De Rivierprik

Orde: Petromyzontiformes (Prikachtigen)
Familie: Petromyzontidae (Prikken)
Geslacht en soort: Lampetra fluviatilis (Rivierprik)

De Visschenwinkel De Prikken De Zeeprik De Beekprik

Prof.H.Schlegel (1862) over DE PRIK. PETROMYZON FLUVIATILIS.:
De P r i k, ook negenoog of lamprei genoemd, heeft in het algemeen zeer veel overeenkomst met de zeeprik; maar zij is veel kleiner, ranker van gestalte; het voorgedeelte van het ligchaam is naar evenredigheid veel langer, en de eerste rugvin begint derhalve veel verder naar achteren; zij heeft van voren aan den binnenrand der zuiglippen twee groote driehoekige op aanzienlijken afstand van elkaâr verwijderde tanden, en zij is zilverachtig wit van kleur, met olijfgroene of groenachtig blaauwe bovendeelen.
De prik bereikt ruim een voet lengte, en haar ligchaam is alsdan zoo dik als een vinger. Zij bewoont de rivieren en andere zoete wateren van het gematigde Europa, komt ook in onze rivieren menigvuldig voor, en verdwaalt van hier ook in andere daarmede gemeenschap hebbende wateren, of zelfs tot in de zee. De regelmatige vangst dezer visschen wordt op onze rivieren, bij Arnhem, Nijmegen en Tiel, met korven uitgeoefend, en heeft, voor zoo ver het de stand van het water gedoogt, plaats van October tot Maart. De gevangen prikken worden nagenoeg uitsluitend gebezigd tot aas voor de kabeljaauw-visscherij, en tot dat einde levend van Vlaardingen verzonden, velen worden ook uit Engeland naar Nederland overgebragt. Men verzendt ze ook wel eens naar Duitschland, waar zij als eene lekkernij gezocht zijn; hier te lande daarentegen worden zij weinig of niet gegeten, maar somtijds gemarineerd. Zij schieten hare kuit van half April tot half Mei. Eene andere Europesche, in het noordelijk Duitschland gewone soort, Petromyzon Planeri, wier rugvinnen aan elkaâr stooten, werd tot heden niet in ons land waargenomen. De jongen dezer soort, vroeger voor een eigen geslacht gehouden, Ammocoetes branchialis genoemd, hebben in het geheel geene tanden en eene halfkringvormige lip.


De Prik

Baron von Ehrenkreutz (1863) over DE PRIK. PETROMYZON FLUVIATILIS.:
De Prik (Petromyzon fluviatilis) Fr. Pricka, of l'Ecrevisse de rivière enz. E. Lamprey, Duitsch Die Pricke, Ital. Lampreda, bij Straatsburg Berling, waar zij tegen het einde van April in gemeenschap met de Guerder, de kleinste voorwerpen harer soort en niet grooter dan een daauwwurm, wordt aangetroffen, daarna verdwaalt zij echter, komt in den naherfst terug en blijft er tot den vastentijd.
De Prik, eveneens negengoog en lamprei genaamd; is naauw verwant aan den vorigen visch, en heeft diensvolgens met deze veel overeenkomst; zij bereikt echter slechts eene lengte van 10 à 12 dm. en wordt zoo dik als een vinger. Zij wordt van den vorigen visch onderscheiden door de rugvin, die hoekig is.
De Prik is in de Noordelijke wateren van Duitschland een zeer gewone visch, komt ook in onze rivieren vrij algemeen voor, en wordt b. v. bij Arnhem, Tiel enz. in korven gevangen en somtijds gemarineerd.
Overigens wordt zij in ons land weinig gegeten, en meest gebruikt tot lokspijs voor den kabeljaauw.
Zij heeft een zeer taai leven, en kan daarom zeer ver levend verzonden worden.
Met haren ronden mond zuigt zij zich even als de Zee-prik aan steenen vast, naardien zy echter glad is, kan men haar niet gemakkelijk met de handen vangen, ook moet men wel zorg dragen dat zij zich niet aan deze of andere deelen van het ligchaam vastzuigt, naardien de daardoor veroorzaakte wonden moeijelijk genezen.
Haar vleesch is eene lekkernij en wordt gemarineerd in den handel gebragt; is echter moeijelijk te verteren. In den winter smaakt het het lekkerst en is in dien tijd, versch gegeten, gezond; gewoonlijk eet men de Prik versch gebakken, zij wordt evenwel ook nog op andere wijzen toebereid. De Italianen laten deze dieren in malvezei (wijn) sterven, waardoor zij een delikaten smaak verkrijgen. De rijtijd heeft in Maart en April plaats, en men ziet ze dan meestentijds in zand- of steenachtige diepe plaatsen staan.
Zij leven van wurmen, waterinsekten, aas, vischbroed enz.
ln rivieren en meren , waar zij zich ophouden, worden des winters gaten in het ijs gehakt en daarin berkentakken gestoken; zij zuigen zich alsdan daaraan vast en worden zoodoende op de gemakkelijkste wijze gevangen.
Met het smelten van het ijs, vermindert haar lekkere smaak. Men wil dat in Kurland de grootste en beste voorwerpen gevangen worden.
Zij worden aldaar ter verzending in sneeuw ingepakt; legt men ze later bij het uitpakken weder in koud water, dan worden zij weder levendig.
De kleine Prik, Petromyzon planeri, komt in de beken en rivieren, die in de Main en den Rijn uitloopen voor. In ons land is zij voor zoo verre men weet nog niet waargenomen.
De Franschen noemen haar La Lamproyon, La Lamprillon, Civelle, Chatouille enz. De Petromyzon branchialis, door de Duitschers Der Guerder 1) genaamd, de kleinste visch dezer soort, houdt zich gaarne in modder op, waar de visschers haar opzoeken, om haar als aas te gebruiken.

