If you can't read Dutch, click here.

Jan III SobieskiJan III Sobieski

1629 - 1696

Jan's jeugd en opvoeding

Jan Sobieski (uitspraak: Sobjeski) werd op 17 augustus 1629 tijdens een hevig onweer geboren in het familiekasteel Zólkiew (uitspraak: Zjoewkjev) in Olesko, dat nu in Ukraïne ligt. (9 juni 1624 wordt ook wel als geboortedatum genoemd.) Vanaf het moment dat Jan kon lopen kregen hij en zijn oudere broer Marek (1628-1652) een kleine versie van de kromme Poolse sabel en zij kregen les in de krijgskunde van hun vader, Jakub (uitspraak: Jakoeb) Sobieksi, die een vooraanstaand lid van de Poolse senaat was en tevens Wojwoide van Belsk en Kastellan van Kraków (Krakau, uitspraak: Krakoev).

Olesko, de geboorteplaats van Jan III Sobieski, ligt nu in UkraïneJan en Marek hadden nog twee broertjes, die alletwee Stanislaw heetten en beiden op zeer jonge leeftijd stierven. Ook twee zusjes overleefden de kindertijd niet, maar een derde zuster, Katarzyna, die in 1634 werd geboren, zou de echtgenote worden van Wladislaw Dominik Zaslawsky-Ostrogsky, wie ze een zoon en een dochter schonk. Na zijn dood hertrouwde Katarzyna met prins Michal Kazimierz Radziwill. Uit dit huwelijk werd ook een zoon geboren Katarzyna stierf in 1694. Haar beide zoons waren haar toen al voorgegaan.

Het was in Jan's jeugd uitermate onrustig in Polen. Tataren en kozakken stonden soms aan de kant van Polen, om dan, zonder aanwijsbare reden, opeens de wapens tegen het koninkrijk op te pakken. Als de familie naar de mis ging, nam hun moeder, Theofila (Zofia) Danilowiczówna, ze mee naar de graftombes van hun voorouders zodat zij konden bidden voor hen die hun leven hadden gegeven in de verdediging van Polen tegen de goddeloze hordes. Het grafschrift op één van de graven maakte grote indruk op Jan: "O quam dulce et decorum est pro patria mori" ("O, hoe zoet en gepast is het om te sterven voor het vaderland.").

Toen Jan 11 jaar oud was, werden hij en zijn broer naar Kraków gestuurd, de toenmalige hoofdstad, waar zij les kregen in onder andere geschiedenis, wiskunde, "Poolse studies" en verschillende talen, waaronder Latijn, Frans, Duits en Italiaans. (Het schijnt dat Sobieski ook Turks en tataars sprak, maar het is onwaarschijnlijk dat hij dit in Kraków geleerd heeft.) Jan bleek een serieuze student, terwijl zijn broer Marek het allemaal niet zo nauw nam en slechts middelmatige resultaten behaalde. Na afronding van hun studie keerden Jan en Marek terug naar het familielandgoed Zólkiew (nu Solochiv geheten) en in 1646 stuurde hun vader de twee jongemannen op een reis door Europa om hun opvoeding af te ronden. Begeleid door twee vertrouwde Szlachta of edelen (Stefan Czarniecki en Jerzy Sebastian Lubomirski) reisden de broers door Europa, waar ze onder andere Londen en Amsterdam aandeden. Ze bleven een behoorlijke tijd in Parijs hangen, waar ze werden voorgesteld aan de familie Stuart, de koninklijke bannelingen uit Schotland.

De eerste gevechten

In 1648 kwamen de kozakken in opstand en Jan en Marek waren gedwongen zich vechtend een weg naar huis te banen. Daar kregen ze te horen dat hun vader al in 1646, dus kort na hun vertrek uit Polen, was gesneuveld. De jongens besloten zich in te zetten voor de verdediging van Polen. Hun moeder drukte hen op het hart, zich eervol te gedragen op het slagveld. Ze waren immers afstammelingen van twee roemrijke geslachten, de Zólkiewski’s en de Sobieski’s.

