De Zalmachtigen

salmo

De Visschenwinkel

De Orde van de Zalmachtigen (Salmoniformes)kent vier Families met vertegenwoordigers in het Nederlandsche zoete water, te weten de Snoeken (Esocidae), de Hondsvissen (Umbridae), de Spieringen (Osmeridae) en de Zalmen, Forellen, Vlagzalmen en Coregonen (Salmonidae):

De Snoeken De Spieringen De Zalmen

De Snoeken

Pike

De Visschenwinkel De Zalmachtigen
De Snoek

Martinus Houttuyn (1765) geeft een Beschryving van 't Geslagt der SNOEKEN, waar in , zo van de gewoone onzer Binnenwateren, derzelver Gulzigheid, voortteeling, Vangst, en Gebruik , als van den Pyl- en Schildsnoet den Geep en verscheide uitheemschen, Naaldvisschen genaamd, wordt gesproken.

Naam.
Dit Geslagt, wederom, heeft zynen Hoofdnaam van zeer bekende Visschen onzer binnen- en buiten-Wateren , die men Lucius of SNOEK tytelt: doch in plaats van dien heeft het onzen Autheur, in navolging van ARTEDI, behaagd , den zeer duisteren naam , Esox, te gebruiken , die mogelyk van Esitare, dat is veel eten , afkomstig zal zyn : want de Visschen van dit Geslagt zyn zeer gulzig ; Sommigen , ondertusschen , hebben zig verbeeld, dat PLINIUS door Esoces de Salmen meent (*).
Kenmerken.
De Kenmerken der Snoeken bestaan, volgens onzen Autheur, in het Lyf zeer lang, den Kop van boven platagtig , de Bovenkaak plat en korter , de Onderkaak gestippeld te hebben : Tanden in de Kaaken en op de Tong: het Kieuwenvlies met agt tot dertien Straalen. GRONOVIUS stelt veertien Beentjes in hetzelve. Zyn Ed. merkt aan , dat de Rugvin agter op de Rug, tegenover de Aarsvin, geplaatst zy.
Soorten.
‘t Getal der Soorten van Snoek is by LINNÆUS negen, als volgt (…).

(*) Esox in Rheno, (zegt PLINIUS (Libr. IX Cap. 15.) stellende denzelven met den Silurus van den Nyl en den Attilus van de Po , als de grootste visschen der Rivieren voor. Dewyl de Afbeelding, by GESNERUS, eenigermaate gelykt naar het Vosje van RONDELETIUS , Galeus Rhodius genaamd ; zo is het waarschynlyker , dat de Esox een Snoek, de Silurus den voorgemelden Nyl-Salm en de Attilus van de Po den Steur betekene.


Prof. H. Schlegel (1862) over DE SNOEKVISSCHEN. (ESOCES.):
De S n o e k v i s s c h e n zijn visschen met zachte vinnen, en voornamelijk gekenmerkt door een zeer langwerpig en dik ligchaam met eenen langen romp, maar korten staart. Dit laatste heeft ten gevolge, dat de aarsvin zeer ver naar achteren ligt, en daar dit ook het geval met de rugvin is, zoo verkrijgen deze visschen hierdoor eene eigenaardige, in het oog vallende gestalte.
Sommige soorten leven in het zoete water, andere in de zee. De in ons land voorkomende soorten vormen de twee geslachten; de Snoeken en de Gepen, waarvan de laatste in ons land geen vertegenwoordigers in het zoete water heeft.

DE SNOEKEN. ESOX.

De S n o e k e n zijn zeer stevig van maaksel. Zij hebben een langwerpig, maar nagenoeg even breed als hoog ligchaam, hetwelk gelijkvormig tot aan den korten en dunneren staart voortloopt, en met kleine schubben bedekt is; eenen grooten maar langwerpigen kop, met eenen breeden en afgeplatten snuit; stevige tanden in de kaken en in het gehemelte; 13 tot 16 stralen in het kieuwvlies, en zij leven in het zoete water.
De eenige soort van ons werelddeel bewoont ook ons land. Zij is de Snoek (Esox lucius).


