlijn van de stropjes te hebben losgemaakt, steekt men het boveneinde van deze laatsten in den bek van een kikvorsch en vervolgens zijn achterste wederom uit, waarna men de stropjes door het lijf en vervolgens ook het met lood voorziene langste been van den schotangel geheel in het lijf trekt. Het kortste been van den schotangel blijft dan uit den bek, en zit van buiten tegen het lijf van den kikvorsch aan, ten einde den angel zooveel mogelijk te verbergen. De bek wordt vervolgens toegenaaid. De achterpooten uitgestrekt zijnde, worden deze op twee plaatsen, bij de twee onderste gewrichten, met garen aan het onderste stropje gebonden. De handjes en voetjes (§§) van de voor- en achterpooten worden bij de leden gebroken; vervolgens boven de voetjes een sneedje gegeven en het vel er gedeeltelijk afgestroopt, hetwelk er aan blijft hangen. Dit breken van de gewrichten en het gedeeltelijk aftrekken van het vel dient, om den kikvorsch meer schijn van leven te geven. Is de kikvorsch aangeslagen, dan wordt aan het bovenste oog van de stropjes de schotlijn vastgemaakt, waarna de lijn op het schotrolletje wordt gewonden. Het vischtuig is nu geheel voor het schotten gereed.

De geschiktste tijd voor het schotten is in de maand October, wanneer het blad begint te vallen, bij laag water, bij eenen waterstand van ongeveer drie of vier voet op den IJssel. Deze waterstand is daarom het geschiktste, vooreerst, omdat alsdan, door den weinigen stroom, het water helderder is, en daardoor de kikvorsch beter dan bij troebel water door den snoek kan gezien worden, en ten tweede, omdat alsdan het rijswerk van de kribben de visscherij het minst hindert. Meestal schot men op den IJssel, minder op de Berkel. Is men aan den oever van den IJssel gekomen, dan begeeft men zich het best naar eene plaats achter eene krib of in een neer (§§§). Men legt alsdan de schotlijn in de haken van de schotgarde, terwijl men deze laatste, even als een hengel of topgarde, in de regterhand houdt. Wegens de zwaarte van de schotgarde is men echter meermalen verpligt, deze ook met de linkerhand te ondersteunen. De kikvorsch, met angel en lood bezwaard, laat men alsdan in het water zakken, terwijl men het handvat van het schotrolletje met opgewonden lijn in de linkerhand houdt. Bij het visschen moet de kikvorsch onophoudelijk op en neêr in het water gaan. Zoodra men bemerkt, dat een snoek aan den kikvorsch bijt, laat men de lijn een weinig schieten, en wanneer men vermoedt, dat de snoek aan den angel vast zit, viert men de lijn, die op het schotrolletje is opgewonden. Men draait vervolgens de schotgarde eenen halven slag om, waardoor de lijn uit de haken valt. De schotgarde legt men daarop ter zijde, zoodat alleen het schotrolletje met gevierde lijn in de hand wordt gehouden. Het visschen is nu geheel overeenkomstig met dat van eenen afgeloopen fleur of zetlijn. Bij het gebruik van ringen in plaats van haken, blijft steeds de lijn in de ringen, waardoor men, zoodra een snoek aan den angel vast zit, door de schotgarde belemmerd wordt. De lijn wordt nu langzaam ingepalmd; doch trekt de snoek aan deze te sterk, dan viert men de lijn weder, tot dat men ten laatste, als de visch afgemat is, dien meester wordt. Heeft men den snoek op het land, dan tracht men den angel er uit te halen. Zit de angel ergens in den kop vast, dan kan men dezen langs eene der kieuwopeningen uitnemen, na eerst de lijn bij het stropje te hebben losgemaakt. Is de kikvorsch reeds doorgeslokt, dan kan men den angel niet krijgen of de snoek moet worden opengesneden. Gelukt het, den kikvorsch uit den snoek te halen, dan kan men met denzelfden verscheidene snoeken vangen. - Daar men bij het schotten gedurig van plaats moet veranderen, kan men geene schuit of aak bij zich hebben, om den snoek in eene bun of kaar te kunnen doen. Het is daarom verkieslijk, dien dadelijk te snijden. Men doet dit, door hem eene diepe regte snede midden in den staart, bijna aan het uiteinde, te geven, waardoor hij dood bloedt. De snoek wordt hierdoor blanker van vleesch en blijft ook langer versch. Sommige visschers hebben wel eens de gewoonte, om, wanneer zij een of meer snoeken gevangen hebben, en langs denzelfden weg wederom zullen terugkomen, den snoek of de snoeken een touw om de kieuwopeningen te doen, welk touw aan den oever wordt vastgemaakt, en den visch alzoo vastgebonden in het water te laten, ten einde dien nog langer in het leven tye bewaren en zoo kort mogelijk te dragen. Om den gevangen snoek te kunnen medenemen en er het minst door belemmerd te worden, is het verkieslijk, dien in een zak te doen, waarin men eerst wat gras gedaan heeft, en dezen even eens te dragen als een jager zijne weitasch.

Met het schotten kan men vrij wat visch vangen. Een visscher verhaalde ons, hiermede eens in den IJssel, tusschen Zutphen en Deventer, gedurende twee dagen, twee en zeventig pond snoek gevangen te hebben, waaronder vier snoeken van veertien pond.
Het schotten heeft eenige overeenkomst met eene visscherij in Frankrijk, mede op snoek, die men daar wel eens noemt: péche à la ligne volante, dite à la turlotte.

Beschouwt men het schotten uit het oogpunt van het meer of minder schadelijke, dat een zeker vischtuig voor de visscherij in het algemeen kan hebben, dan verdient het schotten alle aanbeveling en aanmoediging; en wel vooreerst, omdat men daarmede, over het algemeen, weinig kleine snoeken vangt, zijnde de kleinste zelden ligter dan twee pond; en ten tweede, omdat hiervoor alleen kikvorschen gebruikt worden, en men dus het voordeel heeft, van geene kleine visschen te behoeven; een nadeel, dat bij voorb. aan het gebruik van fleuren of zetlijnen verbonden is.

(*) Men denke hierbij aan het woord schieten.
(**) Onder eenen anderen naam en met eenige wijzigingen vindt men deze visscherij ook in andere van onze provinciën.
(***) Een vadem is zes voet lang. (§) TOWNSON zegt van de kuilen, waarin te Weenen de kikvorschen bewaard worden, het volgende: »Deze arme dieren worden van buiten de stad, bij dertig- of veertigduizend te gelijk, aangebragt, en aan de handelaars in het groot verkocht, die bewaarplaatsen voor dezelve hebben. Deeze zijn groote kuilen, van vier of vijf voeten diep, in den grond uitgegraaven, de mond van welke met eene plank, en bij streng vriezend weder met stroo gedekt is. Dikwijls heb ik deeze bewaarplaatzen bezocht, in de hardste vorst, maar derzelver bewoners nooit verstijfd gevonden. Wanneer ik die op den rug leide, scheenen zij gevoel te hebben van de verandering, en hadden kracht om zich zelve om te keeren. Zij kruipen hoopsgewijze op elkanderen, door een instinct; en komen dus de uitdamping haarer vochtigheid voor; men geeft hun geen water. Veelen vond ik dood, en dat niet uit gebrek van water, wijl ik dit in derzelver blaas vond. Ik denk dat veelen storven door het ongemak, dat zij gedurende haare gevangenis geleeden hadden; anderen zonder twijfel, doordien zij op dat tijdstip aangekomen waren, in hetwelk de leevenskrachten zwak zijn en ligt vernield worden." Reize in Hongarijen. Met een kort bericht der stad Weenen Uit het Engelsch. Den Haag 1800. 8°. D. I. bl. 16.
(§§) Wij gebruiken hier woorden van visschers.
(§§§) Neeren noemt men de draaikolken, die zich voornamelijk achter kribben bevinden.


De Visscherij

OPTELLING

VAN HET VOORNAAMSTE VISCHTUIG,
HETWELK OM ZUTPHEN GEBRUIKT WORDT.

In de optelling van dit vischtuig, hebben wij die namen gebezigd , onder welke het gewoonlijk te Zutphen of in den omtrek bekend is. Men kan hiertoe de volgende brengen: de zegen, het kleefgaren (*) , het werpnet , het stalnet (§), de fuik , de spierlingfuik , de tuimelaar, bong of bomme (+) , het kruisnet (**) , de ruitwagen, het slaghaam , het steekhaam (§§) , de zetlijn (++) , de werplijn, de schotgarde , de top- of vischgarde (***) , de aalkorf , de kibbe of aalskibbe (§§§) , de aalreep , de aalscheer (+++) en de aaldobber.

(*) In andere provinciën noemt men dit vischtuig schakel
(§) Eene soort van palingfuik.
(+) Elders puit.
(**) Elders totebel.
(§§) Elders gebbe of schepnet.
(++) Elders fleur.
(***) Elders hengel.
(§§§) Eene kleinere soort van aalkorf.
(+++) Draagt in sommige provinciën ook andere namen, als: aalspeer, palingscheer, aalsteker, elger.

De Visscherij

LIJST

VAN EENIGE VISCHSOORTEN , DIE IN DEN IJSSEL ,
BIJ ZUTPHEN, WORDEN GEVANGEN.

Het kan voor de visscherijen , als in menig ander opzigt, niet dan belangrijk zijn , de vischsoorten te kennen , die in de verschillende wateren van ons land waargenomen worden. In deze optelling van de vischsoorten, die in den IJssel, bij Zutphen, worden aangetroffen, hebben wij uitsluitend die soorten opgenomen , welke als goed bepaald kunnen worden aangemerkt, en die tevens aldaar met zekerheid voorkomen. De opgegevene nederduitsche namen van deze vischsoorten zijn die, onder welke zij bij de Zutphensche visschers bekend staan. Wij hebben de soorten gerangschikt volgens de tweede, vooral ten opzigte der visschen , veel verbeterde uitgave van 1829 van het Règne Animal van CUVIER.

I. EIGENLIJKE VISSCHEN.

A. Stekelvinvisschen (acanthopterygii) (#).

1. De baars, perca fluviatilis , LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 132.
2. De pos, perca cernua, LINN. ; CUV. , Règn. Anim., T. II. p. 144.
3. De stekelbaars, gasterosteus aculeatus, LINN. (*) ; - CUV. , Règn. Anim., T.II, p. 170.
4. De stekelbaars, gasterosleus pungititius, LINN. ; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 170.

B. Weekvinvisschen (malacopterygii) (§).

5. De karper, cyprinus carpio , LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 271.
De spiegelkarper, CUV., Règn. Anim., T. II, p. 271 (+).
6. De berm, cyprinus barbus, LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 272.
7. Het grundje, cyprinus gobio, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 273..
8. De brasem, de blei, de bliek, cyprinus brama, LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 274.
9. De kolblei, de kolbliek, cyprinus bjoerkna, LINN. ; - CUV. , Règn. Anim. , T. II, p. 274 (&).
10. De meun, cyprinus dobula, LINN. ; CUV. , Règn. Anim. , T. II, p. 275?
11. De voren , cyprinus rutilus, LINN. ; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 275.
12. De serpeling, cyprinus leuciscus, LINN. ; CUV. , Règn. Anim. , T. II, p. 275.
13. De snijderssnoek, de tabaksrooker, cyprinus nasus, LINN. ; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 276. 14. De winde, cyprinus jeses, LINN. ; CUV. Règn. Anim., T. II, p. 276, note (##).
15. Het alvertje , cyprinus alburnus , LINN. ; CUV. , Règn. Anim. , T. II, p. 276.
16. De roetvoren , cyprinus erythrophthalmus, LINN. ; CUV. , Règn. Anim., T. II, p. 276.
17. Cyprinus alburnoides, NOB.; aspius alburnoides, SELYS; - CUV. et VALENC., Hist. Nat. des Poiss. , T. XVII, p. 250 (**).
18. Cyprinus bipunctatus , BLOCH; CUV., Règn. Anim., T. II. p. 276.
19. Half voren half alvertje , cyprinus dolabratus, NOB. ; Leuciscus dolabratus, HOLANDRE, CUV. et VALENC., Hist. Nat. des Poiss., T. XVII. p. 248 (§§). 20. De meerput (++) , cobitis fossilis, LINN. ; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 278.
21. De snoek, esox lucius, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 282 (&&).
22. De zalm, salmo salar, LINN; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 302 (###).
23. De spierling, salmo eperlanus, LINN.; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 305.
24. De houting, salmo oxyrhinchus, LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 307.
25. De elft, clupea alosa , LINN.; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 319 (***).
26. De kwabaal, gadus lota, LINN.; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 334.
27. De bot, pleuronectes flesus, LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 339.
28. De schieraal , de paling , de happer, enz., muraena anguilla, LINN. ; - CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 349 (§§§)

II. KRAAKBEENVISSCHEN (Chondropterygii).

29. De steur, sturio acipenser, LINN ; CUV., Règn. Anim. , T. 11, p. 378.
30. De negenoog, petromyzon fluviatilis, LINN.; CUV., Règn. Anim. , T. II, p. 404.

Onder deze dertig soorten komen er vier voor, die niet vermeld zijn in de Naamlijst der Nederlandsche visschen door BENNET en VAN OLIVIER , noch ook voorkomen in de Lijst van dieren, in de provincie Groningen gevonden (&&&) , ter aanvulling der Naamlijsten van Ned. Dieren van bovengenoemde schrijvers. Deze soorten zijn de volgende : De serpeling, cyprinus leuciscus, LINN. ; cyprin. alburnoides, NOB. ; cyprin. bipunctatus, BLOCH en half voren half alvertje , cyprin. dolabratus, NOB.

