De goudkust na de slavenhandel

Plannen om de Nederlandse Bezittingen

ter kuste van Guinea rendabel te maken

Dirk van der Meer

augustus 1990


< terug naar titelpagina < naar samenvatting

Opmerking: bepaalde onderdelen van deze doctoraalscriptie zijn nog niet op deze web-pagina aanwezig. Het betreft de kaart, de conclusie en de literatuurvermeldingen.


 

INHOUD

 Kaart van de Goudkust rond 1840

Inleiding

 DEEL 1 DE NEDERLANDSE BEZITTINGEN EN DE GOUDKUST

I Het einde van de slavenhandel

II De Nederlandse forten aan de Goudkust

III De Afrikanen "onder de forten"

IV De mulatten: tussen Europeanen en Afrikanen in

V Relatie met andere Europeanen

VI Relatie met het binnenland: Ashanti

VII De Goudkust: het graf der blanken

 

DEEL 2 PLANNEN EN POGINGEN OM DE KOLONIE RENDABEL TE MAKEN

VIII Gouverneur Daendels: kolonisatieplannen

IX Werving van soldaten voor het Indische leger

X Goudwinning aan de Goudkust

 

Conclusie

 

Archief

Literatuur

 

INLEIDING

  • "De afschaffing van den slavenhandel vordert eene verandering in het systema en de wijze van Bestuur der Bezittingen van Zijne Majesteit op de West Kust van Africa, ten zij men de Kust geheel wil verlaten, hebbende dezelve reeds veele jaren noodeloze schatten gekost..."
  • Dit schreef een ambtenaar aan de Minister van KoloniŽn Goldberg in 1817. Toch zou driekwart van de negentiende eeuw verstreken zijn voordat Nederland zijn Westafrikaanse kolonie opgaf. Vele nodeloze schatten zouden nog worden uitgegeven voor de bezittingen aan de Goudkust in 1872 aan Engeland werden overgedragen.

    Tegenwoordig vormen de voormalige Nederlandse forten, deels gerestaureerd, deels vervallen of verdwenen, een belangrijke toeristische attractie in het Westafrikaanse land Ghana. Nog steeds kan men in het fort te Elmina de kelders bekijken waarin de slaven gevangen werden gehouden tot de slavenschepen ze kwamen halen. De vrouwen onder het verblijf van de gouverneur, de mannen elders in het fort.

    Ooit was de slavenhandel de voornaamste bestaansreden van de reeks Nederlandse forten op de Afrikaanse kust. In de zeventiende eeuw waren de Nederlanders na de Portugezen de belangrijkste slavenhalers, maar in de achttiende eeuw werden ze voorbijgestreefd door de Fransen en vooral door de Engelsen. Aan het eind van die eeuw, nog voor de officiŽle afschaffing ervan, was het met de Nederlandse slavenhandel zo goed als gedaan.

    Toch heeft Nederland nog lang vastgehouden aan zijn bezittingen aan de Goudkust, hoewel de bestaansredenen ervan verdwenen waren, en de kolonie slechts verlies opleverde. Wel heeft men, zij het tamelijk halfslachtig, geprobeerd om nog iets van de kolonie te maken.

    Er zijn plannen gemaakt en pogingen gedaan om de kolonie rendabel te maken, en deze vormen het onderwerp van deze scriptie.

    De Gouverneur-Generaal Daendels onderzocht de mogelijkheden tot kolonisatie en zond expedities naar het binnenland.

    Uiteindelijk leidde het allemaal tot niets. Voor Den Haag waren de Westafrikaanse bezittingen niet zo belangrijk. Het grote Nederlands IndiŽ was van veel groter belang. Vooral in de tijd van de Batig-Slotpolitiek (1830-1870) vielen de kosten van de Afrikaanse kolonie (-+ f 100.000) in het niet bij de winst die in IndiŽ gemaakt werd (-+ f 10.000.000), ofwel ongeveer 1 procent. Het Ministerie van KoloniŽn leverde dan ook weinig steun aan de mooie plannen ter verbetering van de kolonie.

    Eigenlijk zijn er in de negentiende eeuw slechts twee serieus door Den Haag ondersteunde pogingen gedaan om de kolonie rendabel te maken. Ten eerste, het werven van Afrikaanse soldaten voor dienst in Oost-IndiŽ, en ten tweede een poging tot systematische gouddelving. Voor een goed begrip zal ik eerst het einde van de slavenhandel behandelen, en daarna een algemene beschrijving geven van de negentiende-eeuwse Goudkust. Vervolgens zal ik de plannen en pogingen behandelen. Dieper zal ik daarbij ingaan op de relatief grootschalige poging om winst uit de bezittingen te halen, namelijk de systematische goudwassing en -delving in de jaren 1840.

