De Modderkruipers

De Karperachtigen De Visschenwinkel
De Grote Modderkruiper De Kleine Modderkruiper Het Bermpje

Martinus Houttuyn (1765) geeft een Beschryving van 't Geslagt der MEIRSLANGEN , waarin de Hoogkyker, Bermtje, Grondel en Modderkruiper, behooren.

Naam.
In de Vierde Rang der Visschen, welken BUIKPOOTEN genoemd worden, om dat de Buikvinnen agterlyker dan onder de Borstvinnen zyn geplaatst , voeren die van het eerste Geslagt den naam van Cobitis, welken wy MEIRSLANG vertaalen, om dat 'er onder zyn, die dus genoemd worden. De Grieksche benaaming schynt daar van afkomstig te zyn, dat zy naar Grondels gelyken (*).
Kenmerken.
De Kenmerken, behalven die van den gemelden Rang, bestaan in de Oogen te hebben in het bovenste van den Kop : het Kieuwen-Vlies met vier tot zes Straalen ; de Dekzels van onderen geslooten : het Lyf byna Rolrond of weinig naar de Staart verdunnende.
Soorten.
't Getal der Soorten is vier, waar onder de Heer LINNÆUS ook den Anableps of Hoogkyker begrypt.

(*) Zie 't voorg. STUK, bladz. 280.

Prof. H. Schlegel (1862) over DE MODDERKRUIPERS. COBITIS.:
De M o d d e r k r u i p e r s zijn kleine karpervisschen met een zeer langwerpig, min of meer merkbaar zijdelings zamengedrukt ligchaam, hetgeen nagenoeg overal van gelijke dikte en met eene slijmerige, op den kop naakte, op den romp en staart van zeer kleine schubben voorziene huid bedekt is; met 6 tot 10 voeldraden aan den mond; met zachte stralen in de vinnen; met de buikvinnen en rugvin tamelijk ver naar achteren geplaatst, en, ten minste bij de Europeesche soorten, met eene afgeronde staartvin. Zij bewonen het zoete water. Wij hebben in ons land de volgende soorten; de groote Modderkruiper en de kleine Modderkruiper.


H.Aalderink (1911) over DE MODDERKRUIPER.:
Een eigenaardige vischsoort mogen gerust de modderkruipers genoemd worden. Men heeft 3 ondersoorten. De groote modderkruiper (Cobitis fossilis) in Friesland "ielpieper" 1) noemt men ook wel weervisch, meerpoet en donder- of weeraal. Deze twee laatste benamingen heeft hij te danken aan de groote hoeveelheid électriciteit welke zijn lichaam kennelijk bevat en die hem onrustig maakt, zoodra de temperatuur drukkend is. De kleine modderkruiper (Cobitis taenia) is ook bekend onder den naam van smeerling of steenbijter. De kleine en groote modderkruiper hebben een lang lichaam en een kleinen kop. Hun huid is slijmerig en van kleine schubben voorzien. Aan den bek zijn van 6-10 voeldraden. Zij hebben in verhouding tot het lichaam klein vinnen en geen stekels aan de rug- en de aarsvin. Hunne buikvinnen zijn sterk naar achteren geplaatst; de de staartvin is niet gevorkt maar rondachtig, terwijl de mondopening gevormd wordt door gezwollen lippen. Het verschil tusschen den grooten en den kleinen modderkruiper bestaat niet alleen in de lengte van het lichaam (de eerste is ± 2 decimeter en de laatste ongeveer 1), maar ook in andere opzichten. De groote houdt er 10, de kleine 6 voeldraden op na. De eerste, met geelachtigen buik, is bruinachtig zwart met vijf gele en bruine overlangsche strepen en donkere vlekjes; de kleine met zijn door zwarte vlekken gemarmerden kop, is wat de bovendeelen betreft, rosachtig bruin en wat de onderdeelen aangaat geelbruin, naar den bek meer witachtig en aan weerszijden met drie overlangsche rijen zwarte vlekken. Kenmerkend is, dat de kleine een klein gevorkt doorntje aan weerszijden van het oog heeft. De groote verkeert liefst in stille wateren met modderachtigen bodem, terwijl de kleine bij voorkeur vertoeft in stroomend water met zandigen en steenachtigen grond. Beiden worden hier te lande niet in groote hoeveelheden aangetroffen, doch de groote soort nog het meest. 's Winters verbergt de modderkruiper zich in het slijk, hetgeen hij ook doet, wanneer 's zomers zijne verblijfplaats droog wordt. Wel 2 maanden kan hij buiten water. Hij verkeert dan in eene soort van slaap, waaruit hij ontwaakt, zoodra hij weer in het water wordt gebracht. Volgens Dr. Burgersdijk heeft de modderkruiper in gevangenschap de gewoonte, zijn snuit nu en dan boven de oppervlakte van het water te steken en lucht te slikken, waarbij het kieuwdeksel stevig gesloten wordt gehouden. De lucht dringt dan door de darmen en wordt door het uiteinde van het darmkanaal als blaasjes weer uitgestooten, maar veranderd, geheel op dezelfde wijze als bij de ademhaling. Hier heeft men dus eene ademhaling door middel van de darmen.
De derde soort modderkruiper, n.l. de baardmodderkruiper of grondel (cobitis barbatula) ook wel Bermpje en Hoogkijker genaamd, heeft in lichaamsvorm zeer veel gelijkenis met den kleinen modderkruiper. Zijn gevlekte staart is evenwel niet rond, maar eenigszins gevorkt, terwijl zijne lengte ongeveer het midden houdt tusschen die van den grooten en die van den kleinen modderkruiper, nl. 1.5 d.M. Aan de voorzijde van den bovenlip heeft hij 4 kleine voeldraden en aan ieder der mondhoeken 1 groote. In tegenstelling met zijne beide soortgenooten steekt de bovenlip ver uit over de onderlip, terwijl zijne oogen hoog in den zwart gevlekten kop zitten. Van daar dan vrij zeker ook de bijnaam "Hoogkijker".
De zijstreep loopt vrij recht en is duidelijker te onderscheiden dan bij de beide andere soorten. De huid is vooral boven de zijstreep prachtig gevlekt. Volgens Mulier zijn de zijden en de buik schubloos, is de rug geel of groenbruin, de zijden gemarmerd bruingeel met licht sepia gelijk een slangenhuid, waartusschen eenige grijze schijnsels, alles met kleine groene stipjes doorspekt, terwijl de vinnen sepiakleurig zijn met donkere vlekken.
De baardgrondel houdt zich het liefst op in ondiep, snel stroomend water. Het voedsel van alle modderkruipers bestaat hoofdzakelijk uit wormen, insecten, kuit en dergelijken. Ook wordt beweerd, dat plantendeelen wel van hunne gading zijn.
Het vleesch van deze vreemdsoortige visschen wordt niet veel gebruikt. Toch houden enkelen het voor eene lekkernij.
1) Volgens deze benaming doet de groote modderkuiper een piepend geluid hooren, maar volgens Dr. Huizinga is dit geluid maar een "flatus".