In 1651 vochten Jan en Marek hun eerste veldslag, de slag van Beresteczko tegen de kozakken en de tataren. Jan raakte ernstig gewond aan het hoofd, maar de tataren en kozakken werden verslagen. Jan werd teruggetrokken van het slagveld en overgebracht naar Lwów (nu L'viv), waar hij van zijn hoofdwond herstelde. In Lwów werd Jan verliefd op een vrouw wiens naam niet meer bekend is, maar van wie we wel weten dat zij min of meer verloofd was met de Litouwse edelman Michael Pac. Het liep uit op een duel tussen Jan en Michael Pac, waarbij beiden gewond raakte. De kwestie werd nooit beslist, maar Jan en Michael zouden elkaar blijven haten.

Door de verwondingen die Jan tijdens het duel had opgelopen, moest hij verstek laten gaan bij de slag bij Batoh op 1 en 2 juni 1652. Zijn moeder was woest. Terwijl Polen in nood verkeerde, was haar zoon betrokken bij een ordinaire knokpartij om een meid! Tot overmaat van ramp eindigde slag bij Batoh in een nederlaag voor Polen. Het land lag open voor de kozakken en tataarse hordes en alsof dat nog niet genoeg was, werd Jan’s broer Marek in de slag gedood en ten overvloede onthoofd. Het zou jaren duren voor Jan’s moeder weer met hem wilde spreken. In 1654 zette Jan zijn leven voor Polen op het spel, door zich vrijwillig als gijzelaar naar Constantinopel te laten vervoeren. (Waarschijnlijk heeft hij daar Turks geleerd.) Deze gijzeling heeft niet bijzonder lang geduurd en in 1656 was Jan weer terug in Polen waar hij het commando kreeg over een tataarse eenheid.

Marysienka

Marysienka, Jan's grote liefdeErgens halverwege de jaren 1650 ontmoette Jan zijn grote liefde, Marie Casimire de la Grange d'Arquien, een Française die op 28 juni 1641 in Nevers geboren was. Haar vader, Henri Albert de La Grange, Marquis d'Arquien, was kapitein van de Zwitserse garde van de Hertog van Orleans geweest. Haar moeder, Francoise de la Chatre, was gouvernante geweest van Louise Marie Gonzaga. Deze Louise Marie Gonzaga, dochter van de Hertog van Mantua, Rethel en Nevers, was als bruid van koning Wladislaw IV Sigismund naar Polen gekomen en had haar gouvernante gevraagd mee te gaan. Haar echtgenoot werd kapitein van de Franse garde en uiteraard kwam de vijfjarige Marie Casimire ook mee. (Er zijn hardnekkige geruchten, dat Marie Casimire eigenlijk een onechte dochter was van de Franse koningin en Henry d'Orleans, maar bewijzen zijn daar niet voor te vinden.) Uit beschrijvingen blijkt, dat Marysienka (uitspraak: Marisjenka), zoals Jan haar liefkozend noemde, een uitermate aantrekkelijk meisje geweest moet zijn, dat het heerlijk vond om in de regen te lopen, zelfs in haar mooiste kleren. Marysienka werd beschreven als "iemand met een sterke wil" en "vroegrijp". Er wordt gezegd dat Marysienka en Jan Sobieski op het eerste gezicht verliefd op elkaar werden. Maar omdat zij Française was, durfde hij niet om haar hand te vragen, uit angst voor de woede van zijn moeder, die het hem nog steeds kwalijk nam dat hij afwezig was bij de slag waarin zijn broer gesneuveld was.

