



De orde van de Prikachtigen (Petromyzontiformes) kent in Nederland 3 vertegenwoordigers, allen behorend tot de familie van de Prikken (Petromyzontidae).
Prof.H.Schlegel (1862) over DE PRIK-VISSCHEN. (PETROMYZONTES.):
Tot deze familie behooren de minst ontwikkelde soorten van visschen. Zij hebben een wormvormig, glad en slijmerig ligchaam zonder schubben; de vinnen hebben de gedaante van huidvliezen, de buik- en borstvinnen ontbreken geheel en al, en er is ook geene eigenlijke aarsvin aanwezig; zij hebben eenen min of meer trechtervormigen, tot het zuigen ingerigten mond en zeer kleine oogen; de aars ligt ver naar achteren; de kieuwen zijn zakvormig, en verkrijgen het water door eene of meer kleine kieuwgaatjes, die aan weêrzijde van het begin van den romp liggen; het geraamte is geheel kraakbenig, zonder kaken en ribben, en de wervelkolom wordt door een ruggestreng zonder geledingen vervangen. De zwemblaas ontbreekt. Zij leven in de zee of in rivieren.
Wij hebben slechts twee inheemschen soorten van prikken, die tot het ondergeslacht der eigenlijke prikken behooren. Deze hebben de lippen en de tong met hoornachtige, kegelvormige tandjes gewapend, en de tong kan als de zuiger van eene pomp vooruitgeschoven en achteruitgetrokken worden. De staartvin is met de tweede rugvin vereenigd, maar deeze op eenen tamelijken afstand van de eerste rugvin verwijderd. Een onder den staart van het voorgedeelte der staartvin, min of meer afgezonderd lapje heeft men aarsvin genoemd. Er zijn aan weêrzijde 7 kieuwgaatjes aanwezig. Zij zuigen zich aan visschen en andere waterdieren vast, ten einde hun bloed op te zuigen, waarmede zij zich voeden. Onze beide inheemsche soorten zijn de zeeprik en de prik.
H.Aalderink (1911) over de drie soorten prikken in zijn betoog over DE PRIK (Petromyzon Fluviatilis.):
Dr.H.C. Redeke (1941) over de Prikvisschen:
CYCLOSTOMI (MARSIPOBRANCHII)
Rondbekken
Geraamte deels uit kraakbeen, deels uit vezels bestaand; huid glad, zonder schubben; kop niet duidelijk afgescheiden van het overige, slangvormige lichaam; borst- en buikvinnen ontbreken; de kieuwen zijn in zakjes besloten, die óf gemeenschappelijk (Myxinidae) óf elk voor zich (Bdellostomatidae, Petromyzonidae) naar buiten uitmonden. Alleen de laatstgenoemde familie is in onze fauna vertegenwoordigd.
Fam. Petromyzonidae
Prikvisschen, Lampreien of Negenoogen
Lichaam in het voorste gedeelte rolrond, naar achteren zijdelings afgeplat; voor de eigenlijke mondopening een uitstulpbaar en tot zuigen ingericht verlengstuk met aan de binnenzijde talrijke hoorntanden en -platen; 7 paar kieuwzakjes, die ter weerszijden van den kop door evenveel openingen met de buitenwereld in verbinding staan; een neusgat boven op den kop; twee ver naar achteren geplaatste rugvinnen. - Inlandsch 2 geslachten:
1. Hoornplaat voor de mondopening smal, met 2 dichtopeenstaande tanden
.......... Petromyzon
2. Hoornplaat voor de mondopening breed, met 2 ver uiteenstaande tanden
.......... Lampetra
Geslacht: Petromyzon:
Eén soort: marinus.
Geslacht: Lampetra:
Twee soorten:
1. In volwassen toestand langer dan 30 cm, met fraaien zilverglans;
leeft voornamelijk in zee en rivieren .......... fluviatilis.
2. In volwassen toestand korter dan 20 cm, weinig of geen zilverglans;
leeft uitsluitend in heldere beken .......... planeri.
Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over de prikken (Petromyzontidae):
Prikken worden door de systematici niet tot echte vissen gerekend. Zij bezitten een elastische ruggestreng (chorda dorsalis) met stukjes kraakbeen. Prikken hebben geen kaken (Agnatha), doch een ronde zuigbek met hoorntanden, waardoor zij ook wel rondbekken (Cyclostomata) worden genoemd. Met de hoorntanden kunnen ze door schubben en huid van een prooivis heenraspen, waarna zij de lichaamssappen van hun slachtoffer opzuigen (parasitaire leefwijze). In plaats van een kieuwspleet (bij beenvissen), bezitten prikken aan weerszijden van de kop zeven kieuwopeningen. Het kieuwapparaat is ook inwendig anders gebouwd. Rivier- en zeeprikken treklken uit zee naar zoet water (anadroom) om zich voort te planten. De volwassen dieren sterven na het paaien (evenals de beekprik) en keren dus niet naar zee terug. Priklarven leven jarenlang in de bodem van meren en rivieren, zich voedend met micro-organismen. Zij hebben een wormachtig lichaam met een hoefijzervormige lip. Zij werden aanvankelijk niet als priklarven herkend en zijn als Ammocoetes branchialis beschreven. In navolging van dit misverstand, worden de larven nog steeds 'Ammocoetes'-larven genoemd. Na een jarenlang larvenbestaan, ondergaan ze een gedaantevernadering (metamorfose) en trekken (behalve de beekprik) naar zee (voedseltrek), waar ze enkele jaren verblijven om zich te voeden.


W.P. Van den Ende (1847/'50) bericht betrekkelijk de prikken:
