Het Bermpje

Orde: Cypriniformes (Karperachtigen)
Familie: Cobitididae (Modderkruipers)
Geslacht en soort: Noemacheilus barbatulus (Bermpje)

De Visschenwinkel De Modderkruipers

Martinus Houttuyn (1765) over de Barbatula of Bermtje:
(2) Meirslang met zes Baardjes aan den Bek, den Kop weerloos en samengedrukt.

Geheel gladde gevlakte Cobitis, die het Lyf Spilrondagtig heeft, hadt ARTEDI deezen getyteld , die van de Autheuren gebaarde Rivier-Cobitis, en van de Duitschers Gruendel of Gruendling ; maar ook Smerle en Smerling genoemd wordt. By de Engelschen is hy bekend onder den naam van Groundel, en de Franschen noemen hem Loche franche; ’t zy om dat hy weerloos of ongewapend; 't zy om dat hy goed en gezond is tot Spyze. In 't Latyn wordt hy ook Fundulus genoemd, om dat hy zig op of aan den Grond onthoudt. Men noemt hem, in Zeeland, een Bermtje.
Dit Vischje komt menigvuldig voor in de Rivieren van Europa, alwaar het somtyds vry groot wordt : want BELLONIUS geeft 'er de langte van vyf Duimen, de dikte van een Vinger aan. FREDERIK de I., Koning van Sweeden, heeft hetzelve uit Duitschland gebragt en geplant in het Meir Meléren, waar aan Stokholm legt. Men houdtze, in Warmoes gekookt, voor ongemeen smaakelyk, zegt GESNERUS. Gemeenlyk teelen zy voort in de Maand April, doch allen niet te gelyk , en daarom zynze byna altoos tydig. Men vangtze met Korven, of in Netten, die zeer fyn gebreid zyn.
In de Gestalte en Kleur zweemt het zeer naar den eigentlyken Rivier-Grondel , die in Engeland en in de Rivieren van Brabant en Vlaanderen gemeen is, waar van wy onder de Karpers zullen spreeken; doch het is veel kleiner en korter, glad en glibberig , met de Schubben of geen of zeer klein (*). De Kop, Rug, Vinnen en Staart, zyn met zwartagtige Vlakken besprengd, doch anderszins vuil geel. Aan de Bovenkaak heeft het drie paar Baardjes, een aan ieder hoek, twee aan 't end van den Bek. De Oogen zyn klein met geele Kringen. In de Rugvin heeft men 8, in de Borstvinnen 12, in de Buikvin 7 en in de Aarsvin 6 Straalen geteld. De Rugvin is omtrent op 't midden van 't Lyf geplaatst.

(2) Cobitis cirris Oris sex, Capite inermi compresso. Syst. Nat. X. Cobitis tota glabra maculosa , Corpore subtereti. ART. Gen. 2. Syn. 2. Faun. Suec. 332. Cobitis Fluviatilis Barbatula. WILL. p. 265. RAJ. p. 124. JONST. Tab. XXVI, fig. 22.
(*) Dit zegt WILLOUGHBY , doch uit het Werk van Doktor BASTER blykt , dat de Schubben van het Bermtje ongevaar zo groot als die van den Baars zyn.

Prof. H. Schlegel (1862) over HET BERMPJE. COBITIS BARBATULA.:
Sommige schrijvers geven ook de derde Europeesche soort van modderkruiper, Cobitis barbatula, onder den naam van B e r m p j e , als inheemsch op. Intusschen is zij mij in ons land nog niet onder het gezigt gekomen, en noch VAN SWINDEREN in zijne Fauna Groningana, noch VAN DEN ENDE, in zijne lijsten der visschen van den IJssel en de Berkel, maken er gewag van. Daar zij intusschen, volgens de SELYS LONGCHAMPS, in België algemeen aangetroffen wordt, in Duitschland even menigvuldig voorkomt als de kleine modderkruiper, en in het algemeen in Europa even ver verspreid is als deze, zoo is het zeer wel mogelijk, dat zij ook in ons land, ten minste in sommige grensprovinciën leeft. Zij heeft de grootte van den kleinen modderkruiper, en ook 6 voeldraden aan den snuit, maar deze voeldraden zitten alle aan de bovenlip; de gevorkte stekel bij het oog ontbreekt, haar ligchaam is veel minder zamengedrukt en nagenoeg geheel rolvormig, en zij heeft eene geelachtige kleur, die, behalve op de onderdeelen, met bruine en olijfgroene stipjes en wolkachtige vlakjes bedekt is. Zij houdt zich bij voorkeur in stroomend, helder water met steenachtigen grond op, en wordt voor zeer lekker gehouden.