Door de constante dreiging van tataren en kozakken, werd het gevaar uit andere richtingen jarenlang grondig onderschat. Zweden had een oogje laten vallen op de Poolse troon. Jan onderscheidde zich in de Pools-Zweedse oorlog van 1655-1660 en later tijdens gevechten tegen de kozakken en tataren in Ukraïne. In 1666 werd hij benoemd tot veldofficier. In Oktober 1667 versloeg hij de tataren en kozakken bij Podhajce (nu Podgaytsy in Ukraine). In het voorjaar van 1668 benoemde de Poolse koning Jan II Kazimierz hem tot hetman (opperbevelhebber) van het Poolse leger en opnieuw bewees Sobieski zijn talenten in talloze gevechten met tataren en kozakken.

Ondertussen was Marysienka in 1658 getrouwd met een andere Poolse edelman, genaamd Jan Zamoyski. Het huwelijk was een ramp en duurde slechts zeven jaar. Marysienka baarde drie ziekelijke kinderen, die alle drie als baby stierven. Zamoyski was rijk en een prima soldaat, maar hij was een zware drinker en behandelde zijn vrouw slecht. Zij vond troost in de brieven die zij en Jan uitwisselden.

Op 7 april 1665 stierf Zamoyski aan syfilis. Zeer kort daarna vond een hartstochtelijk rendez-vous plaats tussen Jan en Marysienka. Terwijl de passie hoogtij vierde, kwam Louise Marie "toevallig" binnen en trof haar hofdame aan, wier eer door Sobieski geschonden werd. Louise Marie beval Sobieski met Marysienka te trouwen. Jan wist het niet, maar de hele opzet was bekokstoofd door Marysienka en de oude koningin Louise Marie. Aangezien Marysienka’s eerste man nog maar zo kort geleden overleden was - de kist stond nota bene nog boven de grond- werd het huwelijk in zeer besloten kring gesloten. Een tweede huwelijksplechtigheid, ditmaal een huwelijksmis, werd in de paleiskapel in Warszawa (Warschau, uitspraak: Varsjava) gehouden, waarschijnlijk op 16 juli 1665. Jan's moeder was in 1661 overleden, dus die kon geen problemen meer veroorzaken. Op 2 november 1667 schonk Marysienka Jan een zoon die drie namen kreeg: "Jakub" maar zijn grootvader Jakub Sobieski, "Ludwik" (uitspraak: Loedwiek) als eerbetoon aan de Franse koning Louis XIV, met wie Marysienka een zeer vriendschappelijke band onderhield, en "Henri" naar zijn andere grootvader Henri Albert de La Grange.

Jan III, koning van Polen, groothertog van Litouwen

Het Ottomaanse rijk was ondertussen druk bezig zijn grondgebied uit te breiden. Door binnenlandse onrusten was de militaire kracht van Polen ernstig verzwakt geraakt en de Turken profiteerden hiervan door het land vanuit het zuiden binnen te vallen. Jan Sobieski verzamelde alle militaire eenheden die hij kon vinden en bond de strijd aan met de Turken, maar de overmacht was te groot. Hij was gedwongen een verdrag met de invallers te sluiten, maar al na korte tijd schond hij het verdrag en op 17 november 1673 wist hij met slechts 30.000 Poolse ridders de Ottomaanse overmacht ven 70.000 man in de tweede slag van Hotin (ook wel gespeld als Khotin of Chocim) te verslaan. Na enige tijd werd Hotin overigens weer door de Ottomanen ingenomen.

Portret van Sobieski in olieverf op metaal. Dit portret is in de tweede wereldoorlog verloren gegaan.Ondertussen was de Poolse koning Michal Wisniowiecki overleden. De Pools-Litouwse Unie werd in die tijd geregeerd door een gekozen vorst, een systeem dat was ingevoerd na het uitsterven van de dynastie der Jagiellonen in 1572. Als een nieuwe koning nodig was, kwam een speciale vergadering bijeen, waarbij uit de beschikbare –meestal adellijke – kandidaten een nieuwe koning gekozen werd. Meestal werd een buitenlandse prins gekozen, omdat de keuze voor een Poolse edelman door de Litouwers als belediging kon worden opgevat en de keuze voor een Litouwer bij de Polen in het verkeerde keelgat kon schieten. Jan Sobieski meldde zich ook als kandidaat en op 21 mei 1674 werd hij gekozen tot nieuwe koning van Polen en groothertog van Litouwen, onder de naam Jan III. Officieel had hij zijn verkiezing te danken aan zijn successen tegen de Turkse invallers, maar de 6000 soldaten die Sobieski vergezelden, zullen ook wel enige invloed gehad hebben. Op 2 februari 1676 werd Sobieski officieel tot koning gekroond.

