De Exoten

De Visschenwinkel

Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987):

In de nederlandse wateren ingevoerde of uitgezette vissoorten

De introduktie van uitheemse vissoorten heeft uiteraard gevolgen gehad voor onze inheemse fauna; merkwaardig genoeg zijn de konsekwenties van de vele importen niet of nauwelijks onderzocht. Als mogelijk oudste voorbeeld van de invoer van een uitheemse vissoort, werd gedurende de Middeleeuwen met succes de uit AziŽ afkomstige karper geÔmporteerd; deze vissoort beschouwen wij nu als inheems. Tegen het einde van de 19e eeuw en in het begin van de 20e eeuw werd, soms massaal, een groot aantal uitheemse vissoorten ingevoerd en uitgezet in de nederlandse wateren. Met zekerheid kan de invoer van 25 vissoorten worden vastgesteld, naast de min of meer serieuze gedachte nog een vijftal andere soorten te introduceren. Wij kunnen ons hier echter afvragen wat het effect is geweest van al deze kostbare importen. Opvallend zijn de pogingen om een aantal zalmachtigen (Salmonidae) in Nederland te introduceren om de bedreigde populaties van deze ekonomisch belangrijke soorten aan te vullen. Toen dit niet lukte, heeft men getracht amerikaanse zalmachtigen met ongeveer dezelfde levenswijze als hun europese verwanten, uit te zetten (chinookzalm, amerikaanse houting, regenboogforel). Deze verplaatsingen en importen van zalmachtigen hebben nooit succes gehad. De reden moet worden gezocht in het niet of zeer laat onderkennen van het feit dat de milieuomstandigheden van ons zoete water in de loop van de laatste honderd jaar dermate veranderd zijn, dat deze voor zalmachtigen niet meer geschikt zijn. Vele oorzaken kunnen worden genoemd. Het is echter een samenspel van een groot aantal nadelige factoren die bepalen dat voor zalmachtigen de weg terug in onze wateren feitelijk is afgesloten. Wij denken hierbij o.a. aan kanalisering van beken en rivieren, aanleggen van stuwen, grindwinning (paaibeddingen), lozing van afvalstoffen van mens en dier, chemische lozingen, lozingen van warm water door fabrieken en elektriciteitscentrales (thermopollutie), en aan zure regen, doch ook aan overbevissing door de beroepsbinnenvisserij. Het regelmatig uitzetten van broed van amerikaanse regenboogforellen - die zich in de nederlandse wateren niet kunnen voortplanten - moet worden gezien als een lapmiddel. Hoe profijteiijk ook voor de viskweker en hoe piezierig voor de hengelaar, het is en blijft een onnatuurlijk gebeuren in wateren, die in de loop van de laatste honderd jaar dermate veranderd zijn, dat deze voor zalmachtigen niet meer geschikt zijn. Toch blijft men volharden in het niet willen erkennen dat het voorbij is voor wat de zalmachtigen betreft. In 1984 werden door zwitserse visserijbiologen nog 30.000 jonge zalmpjes bij Basel in de Rijn uitgezet in de hoop dat deze - na een verblijf van enkele jaren in de Noordzee - in 1987 weer in de Rijn zullen terugkeren; zij werden uit zweedse zalmeitjes opgekweekt. Een succesvolle introduktie van een 'uitheemse' vissoort is die van de snoekbaars; deze soort kwam hier al vůůr de ijstijden voor. Het overbrengen van de snoekbaars van zijn natuurlijke verspreidingsgebied in het Donausysteem naar Duitsland (1883) in het stroomgebied van de Rijn, is ook voor Nederland niet zonder gevolgen gebleven. In 1888 werd de eerste snoekbaars in de Rijn bij Nijmegen opgemerkt; in 1901 begon in ons land een massale uitzetting van broed om de grote oppervlaktewateren (o.a. de friese meren) van snoekbaars te voorzien. Nu is de snoekbaars, na de paling, de belangrijkste zoetwatervissoort van onze wateren (IJsselmeer). Een viertal 'exoten', afkomstig uit de Verenigde Staten van Amerika (twee dwergmeervalsoorten, een zonnevis en een hondsvis), zijn lokaal goed in ons land aangeslagen en weten zich zich redeiijk te handhaven; zij zijn ekonomisch van geen enkel belang. Feitelijk zijn de karper en de snoekbaars de enige kommerciŽle successen na het introduceren van 25 vissoorten in onze zoete wateren. Andere soorten (o.a. regenboogforel en graskarper) moeten regelmatig worden gekweekt en uitgezet om zich in ons land te kunnen handhaven. Dit heeft het voordeel dat ze goed onder controle kunnen worden gehouden.