(#) Versta er door visschen, waarvan eenige vinbeentjes ongeleed zijn.
(*) Het is onzeker, of onder deze soort ook meerdere schuilen.
(§) Visschen met gelede vinbeentjes.
(+) Komt zeer weinig voor.
(&) Cyprinus blicca; BLOCH; cyprinus latus, GMEL.
(##) Deze wèl te onderscheiden van den windvoren of wind, reeds door de beide GRONOVII waargenomen, en die ook voorkomt in de Naamlijst der Nederlandsche Visschen door BENNET en VAN OLIVIER. Natuurk. Verh. Holl. Maatsch. Wet., D. XIII, St. II, bl. 83.
(**) De opgave van de bladzijde, zoo hier als vervolgens, naar een exemplaar in 8°.
(§§) Komt weinig voor.
(++) Wij geven hier den naam van den donderaal, zoo als HOUTTUYN, Natuurl. Historie, D. I, St. VIII, bl. 98, zegt, dat deze Visch door eenigen genoemd wordt; doorgaans wordt deze in en om Zutphen meerpoet uitgesproken.
(&&) De snoeken op den IJssel en ook elders worden onderscheiden in smal- en breedbekken.
(###) Wordt nu en dan gevangen.
(***) Wordt zelden op den IJssel, bij Zutphen, aangetroffen.
(§§§) Eenigen onderscheiden in de muraena anguilla , LINN. verschillende soorten. Ons onderzoek is hier over nog niet ver genoeg gevorderd. Wij bevelen dit onderwerp aan de nasporing van onze ichthyologen aan. Men vergelijke overigens hierover, onder anderen, CUVIER, Règn. Anim., op de boven aangehaalde plaats, en YARRELL, Hist. of Brit. Fish. Sec. ed. Vol. II, p. 381-401.
(&&&) Natuurk. Verh. Holl. Maatsch. Wet., D. XV, St. II, bl. 323.

De Snoek

WAARNEMING BETREKKELIJK DEN SNOEK.

In verschillende werken (§) wordt vermeld, dat de stekelbaars meermalen den dood van roofvisschen berokkent, wanneer deze dien willen inslokken. Wij vonden dit onlangs, wat den snoek betreft, bevestigd. Den 9 Julij van dit jaar langs het water wandelende, hetwelk om mijn huis is, zagen wij een kleinen dooden visch aan den kant liggen. Bij nader onderzoek bleek dit een snoekje te zijn, van ongeveer een vinger lang, hetwelk een jong stekelbaarsje (gasterosteus aculeatus LINN.) in den bek had. De staart van dit stekelbaarsje stak nog uit den bek. Terwijl het snoekje dezen stekelbaars wilde verslinden, was die blijkbaar in zijn kop blijven steken. De twee stekels aan de buikvinnen van het stekelbaarsje staken in en door het kieuwvlies (membrana branchiostega), en de punten van deze stekels waren buiten dit vlies zigtbaar. Wij moesten eenige kracht gebruiken, om den stekelbaars uit den kop van den visch te halen. Hierbij bleek bovendien, dat de drie stekels van den rug, die door het vischje opgerigt waren, in het gehemelte van het snoekje staken. Het was derhalve voor dezen visch onmogelijk, den stekelbaars door te slikken, of dien wederom uit te werpen. In dit geval moet de dood van het snoekje geenszins worden toegeschreven aan de onmogelijkheid om voedsel tot zich te nemen, maar wel aan belemmerde ademhaling. Ook bleek het, dat het snoekje reeds spoedig gestorven was, daar de stekelbaars nog in gaven toestand door ons uit den visch gehaald werd.

(§) Onder anderen CUV. et VALENC., Histoire Nat. des Poissons, T. II, p. 24.

De Baars

HET VANGEN VAN BAARS MET DE HAND.

Eens bij Haarlem, langs de Leidsche Vaart wandelende, ontmoetten wij daar eenen hengelaar, die ons zeide: »reeds menige zoô baars met de hand gevangen te hebben." Wij verzochten hem, ons eens te laten zien, hoe hij dit deed. Hij leide zich daartoe aan den waterkant, regt uitgestrekt, op zijde, en stak eene van zijne handen, die mede uitgestrekt was, in het water. Het duurde slechts zeer kort, of hij ving met zijne hand een baars, en wierp dien op het land. Hij had daartoe zijne uitgestrekte hand zoo lang stil in het water gehouden, tot dat hij voelde , dat er tegen de palm van deze een baars zwom, waarop hij dadelijk zijne jand had toegeknepen en dus den visch gevangen.
Het kan zeer wel zijn, dat de vleezige hand den baars lokt. In allen gevalle behoort tot het vangen van baars op deze wijze eenige oefening, en moet men zich wachten voor zijne vele stekels, vooral die der eerste rugvin.

Volgens art. 49 van de Wet op de Jagt en Visscherij van 11 Julij 1814 (*), is het vangen van visch met de hand verboden. De bedoeling van den wetgever met dit verbod zal wel hoofdzakelijk geweest zijn, om daardoor mede te keer te gaan het vangen van visch, welken men door vergif, door bedwelmende middelen of door het troebel maken van het water, in dien toestand gebragt heeft, dat hij gemakkelijk met de hand kan gevangen worden.
In gewone omstandigheden heeft men van het vangen van visch met de hand, voor de visscherijen, weinig of niet te vreezen, en is het bovendien in vele gevallen zeer bezwaarlijk, de overtreding te bewijzen.

(*) Staatsblad, no. 79, bl. 10. Vroeger was, bij art. 37 van het Reglement op de Visscherij in het Koningrijk Holland van den 23 September 1808, op het vangen van visch met de hand eene boete van f 10-: gesteld.

De Aalvangst

OVER EENE BIJZONDERE SOORT VAN AALREEP.

In verschillende provinciën van ons rijk gebruikt men, bij het bevisschen van de binnenwateren, een vischtuig, bekend onder den naam van aalreep. Men kan den aalreep in twee soorten onderscheiden, en wel in die met angels en die met pennetjes. Daar het aas, hetwelk men voor beide deze soorten gebruikt, de visch, die men met deze vangt, als ook de wijze van behandelen en visschen met beiden, nog al uit elkander loopen, zullen wij ons alleen tot de laatste soort bepalen, en wel zoo als die, in den omtrek van Zutphen, reeds sedert eene reeks van jaren gebruikt wordt.

De aalreep met pennetjes bestaat uit een touw, gewoonlijk vijf en een halve vadem lang, voor welk touw men het zoogenaamde papiermakers-touw gebruikt. Op zekere afstanden van dit dikkere touw zijn dunne touwtjes, waaraan zich de pennetjes bevinden, aan welke het aas wordt aangeslagen. Men onderscheidt bij den aalreep een vooreinde en een achtereinde. Het vooreinde is omstreeks tien voeten lang, zonder dunne touwtjes, en aan het begin voorzien van eene lis, waaraan men eene houten pin vast maakt, ten einde den aalreep in den wal van het vischwater te kunnen bevestigen. Hier op volgt het gedeelte, waaraan, op afstanden van twee voet, zich negen of tien vierdraadstouwtjes van één voet lengte bevinden. Het achtereinde van den aalreep is twee voet lang en aan het einde mede van eene lis voorzien, om er eene zode of een steen nan vast te kunnen maken.
Zie hier eene afbeelding van den aalreep met pennetjes.

De pennetjes worden gemaakt van vrij stevig ijzerdraad (*); zij zijn regt, ongeveer een en een halven Rijnlandschen duim lang, aan het eene einde stomp en aan het andere scherp aangevijld. Om deze aan de touwtjes te bevestigen , neemt men het einde van zulk een touwtje, en legt dit omstreeks een duim lengte tegen het pennetje aan, echter zoodanig dat het stompe einde van het pennetje met het einde van het touwtje overeenkomt. Men neemt vervolgens dun grijs garen en begint hiermede het pennetje en het touwtje te zamen te omwoelen ; dit zet men zoo lang voort, tot dat omstreeks twee derde van het pennetje omwoeld is, waarna men een paar steken van het garen op het niet omwoelde gedeelte van het pennetje doet en het garen afknipt.
Hier volgt de afbeelding van zulk een pennetje, dat aan het touw is vastgemaakt.

Bij den aalreep met pennetjes worden tot aas alleen aardwormen of pieren (lumbricus terrestris, LINN.) (**) gebruikt, en wel die van de grootste soort, bekend onder den naam van dauwwormen of dauwpieren.
Verschillende middelen, zijn er, om zich aardwormen te verschaffen, doch van deze allen gelooven wij, dat het volgend middel het geschiktste is, om in korten tijd, eene groote hoeveelheid van deze dieren te verkrijgen, welk middel door de visschers ook gewoonlijk wordt aangewend. Zoodra de zon is ondergegaan, begeeft men zich des zomers met eene lantaren naar een vruchtbaar land, liefst tuin- of moesgrond, waar men weet of vermoedt dat vele wormen zijn. Het aanwezen van deze kan men bespeuren uit de zeer kennelijke hoopjes, die zich op de gaten bevinden, welke zij in den grond gemaakt hebben. Men giet alsdan een of meer emmers water op den grond, waarna spoedig een aantal wormen naar boven zullen komen, die men alsdan bij het licht van de lantaren opgaart. Na middernacht komen er weinig meer te voorschijn.
Het best bewaart men deze wormen in mos, hetwelk men eerst winddroog heeft laten worden, en, zoodra er de wormen zijn bijgedaan, op eene koele plaats moet bewaren. De wormen moeten echter nu en dan nagezien worden, ten einde de dooden er uit te zoeken. Na verloop van vier of vijf dagen worden de aldus bewaarde wormen taaijer en dunner. Door deze meerdere taaiheid zijn zij beter voor het visschen geschikt.
Ten einde de groote of dauwwormen aan de pennetjes aan te slaan, breekt men de wormen midden door, en steekt het stompe en omwoelde gedeelte van het pennetje in de helft van zulk een worm, en wel daar, waar hij is doorgebroken. Daar men echter den worm niet verder over het pennetje kan schuiven, dan dit laatste lang is, en het wenschelijk is, om den worm zoo ver mogelijk over het pennetje en het touw te krijgen, opdat de punt van dit eerste goed bedekt zoude zijn, zoo heeft men hiervoor een bijzonder middel uitgedacht. Men neemt de pen van eene kip, snijdt het uiteinde van de schacht af, waarop men het puntige en vrije gedeelte van het pennetje in de schacht van de pen steekt. Men houdt dan het touw langs de schacht van de pen en schuift den worm daar over heen, zoo ver als de lengte van den worm dit maar eenigzins gedoogt ; waarna de pen uit den worm wordt getrokken. De volgende afbeelding zal dit genoegzaam ophelderen.

Bij het gebruik van den aalreep is het van belang, er op te letten, dat noch het dikkere touw, noch de dunne touwtjes kunnen warren. Men komt dit voor, door den aalreep behoorlijk op te winden. Daartoe neemt men het begin van het vooreinde van den reep in de regterhand, terwijl men tusschen den open duim en den wijsvinger van de linkerhand de houten pin, naar de buiten zijde van de hand gekeerd, laat afhangen. Men legt vervolgens den reep tusschen den pink en den ringvinger, slaat dien om den pink heen, en vervolgens tusschen den duim en den wijsvinger, daarna om den duim en weder tusschen den pink en den ringvinger, en herhaalt dit zoo lang tot dat de geheele reep tot aan het achtereinde is opgewonden. Op deze wijze kruist zich de reep onophoudelijk en wordt daardoor het verwarren voorgekomen. Is men bij het opwinden tot het eerste touwtje van den aalreep gekomen, dan laat men hetzelve tusschen den pink en den ringvinger afhangen; dit herhaalt men met alle de overige touwtjes. Als de geheele reep, behalve het achtereinde, opgewonden is, dan neemt men dit opgewonden gedeelte van den duim en den pink, legt dit tegen de houten pin aan, en bindt hetzelve met het achtereinde van den reep om de pin. -- Men slaat de wormen niet eerder aan, voor de aalreep aldus is opgewonden. Zijn de wormen aan alle de aalreepen, waarmede men wil gaan visschen, aangeslagen, dan moeten er wederom nieuwe voorzorgen genomen worden, ten einde het verwarren van de vele touwtjes der aalreepen, gedurende het overbrengen naar het vischwater, voor te komen. Daartoe gebruikt men een vierkant mandje, met platten bodem, welk mandje een en een halven voet lang en een halven voet breed en diep behoort te zijn. Men begint, met een reep in den hoek van het mandje, in de lengte, uit te leggen, zoodanig dat de touwtjes genoegzaam evenwijdig op den bodem uitliggen. Naast dezen reep legt men wederom een anderen, en zoo vervolgens, tot men er vijf naast elkander heeft. Vervolgens legt men wederom vijf reepen in de tegenovergestelde zijde van het mandje, met een der hoeken van hetzelve beginnende. Wanneer er tien in zijn, begint men den elfden te leggen in den hoek, waarin zich de eerste bevindt, en daarna op dezelfde wijze, tot dat het mandje vol is. Zulk een mandje kan dertig reepen bevatten.

Is men aan eenig loopend of stilstaand water gekomen, waar men wil gaan visschen, dan wordt die reep het eerst uit het mandje genomen, welke men er het laatst had ingelegd, en zoo vervolgens, tot men wederom, aan den reep komt, die er het eerst is ingedaan. Van een reep, dien men uit het mandje genomen heeft, maakt men het vooreinde los, en legt den reep in kleine bogten voor zich uit op den grond, doch zoodanig, dat de met wormen voorziene pennetjes elkander niet raken. Ten einde den reep in het water te kunnen uitwerpen, en om tevens voor te komen, dat deze eenmaal uitgeworpen, niet van plaats verandert is het noodig, iets zwaars aan de lis van het vooreinde vast te maken. Daar men zelden geschikte steenen op de plaats vindt, waar men vischt, en het bovendien zeer lastig zoude zijn die van huis mede te nemen, zoo heeft men hiervoor een ander middel uitgedacht. Men steekt met een mes eene kleine vaste graszode uit, die men met de lis van het vooreinde aan den reep bevestigt. Dit uitsteken van eene zode heeft bovendien nog het voordeel, dat daardoor van zelf de plaats wordt aangewezen, waar de aalreep in het water ligt, waarom men ook de houten pin bij deze plaats steekt. De houten pin in den wal gestoken zijnde, neemt men de zode in de regterhand, terwiji men in de linker het vooreinde houdt, op de hoogte van het eerste touwtje. Men werpt alsdan den aalreep regt voor zich uit in het water. Indien de reep wat te strak in het water is uitgeworpen, moet men dien iets aanhalen, ten einde hij genoeg op den bodem van het water zoude kunnen zakken. Het best legt men de aalreepen op honderd tred uit elkander. Kan men in hetzelfde water achtereenvolgens dertig aalreepen leggen, en is de kant tevens overal gemakkelijk te naderen, dan kan een ervaren visscher in een half uur deze allen uitwerpen.

