De Karperachtigen
De Visschenwinkel

De Orde van de Karperachtigen (Cypriniformes)kent twee Families met vertegenwoordigers in het Nederlandsche zoete water, te weten de Karpers (Cyprinidae) en de Modderkruipers (Cobitididae):

De Karpers De Modderkruipers

Prof. H. Schlegel (1862) over DE KARPER-VISSCHEN (CYPRINI.):
Als voorbeeld van deze uitgebreide familie kunnen onder onze inheemsche visschen de Karper, de Zeelt, de Witvisschen en de Modderkruipers strekken.
De K a r p e r - v i s s c h e n zijn voornamelijk daardoor gekenschetst, dat hun mond geheel van tanden ontbloot is, en dat zij daarentegen sterk ontwikkelde tanden in het keelgat hebben. Hunne vinnen worden door zachte en getakte stralen ondersteund, ofschoon er somtijds van voren aan de rug- of aarsvin een doorn aanwezig is. Zij hebben slechts ééne rugvin, de buikvinnen zijn min of meer achterwaarts geplaatst en meestal van 9 stralen voorzien; hunne staartvin is veelal gevorkt. Het kieuwvlies wordt slechts door 3 stralen ondersteund. De kop is zonder schubben. Behalve bij eene soort uit Dalmatië, is het ligchaam met afgeronde schubben bedekt. De zijstreep maakt gewoonlijk eene flaauwe bogt naar onderen. Zij hebben eene groote zwemblaas, die min of meer volkomen in 2 of zelfs 3 afdeelingen gescheiden, en door eene buis met het keelgat verbonden is. Zij voeden zich met zachte, min of meer in oplossing overgaande deelen van planten, met de maskers van waterinsekten, wormen en zelfs met de weeke deelen van krengen. In koude streken overwinteren zij, veelal gezellig, in den modder op den bodem der wateren. Bij de mannetjes ontstaan bij vele soorten van karpers, in den rijtijd, kleinere of grootere harde knobbeltjes op de schubben; onder de inheemsche soorten is dit verschijnsel vooral opmerkelijk bij den Brasem. Zij worden in de zoete wateren van Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika aangetroffen.
Men kan de inheemsche soorten onder twee hoofdgeslachten, te weten die der Karpers, (Cyprinus en die der Modderkruipers (Cobitis) brengen.

De Orde van de Karperachtigen kent veruit de meeste vertegenwoordigers in het Nederlandsche zoete water, In totaal omvat deze Orde maar liefst 26 soorten, waarvan er 3 tot de Modderkruipers en 23 tot de Karpers behoren. Van de 23 vischsoorten die tot de familie van de Karpers behoren, zijn er 19 inheemsch.



Dr.H.C. Redeke (1941) onderscheidt de Orde: OSTARIOPHYSI:
Voorste 4 wervels in vorm sterk afwijkend van de overige, vaak versmolten en verbonden met een drietal kleine beenstukjes, die het z.g. "orgaan van Weber" helpen vormen; schoudergordel met den schedel verbonden met mesocoracoid ; vinstralen week1); zwemblaas meestal in open verbinding met het darmkanaal. - Inlandsch 3 families:
1. Bek min of meer uitstulpbaar, zonder tanden; achter de kieuwbogen een paar sikkelvormige beenstukjes, bezet met keeltanden ........ 2
- Bek niet uitstuIpbaar, met tanden; geen keeltanden ........ Siluridae.
2. Ten hoogste 2 paar voeldraden aan den, kop ........ Cyprinidae.
- 3 tot 6 paar voeldraden aan den kop .......... Cobitidae.

De eerste stralen zijn gewoonlijk verhard en met elkander verkleefd; zij staan in de formules vóór de breukstreep.