Dr.H.C. Redeke (1941) over de Snoeken (Fam: Esocidae):
Lichaam langgestrekt, weinig zijdelings platgedrukt, met kleine langwerpige cycloid-schubben; bek zeer groot, met vele tanden, aan de bovenzijde begrensd door de tusschenkaaks- en bovenkaaksbeenderen; rugvin ver naar achteren, geen vetvin; zwemblaas met open uitvoergang. - Inlandsch één geslacht: Esox Linnaeus, 1758.


De Spieringen
De Visschenwinkel De Zalmachtigen
De Spiering

Martinus Houttuyn (1765) deelt de spieringen in bij DE SALMEN.


Prof. H. Schlegel (1862) deelt de spieringen in bij DE ZALMEN. (SALMO.).


Dr.H.C. Redeke (1941) zegt over de Spieringen (Fam: Osmeridae):
Lichaam slank, spoelvormig, met vrij groote schubben; tanden der onderkaak groot, die der bovenkaak kleiner, op het verhemelte een mediane gleuf met ter weerszijden een rij fijne tandjes; een rugvin, daarachter, tegenover het uiteinde van de anaalvin, een kleine vetvin, - Inlandsch één geslacht: Osmerus, Lacépède, 1803.


De Zalmen

salmo

De Visschenwinkel De Zalmachtigen
De Zalm De Zeeforel De Beekforel
De Vlagzalm De Houting De Grote Marene De Kleine Marene

Martinus Houttuyn (1765) geeft een Beschryving van 't Geslagt der SALMEN, waar in niet alleen van derzelver Levensmanier, Voortteeling, en andere Eigenschappen, maar ook van die der Forellen, Houtingen en dergelyken, als ook van de Spiering, die mede tot dit Geslagt behoort, omstandig, volgens de nieuwste Waarneemingen, gesproken, en een naauwkeurig Berigt van de Salmvisschery, het inzouten, rooken enz. gegeven wordt.:

Naam.
Een zeer uitgebreid Geslagt komt ons voor onder den Latynschen naam Salmo, waar de Engelsche naam Salmon, de Fransche Saumon, zo wel als de Neerduitsche SALM, zyne afleiding of liever zynen oorsprong heeft. Dit Geslagt begrypt, buiten en behalve de gewoone Salmen, ook de Houtingen, Forellen, en Spiering, benevens derzelver Verscheidenheden van Europische en uitheemsche Visschen.
Kenmerken.
De Kenmerken, in 't algemeen, bestaan in een Kop die effen is, of zonder stekels, met Tanden op de Kaaken en aan de Tong. Het Lyf heeft, agter de Rugvin, eene Vetvin, en de Buikvinnen hebben meer Straalen dan gewoonlyk. In het Kieuwenvlies worden van 4 tot 10 en meer Beentjes geteld (*).
Soorten.
't Getal der Soorten is, by onzen Autheur, vierentwintig, die hy in vier Afdeelingen heeft gebragt; waar van de eerste onder den naam van FORELLEN (Truttæ) voorkomt, of Salmen die het Lyf bont hebben; de tweede onder dien van SPIERINGEN (Osmeri), welker Rug- en Aarsvin tegenover elkander staan; de derde onder dien van HOUTINGEN (Coregoni), met de Tanden naauwlyks zigtbaar; de vierde onder dien van BRAASEMAGTIGE (Characini), in welken het Kieuwen-Vlies niet meer dan vier Straalen heeft. In de eerste Afdeeling zyn elf, in de tweede twee, in de derde vyf , in de vierde zes Soorten. De Heer GRONOVIUS scheidt de laatstgemelden af van dit Geslagt.