1) De Petromyzon branchialis of Ammocoetus branchialis; werden vroeger voor een afzonderlijk geslacht gehouden , doch zijn niet anders dan de jonge voorwerpen der prik ; zij zijn geheel tandeloos (Vert.).

De Rivierprik

A.A. van Bemmelen (1866) over de Rivierprik:
PETROMYZON FLUVIATILIS, Linn.
DE GEWONE PRIK. Ook Negenoog, Rivier-Lamprei en Rivierprik genoemd.
SCHL. D. v. Ned. p. 205, tab. 21, fig. 4 en 5. SIEBOLD, p. 372, fig. 62a en b. YARRELL, I, p. 28, fig. HECKEL und KNER, p. 377, fig. 202. DE SELYS, p. 226, n°. 51. V. D. ENDE, III, p. 80-98. BLOCH, III, p. 41 , tab. 78, fig. 1. J. R. Douw, 1780; Antwoord op de Prijsvraag enz. in de Verhandel. Holl. Maatsch. v. Wet. te Haarlem, II, 1790.
Deze soort is zeer algemeen in onze groote rivieren, vooral in den winter en in het voorjaar; zij komt ook in de meeste zoete wateren, zelfs in slooten voor. Van Mei tot Julij vindt men haar dikwijls digt aan het strand.
Somtijds vangt men in de rivieren zeer groote voorwerpen, en visschers verzekerden mij, dat de lengte soms 3 à 3½ voet bedraagt. In den Rhijn, onder anderen nabij Arnhem, in de Waal, enz. heeft men groote prikvisscherijen, die gewoonlijk in het laatst van September of het begin van October aanvangen en tot Februarjj of Maart duren, naar gelang van den toestand der rivier.
Volgens V. D. ENDE (l. c. p. 93) was zij ruim vijftig jaren geleden veel talrijker in den Rhijn dan tegenwoordig; op één morgen werden er toen eens vijftienhonderd gevangen, en terwijl men er nu in één korf zelden meer dan 2 of 5 tegelijk vangt, vong men er toen wel 16 stuks bij elkaar.