Jan en Marysienka verbleven vanaf dat moment meestal in het paleis in Wilanów bij Warszawa. Bij de bevolking was Jan direct behoorlijk populair, maar de adel zag hem niet zo erg zitten. Doordat Sobieski in het verre oosten van Polen geboren was, was hij behoorlijk beïnvloed door oosterse culturen en in Warszawa en Kraków keken ze maar raar aan tegen zijn Turkse zadel, tataarse kapsel en Perzische tapijten.

Nu Marysienka koningin was, raakte ze al snel betrokken bij allerlei politieke intriges. Haar schoonheid bracht vele edelen het hoofd op hol, wat Marysienka de haat en afgunst van hun vrouwen opleverde. Er is geen aanwijzing dat Marysienka bewust gebruik maakte van haar uiterlijk, maar ze wist wel handig tussen alle intriges door te laveren en er zelf ook handig gebruik van te maken. Bepaald populair was ze niet onder de Poolse adel. "De koning regeert Polen en Marysienka regeert de koning," was een veelgehoorde klacht.

Sobieski was in ieder geval gek op haar en zelfs op het slagveld, waar hij noodgedwongen regelmatig te vinden was, vond Jan nog de tijd om brieven aan zijn geliefde vrouw te sturen. Hij begon zijn brieven vaak met de woorden "Moja droga Marysienka", wat zowel "Mijn dierbare…" als "Mijn dure Marysienka" betekent. Een edelman vroeg hem ooit waarom hij zijn brieven met deze woorden opende. Sobieski antwoordde: "Ik begin mijn brieven op deze manier om twee redenen. Een: zij is de liefde van mijn leven en zij is mij zeer dierbaar. En twee: haar buitensporigheden kosten mij een vermogen."

Marysienka en Teresa KunegundaUit Jan’s brieven, die in Polen als een cultuurhistorische schat bewaard worden, blijkt hoeveel liefde Jan voor zijn Franse prinses moet hebben gevoeld. Zelfs nu nog worden de brieven in Polen als literatuur beschouwd. Ook voor geschiedkundigen zijn de brieven een kostbare bron van informatie, doordat Sobieski zijn Marysienka van alles op de hoogte hield.

Niet alleen uit de brieven blijkt dat het wel goed zat tussen Jan en Marysienka, maar ook uit de geboorte van Teresa Kunugunda, op 4 maart 1676, die op 12 januari 1695 met Maximiliaan II van Beieren zou trouwen. (Jan en Marysienka kregen nog twee zoons, Aleksander Benedykt en Konstanty Wladyslaw, maar daar is weinig interessants over te vertellen.)

Christelijk Europa bedreigd

Sobieski had als militair leider al getoond een prima organisator te zijn en ook staatszaken bleken hem goed af te gaan. In 1676 wist hij de Turken tot een verdrag te bewegen en op 31 maart 1683 sloot Sobieski een verdrag met de Heilige Roomse Keizer Leopold I, waarin beide vorsten beloofden elkaar te hulp te komen indien één van beiden aangevallen werd.