De aalreep met pennetjes wordt alleen gebruikt tot het vangen van aal en paling ; nu en dan vangt men echter hiermede ook anderen visch. Zoo verhaalde mij een visscher, dat hij dit jaar, namelijk 1846, een baars van één pond met dezen had gevangen. Somtijds ook vischt men een bliek cyprinus brama, LINN.) of een voren (cyprinus rutilus, LINN.), niet zelden kwabaal (gadus lota , LINN.) Enkel is hieraan in den IJssel wel eens eene bot (pleuronectes flesus, LINN.) gevangen. Men vischt met den aalreep zoowel aal en paling van drie of vier pond, als zeer kleine. Het grootste getal, dat een visscher met éénen reep gevangen had, was acht stuks; vier of vijf met éénen te vangen, is niet ongewoon. Met 32 aalreepen kreeg deze zelfde visscher eens 114 stuks. De geschiktste maanden om met den aalreep to visschen zijn Mei, Junij en Julij. Na dien tijd zijn de waters te vol met roet of ruigte, waarop de aalreep blijft liggen en niet behoorlijk tot op den bodem van het water zakt. Bovendien is warm weder en zuiderwind voor deze visscherij wenschelijk ; haarrook en mist zijn nadeelig. Met dezen aalreep kan men het best in stilstaand water visschen. Daar de aal en de paling des nachts hun voedsel zoeken, zoo worden ook de aalreepen omstreeks het vallen van den avond, te zeven of half acht uur, uitgeworpen, en worden met het krieken van den dag, wederom opgehaald. Dit behoort daarom zoo vroegtijdig te geschieden, omdat de aan de pennetjes vast zittende visschen, vooral in den morgenstond, wanneer zij waarschijnlijk weder in den modder wenschen te kruipen, zich trachten los te maken, of, zoo als de visschers dit noemen, beginnen te werken. Somtijds draaijen zij zich zoodanig in het touw, dat zij door hetzelve doorsneden worden en de twee gedeelten van den visch nog slechts aan een gedeelte van het vel vast zitten. Ook breekt het touwtje wel eens. Somtijds zijn, van tien gevangen visschen, reeds vijf bij het ophalen gestorven. De kleine visschen werken sterker, dan de groote. Dàn vooral werken zij veel, als zij zich om een plompwortel (wortel van de nyphaea alba vel lutea, LINN.), of om iets anders kunnen draaijen. Wil men den visch van den aalreep afdoen, zoo kan dit niet anders, dan door het touw door te snijden. Nadat de aalreepen uit het water zijn opgehaald, doet men dadelijk de wormen, waaraan geen visch is gekomen, van de pennetjes af, daar de worm het garen, waarmede de pennetjes met het touw zijn verbonden, spoedig doet bederven. Te huis gekomen zijnde haalt men de pennetjes uit den visch. Men kan op het gevoel bespeuren, waar dezen zitten. Zoo spoedig mogelijk moet de visscher den gevangen visch zoeken te verkoopen, daar deze reeds na verloop van een of twee dagen sterft, zoowel omdat hij veel door de pennetjes geleden heeft, als omdat deze visscherij juist in een warm jaargetijde invalt.

De aalreep met pennetjes heeft boven dien met angels of haken, voor het visschen naar aal of paling, twee belangrijke voordeelen. Vooreerst, wordt het pennetje gemakkelijker dan de angel door den visch ingeslokt of opgezogen (***); ten tweede, kan de visch zich lang zoo gemakkelijk niet los rukken, want zoo hij dit doen wil, neemt het pennetje in zijn lijf ongeveer de hieronder afgebeelde rigting aan.

De aalreep met pennetjes is een bedenkelijk vischtuig in de handen van stroopers, en wel vooreerst, omdat het gemakkelijk en bedekt is mede te nemen ; ten tweede, omdat het niet zeer gemakkeljk is te ontdekken, waar een aalreep is uitgeworpen, vooral ook daar deze des nachts uitstaat ; en ten laatste is dit een vischtuig, waarmede men zeer scherp kan visschen, en men een water van niet veel uitgestrektheid, in korten tijd, bijna geheel van aal en paling kan berooven. Gebruiken de stroopers graszoodjes om den aalreep in het water te werpen, dan kan men zien, of deze uitstaan of uitgeworpen zijn geweest, aan de kuiltjes in het gras, waar de zode is uitgesneden. Evenwel gebruiken de stroopers wel eens de voorzorg, om deze kuiltjes met los gras te bedekken, waardoor zij niet gemakkelijk kunnen gevonden worden.
Naar ons inzien behoorde de aalreep met pennetjes onder het ongeoorloofde vischtuig te worden opgenomen ; en wel om het groote misbruik, dat er van gemaakt wordt of kan gemaakt worden ; ten tweede, omdat men daarmede bijna den kleinst mogelijken visch kan vangen ; en ten derde, dewijl de aal en de paling, die daarmede gevangen wordt, zoo die al niet dood uit het water wordt gehaald, toch spoedig sterft, en dus, zoo de visscher niet spoedig den nog levenden visch kan verkoopen, deze te loor gaat, zoowel voor het vischwater als voor den visscher, hetgeen te meer te bejammeren is, daar deze visch nog steeds zulk een belangrijk artikel van handel en uitvoer uitmaakt.

Dat men zich reeds voorlang bij aalreepen, in plaats van angels, van andere middelen bediend heeft, blijkt, onder anderen, uit het Huishoudelijk Woordboek van CHOMEL (****). In de beschrijving van den aalreep, onder den naam van zetangel, Iezen wij in dit werk het volgende: >> Zommige bedienen zig in plaats van angels, van stopnaalden, of lange doorens, daar ze het koordje in 't midden aan vastbinden, en steken die naalden of doorens in de wormen of vischjens, 't geen zij noemen op den doorn visschen."
Indien men bij aalreepen, in plaats van ijzeren pennetjes, doornen zoude wenschen te gebruiken, keuren wij hiervoor die van onzen sleedoorn (prunus spinosa, LINN.) wel het geschiktste. Men mag ech-ter zeer betwijfelen, of doomen wel het werken van den aal en paling, zouden kunnen doorstaan.

(*) Men kan hiervoor ook even goed koperdraad gebruiken, doch de visschers nemen liever ijzerdraad, omdat dit goedkooper is.
(**) Volgens CUVIER is de Iumbricus terrestris, LINN. eene vereeniging van een aantal soorten; SAVIGNY heeft er tot twintig geteld. Vergel. CUV., Règn. Animal. Nouv. Éd., T, III, p. 210
(***) De visschers zijn wel eens gewoon het bijten aan den haak van aal en paling zuigen te noemen; wij gebruiken daarom hier dit woord.
(****) D. I, bl. I.

De Visscherij

OPNOEMING VAN EENIGE VISCHSOORTEN, DIE IN DE BERKEL,
BIJ WARNSVELD, WORDEN WAARGENOMEN (*)

I. EIGENLIJKE VISSCHEN.

A. Stekelvinvisschen.

1. De baars, perca fluviatilis, LINN.; CUV., Règn. Anim. Nouv. éd., T. II, p. 132.
2. De pos, perca cernua, LINN.; - CUV., Règn. Anim., T. II, p. 144.
3. Cottus gobio, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 162.
4. De stekelbaars , gasterosteus aculeatus, LINN.; - CUV., Règn. Anim., T. II, p. 170.
5. De stekelbaars, gasterosteus pungititius, LINN.; CUV., Règn. .Anim., T. II, p. 170.


B. Weekvinvisschen.

6. De karper, cyprinus carpio, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 271.
7. Het grundje, cyprinus gobio, LINN. ; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 273.
8. De zeelt, cyprinus tinca, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 273.
9. De brasem , de blei, de bliek, cyprinus brama , LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 274.
10. De kolblei, de kolbliek, cyprinus bjoerkna, LINN. (§) ; - CUV., Règn. Anim., T. II, p. 274.
11. De meun, cyprinus dobula, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p, 275?
12. De voren, eyprinus rutilus, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 275.
13. De serpeling, cyprinus leuciscus, LINN., CUV., Règn. Anim., T. II, p. 275.
14. De winde, cyprinus jeses, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 276 note.
15. Het alvertje, cyprinus alburnus, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 276.
16. De roetvoren , cyprinus erythrophthalmus , LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 276.
17. Half voren half alvertje, cyprinus dolabratus, NOB.; leuciscus dolabratus, HOLANDRE, CUV. et VALENC., Hist. Nat. des Poiss., T. XVII, p. 250.
18. De meerput, cobitis fossilis, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 278.
19. De snoek, esox lucius, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 282.
20. De kwabaal, gadus lota, LINN; CUV., Règn. Anim. T. II, p. 334.
21. De schieraal , de paling, de happer , enz. , muraena anguilla, LINN. ; - CUV., Règn. Anim., T. II, p. 349.

II. KRAAKBEENVISSCHEN.

22. De negenoog, petromyzon fluviatilis, LINN.; CUV., Règn. Anim., T. II, p. 404.


(*) Men vergelijke hiermede de Lijst der vischsoorten van den IJssel, bl. 11-15.
(§) Cyprinus blicca , BLOCH; cypr. Latus, GMEL.

OPMERKINGEN BETREFFENDE DEN HOUTING (salmo oxyrhinchus, LINN.).

Den 19 December 1845 ontvingen wij eenen houting (salmo oxyrhinchus, LINN.), gevangen op de toen ondergeloopene uiterwaarden van den IJssel, bij Zutphen. Het deed ons veel genoegen, dezen te ontvangen, daar het ons vroeger meer dan waarschijnlijk was voorgekomen, dat de visch, opgenomen in de Lijst van Dieren, die in de provincie Groningen gevonden worden(*), en daar genoemd adelvisch, salmo lavaretus, LINN. (**), geen andere dan onze houting zoude zijn. Wij waren in dit gevoelen versterkt, door dat de houting verkeerdelijk onder den naam van salmo lavaretus bij BLOCH is afgebeeld, Taf.XXV, en deze plaat, in de bovengenoemde Lijst van Groninger Dieren, als afbeelding van den salmo lavaretus LINN. is vermeld. Ten einde hierin zekerheid te erlangen, vergeleken wij de vrij uitvoerige kenteekenen van den salmo lavaretus LINN., in de Lijst voorkomende, met die van onzen houting, en deze kenmerken kwamen zoo nauwkeurig overeen, dat wij geen oogenblik aarzelden, dezen voor dezelfde soort te houden. De salmo lavaretus, LINN. behoort dus van de lijst onzer inlandsche visschen weg te vallen (***). De houting was reeds beschreven in de meergemelde Naamlijst van Nederlandsche Visschen (§).

Dezen houting verder onderzoekende, en er de maag van open snijdende, vonden wij daarin, tot onze groote verwondering, 64 kleine naakte landslakken (limaces) (§§). De houting had blijkbaar, bij den hoogen waterstand, het bed van de rivier verlaten, om op de ondergeloopene weilanden voedsel te gaan zoeken.- Dit leidt ons tot eene belangrijke opmerking, bij welke wij een oogenblik zullen stilstaan. Het onderzoek omtrent den houting, gegrond op en voorgelicht door de Natuurlijke Geschiedenis, doet ons regtstreeks tijd en plaats kennen, wanneer en waar deze visch kan gevangen worden, en geeft welligt bovendien tot het vangen van dezen een nieuw middel aan de hand. Het leert ons dus, beter dan alle redenering, den grooten invloed kennen, welken de natuurlijke geschiedenis der visschen op de visscherijen heeft, en toont ook tevens op de klaarblijkelijkste wijze de deugdelijkheid van den grondslag aan, waarop de Vereeniging tot bevordering der Inlandsche Ichthyologie berust, welke grondslag kortelijk en hoofdzakelijk daarin bestaat, om te trachten, door de uitbreiding van de kennis onzer inlandsche visschen, de visscherijen te verbeteren, en, door betere kennis van de visscherijen, op hare beurt, de natuurlijke geschiedenis onzer visschen toe te lichten en te helpen volmaken.
Even als de houting, bij hoog water, het bed van de rivier verlaat, om op de ondergeloopene landen voedsel te gaan zoeken, is dit mede met een aantal andere vischsoorten, vooral cyprini, het geval, terwijl ook vele roofvisschen, op hunne beurt, hetzelfde doen, om op deze visschen jagt te maken.- Raadpleegt men de visschers over het al of niet wenschelijke van het visschen op de overstroomde uiterwaarden, dan zeggen zij: dat deze visscherij, wat de rivieren betreft, onder de meest voordeelige behoort. - Het tijdelijk verlaten van het bed der rivier door de visschen is dus geenszins toevallig, maar is als een gevolg van hunnen aard en hunne levenswijze aan te merken.