De Karpers

De Karperachtigen
De Alver De Barbeel De Blankvoorn De Brasem
De Elrits De Giebel De Karper De Kolblei
De Kopvoorn De Kroeskarper De Riviergrondel De Roofblei
De Ruisvoorn De Serpeling De Sneep Het Vetje
De Winde De Zeelt

Martinus Houttuyn (1765) geeft een Beschryving van 't Geslagt der KARPEREN, derzelver Voortteeling, Ingewanden en Ademhaaling, om die der Kieuwvisschen in 't algemeen nog meer op te helderen ; als ook derzelver Vangst en Gebruik , en dat der zogenaamde Karper-Steentjes in 't byzonder. Voorts komen in dit Geslagt een menigte van andere lnlandsche Visschen; gelyk de Hamburger of Steenkarper , Doorn-Karper , Dik-Kop, Rivier-Barbeel en Govie , Grondels ; de Braasems, Bliek of Bley en veelerley Soorten van Voornen , als Wind- Riet- of Ruisch, de Koning van Voorn en die van Ruisch, de Asterling of Nesteling en derzelver Koning, de Hesseling en Rivier-Harder, Zeelt. Eindelyk ook eenige Uitheemsche Visschen, meer of min naar de gemelde zweemende , waar onder de Chineesche Goudvischjes en de Oostersche of die van den Nyl uitmunten, welker Schoonheid en Eigenschappen , als ook de Levensmanier, en hoe menze zo in China als hier te Lande voor pleizier in Flesschen houdt , omstandig is voorgesteld.

Naam.
Een der uitgebreidsten onder de Visschen is 't Geslagt der genen, die men in 't Latyn Cyprini, in 't Neerduitsch KARPERS noemt, als zynde die de voornaamste in hetzelve.
Kenmerken.
De kenmerken bestaan in een Tandelooze Bek : het Neusbeen met twee Groeven ; het Kieuwenvlies met drie Straalen : het Lyf glad, witagtig : de Buikvinnen dikwils met negen Straalen. De Heer GRONOVIUS merkt aan , dat het Lyf hooger dan breed , meestal met groote glinsterende Schubben gedekt ; de Rug verhevener zy dan de Kop, die ongeschubd is en weerloos, met een Tandeloozen Bek, uitgenomen aan de Keel: het Kieuwenvlies onder de naakte Beenige dekzels samengeplooid, met drie Straalen. 't Getal der Vinnen is , meestal, zeven , en daar van geene gedoornd. Men vindt 'er somwylen , doch zeldzaam zes , als de Rugvin ontbreekt, of agt , als die dubbeld is.
Soorten.
De menigvuldigheid der Soorten (*) heeft zyn Ed, onderscheiding doen maaken in zodanigen, die den Bek gebaard hebben , op de wyze der Kabeljaauwen , en die denzelven ongebaard hebben , welke laatsten van hem weder verdeeld worden in de genen die het Lyf smal, en die hetzelve breed hebben , dat zodanigen zyn , wier hoogte een vierde deel der langte evenaart. LINNÆUS zondert ook de gebaarden af, waar van de vier eerste Soorten zyn; doch de overigen, die ongebaard zyn, onderscheidt onze Ridder naar dat de Staart onverdeeld is , gelyk in de drie volgende Soorten, of in driën verdeeld, gelyk in de agtste Soort, of in tweën gespleeten en dus gevorkt, gelyk in alle de overigen. Het getal der Soorten, naamelyk, by onzen Autheur, is dertig, waar onder maar vier Uitheemsche buiten Europa, en naauwlyks één van de Verzengde Lugtstreek, gevonden worden.

(*) Het Geslagt der Lipvisschen alleen overtreft dit in getal van Soorten , by LINNÆUS, alzo hetzelve 'er 40 heeft, en dat der Baarsen alleen komt 'er naby, als hebbende 29; waar aan dat der Salmen met 24 en dat der Zeebrasems met 22, der Klipvisschen met 20 Soorten volgt. De overigen hebben veel minder : en het getal der Sooren , in de 51 Geslagten, is maar 378: 't welk, door één genomen, zeven of agt soorten is in een Geslagt.