Niet lang daarna kwam deze Leopold ernstig in de problemen. Het Ottomaanse rijk was op het toppunt van zijn macht en had heel zuidoost Europa bezet. Omdat de Turken er niet in geslaagd waren Polen binnen te dringen, bezetten ze Hongarije vanuit Joegoslavië en vielen vervolgens Oostenrijk binnen. Een machtig Turks leger van maar liefst 110.000 man (sommige bronnen spreken over 130.000 of zelfs 400.000 man, maar dat is waarschijnlijk schromelijk overdreven), onder leiding van grootvizier Kara Mustafa, belegerde in Augustus 1683 Wenen, de hoofdstad van Leopold’s rijk. De val van Wenen zou het einde betekenen van Oostenrijk. Om het allemaal nog erger te maken, werd Wenen algemeen beschouwd als het laatste bastion van West Europa. Als Wenen zou vallen, dan zou heel Europa onder de voet worden gelopen. Leopold zelf was Wenen al ontvlucht, net als zo'n 60.000 van de rijkere inwoners van de stad. Duizend man van het Oostenrijkse leger en ongeregelde troepen, bestaande uit zo’n 4000 Weense burgers, deden hun uiterste best Wenen te verdedigen. De rest van het leger was, hoewel aangevuld met Duitse troepen, niet in staat de Turken het hoofd te bieden.

Ondanks het verdrag tussen Leopold I en Jan III waren de betrekkingen tussen Polen en Oostenrijk niet bepaald vriendschappelijk te noemen. Desondanks besloot Jan III in te grijpen, omdat ook hij begreep dat de val van Wenen rampzalig zou zijn voor Polen en de rest van Europa. Bovendien had de paus hem om steun gevraagd.

Opmars en tactiek

Onderweg naar Wenen gingen Sobieski en zijn troepen op pelgrimstocht naar Czestochowa, waar hij zijn leger onder de bescherming van de Gezegende Maagd Maria stelde.

Het pantser van een hussar, mat karakteristieke "vleugels"In de tweede helft van augustus werd een internationale legermacht samengesteld. Dit leger bestond onder andere uit Oostenrijkers en soldaten uit de meeste Duitse staten (Brandenburg-Pruisen was de grote afwezige). Uit Polen deden 27.000 soldaten mee, waarvan de helft bestond uit cavalerie, inclusief 3.330 "hussars". Deze hussars, niet te verwarren met huzaren, vormden een elitekorps van licht gepantserde ruiters. De meeste hussars waren van adel. De hussars kregen betaald, maar waren zelf verantwoordelijk voor hun eigen paard en uitrusting en die van hun schildknapen, wat een flinke duit kon kosten. De koning voorzag de hussars van speren van zo’n anderhalve meter lang, maar zelf zorgden ze voor sabels, spiezen en pistolen. Lange geweren werden geadviseerd, maar niet verplicht en vele hussars gaven de voorkeur aan bogen (vooral Tataarse en Turkse bogen), die een groter bereik hadden dan de toenmalige geweren.

Vele hussars gebruikten "vleugels". Dit waren houten frames met rijen veren, die aan de achterkant van het pantser bevestigd waren, en soms aan het zadel. Hun doel was niet louter decoratief. De vleugels veroorzaakten tijdens het rijden een zoemend geluid, wat de paarden van de vijand vaak aan het schrikken maakte. Bovendien was het vrijwel onmogelijk om een lasso of "arkan" te gebruiken tegen ruiters met dergelijke vleugels. De vleugels waren het symbool van de hussaria en ook nu nog vinden we dit symbool terug in de herkenningstekens van de Poolse luchtmacht en cavalerie.

Het meest gevreesde wapen van de hussaria was de czekan, een lange stalen hamer, die door hoofden en helmen sneed als door een pakje boter.

Door zijn eerdere successen tegen de Ottomanen werd afgesproken dat Jan III de leiding over het geallieerde leger zou krijgen.

De door Sobieski gebruikte tactiek was voor die tijd werkelijk revolutionair. Hij liet zijn leger niet als een grote massa aanvallen, zoals is die tijd gebruikelijk was, maar liet drie groepen aanvallen op verschillende punten. Die drie groepen werden op hun beurt weer verdeeld in kleinere eenheden, die in een soort schaakbordpatroon oprukten, zodat de val van een linie niet automatisch een doorbraak van de vijand betekende.