Het vinden van slakken in de maag van den houting bragt ons nog op een ander denkbeeld. In verschillende en tevens geachte geschriften staat de houting als een groote roofvisch bekend, dat wil zeggen, als een visch, die geheel of voor een groot gedeelte van andere visschen leeft. Zoo vinden wij, onder anderen, door CUVIER aangeteekend (§§§): »de la mer du Nord de la Baltique, où il poursuit les bandes de harengs". Reeds door LINNAEUS was de houting opgenomen onder eene afdeeling of sectie van het geslacht salmo, welke zich daardoor onderscheidde, dat de soorten, die daar onder begrepen zijn, naauwelijks zigtbare tanden hebben (§§§§). Even zoo heeft CUVIER voor het ondergeslacht (sousgenre), waartoe de houting behoort, wat de tanden betreft, de volgende kenmerken opgegeven: »ont la bouche comme les précédents (*), et encore moins bien armée, car elle n'a souvent point de dents du tout." Het blijkt uit het een en ander, dat de houting, even als wij dit zelve hebben opgemerkt, onder die soorten van het zalmgeslacht behoort, waarvan de tanden zeer weinig ontwikkeld zijn; zelfs hebben wij in de kaken van den houting volstrekt geene tanden kunnen ontdekken. Nu mag men het bij ware roofvisschen voor eene noodzakelijkheid houden, dat zij eene levende prooi zoo lang met de tanden kunnen vasthouden, tot dat zij die hebben verslonden. Hiertoe rekenen wij den tandeloozen bek van den houting geheel ongeschikt, en is het, zoowel hierom, als wegens het vinden van enkel weekdieren in de maag van den houting, dat wij meenen van gevoelen te moeten dat hij geenszins tot de roofvisschen behoort, en dat dus het bovengestelde van CUVIER, dat de houting op den haring zoude jagt maken, op geene naauwkeurige waarneming berust. De oorzaak van deze dwaling kan men gedeeltelijk uit twee redenen verklaren. Vooreerst, wordt de houting, zoo ver ons bekend is, niet of ten minste zeer zelden in de Fransche wateren aangetroffen, waardoor eigene en volledige waarnemingen omtrent dezen visch in Frankrijk bezwaarlijker zijn. Ten tweede, is meermalen de houting met andere zalmsoorten verward, waardoor men al ligtelijk aan dezen visch eigenschappen heeft toegeschreven, die tot andere soorten behooren. Dat het voedsel van den houting zich veel tot weekdieren bepaalt, wordt ook nog bevestigd door een visscher, die ons verhaalde, zeer dikwijls houtingen te hebben schoongemaakt, doch in de maag nooit visschen, maar meermalen schelpdieren, te hebben aangetroffen.
Uit het een en ander vroeger gestelde, meenen wij de volgende besluiten te mogen trekken:
1°. Dat, zoo de houting zich al somtijds met visch moge voeden, deze niet dan zeer klein zal zijn, en daardoor weinig weerstand kan bieden.
2°. Dat het voedsel van den houting zich voornamelijk tot weekdieren en dergelijke zelfstandigheden bepaalt (++).
3°. Dat de houting niet kan geacht worden, jagt op den haring, of op andere visschen, te maken.

(*)Natuurl. Verh. Holl. Maatsch. Wet., D. XV, St.II, bl. 332.
(**) De naam van adelvisch treft men reeds bij HOUTTUYN aan, en is ontleend van den visch, albula nobilis genoemd. Ziet HOUTT., Nat. Hist.., D.I, St. VIII, bl. 206, en CUVIER, Règn. Anim. Nouv. édit., T. II, p. 307, note.
(***) Hetzelfde geldt dus ook van den salmo lavaretus LINN., opgenomen in de Initia Faunae Groninganae, Tweede Vervolg, bl. 3.
(§) Natuurk. Verh. Holl. Maatsch. Wet., D.XIII, St. II, bl. 62.
(§§) Zij behoorden allen tot den limax rufus, Auctorum. (§§§) CUV., Règn. Anim. Nouv. éd., T.II, p. 307.
(+) » Coregoni Dentibus vix conspisius." Syst. Nat. Edit. duod. Tom. I, p. 512.
(++) Volgens HOUTTUYN zoude de houting geschotene kuit van haring verslinden. Met dit gevoelen kunnen wij ons beter vereenigen.


HET STOLPEN.

In en om Zutphen maakt men wel eens gebruik van eene visscherij, die wij, hoewel zij zeer eenvoudig is, niet willen voorbijgaan, ten einde onze visscherijen, zoo veel mogelijk, volledig te behandelen. Wij bedoelen het stolpen. Men neemt voor deze visscherij eene gewone teenen mand, zonder bodem, van middelbare grootte (*), en snijdt er de beide ooren af. Indien men zulk eene mand voor het stolpen gebruikt, wordt die een stolpmand genoemd. Men begeeft zich met deze in eenig ondiep water, hetwelk niet dieper dan twee voet mag zijn. Indien men vermoedt, dat zich ergens visch onthoudt, zet men de omgekeerde mand, als eene stolp, op die plaats in het water, en voelt dan met de hand, die men van boven insteekt, of zich ook visch in de mand bevindt, welke men er dan uitneemt, waarop men weder op dezelfde wijze voortgaat. De geschiktste plaats om deze mand alzoo omgekeerd op den bodem van het water te zetten, is daar, waar zich waterplanten of ruigte bevindt, dewijl men aldaar de meeste kans heeft van visch te zullen aantreffen en de visch met de stolpmand het best kan gevangen worden. Hoewel het stolpen te Zutphen verboden is, vischt men op deze wijze, behalve buiten deze stad, ook wel eens daar binnen, in de Beek, zijnde dat gedeelte van de Berkel, hetwelk door de stad loopt.

Doorgaans vangt men met de stolpmand alleen kleine visschen, meest baars en voren. Echter verhaalde mij een visscher, dat men daarmede ook wel snoeken van drie pond kon vangen.

Het gebruik om met manden te visschen bepaalt zich echter niet alleen tot Zutphen. Wij herinneren ons, onder anderen, verscheidene jaren geleden, eene diergelijke visscherij op forellen (salmo fario, LINN.), in de rivier de Geul (**), te Gulpen, in de provincie Limburg, te hebben bijgewoond. In korten tijd had men toen verscheidene forellen gevangen, waaronder van omstreeks een en een halven voet lengte. Het kwam ons voor, dat het vangen van forellen met manden dáár eene zeer gebruikelijke visscherij was.

(*) Eene halve mudsmand of eene halve ankers wijnmand; deze laatste is hiervoor wel het geschiktste.
(**) De Geul loopt beneden Maastricht, tegen over Rekkum, in de Maas. Iemand verhaalde ons onlangs, dat de forellen in deze rivier aanmerkelijk waren verminderd. Behalve de forel, wordt ook nog - dit zij in het voorbijgaan gezegd - in deze rivier aangetroffen de Esch (salmo thymallus, LINN.), welke laatste niet voorkomt in de meer gemelde Naamlijst van Nederlandsche Visschen door BENNET en VAN OLIVIER.

WAARNEMING OMTRENT EENE SOORT VAN STEKELBAARS (gasterosteus aculeatus, LINN.).

In den zomer van 1845, haalden wij uit het water bij ons huis eenen stekelbaars met drie rugstekels (gasterosteus aculeatus, LINN.), die alle blijken droeg van spoedig te moeten kuitschieten. Wij plaatsten dezen visch in eene gewone waschkom. Ten einde de kuitschieting te bevorderen, deden wij er tevens eene plant van de waterviolieren (hottonia palustris, LINN.) bij. Den derden dag, in den morgen, nadat de stekelbaars in de kom gedaan was, had hij reeds kuit geschoten. De geschotene kuit had eene bolvormige gedaante, ter grootte van ruim eenen knikker, en bovendien was zij met eene soort van draad aan de waterviolier vastgemaakt. De eitjes waren doorschijnend en groot, in vergelijking van den visch; welke laatste bijzonderheid ook door CUVIER (*) is vermeld. Den volgenden dag nadat de kuitschieting had plaats gehad, kon men bespeuren, dat de stekelbaars reeds eenige van zijne eitjes had verslonden, en op den derden dag was de geheele kuit verdwenen. Dit was te zeer opmerkelijk, daar zich in dezelfde kom vele waterinsecten bevonden en er bovendien nog een zeer klein vischje in zwom, hetgeen hij echter onaangeroerd liet. Men heeft menigmaal en te regt gewezen op het groote nadeel, dat door de stekelbaarzen, wegens hunne talrijkheid en groote gulzigheid, aan vischwater toegebragt wordt (§); welligt zoude men uit onze waarneming de gevolgtrekking kunnen afleiden, dat, door het verslinden van hunne kuit, aan de te groote vermenigvuldiging van de stekelbaarzen paal en perk wordt gesteld (+). Echter mag men niet geheel over het hoofd zien, dat onze visch zich in de waschkom, in eenen tegennatuurlijken toestand bevond.

(*) CUV. et VALENC., Hist. Nat. des Poiss., T. IV, p. 484.
(§) Idem, p. 485.
(+) Dat de kuiters van de stekelbaarzen met groote gretigheid hunne eigene kuit verslinden, is mede waargenomen door COSTE. Vergel. Algem. Konst- en Letterbode van 1846, D. I, bl. 408.
De stekelbaarzen zijn ook zeer belust op kikvorscheitjes. Dit bleek ons in het voorjaar van 1846, toen wij eene groote hoeveelheid van deze eitjes, afkomstig van de rana temporaria, LINN., in een zeker water hadden overgebragt. Bij geheele scholen kwamen deze visschen dagelijks op die eitjes aan, en verslonden daarvan het grootste gedeelte.

EENIGE BIJZONDERHEDEN, BETREFFENDE DEN SPIERING OP DEN IJSSEL.

De spiering (salmo eperlanus, LINN.) behoort, even als vele andere soorten van het geslacht salmo, LINN., tot de ware trekvisschen. Deze visch wordt, behalve in andere wateren van ons vaderland, veel in de Zuiderzee aangetroffen. Het grootste gedeelte van zijn leven houdt hij zich in deze zee op (*).
Wanneer, in Februarij (§) en Maart, de kuit van de kuiters en de hom van de hommerds genoeg ontwikkeld is, zoodat de tijd van kuitschieting begint te naderen, worden deze spieringen, door eene onweerstaanbare natuurdrift (instinct), gedreven naar plaatsen, die voor hunne wijze van kuitschieting meer geschiktheid hebben, dan die, waar zij zich gewoonlijk ophouden. Zij kiezen daar voor inzonderheid den IJssel. Deze rivier is de grootste en belangrijkste, die zich in de Zuiderzee uitstort. De vele monden, die men bij den uitloop van deze rivier opmerkt, en die hier eene ware delta vormen, noodigen, als het ware, de spieringen uit, om haar op te zwemmen. Dit opzwemmen wordt vooral bevorderd, wanneer, door sterke weste- of noord westen-winden, het water in deze rivier wordt opgedreven. - Het is in het algemeen niet gemakkelijk al de redenen na te gaan, waarom vele trekvisschen uit zee de rivieren opzwemmen, doch zeker is het, dat, ofschoon de spieringen in den IJssel eenen vrij sterken stroom vinden, de geschotene kuit aldaar niet aan dien zwaren golfslag blootgesteld is, dien zij in zee zou te duchten hebben; bovendien zijn de oevers van deze rivier, op een aantal plaatsen, overvloedig van rijswaarden en kribben voorzien, die eene zeer geschikte gelegenheid voor de spieringen aanbieden, om daar tegen hunne geelachtige kuit te schieten en te bevestigen.
Bij het trekken der spieringen heeft misschien eene zekere orde plaats, zoo als men dit bij vele andere trekvisschen, als ook bij trekvogels,opmerkt, doch door de kleinheid der visschen, door het troebele van het water, vooral bij hoogen waterstand, en daardoor dat zij bij het opzwemmen meest de diepte houden, wordt veroorzaakt, dat dit niet gemakkelijk waar te nemen is; zeker is het, dat de visch den sterksten stroom zoekt en dat de grootste spiering het eerst gevangen wordt. Zwemt de spiering langs den oever en is hij daarbij overvloedig, dan schijnt het water blaauw. Hij zwemt de rivier niet veel hooger op, dan tot Doesburg; slechts zelden wordt hij op den Rijn gevangen.
Daar, in het algemeen, voor de trekvisschen, de tijd, waarop zij behoefte gevoelen, om eene geschikte plaats, voor hunne kuitschieting op te zoeken, tot die, waarop zij werkelijk kuitschieten, bepaald is, zoeken zij met den meesten aandrang de plaatsen, daartoe geschikt, te bereiken; doorloopen dikwijls, in het zwemmen, in korten tijd, aanmerkelijke afstanden, en trachten de hinderpalen te overwinnen, die de natuur of de visschers hun in den weg gelegd hebben. Het kan dan ook niet verwonderen, dat het trekken voor de visschen eene hoogst vermoeijende inspanning vereischt, vooral indien buitengewone en hunne krachten te bovengaande omstandigheden, gedurende hun trekken, plaats vinden, zoo als storm en bijzonder hooge waterstand, door welk laatste de snelheid van den stroom aanmerkelijk toeneemt. Het was dan ook aan deze twee omstandigheden, vooral aan de laatste, toe te schrijven, dat in het voorjaar van 1846 slechts weinige spieringen te Zutphen gevangen werden en dat zij daarentegen twee of drie uur beneden Deventer in genoegzaam aantal aanwezig waren, bovendien, dat den eenen dag aldaar vrij wat spiering gevangen werd, doch den daarop volgenden bijna niets, doordien de visch toen genoodzaakt was geworden, zich met den stroom te laten afzakken. - Na den langdurigen winter van 1844 op 1845 word eerst in April te Zutphen spiering gevangen.
Zoodra de kuitschieting is afgeloopen, zakt de spiering in Mei wederom de rivier af. Een groot aantal van deze sterft op den terugtogt, en men ziet er alsdan bij duizenden in de rivier drijven of op de wellen (i) liggen, welke laatste dan door de reigers gretig worden verslonden. Dit sterven moet men toeschrijven aan hunne vermoeijenis door het trekken, gevoegd bij die der kuitschieting; misschien is echter ook voor velen nu het leven geëindigd. Wij meenen ook dit laatste gevoelen te eerder te mogen aannemen, daar wij gelooven den spiering geen lang leven te kunnen toeschrijven.

De spiering wordt somtijds in groote hoeveelheden op den IJssel gevangen. Zoo werden in het jaar 1841, alleen van Zutphen, zeven karren en wagens met dezen visch bevracht, naar Arnhem en Nijmegen gezonden. - Beneden op de rivier worden zij ook wel door Noordhollandsche schippers opgekocht (ii).

Bij het opzwemmen, wordt de spiering te Zutphen gewoonlijk met de zegen en de spieringfuik gevangen. Ook gebruikt men wel voor deze visscherij het slaghaam en het kruisnet. De visscherij duurt te Zutphen hoogstens zes weken, van half Maart tot Mei.

(*) Namelijk acht maanden: van Junij tot Januarij. Een zeer groot getal zal echter wel het geheele jaar in de Zuiderzee blijven.
(§) Te Zutphen wordt de spiering weinig in Februarij, en dan nog in de allerlaatste dagen van deze maand, gevangen.
(+) Door wellen verstaat men hier de zachtglooijende oevers van de rivier, die bij laag water spoedig droog worden.
(i) Vergel. Statistieke Bewschrijving van Gelderland. Arnhem, 1826, bl. 508.
(ii) CUV. Règn. Anim. Nouv. éd., T. II, p. 319.