Prof. H. Schlegel (1862) over DE KARPERS. CYPRINUS.:
De naam van K a r p e r s, in het dagelijksche leven tot eenige soorten beperkt, wordt in de wetenschap in het algemeen uitgebreid op alle karper-visschen, met uitzondering der modderkruipers. Alle inlandsche soorten zijn dadelijk van onze modderkruipers te onderscheiden, doordat zij eene gevorkte, of ten minste flaauw ingesnedene staartvin hebben, terwijl die bij de modderkruipers afgerond is.
Gemakshalve kan men de inheemsche soorten wederom verdeelen als volgt:
A. Soorten met voeldraden aan den snuit; de Karper, de Barbeel, de Grondel en de Zeelt.
B. Soorten zonder voeldraden, maar met doornen aan de rug- en aarsvin. Zij vormen het ondergeslacht der S t e e n k a r p e r s (Carassius); de Steenkarper en de Giebel.
C. Soorten zonder voeldraden en zonder doornen aan de vinnen. Zij vormen het geslacht Leuciscus, hetwelk wederom in eene menigte ondergeslachten verdeeld wordt. De meeste dezer visschen vat men onder de naam W i t v i s c h, K a t v i s c h of ook B r a a d v i s c h zamen; aan de breede, min of meer loodkleurige soorten met eene lange aarsvin, geeft men dikwijls den algemeenen naam van B l e i j e n; en de heldere zilverglanzige, grootendeels meer langwerpige soorten worden in het algemeen V o r e n of V o o r n genoemd; de Brasem, de Blei, de Lange Blei, de Bittere Voorn, de Ruisch-voorn, de Blank-voorn, de Hesseling, de Winde, de Serpeling, het Alvertje en de Sneep.



Dr.H.C. Redeke (1941) over de Karperachtigen (Fam. Cyprinidae):
Lichaam slank, min of meer zijdelings samengedrukt, met tamelijk grote cycloid-schubben; kop vaak met voeldraden, bek gewoonlijk eenigszins uitstulpbaar, zonder tanden; achter de kieuwbogen onder in het keelgat 2 aanzienlijke gebogen beenstukken (ossa pharynggealia inferiora) met sterke tanden bezet1), waartegenover een kauwplaat; borstvinnen zeer laag ingeplant; zwemblaas door 3 beenstukjes met het gehoororgaan in verbinding staand.
-Inlandsch 14 geslachten.

1) Het aantal en de rangschikking dezer keeltanden, aangegeven in de daarvoor geldende formules, zijn evenals hun vorm van groot belang voor de onderscheiding der soorten. Wanneer men den kop van den te onderzoeken visch van te voren even opkookt, kunnen de beide beenstukken, waarop zij zitten, gemakkelijk uitgeprepareerd worden. Men zorge evenwel, dat de tanden niet uitvallen!



Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over de Cyprinidae (karpers):
De meeste zoetwatervissoorten in Nederland behoren tot deze familie. Zij hebben geen tanden in de bek, doch bezitten keeltanden, waarmee voedsel fijn wordt gewreven tegen een daarboven gelegen hoornachtige plaat, die aan de schedel grenst. De keeltanden zijn karakteristiek per soort, doch worden in de determineersleutel niet genoemd om vooral levende vissen op naam te kunnen brengen. Karperachtigen en ook meervallen zijn gevoelig voor geluiden en kunnen vaak ook zelf geluid voortbrengen. Het binnenoor in deze groep vissen (Ostariophysi) is via een keten van beentjes ('beentjes van Weber', veranderde voorste wervels) met de zwemblaas verbonden.

Aangezien veel soorten van deze familie bij elkaar voorkomen en vaak in dezelfde periode paaien, is de kans op bastaardering (hybridisatie) groot, vooral als het zeer verwante soorten betreft (WHEELER, 1976). In de natuur gebeurt dit vaker, naarmate de optimale paai-omstandigheden per soort verdwijnen. Dit geschiedt op grote schaal door menselijk ingrijpen, waardoor watertypen veranderen (indijking, kanalisering, grindwinning, stuwaanleg, verlanding, bemesting, thermopollutie etc.). Ook het introduceren van niet-inheemse vissoorten, die een concurrerende positie kunnen innemen, heeft er toe geleid dat er in ons land zeer veel bastaarden voorkomen. Ze zijn door de vele overlappende kenmerken moeilijk te identificeren. Onderstaand volgt een overzicht van in Nederland waargenomen kruisingen:
karper x kroeskarper
brasem x blei
brasem x ruisvoorn
brasem x blankvoorn
blei x ruisvoorn
blei x blankvoorn
ruisvoorn x blankvoorn
ruisvoorn x alver
blankvoorn x alver
kopvoorn x alver
vetje x alver