H.Aalderink (1911) over DE PRIK of LAMPREI. (Petromyzon Fluviatilis.):
De prikken zijn vrij wel de minst bewerktuigde visschen. Zij hebben een wormvormig lichaam en geen borst- of buikvinnen. Hun huid is slijmerig en bevat geen schubben. Volgens Dr.Burgersdijk bestaat de wervelkolom uit eene eenvoudige streng en zijn er geen ribben aanwezig. Wel is er een schedel tot omsluiting der hersenen, maar deze is zoo onvolkomen, dat men de verschillende onderdeelen niet kan onderscheiden. De kaakbeenderen ontbreken; de lippen worden slechts door eenige kraakbeenderen ondersteund. De mondopening is kringvormig en omgeven door vleezige lippen. Aan den bovenrand der mondholte worden hoornachtige tanden aangetroffen en wel, behalve vele kleinere, 1 of 2 grootere; aan den onderrand is een soort plaat, welke in verschillende punten uitloopt. Het darmkanaal loopt recht naar achteren en laat ternauwernood eene afscheiding tusschen maag en darmen ontwaren. Van de zwemblaas is bij de prikken geen sprake. Daarentegen is het hart vrij goed ontwikkeld. Aan weerszijden van den slokdarm liggen de kieuwen en wel in 6 à 7 paren van zakken met spierachtigen voor samentrekking vatbaren wand. Deze kieuwen staan met den slokdarm in verbinding door een enkele buis. De oogen zijn groot en duidelijk zichtbaar. Het reukorgaan is niet dubbel, maar enkele en bezit eene tusschen de oogen gelegene opening naar buiten. Naar achteren is het verlengd door een gesloten kanaal en vormt het alzoo een gesloten zak.
De ademhaling heeft op bijzondere wijze plaats. De prikken, ook wel negenoogen genaamd, zuigen zich met den cirkelvormigen bek, omgeven met vleezige lippen, vast en laten dus niet door dezen het water tot de kieuwen komen. Door 6 of 7 openingen aan weerszijden van den hals gaat het water zoowel in als uit. Zij hebben twee door kraakbeenige stralen ondersteunde rugvinnen, waarvan de achterste met de staartvin vereenigd is.
Hoe onvolkomen de vinnen ook zijn, kunnen de prikken zich goed in het water voortbewegen. In niet snelstroomend water werken zij zich slangsgewijze voort, terwijl men beweert, dat zij zich in sneller stroomend water weten vooruit te brengen door het doen van vrij groote sprongen, waarbij zij zich dan telkens aan stenen vastzuigen, om daar voor een volgenden sprong weer kracht te verzamelen. Dat hun zuigvermogen groot is blijkt al spoedig aan ieder, die den prik in handen neemt. Onmiddelijk zuigen zij zich zóó vast aan de hand, dat men bepaald moet slingeren, voor dat zij loslaten. Ook schrijft men aan hen wel de slimheid toe, dat zij zich de snelstroomende rivieren laten opvoeren door zich vast te zuigen aan beter tegen den stroom opgewassen natuurgenooten, zooals zalmen, elften en dergelijke. In ieder geval is het een feit, dat zij zich aan dergelijke visschen vasthechten en ze niet weer verlaten, dan nadat ze zich aan hun vleesch hebben te goed gedaan. Met hunne tanden vijlen zij de huid der groote visschen zoolang, tot er diepe wonden in het lichaam zijn aangebracht. Zelfs zijn er soorten, die tot in het lichaam van de door hen aangevallenen doordringen en daar als parasieten blijven leven.
Niet alle prikken kunnen echter gerekend worden zoetwatervisschen te zijn. Men heeft er 3 soorten, n.l. groote, middelsoort en kleinen. De eersten en de laatsten zijn eigenlijk zeeprikken, terwijl de middelsoort (groot ongeveer 3 à 4 decimeter) de zoetwaterbewoner is. Deze is zilverwit van kleur met olijfgroene of groenachtig blauwe bovendeelen en is kleiner en ranker van gestalte dan de zeeprik. Verder is het voorgedeelte van het lichaam naar evenredigheid veel langer, waardoor de eerste rugvin ook veel verder naar achteren begint. Omtrent de voortplanting is weinig bekend. Het kuitschieten heeft plaats van half April tot half Mei.
Van October tot Maart, wordt in ons land van het vangen der prikken werk gemaakt en wel door middel van fuikvormige korven of manden, welke bevestigd worden aan een touw of reep, aan het eene einde waarvan zich een anker bevindt. Veel worden ze gevangen in de Maas en de Merwede bij Werkendam en Woudrichem, vanwaar ze naar de zeeplaatsen worden gezonden, om daar te worden gebruikt als aas, vooral bij de kabeljauwvangst, waarbij zij het aas bij uitnemendheid zijn. Op de schepen ter vischvangst in de Noordzee bestemd, heeft men nog de zoogenaamde Prikkenbijters, dat zijn de jongens, die de Prikken met hunne tanden dood moeten bijten, alvorens de schipper ze tot aas versnijdt. Dit tot aas dienen, is ook vrij wel hunne algeheele waarde, want als voedsel voor den mensch komen ze niet in aanmerking. Zij, die ze eenmaal hebben geproefd, zullen zich zeker voor de 2e maal niet daaraan wagen.