(*)LINNÆUS zelf tekent 'er 12 aan, en ik vind door STELLERUS gemeld, dat 'er zyn die 13, 14, ja 18 Beentje in het Kieuwenvlies hebben. Nov. Comm. Acad. Petrop. Tom. III. p. 417.
(I) Salmo Rostro ultra inferiorem maxillam prominente. ART. Gen. II. Syn. 22. Spec. 48. Faun. Suec. 306. Syst. Nat. X. Gen. 152. Salmo omnium Autorum. WILL. p. 189. RAJ. p. 63. CHARLET. P. 150. JONST. Tab. XXIII. f. I.


Prof. H. Schlegel (1862) over DE ZALMVISSCHEN. (SALMONES.):
De Z a l m v i s s c h e n naderen de karpervisschen door hunne gestalte, hunne zachte vinnen, de plaatsing der buikvinnen aan den buik zelve, en hun met schubben bedekt ligchaam; maar zijn dadelijk te herkennen aan de vetvin, welke achter de rugvin, tegenover de staartvin geplaatst is. Vele soorten leven uitsluitend in het zoete water; andere in de zee, en onder deze zijn er, die, zoo als b.v. onze zalm, haren kuit in de rivieren schieten, waarin zich ook de jongen eenigen tijd ophouden. De in het zoete water levende soorten ontbreken in het heete Azië en in Australië.
Men kan onze inheemsche soorten onder de drie volgende geslachten brengen.

DE ZALMEN. SALMO.

De Z a l m e n hebben eenenver naar achteren gespleten mond, die op de kaken, het gehemelte en zelfs op de tong met tanden gewapend is. Hun ligchaam is langwerpig, dik en, behalve aan den kop, met kleine schubben bedekt. Zij hebben 10 tot 12 stralen in het kieuwvlies, en eene eenvoudige zwemblaas. Hiertoe kan men de volgende drie inheemsche soorten rekenen: de Zalm, de Forel en de Spiering.

DE VLAGZALMEN. THYMALLUS.

De soorten van dit geslacht zijn voornamelijk gekenschetst door eene lange en zeer hooge rugvin, eenen kleinen vierkanten mond, met zeer kleine tanden, en eene ongewapende tong. De gewone soort is de Vlagzalm.

DE HOUTINGEN. COREGONUS.

Het geslacht der Houtingen is voornamelijk gekenschetst door eenen kleinen, geheel ongewapenden, of slechts van buitengewoon kleine, aan het afslijten en uitvallen onderhevige tanden, voorzienen mond.
Tot de Nederlandsche Fauna behoort slechts ééne soort van dit geslacht: de Houting.

Dr.H.C. Redeke (1941) zegt over de Zalmachtigen (Fam: Salmonidae):
Lichaam slank, fraai gestroomlijnd, met naar verhouding kleine cycloidschubben bedekt; kop min of meer kegelvormig; bovenkant van den niet uitstulpbaren bek door tusschenkaaks- en bovenkaaksbeenderen gevormd, met goed ontwikkelde tanden; één rugvin, daarachter, tegenover het uiteinde der anaalvin, een duidelijke vetvin. - Inlandsch 2 geslachten:
1. Rugvin opmerkelijk lang en hoog: Thymallus Cuvier, 1827
2. Rugvin kort en niet bijzonder hoog: Salmo Linnaeus, 1758

Dr.H.C. Redeke (1941) zegt verder over het geslacht Salmo Linnaeus, 1758:
Drie soorten:
1. Lichaam slank, kop toegespitst; verbreede gedeelte van het ploegschaarbeen ongeveer vijfhoekig, zonder tanden . . . . . . . . salar
- Lichaam naar verhouding hooger en meer gedrongen, kop van voren tamelijk stomp; verbreede gedeelte van het ploegschaarbeen min of meer driehoekig, met 3 of 4 tanden . . . . . . . . 2
2. Staartwortel slank; kleur blauwgrijs met zilverglanzende schubben, op de huid een grooter of kleiner aantal zwarte vIekken . . . . . . . . trutta
Staartwortel breed; kleuren levendig, goudgeel tot olijfbruin met doorschijnende schubben en helder roode en zwarte stippen en vlekken . . . . . . . . fario