1a. tastdraden bij de mondhoeken: 2
1b. geen tastdraden bij de mondhoeken: 5
2a. rugvin met meer dan 17 vertakte stralen: Cyprinus carpio (karper)
2b. rugvin met hoogstens 9 vertakte stralen: 3
3a. vier tastdraden: twee op de bovenlip en den bij elke mondhoek: Barbus barbus (barbeel)
3b. twee tastdraden, één bij elke mondhoek: 4
4a. lange tastdraden; bek onderstandig; grote schubben (38-44) in de zijlijn: Gobio gobio (riviergrondel)
4b. korte tastdraden; bek eindstandig; dikke slijmhuid met zeer kleine schubben (95-100) in de zijlijn: Tinca tinca (zeelt)
5a. rugvin met minstens 14 vertakte stralen: 6
5b. rugvin met hoogstens 11 vertakte stralen: 7
6a. hoog lichaam; 32-35 schubben in de zijlijn; 26-31 kieuwboogaanhangsels aan de binnenkant van de eerste kieuwboog: Carassius carassius (kroeskarper)
6b. slank lichaam; 28-32 schubben in de zijlijn; 37-50 kieuwboogaanhangsels aan de eerste kieuwboog: Carassius auratus (giebel)
7a. ogen onder de hoogte van de bek; meer dan 100 schubben in de zijlijn: 8
7b. ogen boven of op gelijke hoogte van de bek; minder dan 100 schubben in de zijlijn: 9
8a. een gekielde rand tussen borst- en buikvinnen: Hypophthalmichthys molitrix (zilverkarper)
8b. een vlakke, beschubde zone tussen borst- en buikvinnen: Hypophthalmichthys nobilis (grootkopkarper)
9a. bek schuin naar boven gericht 10
9b. bek anders: 13
10a. grote bek, de mondhoeken reiken tot onder de ogen: Aspius aspius (roofblei)
10b. kleine bek, mondhoeken reiken niet tot de ogen: 11
11a. zijlijn compleet, perforaties in de schubben tot aan de staartvin: 12
11b. zijlijn incompleet, perforaties hoogstens in de eerste tien schubben: Leucaspius delineatus (vetje)
12a. anaalvin met 16-20 vertakte stralen: Alburnus alburnus (alver)
12b. anaalvin met 10-11 vertakte stralen: Rutilus erythrophthalmus (ruisvoorn/ rietvoorn)
13a. anaalvin met minstens 14 vertakte stralen: 14
13b. anaalvin met hoogstens 11 vertakte stralen: 16
14a. anaalvin met minstens 21 vertakte stralen; hoog lichaam: 15
14b. anaalvin met hoogstens 17 vertakte stralen; slank lichaam: Alburnoides bipunctatus (gestippelde alver)
15a. zijlijn met 51-60 schubben; 11-13 rijen schubben boven de zijlijn; ogen kleiner dan de snuit: Abramis brama (brasem)
15b. zijlijn met 44-48 schubben; 7-9 rijen schubben boven de zijlijn; ogen groter dan de snuit: Abramis bjoerkna (kolblei)
16a. zijlijn incompleet, perforaties in de schubben niet tot aan de staartvin: 17
16b. zijlijn compleet, perforaties tot aan de staartvin: 18
17a. zijlijn loopt tot boven de anaalvin; 80-90 schubben van kieuwdeksel tot staartvin: Phoxinus phoxinus (elrits)
17b. hoogstens de eerste 5 of 6 schubben geperforeerd; minder dan 40 schubben van kieuwdeksel tot staartvin: Rhodeus sericeus (bittervoorn)
18a. 56-62 schubben in de zijlijn: 19
18b. 42-51 schubben in de zijlijn: 20
19a. bek onderstandig, snuit steekt duidelijk naar voren uit; eerste rugvinstraal even vóór de eerste buikvinstraal: Chondrosdrostoma nasus (sneep)
19b. bek eindstandig, snuit steekt niet uit; rugvin geheel achter de eerste buikvinstraal: Leuciscus idus (winde)
20a. 48-51 schubben in de zijlijn; halfonderstandige bek: Leuciscus leuciscus (serpeling)
20b. 42-46 schubben in de zijlijn; eindstandige bek: 21
21a. grote, brede kop met grote bek, waarvan de hoeken tot aan de ogen reiken: 22
21b. kleine, smalle kop en kleine bek, waarvan de hoeken halverwege de ogen reiken: Rutilus rutilus (blankvoorn)
22a. eerste rugvinstraal vóór de eerste buikvinstraal: Ctenopharyngodon idella (graskarper)
22b. eerste rugvinstraal achter de eerste buikvinstraal: Leuciscus cephalus (kopvoorn)