DE WERPLIJN.

In den omtrek van Zutphen maakt men wel gebruik van een zeer eenvoudig vischtuig, hetwelk werplijn genoemd wordt.
De werplijn bestaat uit een driedraads touw, van tien tot twaalf vademen lang(*), aan het eene einde van welk touw zich eene lis bevindt, ten einde daaraan eene houten pin te kunnen vastmaken; aan het andere einde daarentegen is een van koperdraad gevlochte stropje, in het bovenste oog van hetwelk zich een dubbele koperen haak bevindt, zoo als men dit een en ander voor den fleur of de zetlijn gebruikt. Op den afstand van ongeveer een en een halven voet van dit stropje is eene kurk van eene gewone flesch aan het touw geregen, en eenige voeten verder bevindt zich daaraan een loodje, dat naar willekeur langs het touw kan verschoven worden. Men gebruikt voor deze loodjes nu eens een plat stukje lood, hetwelk men oprolt, dan eens worden ze door de visschers opzettelijk gegoten. Deze doen dit wel op de volgende wijze: zij rollen daartoe eene speelkaart, in de lengte, op een rond houtje van een Nederl. duim dikte op, en naaijen vervolgens de opgerolde kaart vast, zoodat zij zich niet weder kan ontrollen. Dit gedaan zijnde, nemen zij het ronde houtje er uit, en steken de opgerolde kaart regt overeind in droog zand; waarna zij met dit zand tot boven toe wordt aangehoogd. Daarna wordt een dun groen houtje, in het midden door de ronde opening van de kaart heen, mede in het zand gestoken, ten einde er, bij het gieten, eene opening in het lood zoude overblijven. Vervolgens smelt men zoo veel van dit metaal, als noodig is, om de opening van het kaartenblad geheel te kunnen vullen. Het gesmolten lood er in gegoten en bekoeld zijnde, wordt het half verschroeide kaartenpapier van het lood afgenomen en het stokje er uitgehaald. Men heeft alsdan een rolletje verkregen van ongeveer zeven Nederl. duimen lang en een Nederl. duim dik, en in zijne geheele lengte met een gat doorboord. Uit zulk een rolletje lood kan men dan, door het met een mes dwars door te snijden, vijf of zes loodjes, voor eene werplijn geschikt, verkrijgen. De scherpe kanten van deze loodjes moeten echter nog eerst rond worden bijgevijld.

Is de werplijn gereed gemaakt, dan moet zij behoorlijk worden opgewonden. Men legt daartoe met de regterhand het einde van de lijn, waaraan zich de houten pin bevindt, tusschen den duim en den wijsvinger van de opene linkerhand, en wel zoodanig dat de pin tusschen deze twee vingers naar buiten afhangt. Men windt vervolgens met de regterhand het touw om den duim en den pink heen, zoo als wij dit vroeger uitvoerig bij den aalreep beschreven hebben (**). Hierdoor kruist zich het touw gedurig en wordt verwarring voorgekomen, dat inzonderheid bij de werplijn van veel belang is. Is deze, op weinig touw na, tot aan het stropje opgewonden, dan neemt men het opgewondene touw van de linkerhand af, legt dit tegen de houten pin aan, en bindt, met het overige van het touw, het opgewondene met de pin te zamen vast.

Wil men met de werplijn gaan visschen, dan begeeft men zich, met deze en met een blikken emmertje, waarin zich kleine levende visschen bevinden, naar eenig stilstaand water, waarin men weet of vermoedt, dat zich snoek onthoudt. Is men op eene geschikte plaats gekomen, dan maakt men het opgewondene touw van de pin los, steekt deze laatste in den kant van het vischwater en legt het grootste gedeelte van het losgemaakte, doch nog opgewondene touw, bij de pin, op den grond neder. Is dit verrigt, dan slaat men een vischje, op gelijke wijze als dit bij den fleur of de zetlijn geschiedt, aan den haak van de werplijn. Daarna legt men het overige van het opgewondene touw op de holle regterhand, terwijl men zorgt, dat het loodje en de kurk zich daar boven op bevinden. Op het touw wordt vervolgens het vischje, met den haak naar boven gekeerd, gelegd, ten einde het haken in het touw te voorkomen, terwijl men dit vischje met den duim een weinig vast houdt en zoo min mogelijk drukt. Met de linkerhand daarentegen houdt men het touw vast, boven de plaats, waar het opgewondene op den grond ligt.
Alles is nu gereed, om, zoo als het woord werplijn dit zelf reeds uitdrukt, deze uit te werpen. De visscher keert zich daartoe met het aangezigt naar het vischwater, en werpt nu het vischje, zoo ver hij kan, in hetzelve. Indien men echter het vischje in eene regte lijn voor zich uitwierp, zoude er ligt verwarring in de lijn kunnen ontstaan, en deze zoude ook nog bovendien achter de kurk of het loodje kunnen haken. Om dit, zoo veel mogelijk, te voorkomen, beweegt men, onder het uitwerpen, de regterhand een weinig naar de linkerzijde, waardoor die regterhand eene flaauwe bogt beschrijft. Het vischje, het zwaarste zijnde, valt het meeste links in het water, terwijl het touw tot aan het loodje meer de regterzijde blijft houden, waarop de lijn dus ook met eene flaauwe bogt op het water nedervalt. Door deze wijze van handelen en door alles behoorlijk op de regterhand te leggen, wordt het verwarren voorgekomen. Het goed te water brengen van de werplijn vordert oefening, en slechts weinige visschers kunnen dit steeds zonder verwarring doen. Tot meerdere duidelijkheid geven wij hieronder de afbeelding, hoe de werplijn op het water valt.
Zoodra de lijn is uitgeworpen zakt zij, tot aan het loodje, op den bodem van het water. Het gedeelte van het touw, dat zich tusschen het loodje en de kurk bevindt, wordt door de laatste regt overeind in het water gehouden, terwijl ook door deze zelfde kurk het vischje belet wordt, naar den bodem te zwemmen, en zich alleen daar om heen kan bewegen. De afstand van het loodje tot de kurk regelt zich naar de diepte van het water, daar het vischje nimmer tot aan de oppervlakte mag komen. - Om dit een en ander zoo duidelijk mogelijk voor te stellen, hebben wij gemeend, niet beter te kunnen doen, dan om de doorsnede van eenig vischwater met de daarin geworpene werplijn hier af te teekenen.
Als een snoek aan het vischje bijt en daar mede wegzwemt, neemt dit natuurlijk de kurk en het loodje mede, terwijl bovendien het nog opgewondene doch losgemaakte touw, hetwelk op den kant ligt, meer of minder tot aan de houten pin uitloopt, aan welk uitloopen en strak staan van de lijn men dan ook bemerken kan, of er een visch aan den haak is. Daar de snoek vrijelijk, en zonder zulks te bemerken, met het loodje moet kunnen wegzwemmen, mag dit niet zwaarder zijn, dan noodig is.
Voor het visschen met de werplijn is het eene eerste noodzakelijkheid, dat de plaats van het water, waar men die uitwerpt, van ruigte of roet bevrijd is, daar het vischje zich anders daarin ligtelijk vastdraait. Dit bepaalt dan ook den tijd, waarop men het geschiktste met de werplijn kan visschen, namelijk, het late najaar, het vroege voorjaar, of den winter, bij open water. Het is toch in die tijden van het jaar, dat men meer verzekerd kan zijn, door geene waterplanten belemmerd te zullen worden. Men mag hierbij ook niet uit het oog verliezen, dat de snoek alsdan meer de diepte houdt, en daardoor beter met de werplijn kan worden gevangen.
Alleen in stilstaand water kan men de werplijn gebruiken, daar de bogt van de lijn anders te gemakkelijk door den stroom wordt medegesleept.
De werplijn is bestemd voor het vangen van snoek. Echter kan men 'er ook verschillende andere roofvisschen van onze zoete wateren, zoo als baars, paling en puit- of kwabaal, mede vangen.

Veel overeenkomst heeft de werplijn met den fleur of de zetlijn. Zij heeft boven deze laatste de voordeelen, dat zij eenvoudiger is, en daardoor zich veel gemakkelijker overal laat medenemen; dat men 'er tot in het midden van eenig water, hetwelk niet al te breed is, mede kan visschen, en dat men niet gemakkelijk zien kan, waar zij uitstaat, vooral indien men eenig los gras legt op het touw dat op den kant van het vischwater ligt. De fleur heeft daarentegen boven de werplijn voor, dat zij zoowel in loopend, als in stilstaand water, kan uitgezet worden en dat men haar in het warme jaargetijde vooral met vrucht kan gebruiken.

De gemakkelijke wijze, waarop de werplijn overal kan medegenomen worden, de bedekte wijze, waarop zij des nachts kan worden gebezigd, en de moeijelijkheid, om eene werplijn, door stroopers uitgeworpen, te kunnen vinden, maken het niet raadzaam, haar gebruik toe te laten, en wij houden het er dus voor, dat dit vischtuig onder het ongeoorloofde behoorde te worden opgenomen.

Wij hebben tot dus verre bij de beschrijving van ieder vischtuig opgegeven, of het ons voorkwam tot het geoorloofde of niet geoorloofde te moeten behooren, en hebben telkens de redenen daarbij opgenoemd, die ons tot dit besluit bragten. Wij zullen hiermede ook in het vervolg voortgaan. Door eene uitvoerige beschrijving to geven van het voor de visscherij schadelijke vischtuig, loopt men, wel is waar, gevaar, dat het gebruik daarvan eenigzins zoude kunnen toenemen; doch om van zoodanig tuig het gebruik te kunnen tegenaaan, is het noodzakelijk, dat het ook in al zijne deelen bekend worde, terwijl men bovendien, zulk een vischtuig beter kennende, ook des te gemakkelijker voor hetzelve op zijne hoede kan zijn.

(*) Men kan voor dit touw ook, en misschien beter, gordijn koord gebruiken, hetwelk sterker is. Het heeft echter het nadeel van nat wordende meer en langer te krinkelen.
(**) Bl. 23.

W.P. Van den Ende (1847) bericht in NOG EENIGE BIJZONDERHEDEN, BETREKKELIJK DEN SPIERING OP DEN IJSSEL, het volgende:
De aankomst van den spiering wordt jaarlijks , door vele bewoners aan de boorden van den IJssel, met verlangen te gemoet gezien ; niet alleen toch , dat deze visch de naderende lente aankondigt en aan menigeen werk en brood verschaft , maar ook, daar ze meermalen in groote hoeveelheden gevangen en tevens tot geringen prijs verkocht wordt , is dit geacht vischje voor velen een gewenscht voedsel en wordt het onder allerlei standen met smaak genuttigd. Men kan reeds daaruit eenigzins afleiden , hoezeer de aankomst van den spiering, als het ware, in het maatschappelijk leven is ingeweven, dat de maartsche buijen, die om dien tijd gewoonlijk heerschen , hier meermalen spierlingbuijen (*) genoemd worden. - Het is als eene gunstige beschikking der Voorzienigheid aan te merken , dat vele soorten van visschen de eigenschap hebben, om uit zee hoog de rivieren op te zwemmen , waardoor de rivierbewoners in de gelegenheid zijn , om vele vischsoorten gemakkelijker, goedkooper en beter te verkrijgen, dan indien zij die steeds uit zee moesten bekomen ; ook wordt daardoor tevens het nut, dat deze visschen verschaffen, op eene grootere schaal uitgebreid.

De spiering werd dit jaar (1847) eerst den 21 Maart te Zutphen gevangen. Den volgenden dag ontvingen wij een vijftigtal, dien morgen met de zegen, bij eenen waterstand van vier en een halven voet, gevangen. Zij waren levend uit de kaar geschept en dadelijk aan ons toegezonden , zoodat wij ze zoo versch mogelijk ontvingen.
Daar het nu in het begin van den rijtijd was, droegen zij daarvan alle kenmerken. Vooreerst, hadden alle deze spieringen, over het geheele ligchaam , dat is , op het lijf, de vinnen, zelfs de vetvin niet uitgezonderd , en op den kop, natuurlijk de oogen uitgesloten, tallooze doorschijnende verhevenheden , even als men iets dergelijks bij vele soorten van cyprini in den rijtijd opmerkt ; ten tweede, hadden zij langs den geheelen blaauwachtig groenen rug, streepsgewijze, een schoonen goudglans, geschakeerd met een weerschijn van de bovengenoemde kleuren. Meest allen hadden bovendien op den rug kleinere of grootere licht bruinachtig gele plekken , waardoor zij zich meer of minder als bont voordeden ; waar deze plekken waren, vertoonde zich vooral de goudglans. Ten derde , waren de spieringen , over het algemeen , veel donkerder gekleurd , dan men dit buiten den rijtijd opmerkt. Naar gelang men de visschen vangt in een later tijdperk van hunnen rijtijd, worden deze kleuren lichter.
Twaalf van de grootste van deze spieringen geopend hebbende, bleek het ons, dat deze allen hommerds waren , die hier veel met den naam van melkers worden bestempeld. Deze naam ontleent zijnen oorsprong van het homvocht, hetwelk meestal bij de visschen een wit melkachtig aanzien heeft, en daarom melk genoemd wordt. Onze overige visschen bij deze twaalf hommerds of melkers vergelijkende, bleek het ons, dat het allen hommerds waren , en dat zich dus onder dezelve , hoewel zij niet waren uitgezocht , geene enkele kuiter bevond. Hoe vreemd dit verschijnsel ook in den eersten opslag schijnen moge, is het echter wel te verklaren. De hommerds bij den spiering onderscheiden zich gemakkelijk van de kuiters, door hunne meerdere smalheid , vooral in den rijtijd , en het is dus niet te verwonderen , dat de hommerds gemakkelijker het water klieven en de kuiters in het zwemmen vooruitkomen. Wij namen bij deze hommerds waar, dat hunne gemiddelde hoogte zes en een halfmaal in hunne geheele lengte is begrepen.
Wij hebben in de vroegere mededeeling over den spiering (§) opgemerkt , dat het trekken voor de visschen afmattend is. Nu hebben wij daarvan nog eene andere oorzaak op te geven. De ware trekvisschen, door hunne natuurdrift, met den meesten aandrang, naar plaatsen, voor hunne kuitschieting geschikt, gedreven wordende, en meestal in digte scholen op een gedrongen, zoeken, gedurende dit tijdperk van hun leven, weinig of geen voedsel, ja zijn, naar ons inzien, zelfs niet of slechts weinig daartoe in de gelegenheid. Ten einde dit, zoo veel mogelijk , bij den spiering te kunnen waarnemen, onderzochten wij naauwkeurig de ingewanden van de twaalf bovengenoemde spieringen, en het bleek ons daaruit, dat in al de magen, van deze visschen zich volstrekt geene vloeibare of vaste zelfstandigheden bevonden, zelfs waren zij zoo zuiver, als of zij uitgewasschen waren. In de darmen van enkele waren slechts vloeistoffen aanwezig, door de gal groenachtig geel gekleurd. Het is eene opmerking, die reeds vroeger gemaakt is, dat bij hommige trekvisschen, onder het trekken, de galblaas dikwijls meer of minder ledig wordt, waarvan de oorzaak kan zijn, òf dat zij geene gal behoeven als er geene stoffen tot bereiding in de ingewanden aanwezig zijn, òf dat de gal , door het weinig of niet gebruiken van voedsel, misschien ook daardoor alleen minder uit het bloed, door middel van de lever, wordt afgescheiden. Bij onze spieringen was de galblaas middelmatig van gal voorzien, en bij sommige meer dan wij dit zelfs gedacht hadden. - Daar bij vele schrijvers gevonden wordt, dat de oorzaken van het trekken der visschen , gedeeltelijk, ook gelegen zijn in de behoefte om voedsel te zoeken, gelooven wij, dat men deze reden niet dan zeer schroomvallig en na herhaald naauwkeurig onderzoek mag aannemen , en dat men daarentegen eerder bevinden zal, dat de kuitschieting hiervan steeds de voorname oorzaak is. Het opsporen van de ware oorzaken bij het trekken der visschen is daarom te gewigtiger, daar het, over het algemeen, op deze visschen is, dat bij ons belangrijke visscherijen plaats vinden, en het dus van te meer belang is, juist deze in hunne geheele huishouding, zoo veel mogelijk, naauwkeurig te leeren kennen.