Een belangrijke troef in de handen van Sobieski waren de kleine maar uiterst trefzekere kanonnen. Verder maakte Sobieski gebruik van raketten, die zeker niet trefzeker waren, maar wel een enorme paniek en chaos in het vijandelijke kamp konden veroorzaken.

De slag bij de Kahlenberg

Op 12 september 1683 naderde het leger Wenen en koos positie tegenover de Turken die de stad belegerden. Een kleine hussaria eenheid werd vooruit gestuurd om een aanval te doen op de Turkse linies en de mogelijkheid van een grootscheepse aanval te onderzoeken. Het resultaat was hoopgevend en hoewel het al laat in de middag was, besloot Sobieski aan te vallen met alle ruiters die hij ter beschikking had, om te voorkomen dat de Turken kans zouden krijgen om een betere verdediging op te zetten.

Jan III Sobieski op het slagveld bij de KahlenbergHet Christelijke leger vormde een breed front. De zon scheen in de glanzende bepantsering, de duizenden uitrustingsstukken en de talloze juwelen. Sobieski zelf reed vooraan met zijn persoonlijke banier. De Turken waren geschokt. Zelfs de laagste Turkse soldaat had van de overwinningen van Sobieski gehoord, maar iedereen wist dat hij al een oudere man was, met een flink overgewicht en een zwakke gezondheid. Veel Turken zeiden zelfs, dat hij niet meer in staat was om op een paard te klimmen. En daar was hij! In de voorste linies!

"Vivat Sobieski!" brulden de Poolse ridders als uit één mond. Langzaam reed het Christelijke leger voorwaarts, rinkelend metaal, glanzende pantsers. De Turken zagen een lichtflits toen de voorste rijen hun sabel trokken. Plotseling splitste het enorme leger zich op. De Poolse hussaria vielen aan in het centrum en op de rechter vleugel en namen het Turkse kamp in waar zich ook de paleisachtige tenten van Kara Mustafa bevonden. De Oostenrijkers en Duitsers vielen aan de linkerzijde aan en braken eveneens door de Turkse linies heen.

De Ottomanen werden volkomen verrast en verpletterend verslagen. Minstens 10.000 Turken werden gedood. Het aantal slachtoffers onder de Polen, Oostenrijkers en Duitsers werd officieel op enkele honderden gesteld, maar 2.000 is een meer waarschijnlijk aantal. De slag op de Kahlenberg wordt door historici beschouwd als een van de belangrijkste in de wereldgeschiedenis en is zeker het toppunt in Sobieksi’s leven geweest.

Na de slag

De volgende dag schreef Sobieski een lange brief aan Marysienka, waarvan hieronder een gedeeltelijke vertaling:

Deze sabel was een geschenk van de paus aan Jan III, als dank voor het ontzetten van Wenen.

'Enige vreugd van mijn ziel, betoverende en meestgeliefde Marysienka!

God zij voor eeuwig geprezen! Hij heeft de overwinning aan onze natie geschonken! Hij heeft een overwinning geschonken die in de voorbije eeuwen nog nooit is aanschouwd. Het hele kamp van de muzelmannen, al hun artillerie, oneindige rijkdommen zijn in onze handen gevallen. De wegen naar de stad, de velden rondom, zijn overdekt met de doden van het ongelovige leger, en de resten ervan vluchten in ontsteltenis. Onze mensen brengen ons elke minuut kamelen, muildieren, ossen en schapen, die de vijand bij zich had, en daarnaast een ontelbare hoeveelheid gevangenen. …

Het is onmogelijk alle verfijnde luxe te beschrijven die de grootvizier in zijn tenten verzameld had. Er waren baden, kleine tuinen met fonteinen, zelfs een kleine papegaai, die onze soldaten hebben achtervolgd maar niet konden vangen.