Het Bermpje

Baron von Ehrenkreutz (1863) over het Bermpje:
H e t B e r m p j e 1) (Cobitis barbatula) Fr. La loche, Duitsch, Die Bartgrundel of Schmerle.
Dit vischje heeft eenige overeenkomst met den grondel; het ligchaam is aan de bovendeelen donkergroen, aan de onderdeelen grijs of groenachtig en wit gevlekt, het is glad, heeft een fraai voorkomen, aan den mond 6 baarddraden, en wordt gewoonlijk niet grooter dan 5 ŕ 6 dm. De vinnen zijn zwart en grijsachtig, de rug-en staartvinnen met gestipte stralen.
Deze visch leeft in kleine, sterkvlietende, heldere wateren, met zand- en steenachtigen grond, waar hij zich bij dag onder steenen verborgen houdt. Heft men den steen op, dan blijft hij een oogenblik stil liggen, schiet dan echter als een pijl vooruit en verbergt zich onder een anderen steen of tusschen mos en onder modder. Wil men hem met de handen vangen, dan moet men hem stevig vasthouden, daar hij wegens zijne gladheid zeer gemakkelijk uit de handen glijdt. Vleesch en kuit zijn zeer lekker en zelfs den zieken geoorloofd. Men teelt deze vischjes derhalve wegens hunnen lekkeren smaak in afzonderlijk daartoe ingerigte bermvijvertjes. Het voedsel bestaat in insekten, stinkende vegetabilien, dieren en vooral excrement; weshalve men in oorden, waar het een of ander in het water geworpen wordt en waar riolen in het water uitloopen, altijd bermpjes, die bijzonder groot en goed zijn, in aanzienlijke menigte aantreft. Lekkerbekken verzekeren, dat zy bijzonder delikaat zijn, wanneer men ze in wijn of melk legt, en ze daarin sterven laat. Van Kersmis tot Paschen is hun vleesch het lekkerst; in dien tusschentijd, omstreeks Maart, beginnen zij te paren. Zij hebben overigens een zeer teeder leven, en sterven spoedig. Wil men ze echter in leven houden, dan moet men het vat, waarin zij bewaard worden, bij het naar huis brengen, bestendig schudden , opdat het water, dat bovendien nog dikwijls ververscht moet worden, in bestendige beweging blijve.
Naardien zij even als de grondel gaarne dáárheen zwemmen, waar het water bewogen wordt, zoo schuift men herhaalde malen met eene tuinhark over den met zand bedekten bodem van het water, waarin zich bermpjes ophouden, en werpt dan daar ter plaatse den haak uit. Deze haak moet zeer sterk en fijn zijn, en van een kleinen rooden wurm tot aas voorzien worden.
Deze visch behoort tot het geslacht der hoogkijkers, dat zijn zulke visschen wier oogen boven op den kop liggen, zoodat zij altijd naar de hoogte kunnen zien; de iris van het oog staat echter niet geheel juist in de hoogte, maar eenigzins zijwaarts. De teedere gladde huid is met kleine fijne schubben bedekt. De voeldraden kan hij; even als de slak intrekken en uitsteken. De visch brengt, wanneer men hem eenigzins sterk drukt, een eigenaardig geluid voort.
Voor diegene, die daartoe gelegenheid hebben, is het niet onaardig, eene kleine uitgave ten koste te leggen, om deze vischjes in groeven te trekken. Deze groeven bestaan in niets anders dan in eene afscheiding door middel van planken, die in de Beken, welke een kei- of zandachtigen bodem hebben, gezet worden en waaraan dunne metalen platen gemaakt worden, die zoodanig doorboord zijn, dat het water der beek ongestoord af- en toevloeijen kan. In zulke vischkommen, voedt men ze met schapenmest, papaverzaad, lijnkoek, ingewanden van dieren, excrement, droesem, gekookte granen, aardappelen, brood en andere zaken. Naardien zij zich in zulke karen uiterst sterk vermeerderen, en de ruimte spoedig te klein wordt, zoo is het raadzaam, ja noodzakelijk, twee andere dergelijke kommen in de nabijheid aan te leggen. De eerste kom dient dan even als bij den karper, voor de rij-visschen, de tweede voor het jonge broed, en de derde voor die voorwerpen welke men mesten wil om ze daarna tot spijs te gebruiken.
Ook de bassins van fonteinen, of zulke groeven waarin het water dat door pijpen vloeit, uitloopt, zijn voor Bermpjeskommen geschikt; men zij slechts indachtig, dat daarin geene schadelijke zaken, zooals zeep, kalk enz. komen. Wil men ze in vijvers trekken, zoo moeten deze toevoer hebben en klein zijn, opdat wind en weersgesteldheid geen te sterken golfslag veroorzaakt, naardien de Bermpjes dit niet goed verdragen kunnen.
De fuiken moeten klein, zeer lang en digtgevlochten zijn. Men legge er kogeltjes in, die van schapenmest , papaverzaad, fijngewreven runkoek, alles in gelijke deelen, en van roggemeel gemaakt zijn.
Ook kan men ze even als de grondels in bundels rijshout, vooral in trossen wijndruiven vangen.
De trossen moeten gebonden zijn. Men laat ze in het water zakken, en trekt dan den aan eene lijn vastgemaakten bundel spoedig naar den oever.