Den 29 Maart, en dus eene week later, ontvingen wij wederom spiering, doch nu een honderdtal, even als de vorige, dien morgen in den IJssel, bij Zutphen, gevangen en weder levend uit de kaar geschept. Onder deze begonnen zich nu eenige kuiters te vertoonen , zijnde er onder de gevangene in het geheel tien, dat is een tiende van alle visschen, die wij toen ontvangen hadden. Ons is verzekerd , dat nog later in den tijd er meer kuiters dan hommerds worden gevangen. De kuiters lieten zich gemakkelijk uitwendig van de hommerds onderscheiden. Bij de eersten toch waren de doorschijnende verhevenheden, op verre na, zoo groot en ook zoo algemeen niet , als bij de hommerds, over het geheele ligchaam verspreid ; de zijden , onder anderen , waren glad en hadden een schoonen zilverglans ; de buik , die bij de hommerds eenigzins scherp toeloopt , was bovendien bij de kuiters rond; de kleuren op den rug en de weerschijn waren bijna even zoo als bij de hommerds ; zoo wel van hommerds als van kuiters waren zij echter reeds een weinig lichter.
Uit de twee bezendingen van spieringen de grootste uitgezocht hebbende, geven wij hiervan de volgende Tabel, ten einde daaruit hunne lengte en hun gewigt zoude kunnen blijken.
GESLACHT.LENGTE.
NEDERL. EL.
GEWIGT.
NEDERL. POND.
Hommerd.0,2200,065
"0,2150,057
"0,2150,063
"0,2150,060
"0,2140,067
"0,2130,069
"0,2120,058
"0,2080,058
Kuiter.0,2130,069
"0,2000,055
Het volgt uit deze Tabel, dat men het er voor houden mag, dat de grootste lengte van den spiering op den IJssel gewoonlijk weinig meerder dan twee Nederl. palmen bedraagt, terwijl hun gewigt geen zeven Nederl. looden bereikt (+).
Het is eene opmerking, dikwijls bij vele vischsoorten te maken, dat de kuiters grooter zijn, dan de hommerds. Bij de spieringen echter hebben wij weinig verschil tusschen de grootte van de beide geslachten kunnen opmerken ; zelfs kwam het ons, over het algemeen , voor, dat de kuiters iets kleiner waren , dan de hommerds. Bij deze kuiters in den rijtijd was gemiddeld de hoogte zes of vijf en een halfmaal in de geheele lengte begrepen.
Wij hebben vroeger gezegd (**), dat de grootste spieringen het eerst gevangen worden. Tusschen de twee bezendingen, den 22 en den 29 Maart ontvangen, was reeds eenig verschil in de grootte op te merken ; die van de eerste bezending waren genoegzaam allen van ééne grootte, onder de tweede bevonden zich reeds vele kleinere.
Van de tweede hoeveelheid , voor zoo ver wij dit onderzocht hebben, waren de magen wederom geheel ledig, terwijl zich in de darmen slechts zeer weinige vloeistoffen bevonden. De galblazen waren daarentegen goed van gal voorzien, en deze was donker gekleurd. De spieringvisscherij op den IJssel, bij Zutphen, is dit jaar middelmatig te noemen. In het begin werden, gedurende eenige dagen, met de zegen 300 tot 400 pond in éénen trek gevangen ; spoedig echter verminderde de vangst aanmerkelijk, zoodat zij tot 30 en 40, ja zelfs tot slechts 3 pond in éénen trek afdaalde. Evenwel heeft de spiering ook reeds weder in dit jaar, vooral in dezen duren tijd, aan menigeen, inzonderheid aan den gemeenen man, een aangenaam, gezond en goedkoop voedsel verschaft.
De spiering, die op de Zutphensche vischmarkt verkocht wordt, is, òf IJsselspiering, die te Zutphen, of lager op de rivier, te Deventer, Olst, Wijhe en Veessen , gevangen is geworden , òf zeespiering , die des winters van Harderwijk wordt aangevoerd en van de Zuiderzee afkomstig is.
De prijs van den IJsselspiering, levend uit de kaar geschept , is gewoonlijk in het eerst van de vangst ƒ0,15 het pond; zijnde er in een pond gemiddeld elf spieringen. Later wordt deze zelfde spiering voor ƒ0,05 of ƒ 0,06 het pond, verkocht. Op de vischmarkt te Zutphen verkoopt men den spiering in mandjes voor ƒ 0,10 tot ƒ 0,18 ; in zulk een mandje zijn 30 tot 40 spieringen. De zeespiering loopt daar gewoonlijk hooger in prijs.

(*) In en om Zuiphen noemt men den spiering spierling.
(§) Bl. 53.
(+) Een visscher verzekerde ons echter, eens eenen spiering uit den IJssel gezien te hebben, die een vierendeel pond woog.
(**) Bladz. 53.

De Aal

HET GEBRUIK VAN AALS- EN PALINGVELLEN.

Reeds geruimen tijd geleden, heeft men van aals- en palingvellen in den landbouw eenig gebruik gemaakt. Immers zeide de natuuronderzoeker JOB BASTER (*), in zijne Verhandeling over de Bekleedselen van de Huid der Dieren in 't algemeen, en bijzonder over de schubben der Visschen: "de taaije huid van aalen en palingen geeft de sterkste banden voor de dors-vlegels." Deze verhandeling zag reeds in 1762 het licht. HOUTTUYN (**) geeft mede te kennen, dat deze vellen voor dorschvlegels gebruikt worden.

Voor wij tot de beschouwing zullen overgaan, of het gezegde van BASTER door de ondervinding bevestigd wordt, zal het niet ongepast zijn, kortelijk het een en ander betrekkelijk den dorschvlegel mede te deelen, ten einde zoude kunnen blijken, wat men eigenlijk door deze banden te verstaan hebbe en hieruit beter af te leiden, in hoeverre het gebruik van deze vellen daartoe is aan te raden.
De dorschvlegel, zoo als die om Zutphen gebruikt wordt, en waarvan de zamenstelling, wat de voornaamste deelen betreft, wel door ons geheele rijk dezelfde wezen zal, bestaat uit vier hoofddeelen, welke alhier de namen dragen van: de staf, de kap, de vlegelklop en de worgel. De staf is de stok, dien men in de handen houdt. De kap bestaat uit eene smalle buigzame strook hout, of ook wel uit eene reep leder, die in beide gevallen met twee lederen riempjes om het einde van den staf stevig is bevestigd; welke riempjes zich boven en beneden een rond dik leertje bevinden, hetwelk om den staf is vastgemaakt. Dit leertje dient, om het afglijden van de kap te voorkomen, terwijl deze laatste ongehinderd om hetzelve kan ronddraaijen. Is de kap van hout, dan is deze aan iedere zijde, op twee plaatsen, waar zij met de riempjes op den staf wordt vastgebonden, ingekeept; is daarentegen de kap van leder, dan zijn deze riempjes er door heengestoken, of, zoo als men dit noemt, genaaid. Het rond of kantig stuk hout, waarmede het graan geslagen wordt, heet de vlegelklop, of ook wel alleen de klop. In het eene einde van dezen vlegelklop bevindt zich dikwijls een gat, ten einde hierdoor en door de kap van den staf, den band te steken, die beiden verbinden moet; somtijds is er echter ook eene kap van leder aan den vlegelklop, en alsdan wordt door deze de band gestoken. De band, die den vlegelklop met den staf verbindt, wordt de worgel genoemd, en het is deze, waarvoor men, in plaats van leder, meermalen aals- of palingvellen gebruikt.
De riemen van paardenleder, die voor de dorschvlegels gebruikt worden, en waaruit men al het benoodigde voor de kappen van dit werktuig snijdt, zijn, zoo als zij in den handel voorkomen, strooken van een hand breed, die al smaller en smaller toeloopen en tevens dunner worden. Het breedere en dikkere gedeelte van zulk eenen riem wordt gebruikt voor de kappen, het middelste voor de worgel, het dunnere en smalle voor de riempjes. Zeer verschillend is de hoedanigheid van de riemen; meermalen is het leder vlossig, en dikwijls gebeurt het dat, na zes weken eenen dorschvlegel gebruikt te hebben, de worgel onder het dorschen breekt, of, zoo als men dit noemt, men er doorslaat. Een riem kost gewoonlijk ƒ 0,35 , ƒ 0,40 tot ƒ 0,45 ; aan zulk een heeft een boer, die met vijf man dorscht, gemiddeld een jaar genoeg.

Wij hebben de opmerking gemaakt, dat om Zutphen, bij het dorschen, meermalen van aals- en palingvellen gebruik gemaakt wordt, en dat men dit zeker meerder zoude doen, indien deze vellen steeds gemakkelijker te verkrijgen waren. Algemeen wordt het er hier overigens voor gehouden, dat voor worgels de vellen van den aal en paling veel duurzamer zijn, dan die van paardenleder; zelfs beweert men, dat de eerste eens zoo lang dan de laatste kunnen gebruikt worden. Hierdoor wordt dan ook het beweren van BASTER, dat de aals- on palingvellen de sterkste banden voor de dorschvlegels geven, ten volle bevestigd. Daar men voor de kap of kappen van de dorschvlegels geene palingvellen kan bezigen, zal het gebruik van deze zich uitsluitend voor worgels moeten bepalen, en kan dus bij dit werktuig het paardenleder niet geheel door aalsvellen worden vervangen. Men zal voor worgels wel geene vellen van alen of palingen kunnen gebruiken, dan van visschen niet minder dan één of één en een half pond zwaar.
De vellen van palingen van drie pond kan men midden door snijden, en dus zulk een vel voor twee worgels gebruiken. Bovendien heeft men opgemerkt, dat de vellen van deze diersoorten, in het najaar gevangen, sterker zijn, dan van het voorjaar. Voor het bovengenoemde gebruik vorderen zij slechts weinig bereiding; het volgende valt hierbij alleen in acht te nemen. Daar men dikwijls zand gebruikt, om het vel van aal en paling te gemakkelijker af te stroopen, en zich ook evenwel zand of aarde op de huid van deze visschen kan bevinden, is het noodzakelijk, dat men het afgestroopte vel dadelijk afspoele en behoorlijk reinige, daar dit anders, als men het voor een worgel gebruikt, alleen daardoor in zeer korten tijd zoude slijten; bovendien moet het slijm worden afgeschrapt. Vervolgens wordt het opgehangen en gedroogd. Wil men de gedroogde vellen voor worgels gebruiken, dan behooren ze lenig gemaakt te worden, waartoe men nu eens vet of traan, dan eens olie gebruikt. Genoeg ingesmeerd zijnde, steekt men het vel meestal tweemaal door de kap van den staf en door het gat van den vlegelklop, of, indien er ook eene kap aan den klop aanwezig is, dan door deze, waarna men de beide einden te zamen vastknoopt. Is de dorschvlegel op deze wijze gereed gemaakt en heeft men dien een paar dagen gebruikt, dan is de worgel gerekt en kan men het vel gewoonlijk voor de derde maal doorsteken.
Uit de meerdere duurzaamheid, die de aals- en palingvellen bezitten, gevoegd bij hunne meerdere gelijkmatigheid van sterkte en den geringen prijs waarvoor zij te verkrijgen zouden zijn, mag men afleiden, dat hun uitsluitend gebruik voor worgels aan den landman eenig geld zoude besparen, en tevens, daar zij niet zoo dikwijls, als die van leder, behoeven vernieuwd te worden, er ook voor de boeren eenige tijdsbesparing uit zoude voortvloeijen. Bovendien is het doorslaan door een worgel wel eens met eenig gevaar vergezeld, vooral wanneer de dorschvlegel met vaste hand hoog wordt opgeheven en de worgel op dat oogenblik wordt aan stukken gerukt, kan het gebeuren, dat de zware vlegelklop iemand tegen het hoofd vliegt. Het gebruik van sterkere worgels kan dus ook dit bezwaar verminderen.
Wanneer men dit alles nagaat, mag men hieruit afleiden, dat het zeer wenschelijk ware, dat het gebruik van aals- en palingvellen voor worgels meerdere uitbreiding verkreeg, en zoude hierdoor een zoo onmisbaar en zoo veel gebruikt werktuig, als de dorschvlegel is, meerdere volmaking verkrijgen. Van wezenlijk belang zoude het ons daarom voorkomen, dat in vele dorpen of steden, door ons gansche land, voor zoo verre deze gelegen waren in streken, waarin de graanbouw plaats vindt, personen er hun werk van maakten, om aals- en palingvellen, van de beste hoedanigheid en voor geringen prijs, ten behoeve der landlieden te verkoopen. Hierdoor konden niet alleen de landbouw en onze binnenlandsche visscherijen bevoordeeld worden, maar bovendien zouden velen, door het verkoopen van deze vellen, iets kunnen verdienen.