Vandaag ben ik de stad gaan bekijken. De stad had het niet langer dan vijf dagen uitgehouden. Het is doorzeefd met kogels. Er is iets gruwelijks aan die enorme bastions, geperforeerd en half in elkaar vallend; je zou zeggen dat het grote massa's rotsen zijn.

Alle soldaten deden hun plicht. Zij hebben bijgedragen aan de overwinning, voor God en onszelf. …

Iedereen wilde me omhelzen en noemde me hun redder. Ik ben in twee kerken geweest waar de mensen mijn handen, voeten en kleren kusten. Anderen, die me alleen van een afstand konden aanraken, riepen: "Laat mij uw zegevierende handen kussen!" …'

Bij een mis in de kathedraal van Wenen, bad de priester: "Er was een man, gezonden door God, wiens naam Johannes was," daarmee zowel op de apostel als op de aanwezige Sobieski doelend.

De overwinning op de Turken was een keerpunt in de Europese geschiedenis. De oorlog zou nog een paar maanden duren, maar vanaf dat moment waren de Turken op de terugtocht en de Europese vorstenhuizen en burgers haalden opgelucht adem. Kara Mustafa werd teruggeroepen naar Constantinopel, waar hij volgens traditie met een zijden koord werd gewurgd. Zijn hoofd werd afgehakt en op een staak geplaatst.

Turkse standaards en andere trofeeën werden naar de paus in Rome gestuurd en de overwinning werd in heel Europa in heilige missen gevierd. In 1690 kreeg een sterrenbeeld de naam "Scutum Sobieskii" (Sobieksi’s Schild), ter herinnering aan de slag.

De tragiek van een koning

In de jaren na de slag bij de Kahlenberg nam Sobieski nog regelmatig deel aan de campagnes om de Turken terug te drijven. De Hongaarse vlakten werden van de Ottomaanse overheersing bevrijd, maar Sobieski slaagde er niet in de Turken uit de Roemeense prinsdommen te verdrijven.

Jan III en zijn oudste zoon Jakub.Al Jan's zonen wilden graag hun vader als koning opvolgen, wat de rust in het gezin uiteraard niet ten goede kwam. Bovendien was er een openlijke en langlopende ruzie tussen Jan's oudste zoon Jakub en Marysienka ontstaan. Sobieski probeerde Jakub als troonopvolger naar voren te schuiven en zo een Sobieski dynastie te stichten, maar dat plan werd door de Sejm, het Poolse parlement, getorpedeerd.

Sobieski deed in 1686 afstand van de troon en werd opgevolgd door August II de Sterke. De laatste jaren van zijn leven waren voor Sobieski een ongelukkige periode met veel tegenslagen. Hij veranderde langzaam in een zieke en sombere oude man en trok zich steeds meer uit de openbaarheid terug. Bisschop Zaluski adviseerde hem in die tijd een testament te maken, waarop Sobieksi antwoordde: "Niemand luistert naar mij nu ik nog leef. Zal het anders zijn na mijn dood?"

Jan stierf als een teleurgesteld man op 17 juni 1696 in het paleis in Wilanów. ’s Middags had hij de mis bezocht en werd kort daarna door een beroerte getroffen. Marysienka liet een priester komen en tijdens zijn laatste biecht verloor Sobieski het bewustzijn. Hij zou nog één keer bij kennis komen en nam afscheid van zijn vrouw en familie. Volgens de overlevering zouden zijn laatste woorden zijn geweest: "Corruptie krijgt gewoonlijk de overhand. Het oordeel wordt verkregen met geld. De stem van het geweten wordt niet gehoord en rede en billijkheid zijn niet meer." Hij stierf rustig bij zonsondergang en werd begraven in het kasteel Wawel in Kraków.