De drie genoemde soorten zijn nauw aan elkaar verwant en vele, vooral Scandinavische auteurs vatten ze dan ook op als variëteiten of subspecies van Salmo (Trutta). Anderen, met name Duitsche en Engelsche ichthyologen, willen den Zalm als afzonderlijke soort behouden, doch beschouwen den Zeeforel als een tot trekvisch geworden variëteit van den Beekforel. De in het stroomgebied van den Rijn en de Maas thuishoorende vormen zijn echter, althans in volwassen toestand, zoo verschillend in uitwendig voorkomen en levenswijze, dat wij ze als drie afzonderlijke soorten kunnen beschouwen. Von Siebold (1863) heeft, in navolging van Nilsson (1832) deze soorten tot het genus Trutta gebracht en den ouden naam Salmo voor twee andere, hij ons evenwel niet voorkomende Middeneuropeesche Salmoniden, S. salvelinus L. en S. hucho L., gereserveerd, doch de algemeen bekende en gebruikelijke Linneaansche naam Salmo verdient m.i. ook voor de inlandsche soorten de voorkeur.

Dr.H.C. Redeke (1941) onderscheidt tevens de Houtingachtigen (Fam: Coregonidae):
Lichaam slank, eenigszins "haringvormig", doch minder zijdelings samengedrukt; bek klein, met zeer kleine of zonder tanden; schubben tamelijk groot en gemakkelijk afvallend; de rugvin begint even vóór de buikvinnen. - Inlandsch één geslacht: Coregonus
Drie soorten:
1. Met kegelvormig verlengden snuit: oxyrhynchus
- Snuit niet kegelvormig verlengd
2. De onderkaak steekt voor de bovenkaak uit: albula
- De bovenkaak steekt iets voor de onderkaak uit: lavaretus

Dr.H.Nijssen en Dr.S.J.De Groot (1987) over de Salmonidae (zalmen):
Zalmachtige vissen zijn goed te herkennen aan hun kleine, straalloze vetvin, die achter de rugvin aanwezig is, vlak voor de staartvin. Zalmachtigen zijn snelle zwemmers met een volledig beschubd lichaam en een volledige zijlijn. Het zijn zoetwatervissen van het noordelijk halfrond, voornamelijk voorkomend in koud water. Veel soorten vertonen een voedseltrek (migratie) naar zee. Zij keren echter naar zoet water terug (anadroom) om zich voort te planten.

1a. basis van de rugvin langer dan de kop: Thymallus thymallus (vlagzalm)
1b. basis van de rugvin korter dan de kop: 2
2a. bovenkaak reikt niet voorbij de oogpupil; gereduceerd gebit: tanden nauwelijks aanwezig: 3
2b. bovenkaak reikt voorbij de oogpupil; goed ontwikkelde tanden: 4
3a. spitse, vlezige snuit; bek duidelijk onderstandig: Coregonus oxyrinchus (houting)
3b. stompe snuit; bek halfonderstandig: Coregonus lavaretus (grote marene)
4a. bovenkaak reikt niet of nauwelijks voorbij de achterrand der ogen: 5
4b. bovenkaak reikt duidelijk voorbij de achterrand der ogen: 6
5a. 10-14 schubben (schuin naar achteren geteld) tussen vetvin en zijlijn; rug en vinnen zwak gepigmenteerd: Salmo salar (zalm)
5b. 14-15 schubben tussen vetvin en zijlijn; rug en vinnen zwaar gepigmenteerd: Salmo gairdneri (regenboogforel)
6a. eerste stralen van borst- en buikvinnen en van de anaalvin wit; geen zwarte stippen op het lichaam: Salvelinus fontinalis (bronforel)
6b. eerste stralen van borst- en buikvinnen en van de anaalvin anders; lichaam met zwarte stippen: 7
7a. anaalvin met 10-12 stralen: Salmo trutta (zeeforel/beekforel)
7b. anaalvin met 16-19 stralen: Oncorhynchus kisutch (cohozalm)