In de tweede plaats kunnen aals- en palingvellen tot lijmbereiding gebruikt worden. In Frankrijk kookt men van deze vellen, even als van parkement en andere zelfstandigheden, eene bijzondere soort van lijm, die eene hooge mate van zuiverheid bezit (§); deze lijm wordt size genoemd. Vooral wordt zij daar door papiermakers tot het lijmen van papier gebruikt, echter ook wel door vergulders en anderen.
Hoewel het ons niet onwaarschijnlijk voorkomt, dat men, ook hier te lande, voor lijmbereiding, van aals- en palingvellen gebruik maakt, is ons daarvan echter, tot nog toe, niets met zekerheid gebleken.

Ook bij eene bijzondere visscherij bezigt men meermalen deze vellen. Als met de totebel of het kruisnet steeds op dezelfde plaats gevischt wordt, en dit vischtuig te groot is om gemakkelijk uit het water te worden opgehaald, loopt het touw, hetwelk dient om het op te trekken, over eene schijf en blijft het net, opgehaald zijnde, onder het visschen, over het water hangen. In deze omstandigheden is het moeijelijk, den gevangen visch met de hand uit het net te halen, en gebruikt men hiervoor veeltijds een schepnet met langen steel, hetwelk laafnet genoemd wordt. De ijzeren beugel, waaraan dit net is bevestigd, wordt dikwijls met een palingvel omwoeld (§§), waarschijnlijk opdat bij het laven (i) het laafnet gladder langs de totebel zoude glijden en tevens de slijting van deze laatste daardoor zoude verminderen.
Somtijds bezigt men ook wel deze vellen tot eenig geneeskundig gebruik. Men bindt ze namelijk, bij krampachtige aandoeningen van de onderste ledematen, als kousenbanden om de beenen (ii). Ons is iemand bekend, die veel aan kramp in voeten en beenen leed, doch, na het bovengenoemd gebruik van palingvellen, hiervan geen hinder meer had.

Uit al het voorgaande blijkt genoegzaam, dat, hoe gering aals- en palingvellen ook schijnen mogen, men daarvan echter veelzijdig gebruik kan maken.

(*) Verh. Holl. Maatsch. der Weet. te Haarl., D. VI, St. II. bl. 754. Later is deze Verhandeling mede opgenomen in de Natuurk. Uitsp. van dien Schrijver, en komt deze plaats aldaar voor, D. I, bl. 162.
(**) Nat. Hist. D. I, St. VII, bl. 101.
(§) ORFILA, Éléments de Chimie, 5e éd. T. II, p. 456.
(§§) Uitspanningen van het Buitenleven. Handboekje voor liefhebbers van Vogelvangst, Visschen, enz. Amst. 1840, D. I, bl. 286.
(i) Laven, d. i. met een laafnet visch ergens uitscheppen.
(ii) Zie P. L. G. GEIGER, Handb. der Pharmacie, 2e Aufl. B.II, Lief. VII, S. 165.

De Spiegelkarper

BIJDRAGE TOT DE NATUURLIJKE GESCHIEDENIS VAN DEN SPIEGELKARPER.

Indien men het er voor houden mag , dat groote afwijkingen van den vorm van eenige soort, zeldzamer bij de visschen, dan bij sommige andere klassen van gewervelde dieren, voorkomen, kan de nasporing van zoodanige afwijkingen hij de eerstgenoemden niet dan des te belangrijker zijn. Het is ons daarom niet ongepast voorgekomen, over eene van deze het een en ander in het midden te brengen.
Als slechts in een gedeelte van de huid van het lijf van eenen gewonen karper (cyprinus carpio, LINN.) de zelfstandigheid, die de schubben vormt, wordt afgescheiden of uitgestort, blijven er daardoor opene plekken over, waarin zich geene schubben bevinden. Een karper, die zich in zulk eenen toestand bevindt, draagt, hier te lande, den naam van spiegelkarper, even als de Franschen dezen carpe à miroir en de Duitschers spiegelkarpfen noemen. Meestal zijn de schubben der zijstreep van den spiegelkarper, ten minste voor een gedeelte, aanwezig, zoo dat zich boven en beneden deze zijstreep, aan iedere zijde, de grootste opene plekken bevinden. Men mag het als gunstig voor dezen visch aanmerken, dat de schubben der zijstreep doorgaans voor het meerendeel aanwezig zijn, daar, bij verre de meeste vischsoorten, deze schubben, òf allen, òf ten minste velen, van openingen voorzien zijn, waaruit een taai vocht vloeit, hetwelk uit daaronder liggende klieren wordt afgescheiden, en hetwelk dient om het lijf van den visch glibberig te houden; waardoor hij des te gemakkelijker het water klieven en zich daarin bewegen kan. De aanwezige schubben hebben bij den spiegelkarper meerdere uitgebreidheid, dan bij eenen gewonen karper van dezelfde grootte. De meerdere grootte van de schubben kan men daaraan toeschrijven, dat zij, bij meerdere ruimte hebben om uit te groeijen, òf aan een weldadig herstellingsvermogen van de natuur, om door dit middel, zoo veel mogelijk, de opene plekken te verkleinen, en den nadeeligen invloed te verminderen, dien de door geene schubben bedekte huid voor den visch hebben moet. De huid van de opene plekken is overigens dikker en harder. De schubben van den spiegelkarper grooter zijnde, en zich onderling slechts voor een klein gedeelte bedekkende, doen zich daardoor wel eens glanziger voor, en heeft men deze daarom bij spiegeltjes vergeleken, waarvan de naam spiegelkarper afkomstig is.
Uit het een en ander kan men gereedelijk afleiden, dat het verschil, hetwelk men tusschen den karper en den spiegelkarper opmerkt, slechts als eene tegennatuurlijke gesteldheid der huid is aan te merken, en dat deze laatste dus ook slechts als eene verscheidenheid van de eerste moet beschouwd worden; waaruit volgt, dat de spiegelkarper ten onregte meermalen als eene bijzondere soort is beschouwd geworden (*). Somtijds ontbreken de schubben geheel. Deze tweede verscheidenheid kan men in navolging van de Duitschers en Franschen, Lederkarper noemen, daar de huid, de bedekking der schubben nu geheel missende, als het ware, lederachtig wordt.
De spiegelkarpers worden het meest in het oostelijke gedeelte van Duitschland aangetroffen, zoo als in Saksen, Bohemen, enz. De Engelsche reiziger TOWNSON (**) maakt van deze visschen, die hij meermalen op de vischmarkt te Weenen waarnam, op de volgende wijze melding: "Dikwijls ziet men, in dezelfde markttobbe, sommige met eene enkele rij groote schubben, andere met twee rijen, en veelen, hij welke de groote schubben zonder eenige orde geplaatst zijn, sommige hebben veele, andere weinige schubben."
De spiegelkarper kan ook als een inlandsche visch aangemerkt worden. Door VAN SWINDEREN (***) is hij onder de visschen van de provincie Groningen opgenomen. In de Naamlijst der Nederlandsche Visschen door BENNET en VAN OLIVIER (§) komt hij mede voor, doch als een visch, die slechts nu en dan hier te lande gevonden wordt. In November van het jaar 1846, werd een dergelijke visch, van omstreeks vier pond zwaar, met een jongen zalm, bij Zutphen, in een water hetwelk met den IJssel gemeenschap heeft (§§), gevangen. MARTINET (§§§) verhaalt van spiegelkarpers, die, jaren geleden, in eene rivier van Noord-Braband gevangen werden, het volgende: "Men vindt in den stroom der Meijerij, die van Oosterwijk door Esch loopt, en bij Heslaar (#) in de Dommel valt, karpers, steenkarpers (##), enz.; maar kent men de weergaa van dien karper, die in 't jaar 1692 in dien stroom gevangen werdt, weegende 8 ponden, voorzien van een gering getal schubben, zijnde deeze veel grooter, dan die van andere karpers, niet het geheele ligchaam bedekkende, maar laatende verscheiden' ledige vakken door hunnen afstand van elkander open ? en waarom zijn er, na het vangen van dien visch, welke van veele zijner onderdaanen verzeld was, weinige soortgelijken op dien stroom meer gevangen ? - Deszelfs afbeeldsel naar 't leven geschilderd, heb ik op het landgoed Baarschot, nabij s' Bosch, bij den generaal CHAMBRIER gezien." - Bevreemdend is het echter, dat de spiegelkarper in de Lijst van Vissen van Nederland, van J. F. GRONOVIUS (###) niet voorkomt; even min wordt hij gevonden, in de Lijst van eenige Vissen van Nederland door T. L. GRONOVIUS (i), ter aanvulling van de eerste geleverd; ook maakt HOUTTUYN (ii) van dezen als nederlandsche visch geene melding. Men kan uit een en ander afleiden, dat de spiegelkarper waarschijnlijk nergens hier te lande in eenige hoeveelheid voorkomt, en tot de meer zeldzame Nederlandsche visschen moet gerekend worden. - Komt de spiegelkarper hier reeds zoo weinig voor, dan is het niet te verwonderen, dat de lederkarper er nog minder gevonden wordt. Een visscher, wonende op het Dommerholt, een houtwal tusschen Zutphen en Deventer, verhaalde ons eens, zulk eenen karper zonder schubben te hebben gevangen. BENNET en VAN OLIVIER (iii) maken er wel melding van, doch het blijkt niet duidelijk, of zij dezen visch mede als inlandsch aanmerkten.

Bij de beschouwing van den spiegelkarper komen, als van zelve, de twee volgende vragen voor den geest:
1.) Welke mogen wel de redenen zijn van het ontstaan van de vroeger genoemde afwijking, die men bij den gewonen karper opmerkt, en spiegelkarper genoemd wordt ? 2.) Waaraan is het toe te schrijven, dat men van alle inlandsche soorten van cyprini, zoo niet van alle europesche, bij den karper, veel meer dan bij alle andere soorten van dit geslacht, afwijkingen van den grondvorm (typus) opmerkt?
Bij de beantwoording der eerste vraag zullen wij ons niet bezig houden, om te trachten, de naaste oorzaken op te geven, waardoor het somtijds plaats vindt, dat, in een gedeelte van de huid van den karper, de zelfstandigheid, waaruit de schubben ontstaan, niet wordt afgescheiden; wij zullen ons nu alleen bepalen, om te trachten, de verwijderde oorzaken van dit verschijnsel op te sporen.
Wanneer men de bewerktuigde natuur met eenige aandacht gadeslaat, zal men al ras bemerken, dat als hare soorten in denzelfden toestand blijven, welke haar door de natuur is aangewezen, de afwijkingen van haren grondvorm òf onbeduidend zijn, òf, zoo zij aanmerkelijker zijn, slechts zelden voorkomen. Geheel anders is het echter, als deze zelfde natuurvoortbrengsels in omstandigheden, met hunnen aard en hunne natuur strijdig, geplaatst worden; ja zelfs zullen de afwijkingen, over het algemeen, grooter zijn, naar gelang deze omstandigheden meer verschillen van die, waarin zij zich in hunnen natuurstaat bevonden. Van daar die tallooze verscheidenheden en spelingen bij de gewassen, welke sinds jaren gekweekt werden; van daar vele afwijkingen van den grondvorm bij de huisdieren. Veel minder in aantal, doch voorzeker ook grootendeels aan bovengenoemde oorzaken toe te schrijven, zijn de afwijkingen, die zich meermalen voortplanten, en, nu eens door eenen ziekelijken, dan eens door een verzwakten toestand van eenig bewerktuigd natuurvoortbrengsel zijn te weeg gebragt. Onder deze laatsten kan men tellen de gewassen, waaraan men bonte bladeren opmerkt, hoewel hunne natuurlijke kleur de groene was, en de albino's onder de mensen, terwijl ook iets dergelijks bij sommige diersoorten wordt waargenomen. Het kan dan ook niet verwonderen, dat men even zoo bij de visschen verscheidenheden opmerkt, en dat verandering van luchtstreek, water, voedsel en wat niet al ? - eenen belangrijken invloed op den vorm, de kleur en andere hoedanigheden van hare soorten zullen oefenen.
Niet alleen echter, dat men bij den karper somtijds een geheel of gedeeltelijk gebrek aan schubben opmerkt, maar in het algemeen treft men bij dezen visch verschillende andere afwijkingen aan, en worden er bovendien niet zelden ziekten en wanschapen vormen bij opgemerkt. Zoo worden er, in de waterpartijen van het park te Fontainebleau, bijna witte, roode en oranje karpers aangetroffen (iv); nu en dan ontmoet men karpers, waarvan de snoet, als het ware, is afgeknot (v); dikwijls en ook in onze wateren merkt men eene soort van begroeijing op het lijf van den karper op , die ook hier te lande met den naam van mos bestempeld wordt (vi); somtijds zijn zij onderhevig, behalve aan andere ziekten, aan eene soort van waterzucht (vii).
Alle deze afwijkingen van den grondvorm en de vele ziekten, waaraan de karper onderhevig is, opmerkende, komt men als van zelve op de gedachte, of deze allen niet geheel, of ten minste voor het grootst gedeelte, aan de vroeger opgenoemde oorzaken zijn toe te schrijven, en of dus de karper zich niet zeer dikwijls in omstandigheden bevindt, die met zijnen aard en zijne natuur in strijd zijn. Dit laatste kan men juist zeer dikwijls opmerken.
Het vleesch van den karper, in zeer vele landen van Europa geacht zijnde; de taaiheid van leven, waardoor deze visch, zelfs buiten het water, op aanmerkelijke afstanden, levend vervoerd en gedurende geruimen tijd bewaard kan worden; zijn spoedige groei in de eerste tijdperken van zijn leven, waardoor hij al ras niet weinig vleesch kan uitleveren: deze alle en nog vele andere eigenschappen van den karper brachten te weeg, dat deze visch, sinds jaren, zoo niet sinds eeuwen, uit een oeconomisch oogpunt, zeer de aandacht tot zich trok, en dien ten gevolge in allerlei wateren werd overgebragt, en niet zelden op eene groote schaal, met de meeste zorg, geteeld.
Doch ook nog om eene andere reden vestigde men reeds voorlang het oog op dezen visch. De karper, tot een geslacht behoorende, waarvan de soorten veel plantenvoedsel gebruiken, is uit den aard der zake spoedig in meerdere of mindere mate tam te maken; door dit zijn voedsel is deze visch mede zeer geschikt, om in beslotene vijvers onderhouden te worden, en kan men ook, om diezelfde reden, gemakkelijk en zonder bezwaar een groot aantal in water van eene betrekkelijk kleine oppervlakte voeden. Deze eigenschappen, gevoegd bij de aanmerkelijke grootte, die hij verkrijgen, en den hoogen leeftijd, dien hij bereiken kan, deden dezen visch reeds voorlang alleen tot genoegen, of tot opsiering van waterpartijen, in vijvers overbrengen, en, even als later goudvischkommen, had men voor geruimen tijd karpervijvers.
Hetzij men de karpers, uit een oeconomisch oogpunt, in verschillende wateren overbragt, hetzij men deze visschen enkel tot genoegen nahield , kwamen zij, niet zelden, in waters, die minder met hunnen aard en hunne natuur overeenstemden (viii), en werden aldaar dikwijls met allerlei tegennatuurijk voedsel gevoed (ix). Niet alleen echter, dat de karpers aan den invloed van verschillend water en voedsel werden blootgesteld; zij ondergingen bovendien meermalen verandering van luchtstreek, en werden uit de meer zuidelijke landen van Europa naar de meer noordelijke, onder anderen, naar Zweden en Denemarken, op onderscheidene tijden overgebragt en daar ingevoerd (x).
Uit al het aangevoerde blijkt overtuigend, dat de tegennatuurlijke veranderingen, aan welke de karper werd blootgesteld, haren invloed moeten doen gevoelen, en mogen wij dus de verschillende afwijkingen van den grondvorm, die men bij den karper opmerkt, en ook de meerdere ziekten, aan welke deze visch onderhevig is, hetzij geheel, hetzij voor een groot gedeelte, aan deze omstandigheden toeschrijven.
Daar andere van de talrijke inlandsche en europesche soorten van het geslacht cyprinus, GMEL., op verre na, niet al die eigenschappen in zich vereenigen, welke bij den karper worden opgemerkt, moest hieruit noodwendig volgen, dat men dan ook aan den karper de voorkeur gaf, om, boven al de andere soorten van cyprini, òf uit een oeconomisch oogpunt, òf wel louter tot genoegen, in zoo vele verschillende en dikwijls tegennatuurlijke toestanden gebragt te worden. Hierdoor wordt dan onze tweede vraag, waaraan het toe te schrijven zij, dat men, van alle inlandsche soorten van cyprini, zoo niet van alle europesche, bij den karper, veel meer dan bij alle andere soorten van dit geslacht, afwijkingen van den grondvorm opmerkt ? als van zelve beantwoord; en kan deze oplossing van de tweede vraag, ook tevens als eene bevestiging van de beantwoording der eerste aangemerkt worden.