Hierna halen wij voor een aantal soorten de beschouwingen van Nijssen en de Groot aan voor de volledigheid. Voor de rest van het verhaal bevelen wij u De vissen van Nederland hartelijk aan!

1 - Regenboogforel
Salmo gairdneri Richardson

De regenboogforel, inheems in Noord-Amerika, is een van de meest kunstmatig verspreide vissoorten. Japan voerde deze soort reeds in 1877 in. In 1882 werden de eerste regenboogforellen naar Europa (Frankrijk) overgebracht. Van 1884-1890 werden uit Frankrijk (HŁningen) 156.000 bevruchte eieren naar Duitsland gebracht; uit Noord-Amerika werden nog eens 260.500 eieren naar Duitsland geŽxporteerd. In 1897 werd (vermoedelijk uit Duitsland) voor het eerst regenboogforel naar Nederland vervoerd, naar de kwekerij van Hasselbeek te Zwaanspreng bij Beekbergen. In 1898 werden hiervan 1500 l-jarige exemplaren uitgezet in de vestingwateren van het fort te Spaarndam onder 'staatstoezicht' van P.P.C. HOEK. Sindsdien zijn er tot op heden regelmatig regenboogforellen in onze wateren uitgezet (von dem BORNE, 1890; ANON., 1898, 1907; STEINMETZ, 1969; VOOREN, 1972).

2 - Amerikaanse hondsvis
Umbra pygmaea (De Kay)

De verspreiding van de amerikaanse hondsvis in ons land - in zuidoostelijk Noord-Brabant, westelijk Zuid-Limburg en in het aangrenzende deel van BelgiŽ - is opmerkeiijk. Volgens KLEIJN (1968) komen hondsvissen al ruim vůůr de tweede wereldoorlog in dit gebied voor, doch het is onduidelijk wanneer zij daar zijn gekomen. KLEIJN veronderstelt dat de hondsvissen ůf gekweekt werden door de Heidemaatschappij in de kwekerij te Valkenswaard, ůf per ongeluk mede werden ingevoerd met andere amerikaanse vissoorten, ůf werden losgelaten door aquariumliefhebbers. Volgens POLL (1949) zouden de hondvissen uit Nederland naar BelgiŽ zijn overgebracht. Het is mogelijk dat de amerikaanse hondsvissen bewust werden geÔmporteerd om als voedsel te dienen voor de duizenden uit Amerika ingevoerde zalmen en forellen. Om dezelfde reden bracht von dem BORNE uit Amerika 80 exemplaren mee van de 'Amerikaanse Minnow' 'White shiner' (= Notropis albeolus Jordan), die gekweekt moesten worden als voedsel voor de forellenkweek (MULIER, 1900). Een feit is dat de kwekerij van de Heidemaatschappij te Valkenswaard (nu OVB) midden in het verspreidingsgebied ligt.

3 - Graskarper
Ctenopharyngodon idellia (Valenciennes)
Chinese graskarpers komen, zoals de naam al aangeeft, oorspronkelijk in China voor; zij leven daar in rivieren, die door het laagland stromen. Ook in Rusland - in de midden- en benedenloop van de Amur rivier - komen graskarpers voor, de zogenaamde 'Witte Amur'. Graskarpers paaien bij watertemperaturen tussen 27 en 29 įC, temperaturen, die in onze wateren niet of niet langdurig worden bereikt. Graskarpers zijn in Nederland ingevoerd als alternatief voor het op mechanische wijze verwijderen van 'waterplantenonkruid'. In onze -door overbemesting te rijk aan voedingsstoffen geworden (eutroof) - wateren, bloeien sommige waterplanten en algen zů massaal op, dat sommige wateren dreigen dicht te groeien. Graskarpers eten enorme hoeveelheden waterplanten en worden lokaal met succes uitgezet om dichtgegroeide wateren open te houden. In Oost-Duitsland werden in 1965 en 1966 tweejarige graskarpers uitgezet (SCHEER & JANNICHEN, 1967). In Nederland werden in 1966 de eerste graskarpers door de OVB ingevoerd, waarna een kweek in broedhuizen werd opgezet. De 'werkgroep Graskarper', een ambtelijke commissie, verzorgt de begelelding van deze experimenten, waarvan de kweek en uitzettingen verzorgd worden door de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB). Van 1978 tot 1983 hebben de uitzettingen grootschalig plaats gevonden: 30.000 kg per jaar; in 1983 kwam de graskarper voor in 700 hectare water in ons land. Over de juistheid en toelaatbaarheid van deze bestrijdingsmethode en de konsekwenties voor de inheemse fauna en flora, bestaan verschillende meningen.