1) Alhoewel dit vischje in ons land niet algemeen voorkomt, hebben wij het echter in de vertaling opgenomen , omdat het wel waarschijnlijk is, dat het in sommige grensprovincien wordt aangetroffen. (Vert.)

Het Bermpje

A.A. van Bemmelen (1866) over het Bermpje:
COBITIS BARBATULA, Linn.
DE GEBAARDE MODDERKRUIPER. Ook Bermpje genoemd even als Barbus fluviatilis.
SCHL. D. v. Ned. p. 125. SIEBOLD, p. 337. YARRELL, I, p.446, fig. HECKEL und KNER, p. 301, fig. 162. DE SELYS, p. 193, n°. 9. CUV. VAL. XVIII, p. 10 (14), tab. 520. Fauna Belg. p.55, n°. 1. BLOCH, I, p. 224, tab. 31 , fig. 3. BASTER, Natuurk. Uitspann. 1761, I, p. 165, n°. 10, tab. XV, fig. 10. HOUTTUYN, VIII, p.95. GRONOVIUS, Acta Helv. p. 265, n°. 463 en Mus. Ichth. I, p. 2, n°. 6. J. F. GRONOVIUS, Acta Upsal. Cat. P. B. p. 76, n°. 59.
Deze soort is onder de inlandsche visschen opgenomen door GRONOVIUS (Acta Upsal.).
Bewoont slooten en stilstaande wateren (Acta Helvet.).
Bewoont onze slooten en rivieren (Mus. Ichth.).
BASTER spreekt (l. c.) van 2 Cobitis-soorten, onder een aantal inlandsche dieren, waarvan hij de schubben afbeeldt en noemt Cobitis barbatula (n°. 10) het Bermtje en Cobitis taenia (n°. 33) de Grundel; hieruit mag men aannemen, dat hij beide soorten in Zeeland waarnam. HOUTTUYN (l. c.) zegt dan ook, dat Cobitis barbatula in Zeeland Bermtje heet.
In vele rivieren en heldere wateren, in klare snelvloeijende beekjes, met kiezeligen en zandigen grond, en ook in het bergachtige gedeelte van Nederland (BENNET en OLIVIER).
Komt in Holland voor (CUV. VAL. l. c. p.16).
Uit bovenstaande opgaven zou men veilig kunnen aannemen, dat Cobitis barbatula in ons land voorkomt, te meer daar GRONOVIUS, in het Mus. Ichth. en in de Acta Helveticae de 3 soorten: fossilis (n°. 7; n°. 162), taenia (n°. 5; n°. 161), en barbatula (n°.6; no. 163) als inlandsch vermeldt en duidelijk onderscheidt. Prof. SCHLEGEL zegt echter, deze soort nooit in ons land waargenomen te hebben; VAN SWINDEREN en V. D. ENDE geven haar evenmin op, en ik heb geen individu, dat in ons land gevangen was, kunnen magtig worden. In Duitschland en in België is ze echter algemeen en YARRELL deelt ons mede, dat zij niet zeldzaam is in de rivieren en beken van Groot-Brittannië.