Dr.H.C. Redeke (1941) over de Modderkruipers (Fam. Cobitidae):
Lichaam langgestrekt, huid zeer slijmerig, schubben klein; mondopening met dikke lippen, door voeldraden omringd, oogen opmerkelijk klein, neusgaten met opstaande, op oortjes gelijkende randen ; rugvin recht boven de kleine buikvinnen, anaalvin ver naar achteren ; keeltanden klein en talrijk. - Inlandsch 2 geslachten :
1. Met 6 voeldraden aan den bek .......... Cobitis.
2. Met 10 voeldraden aan den bek .......... Misgurnus.
Deze visschen bezitten een zeer kleine zwemblaas, die gedeeltelijk besloten ligt in een beenig omhulsel met aan weerszijden een opening. Door elk dezer openingen treedt een met een geleiachtige massa gevuld buisje naar buiten, dat tusschen de spieren door tot vIak onder de huid loopt, zoodat het inwendige gehoororgaan via het orgaan van Weber en de zwemblaas in contact met de buitenwereld staat. Het gevolg hiervan is, dat de dieren zeer gevoelig zijn voor veranderingen in den toestand der atmosfeer, daarop door onrustige bewegingen reageeren en deswege vaak als "weervoorspellers" in aquaria worden gehouden. Bij de drie Europeesche soorten van Modderkruipers staat de zwemblaas niet in open verbinding met het darmkanaal. Modderkruipers worden zij genoemd, omdat zij, geruimen tijd buiten het water kunnende leven, bij aanhoudende droogte in den bodem of onder steenen kruipen.

Orde: Cobitis Linnaeus, 1758
Twee soorten :
Onder elk oog een klein, in de huid verborgen stekeltje;
uiteinde van de staartvin nagenoeg recht .......... barbatula.
- Onder elk oog een flinke gespleten en uitstulpbare stekel ;
uiteinde van de staartvin rond .......... taenia.

Orde: Misgurnus Lacépède, 1803 ; Eén soort: Misgurnus fossilis (L.)


Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over de Cobitididae (modderkruipers):
Modderkruipers zijn slanke bodembewoners met een kleine, tandloze onderstandige bek. Ze zoeken 's nachts hun voedsel, waarbij de rondom de bek zittende tastdraden een belangrijke rol spelen. Het binnenoor van modderkruipers staat via de 'beentjes van Weber' (de voorste vergroeide wervels) in contact met de kleine zwemblaas, die ingesloten is door een benig omhulsel. In dit omhulsel zit aan weerszijden een opening, waar een geleiachtige massa voor geleiding zorgt. Het gevolg hiervan is dat modderkruipers goed veranderingen in atmosferische druk kunnen waarnemen; op atmosferische veranderingen reageren zij vaak met onrustige bewegingen. Modderkruipers werden daarom vroeger vaak in aquaria gehouden als 'weervoorspellers' (REDEKE, 1941). Vervuiling van de bodems van onze binnenwateren vormt een ernstige bedreiging voor onze modderkruipers.

la. tien tastdraden rondom de bek; lichaam met donkere lengtestrepen:
. . . . . . . . . . . . . . . . Misgurnus fossilis (grote modderkruiper)
lb. in totaal 6 tastdraden: vier op de bovenlip, één in elke mondhoek; flanken met donkere vlekken:
. . . . . . . . . . . . . . . . 2
2a. korte tastdraden van gelijke lengte; een naar de staart toe gericht stekeltje (in huidplooi) onder de ogen; 7-8 vertakte stralen in de borstvin:
. . . . . . . . . . . . . . . . Cobitis taenia (kleine modderkruiper)
2b. lange tastdraden van ongelijke lengte; geen stekeltje onder de ogen; 10-12 vertakte stralen in de borstvin:
. . . . . . . . . . . . . . . . . Noemacheilus barbatulus (bermpje)