4 - Zilverkarper
Hypophthalmichthys molitrix (Valenciennes)

De zilverkarper heeft ongeveer hetzelfde verspreidingsgebied als de graskarper. De russische naam is 'Tolstolob'. Het is een planktoneter, die een lengte van 1 meter en een gewicht van 8 kg kan bereiken (NIKOLSKI, 1957). In 1966 werd deze soort door de OVB ingevoerd. De gedachte was dat na het uitzetten van graskarpers, hun uitwerpselen een enorme planktonbloei zouden kunnen veroorzaken, hetgeen door het tegelijkertijd invoeren van een planktonetende vissoort opgelost zou kunnen worden. In Oost-Europa bestaan polyculturen (meerdere soorten worden samen gekweekt) met graskarpers, zilverkarpers en grootkopkarpers. In Nederland is door Rijkswaterstaat (RWS), als beheerder van onze wateren, Ťn de OVB onder laboratoriumomstandigheden met zilverkarpers geŽxperimenteerd; men heeft de proeven echter beŽindigd. Een enkele keer wordt in onze wateren zilverkarpers aangetroffen (op 28 februari 1984 een 70 cm lang exemplaar in de Waal, (ANON., 1984), die waarschijnlijk ontsnapt zijn uit kwekerijen in ons omringende landen. Zilverkarpers planten zich in onze wateren niet voort, omdat de watertemperaturen te laag zijn.

5 - Grootkopkarper
Hypophthalmichthys nobilis (Richardson)

Grootkopkarpers komen in sommige rivieren van Zuid-China voor (NIKOLSKI, 1957). Zij worden in Oost-Europa gekweekt in polyculturen, samen met graskarpers en zilverkarpers. Bij hoge waterstanden van rivieren in ons omringende landen, ontsnappen soms exemplaren uit kwekerijen; dit zou de vangsten kunnen verklaren van enkele, tot 80 cm lange grootkopkarpers in het IJsselmeergebied. Het is ook mogelijk dat kleine exemplaren als 'vijvervis' door o.a. tuincentra zijn geÔntroduceerd en later zijn losgelaten, omdat zij te groot werden.

6 - Roofblei
Aspius aspius (Linnaeus)

Op 9 mei 1984 werd in de Roer bij St. OdiliŽnberg het eerste exemplaar van de roofbiei in ons land gevangen. Het was een vrouwtje met een lengte van 43,1 cm en een gewicht van 689 g (CAZEMIER, 1984). Het betreft een ontsnapt exemplaar van door een duitse hengelsportvereniging uit Denemarken geÔmporteerde partij roofbieien, die in een aantal meertjes en grindgaten bij de Limburgse grens waren overgebracht. Door extreem hoge waterstanden in het voorjaar van 1984, zijn enkele exemplaren in het stroomgebied van de Roer terecht gekomen (persoonlijke mededeling P. Dohmen, OVB). Roofbleien komen voor in rivieren van Oost-Europa tot voorbij het Aralmeer in Rusland; ook langs de hafkust (Oostzee) komen zij voor. Jonge exemplaren leven in groepjes bij elkaar, doch volwassen exemplaren leven solitair. Zij voeden zich met karperachtigen, kikkers en met kleine watervogels. Het eerste jaar bereiken zij een lengte van 10-15 cm, het vijfde jaar 53-57 cm; in het tiende jaar kunnen zij 72 cm lang worden (BAUCH, 1955).