H.Aalderink (1911) zegt dat het Bermpje een ondersoort is van DE MODDERKRUIPER.


Dr.H.C. Redeke (1941) over het Bermpje (Cobitis barbatula L.):
D. 3/7, A. 3/5, vert. 39-41
Lichaam slank en tamelijk rond ; van de 6 voeldraden zijn de beide in de mondhoeken langer dan de 4 overige, de stekels onder de oogen zijn kort en stomp en liggen onder de huid, de buisjes om de neusgaten zijn in het oog loopend lang ; de schubben zijn zeer onregelmatig verspreid, op rug en buik ontbreken zij geheel, evenals op de zijstreep ; de rugvin en de buikvinnen zijn ongeveer in het midden van het lichaam ingeplant, de staartvin is van achteren slechts flauw ingebogen, nagenoeg recht en heeft afgeronde punten. Op elk der keelbeentjes zitten 8-10 spitse tandjes.
De grondkleur dezer vischjes is geelachtig bruin, de rug is dicht met grijsbruin pigment bedekt, de zijden zijn donker gemarmerd ; op rug- en staartvin komen talrijke langwerpige, in dwarsbanden gerangschikte vlekken voor, de borstvinnen hebben soms zwarte stippen op de bovenzijde, de buikvinnen en de anaalvin zijn bleek en meestal ongevIekt.
Lengte : tot 15 cm.
Verspreiding: geheel Europa van Noord-ltalië tot Zuid-Zweden, ontbreekt in Noorwegen ; bewoont bij voorkeur stroomende en heldere stilstaande wateren.
Bij ons is het Bermpje in verschillende Limburgsche, Brabantsche en Geldersche beken gevonden en plaatselijk soms zeer talrijk. In binnenwater is het zeldzaam ; Popta (1924) vermeldt een 81 mm lang exemplaar uit de buurt van Zoeterwoude (Z.-H), Beyerinck (1927) vond het in Drente.

Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over het Bermpje:
Noemacheilus barbatulus (Linnaeus, 1758)
E. Stone loach - F. Loche franche - D. Schmerle / Bartgrundel.
Volksnaam: gebaarde modderkruiper.
D III, 6-7; A III, 5. Maximale lengte 15 cm. Door de natuurbeschermingswet totaal beschermd. Variabel van kleur: geelbruin met onregelmatig gevormde, donkerbruine vlekken, voornamelijk op rug en flanken. Van de zes lange tastdraden, zitten er vier op de bovenlip en één in elke mondhoek. Geen stekeltje onder de ogen. Geen schubben onder de slijmhuid.
Het kieuwoppervlak van kleine modderkruipers en bermpjes is relatief veel groter dan bij andere zoetwatervissen. Dit is een aanpassing aan hun levenswijze om gedurende lange perioden in de bodem ingegraven te liggen (kleine modderkruiper) of onder stenen weg te kruipen (bermpje). Soms is de zuurstofvoorziening zň gering, dat zij aan het oppervlak van het water komen om atmosferische lucht in te ademen (ROBOTHAM, 1978). De luchtbel komt in de darm terecht, waar de zuurstof door het bloed wordt opgenomen (darmademhaling). Bermpjes voeden zich voornamelijk met verschillende insektenlarven (afhankelijk van het seizoen) en met mosselkreeftjes (HYSLOP, 1982).
Verspreiding: in Nederland in beken in het zuidoosten en oosten van ons land, plaatselijk algemeen, o.a. in enkele zuidlimburgse beken. Bermpjes komen ook voor in de Overijsselse Vecht en in de Drentse A (CAZEMIER, 1984).