Marysienka en de kinderen

Marysienka met de kinderen en een portret van Jan IIINa zijn dood zou de familie door intriges uiteenvallen. Marysienka nam de titel Hertogin van Jaroslav aan en reisde met haar kinderen door Europa, alvorens zich een aantal jaren in Rome te vestigen. Later was zij gedwongen terug te keren naar Frankrijk, waar zij leefde op kosten van haar vriend en beschermer Louis XIV. Marysienka stierf op 30 januari 1716 in Blois, waar zij begraven werd met de eer die aan haar rang verbonden was. Later datzelfde jaar vond echter een merkwaardige gebeurtenis plaats bij het kapucijner klooster in Kraków. In het holst van de nacht werd er op de hoofdpoort van het klooster geklopt. Een bediende opende de poort en trof een man aan in een zwarte mantel. Aan zijn voeten stond een doodskist. De man knikte en liep weg.

De bediende waarschuwde een aantal monniken en gezamenlijk droegen zij de kist naar binnen. In de met zwarte zijde beklede kist troffen zij het lichaam aan van een oude vrouw. Zij droeg een kroon op het hoofd en in haar rechter hand hield ze een scepter. In haar mond werd een medaillon aangetroffen, met de inscriptie "MARYSIENKA". En zo werden Jan III Sobieski en zijn geliefde Marysienka in de dood herenigd. Het is nooit duidelijk geworden wie de man in de zwarte mantel was.

Sigaretten van het merk Jan III Sobieski zijn net zo slecht voor de gezondheid als andere sigaretten.De graven van Jan en Marysienka zijn nog steeds te bezoeken. Ze liggen naast elkaar onder de koninklijke kapel van het kasteel Wawel in Kraków. Tot op de dag van vandaag is Sobieksi’s graf altijd overdekt met verse bloemen. Zelfs tijdens de communistische overheersing werd Sobieski in Polen geëerd. In Ukraïne wordt hij ook herdacht als hartstochtelijk liefhebber en vertolker van Ukraiense volksmuziek. Sobieski is de twijfelachtige eer te beurt gevallen om zijn naam verbonden te zien aan een Pools sigarettenmerk, terwijl in de VS Sobieski Wodka gestookt wordt.

Jan's zoon Jakub Ludwik Henri is nooit koning geworden en stierf uiteindelijk in 1737. Diens dochter, Maria Kazimiera Klementyna (1702-1735) zorgde echter voor een schotse lijn van troonpretendenten door haar huwelijk in 1719 met James Francis Edward Stuart, Hertog van Cornwall, op de Britse eilanden beter bekend als "The Old Pretender". Hun zoon Charles Edward Stuart (1720-1788) zou als "Bonnie Prince Charlie" of "The Young Pretender" de Schotse opstand van 1745 leiden. De opstand zou in 1746 eindigen in een nederlaag bij Culloden Moor. Charles Edward Stuart zou de rest van zijn leven door Europa zwerven tot hij zich als graaf van Albanië, een titel die hij zelf verzonnen had, in Rome zou vestigen, waar hij in 1788 stierf.

Epiloog

Jan III Sobieski wordt beschouwd als de laatste grote vorst van de Pools-Litouwse Unie. Na zijn dood zou het land langzaam ten prooi vallen aan Russische invloed. In 1772 werd Polen aangevallen door Pruisen, Rusland en Oostenrijk, nota bene het land dat door Jan III van de ondergang gered was. De drie landen bezetten flinke delen van de Pools-Litouwse Unie. Dit staat bekend als de eerste Poolse deling. Na nog twee Poolse delingen, in 1793 en 1795, was er helemaal niets meer van het land over. Pas in 1918 verscheen Polen weer als onafhankelijke staat op de landkaart.


Met speciale dank aan mijn vrouw Ewa, voor het vertalen van een aantal Poolse bronteksten, en aan Jan Szkudlinski, voor het verifiëren en leveren van talloze details.

Andere historische personen.

mail me
Kees Couprie

Andere pagina's van dezelfde auteur.