7 - Dwergmeervallen
Ictalurus nebulosus (Le Sueur) en
Ictalurus melas (Rafinesque)

De eerste dwergmeervallen werden in 1871 uit Amerika in Frankrijk ingevoerd. In 1884 kwamen er exemplaren naar BelgiŽ en in 1885 naar Duitsland (ANON, 1904). Op de internationale visserijtentoonstelling te Berlijn in 1880 waren bij de amerikaanse inzending ook een aantal levende dwergmeervallen aanwezig (MACK, 1903). De eerste franse exemplaren werden door CARBONNIER bij Parijs gekweekt met zoveel succes, dat hij er later een aantal heeft geschonken aan het Musťum d'Histoire Naturelle te Parijs, die later in de Seine terecht kwamen; in 1879 werden er exemplaren bij de Pont d'Austerlitz gevangen. POUTAIN heeft uit Amerika dwergmeervallen in BelgiŽ ingevoerd, die hij losliet in vijvers te Lommel (belgisch Limburg) en in het Maaskanaal. Von dem BORNE (1890) heeft 50 dwergmeervallen uit Amerika naar Duitsland ingevoerd. Het zijn deze duitse exemplaren, waarmee de Heidemaatschappij in 1905 kweekproeven heeft gedaan in de kwekerij te Vaassen (PENNEKAMP, 19o5). De in Nederland aanwezige dwergmeervallen zijn afkomstig van belgische uitzettingen en van de kwekerij te Vaassen; daarnaast zijn ook exemplaren door aquariumliefhebbers losgelaten. KENDALL (1910) geeft in zijn overzichtsartikel over amerikaanse dwergmeervalachtigen een aantal voorbeelden en bijzonderheden over de in Europa ingevoerde dwergmeervallen. Hij vermeldt een speciaal aquarium in ARTIS te Amsterdam, waar zich 45 in 1886 geÔmporteerde exemplaren bevinden, die zich - zo hoopte men - zouden gaan voortplanten.

8 - Gup
Lebistes reticulatus (Peters)

De gup is inheems in het noordelijk deel van Zuid-Amerika (Trinidad, Barbados, Venezuela, delen van BraziliŽ en de Guyana's). Het is een van de bekendste aquariumvissen. Verschillende variŽteiten worden onderscheiden, alle afkomstig van de 'wildvorm'. Sinds vele jaren worden guppen in Nederland vrij levend aangetroffen in verwarmd oppervlaktewater. o.a. in het Noordzeekanaal bij de Hoogovens te IJmuiden en bij diverse elektriciteitscentrales. Het betreft losgelaten exemplaren door aquariumhouders, die 'genoeg' van guppen hadden. Normaal zouden de visjes gedurende de winter dood zijn gegaan, maar in het 'met warmte vervuilde' water (thermopollutie) konden zij biijven leven en zich zelfs voortplanten. De kleur van nederlandse guppen is erg variabel. De guppen uit het Noordzeekanaal werden o.a. te IJmuiden (RIVO) gebruikt voor experimenten; zij bereikten lengten van 10-12 cm, het dubbele van wat normaal wordt waargenomen. Guppen handhaven zich in het 'buitenland' zeer goed.

9 - Zonnebaars
Lepomis gibbosus (Linnaeus)

Zonnebaarzen zijn noordamerikaanse zoetwatervissen, die omstreeks 1885 als siervissen uit Amerika in Frankrijk zijn ingevoerd. Van Frankrijk uit werden zij later ook naar Duitsland overgebracht. In 1866 werden er ook rechtstreeks zonnebaarzen uit Amerika naar Duitsland getransporteerd (MATHER, 1889): von dem BORNE ontving te Berneuchen 125 exemplaren. In Amerika werd de wijsheid van deze import in twijfel getrokken, gezien de negatieve eigenschappen als roofvis, die slechts als siervis enige waarde had. MATHER vermeldt in hetzelfde artikel een poging om een amerikaanse snoeksoort te importeren; deze snoeken zijn echter tijdens het transport overleden. De 'cyprinidae', die als voedsel voor de snoeken waren meegezonden, overleefden het transport wel; dit illustreert hoe men ongewenste introdukties kan veroorzaken. In 1882 heeft von dem BORNE ook geprobeerd uit Amerika planten (o.a. wilde rijst) te importeren om als voedsel te dienen. In 1881 importeerde hij 500 zonnebaarzen voor kweekproeven (von dem BORNE, 1892, von WENGEN, 1892, ANON., 1902). In 1903 blijken er 50 zonnebaarzen door de Heidemaatschappij te zijn ingevoerd om opgekweekt te worden in Vaassen (ANON, 1904): 'Ze zijn er trots op en laten ze onder andere zien op tentoonstellingen zonder er verder op in te willen gaan. Daar dit echter siervisschen zijn, zullen wij deze verder onbesproken laten' (NENGERMAN, 1905).
Af en toe wordt er in onze binnenwateren een zonnebaars gevangen. Het is onduidelijk of dit losgelaten aquariumvissen zijn of nakomelingen van vroeger ingevoerde exemplaren. BROUWER (1925) vermeldt een regelmatig binnendringen van zonnebaarzen uit BelgiŽ via de Limburgse Maas; zij zouden in vele rivieren en kanalen van De Kempen voorkomen. In het Meer van Lugano (Zwitserland) komen door uitzettingen zonnebaarzen algemeen voor.