Dr.H.C. Redeke (1941) over de Rivierprik (Lampetra fluviatilis (L.)):
Vleezige rand van den snuit met papillen bezet, doch deze zijn naar verhouding breeder en minder talrijk dan bij de vorige soort (zeeprik); op den rand van de zuigschijf een ring van kleine tandjes, rondom de mondopening ter weerszijden 3 tweespitsige hoornplaten, aan de voorzijde, een gebogen plaat met op elken hoek een tand, aan de achterzijde een minder sterk gebogen plaat met 6 of 7 tanden; bij jonge individuen zijn de tanden puntig, bij de geslachtsrijpe stomp. De voorste rugvin begint ongeveer op het midden van den rug; haar lengte bedraagt weinig minder dan de helft van die der hoogere en bijna driehoekige tweede; beide rugvinnen, aanvankelijk duidelijk gescheiden, naderen elkaar naarmate de dieren rijper worden, zoodat bij volkomen rijpe exemplaren geen tusschenruimte meer aanwezig is. Rug donker blauwgroen, zijden en buik zilverglanzend wit.
Lengte: tot ca. 50 cm.
Verspreiding: geheel Europa met uitzondering van IJsland, Noord-Azië, Japan, Groenland en langs de Noordamerikaansche Westkust van Alaska tot Californië.
De Rivierprik is naar zijn grootte de "middelste" onzer prikken en de soort, die meer in het bijzonder Lamprei of Negenoog wordt genoemd. Men vindt hem veelvuldig in de Zuidhollandsche en Zeeuwsche stroomen en tegen den paaitijd tot hoog op de rivieren. In de voormalige Zuiderzee was hij niet zeldzaam, in de zeegaten en aan de Noordzeekust wordt hij bij wijlen veel gevangen, doch in de binnenwateren treft men hem slechts zelden aan.
Aan het eind der vorige eeuw ontdekte Den Hollander jonge Priklarven, Ammocoetes, in plasjes tusschen kribben aan den Waaloever bij Nieuwwaal. "Een paar ervan waren niet grooter dan stopnaaldjes" - dit is helaas alles, wat hij omtrent hun grootte meedeelt. Veel later, in juni 1930, vingen wij op de Bergsche Maas bij Drongelen een tweetal, 7 en 8 mm lange Ammocoetes, vermoedelijk ook larven van L. fluviatilis.

Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over de rivierprik:
Lampetra fluviatilis (Linnaeus, 1758), synoniem: Petromyzon fluviatilis
E. Lampern/River lamprey - F. Lamproie de rivière - D. Flussneunauge
Maximale lengte 50 cm. Nederlands hengelrecord 35,0 cm (X1-1982).
Jonge exemplaren tot 15 cm zijn beschermd, omdat verwarring met de beschermde beekprik mogelijk is. Rug blauwgrijs, flanken lichter, buik zilverwit.

Elk jaar in de herfst begint de rivierprik van zee uit het zoete water binnen te trekken (paaitrek). In het volgende jaar worden de paaigronden in Duitsland en België bereikt. De nederlandse rivieren hebben geen geschikte grindbeddingen meer, waar de rivierprik zou kunnen paaien. LANZING (1959) schatte dat jaarlijks ongeveer 250.000 rivierprikken de stuw bij Lith in de Maas passeerden. De dieren hebben dan een lengte tussen de 34 en 49 cm en wegen ongeveer 200 gram; er is geen lengteverschil tussen de trekkende mannetjes en vrouwtjes. LANZING bestudeerde uitvoerig het proces van de geslachtsrijping. Over het leven in zee van de rivierprik is - evenmin als van de zeeprik - weinig bekend. Vroeger werden rivierprikken als aas gebruikt bij de beugvisserij. De levende prikken werden in een bun meegevoerd en na 'gekneusd' te zijn, door de 'prikkenbijter' aan de haak geslagen.
Verspreiding: N. atlantische en N. pacifische kusten, Noord- en Oostzee. Langs de nederlandse kust en in nederlandse rivieren minder algemeen.