Wij hebben gezien, hoezeer de tegennatuurlijke toestand, waarin zich eenig bewerktuigd wezen bevindt, eenen zeer belangrijken invloed op zijne gesteldheid, vorm en andere hoedanigheden oefent, en hieruit kan men voor de verzorging van onze huisdieren afleiden, dat het van belang is, niet meer af te wijken van de natuurlijke huishouding, aan eenig diersoort eigen, dan zoo veel dit de omstandigheden toelaten, waarin zij geplaatst zijn, en de wijze, waarop de mensch zich die ten nutte maakt. Hoewel langdurige gewoonte, waaraan zich het dierlijk ligchaam van lieverlede gewent, hierin veel moge te gemoet komen, zullen echter belangrijke afwijkingen van deze huishouding dikwijls tot groot nadeel van de dieren, daaraan onderworpen, kunnen uitloopen.


(*) Zoo als BLOCH, LACEPÈDE, MEIDINGER en anderen gedaan hebben.
(**) ROBERT TOWNSON, Reize in Hongarijen , D.I, bl. 15.
(***) Init. Faun. Groninganae, pag. 9.
(§) Nat. Verh. Holl. Maatsch. der Wet. te Haarl., D. XIII St. II, bl. 75.
(§§) In een hank, genaamd de kleine Wel, bij Bronkhorst.
(§§§)Verh. Holl. Maatsch. der Weet., D. XI, St. II, bl. 238. Deze verhandeling van MARTINET is met andere uitgegeven, onder den titel van: Verhandelingen en Waarneemingen over de Natuurlijke Historie, meerendeels van ons Vaderland. Amst. 1795. 8o. De bovengenoemde plaats is aldaar te vinden, bl. 161.
(#) Herlaar of Halder.
(##) Cyprinus carassius, LINN.
(###) Uitgezogte Verhand. uit de Nieuwste Werken van de Societeiten der Wetensch. in Europa. Amst. 1757. D. I, bl. 144. Van deze Lijst. door NOZEMAN vertaald, is de oorspronkelijke te vinden in de Acta Societatis Upsaliensis, 1741. p. 67, onder den titel van: Pisces Belgii, seu Piscium in Belgio natantium, et a se observatorum Catalogus.
(i) Uitgezogte Verh., D. I, bl. 324. Ook deze Lijst is door NOZEMAN uit het latijn vertaald.
(ii) Nat. Hist., D. I, St. VIII, bl. 430.
(iii) Natuurk. Verh. Holl. Maatsch. der Wet., D. XIIII, St. II, bl. 76.
(iv) CUV. et VALENC., Hist. Nat. des Poiss., T. XVI, p. 59.
(v) Idem, p. 57. - VAN DER HOEVEN , Handb. der Dierk., D. II, St. I, bl. 213.
(vi) CUV. et VALENC., Hist. Nat. des Poiss., T. XVI, p. 56.
(vii) Ibidem
(viii) Een belangrijk bewijs, dat de karpers in zulke waters meermalen in eenen tegennatuurlijken toestand verkeeren, is alleen daaruit genoegzaam af te leiden, dat zij dikwijls in vijvers, waarin men ze overbrengt, niet voortteelen.
(ix) Tot proeve hiervan strekke de opnoeming van een en ander, waarmede men den karper in Frankrijk voedert: "On leur envoie, si on le peut, avec grand avantage, les eaux des écuriers, des éviers; les débris de tables, les balayures de la maison leur conviennent à merveille; le fumier frais on vieux, les grains de toute espèce, cuits ou crus, liès entre eux avec de l'argile, les boullettes de pommes de terre cuites, pétries avec de la farine d'orge, de froment, de maïs ou de sarrazin, les salades crues, les racines hâchées, les débris d'animaux de toute espèce, les résidus de boucheries, sont aussi pour elles d'excellente nourriture. La carpe ne mange pas de poisson, mais vit d'insectes et de débris de toute espèce. On peut donc ajouter aux grains avec avantage des substances animalisèes." Maison Rustique du XIX siècle, T. IV. Paris 1846. p, 204.
(x) "En 1560, sous FRÉDÉRIC II, PIERRE OXE l'habitua aux eaux du Danemarck, et ce n'est que plusieurs années ensuite que les Suédois l'ont élévee." CLOQUET, Dict. des Sciences Natur., T. VII, p. 136.


De Visscherman

HET GEBRUIK VAN VISCHSCHUBBEN.

Het gebruik van vischschubben, waarvan wij in de eerste plaats het een en ander zullen mededeelen, betreft dat, hetwelk men daarvan maakt voor het bereiden van lijm. Over dit onderwerp hebben wij tot nog toe, niets anders kunnen opsporen, dan hetgeen BERZELIUS, in zijn Leerboek der Scheikunde (*), hierover mededeelt. Het is ons het geschiktste voorgekomen, hier woordelijk te laten volgen, wat deze beroemde Zweedsche scheikundige over dit onderwerp zegt: "De vischschubben, vooral die van cyprinus soorten, kunnen ter bereiding van lijm aangewend worden. Men bevrijdt dezelve eerst van de daarin bevatte aardzouten door acidum hydro-chloricum, hetwelk het organisch weefsel tevens geschikt maakt, om spoediger in lijm veranderd te worden. Nadat men het zuur met koud water wederom uitgewasschen heeft, worden de schubben met water gekookt, tot de hoofdmassa van dezelve opgelost en slechts een ligt scelet over is, hetwelk onder het koken in het water met gemakkelijkheid wordt rondgevoerd. Dit scelet wordt door filtratie afgezonderd, het zou van dezelfde organische natuur zijn, als de zelfstandigheid van den hoorn en de epidermis. De vloeistof is troebel, maar wordt door toevoeging van een weinig aluin helder. Vervolgens leidt men acidum sulphurosum in dezelve, om hare kleur te bleeken. Men kookt dezelve nu tot een stijf gelei in." Deze gelei ondergaat daarna dezelfde bewerking, als die van gewone lijm. Deze wijze om lijm uit vischschubben te bereiden, zoude in Frankrijk plaats vinden.
De bereiding van lijm uit vischschubben beveelt zich ongetwijfeld daardoor aan, dat, wegens de kleinheid der schubben, de vaten, waarin zij worden gekookt en waarin de lijm bereid wordt, betrekkelijk van geringen omvang kunnen zijn, en dat men de lijm waarschijnlijk spoediger van deze, dan van vele andere zelfstandigheden, zal kunnen verkrijgen, door welk een en ander eene groote besparing van tijd en kosten zal plaats vinden.
Hier te lande kon welligt deze lijmbereiding ook met vrucht worden in het werk gesteld. Indien men toch de vischschubben verzamelde, die dagelijks op onze riviervischmarkten in overvIoed worden weggeworpen, of die, welke de vischverkoopers van visch uit onze binnenwateren in menigte daarvan afschrabben, dan kon deze nieuwe tak van nijverheid ook op onzen bodem worden overgeplant, en aan dezen en genen eenig voordeel aanbrengen.

Een tweede gebruik van vischschubben betreft dat, hetwelk men maakt van de zelfstandigheid, die den schoonen zilverglans vormt, welke over de schubben van vele visschen is uitgespreid, doch op weinige van de europesche meer, dan op die van den buik en de zijden, van het ook hier te lande zoo veelvuldig in onze zoete wateren voorkomend vischje, hetwelk alft, alvertje, enz. (cyprinus alburnus, LINN.) genoemd wordt, van welke visch deze zelfstandigheid dan ook bij voorkeur gebruikt wordt. Behoorlijk van alle vreemde deelen gezuiverd, wordt dit bestanddeel essence d'orient genoemd en gebruikt bij de vervaardiging van valsche parelen. Wij zullen echter thans niet spreken van de geschiktste wijze, waarop deze zelfstandigheid verkregen, noch ook van die, waarop zij tot het bovengenoemd oogmerk aangewend wordt.

Ten einde, zoo veel mogelijk, alles op te geven, waartoe de schubben van onze inlandsche visschen dienen kunnen, willen wij ook met een woord melding maken van haar gebruik bij vrouwelijke handwerken. Wij geven daartoe op, wat Mevrouw VAN MEERTEN, in haar gezocht werk, Penélopé, of Maandwerk aan het Vrouwelijk Geslacht toegewijd, hierover heeft medegedeeld (§). "Men kan verschillende soorten van schubben gebruiken, deze hier op de teekening zijn baarsschubben. Dezelve worden eerst in laauw- en vervolgens in potaschwater van alle vuile en slijmachtige deelen gereinigd,dan in pekel gelegd, stuk voor stuk met een doek afgeveegd en met eene fijne naald, drie gaatjes in dezelve gestoken, en eindelijk met gewoon gouddraad, door middel van drie steken, even als het op de teekening wordt aangewezen, op het fluweel gehecht (i).
"Dit werk is, behalve voor ridicules, ook uitnemend geschikt voor lampenkleedjes en kleine écrans of vuurschermpjes, om op de tafel te plaatsen, terwijl het goud der pailletten, en het glansrijke der vischschubben, ook vooral bij het licht eene prachtige werking doen."
Naar ons inzien behooren de vischschubben, die men voor vrouwelijke handwerken wenscht te gebruiken, de drie volgende eigenschappen te bezitten:
1.) dat zij bijzonder fraai en glanzig zijn; 2.) dat zij genoegzame stijfheid bezitten, waardoor zij, bij het droog worden, vlak blijven en niet omkrullen, en 3.) dat deze schubben steeds in genoegzame hoeveelheid kunnen verkregen worden, en dus van visschen voortkomen, die over ons gansche land verspreid zijn. Van de schubben van onze verschillende inlandsche vischsoorten kennen wij er geene, welke deze eigenschappen in die mate bezitten als die van den baars. Wat de schoonbeid van deze schubben betreft, onderscheiden zij zich reeds dadelijk door de vele diepe, insnijdingen, die in het onderste gedeelte der schubben, hetwelk in de huid van den visch zit, worden opgemerkt. Na de schubben van den baars, zouden welligt die van den snoek in aanmerking kunnen komen.

(*) Naar de derde oorspronkelijke uitgave vertaald, onder medewerking van G. J. MULDER enz., D. VI, bl. 376.
(§) D, 1 bl. 18. Plaat 3.
(i) Toen, eenige jaren geleden, veel gebruik van vischschubben bij vrouwelijke handwerken, gemaakt werd, kon men deze schubben, behoorlijk bereid, in verschillende winkels, hier te lande koopen. Deze schubben maakten dus een klein handelsartikel uit.