10 - Bronforel
Salvelinus fontinalis Mitchill

Deze soort werd in 1868 voor het eerst in Europa ingevoerd (von dem BORNE, 1890); het is een in Noord-Amerika inheemse soort. In 1879 werd de bronforel in BelgiŽ ingevoerd (MULIER, 1900); POLL (1949) bevestigt het voorkomen in BelgiŽ. Sinds 1880 heeft de bronforel zich blijvend in Duitsland en Frankrijk gevestigd. Duitse kwekerijen produceerden 390.000 exemplaren tussen 1884 en 1900. In 1889 en 1890 werden nog eens 620.000 eieren uit Noord Amerika geÔmporteerd, hoewel de duitse kwekerijen in 1890 zelf al 750.000 eieren produceerden. De bronforel is in diverse bergmeren en beken in Beieren, in de Lahn bij Karisbad en in Oostenrijk bij de hongaarse grens uitgezet. MULIER zegt dat de bronforel tussen 1895 en 1900 in Nederland moet zijn uitgezet. Er is thans weer sprake van een introduktie in Zuid-Limburg in de Geul met uit BelgiŽ afkomstige exemplaren. Om een invoerverbod van uitheemse vissoorten te omzeilen, heeft men de bronforel bij deze import een verkeerde nederlandse naam ('riddervis') gegeven, die - ten onrechte - reeds jarenlang in de visserijwet is opgenomen.

11 - Snoekbaars
Stizostedion lucioperca (Linnaeus)

De snoekbaars, die in Europa inheems is ten oosten van de Elbe tot in Rusland, werd aan het einde van de vorige eeuw door o.a. de 'Deutsche Fischerei-Verein' overgebracht naar het westelijke deel van Duitsland: in 1883 in de Main, Rijn en in het meer van Konstanz. De snoekbaarzen kwamen uit een kwekerij bij Wadowice in GaliciŽ, het huidige Polen. In 1884 werden regelmatig snoekbaarzen gevangen in het duitse deel van de Rijn (KERBERT, 1887). In 1887 waren er al enkele exemplaren in het aquarium van ARTIS. KERBERT besloot aan deze soort, die toen - in navolging van de duitse naam - Zander of Sander werd genoemd, de nederlandse naam snoekbaars te geven: Wj hebben den "Zander" als toekomstige vischsoort in Nederland, bij voorbaat den naam "snoekbaars" gegeven'. Op 16 januari 1888 wordt het eerste exemplaar bij Milligen boven Nijmegen gevangen (KERBERT, 1888). In 1897 verzoekt de 'Vereeniging ter bevordering van de Zoetwatervisscherij in Friesland' tijdens haar algemene ledenvergadering om de invoer van de snoekbaars in Nederland. De Heidemaatschappij neemt dit verzoek in overweging; in 1901 worden van de viskwekerij te Wittingen (Duitsland) 50.000 bevruchte snoekbaarseieren gekocht, die op 18 mei werden overgebracht naar de kwekerij te Vaassen (ANON, 1902). In 1902 werden nog eens 50.000 eieren in Duitsland gekocht (ANON, 1902). Hierna volgen regelmatig berichten in de publikaties van de Nederlandse Heidemaatschappij over het uitzetten van snoekbaarzen. De introduktie van snoekbaarzen is een groot succes geworden. In 1980 werd in het IJsselmeer 133.000 kg snoekbaars gevangen met een handelswaarde van 1,25 millioen gulden. De snoekbaars is nu de tweede belangrijkste kommerciŽle zoetwatervissoort in Nederland.

12 - Karper
Cyprinus carpio Linnaeus

Er worden verschillende rassen karpers onderscheiden: edelkarpers (= schubkarpers), spiegelkarpers, lederkarpers (= naaktkarpers) en rijenkarpers; ook wordt een oranje variŽteit gekweekt, de goudkarper. Behalve de hier genoemde rassen, komen in Europa nog een vijftal kweekrassen voor, die ook onderling weer kunnen kruisen (BAUCH, 1955): Boheemse karper, Lausitzer karper, Gallizische karper, AischegrŁnder karper en Frankische karper. De Heidemaatschappij heeft o.a. in 1899 de Gallizische karper uit Oostenrijk (Bilitz) en de bastaardvorm Boheemse/Lausitzer karper uit Duitsland (Hannover) ingevoerd (PENNEKAMP, 1899). Het is duidelijk dat dit slechts een voorbeeld is van het vele geŽxperimenteer met karperrassen in ons land.

13 - Meerval
Siluris glanis Linnaeus

In 1970 werden door de OVB meervallen uit Hongarije ingevoerd om - bij gebrek aan nederlandse meervallen - kweekproeven te beginnen; het doel was gekweekte meervallen in onze wateren uit te zetten als witvisverdelger. In 1972 lukte het om de meervallen in gevangenschap - met een inheems vrouwtje - tot voortplanting aan te zetten. De meervallen werden bij een watertemperatuur van 23 įC gehouden en met karperhypofysehormoon ingespoten. Het lukte het eerste jaar 7000 meervallen te kweken. Met wisselend succes werden de proeven tot 1980 voortgezet, waarna besloten werd - gezien het risico voor de inheemse meervallen, die inmiddels door de natuurbeschermingswet waren beschermd - de proeven te beŽindigen. Er zijn echter tijdens de experimenten diverse exemplaren ontsnapt (netbreuk), zodat nog vele jaren vangsten van meervallen buiten hun oorspronkelijke verspreidingsgebied in Nederland (Haarlemmermeergebied en aangrenzende wateren) kunnen worden verwacht. Voorts is het mogelijk dat meervallen, afkomstig uit kwekerijen in Duitsland, via de Rijn ons land binnenkomen.

14 - Zeelt
Tinca tinca (Linnaeus)

In 1900 gaf de Heidemaatschappij opdracht aan een duitse handelaar om twee kweekvijvers van drie hectare te ontwerpen voor het kweken van zeelt in Vaassen (ANON, 1901). In 1891 werd echter al zeelt gekweekt in Friesland (ANON, 1896). Zeelt groeit erg langzaam; dit was de reden dat de Heidemaatschappij in 1905 een ander ras uit Oost-Pruisen (nu Polen) importeerde: 125 exemplaren van de 'Masurische zeelt' zouden de basis vormen van een sneller groeiende, langer wordende en opvallend groene zeelt in Nederland; In 1906 had de kwekerij te Vaassen 65.000 tweejarige zeelten (ANON, 1906). In 1907 werd een gedeelte overgebracht naar o.a. Geestmerambacht, waar zij na vier groeiseizoenen een lengte hadden van gemiddeld 27 cm (ANON, 1909). Volgens VOOREN (1972), die mondelinge informatie citeert, zouden er nog exemplaren van de 'Masurische zeelt' in Nederland voorkomen.

15 - Goudwinde
Leuciscus idus (Linnaeus)

De goudkleurige variŽteit van de winde, de goudwinde, is aan het begin van deze eeuw op grote schaal door de Heidemaatschappij gekweekt. Voordien werd de goudwinde door deze maatschappij uit Frankrijk en Duitsland ingevoerd. Het is een vijvervis, die door zijn gedrag te verkiezen is boven de goudvis, de gekweekte vorm van de giebel: goudwindes zwemmen namelijk altijd aan het oppervlak van het water, terwijl goudvissen dit alleen in de zomermaanden doen. Goudwindes zijn goed eetbaar: de duitse keizer Wilhelm I had duizenden goudwindes in zijn vijvers en wilde iedere dag een klaargemaakte goudwinde op zijn tafel hebben; of hij deze ook steeds at, vermeldt de historie niet (ANON, 1903, 1904).