     

     

     

    DEEL 1 DE NEDERLANDSE BEZITTINGEN EN DE GOUDKUST

    I HET EINDE VAN DE SLAVENHANDEL

    Waren de Nederlanders in de zeventiende eeuw na de Portugezen de grootste slavenhalers geweest, in de volgende eeuw werden zij door de Fransen en Engelsen voorbijgestreefd. Toch was het absolute aantal door de Nederlanders vervoerde slaven nog wel toegenomen.

    De Westindische Compagnie (WIC) verloor haar monopolie op de Nederlandse slavenhandel in 1730. Particuliere slavenhalers vervoerden in de jaren 1762-1773 gemiddeld zeven- tot achtduizend slaven, meer dan twee maal zoveel als de WIC in haar topjaren.

    Volgens P.C. Emmer is het verloop van de Nederlandse slavenhandel voor een belangrijk deel te verklaren door middel van de vraag naar slaven van de Surinaamse plantagehouders, aangezien in de achttiende eeuw Suriname vrijwel de enige afzetmarkt voor 'Nederlandse' slaven geworden was.

    In de jaren voor 1773 was de koopkrachtige vraag van de Surinaamse planters zeer bevorderd door de grote kredieten die hun door de Amsterdamse kooplieden werden verleend. De Amsterdamse kredietcrisis van 1773 maakte daar echter een abrupt einde aan.

    Externe factoren, zoals de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784), hebben slechts een beperkte rol gespeeld bij de teloorgang van de Nederlandse slavenhandel. De oorlog heeft het proces hooguit versneld. Interne oorzaken zoals de slechte vooruitzichten van de Surinaamse kolonie (suiker kon elders goedkoper geproduceerd worden), en de daarmee samenhangende slechte kredietsituatie veroorzaakten het vrijwel totale einde van de Nederlandse slavenhandel, nog voor de Napoleontische oorlogen.

    Toen Nederland in 1814 op Engels verzoek de slavenhandel verbood, was dat geen erg ingrijpende maatregel. Men kon het machtige Engeland gemakkelijk tevreden stellen door vrijwillig af te zien van een handel die twintig jaar eerder al uit zichzelf had opgehouden te bestaan.

    Wat waren nu de gevolgen voor de Nederlandse Bezittingen ter Kuste van Guinea? Door de de afname van de slavenhandel was het aantal schepen dat de bezittingen aandeed aan het eind van de achttiende eeuw aanzienlijk gedaald. In de Napoleontische tijd zijn er zelfs jaren geweest dat geen enkel Nederlands schip de kolonie aandeed.

    Curieus is wel, dat in de tijd dat Frankrijk Nederland bezet had, en Engeland zijn koloniŽn, de bezittingen aan de Goudkust de enige kolonie waren waar de Nederlandse vlag bleef waaien. De Engelsen vonden het niet de moeite waard ze te veroveren, en de handel lag vrijwel stil. Slechts af en toe werden er wat slaven verkocht aan Amerikaanse slavenhalers. Ook kwamen soms Portugese slavenschepen uit BraziliŽ Europese produkten kopen en hun slavenvoorraad aanvullen.

    II DE NEDERLANDSE FORTEN AAN DE GOUDKUST

    De Nederlandse Bezittingen ter Kuste van Guinea bestonden uit een reeks forten aan de Goudkust, die meestal niet in erg goede staat waren. De meeste waren in de negentiende eeuw zeer bouwvallig. Over Fort Oranje in Sekondi werd bijvoorbeeld eens vernietigend opgemerkt: "Dit fort is heel netjes gewit, 'mais c'est tout!'" En in 1845 meldde de commandant van Fort Batenstein te Butri dat het plat van de grote vierkante kamer "met schrikkelijke klap" was ingestort. De balken waarop het dak rustte bleken totaal verrot te zijn. Veel had de commandant van deze buitenpost overigens niet te doen. Het journaal dat hij twee keer per maand naar de gouverneur in Elmina stuurde bevat veel opmerkingen van het soort "Vandaag niets bijzonders", met ter afwisseling op iedere zondag: "Als naar gewoonte de vlag laten waaijen". Af en toe legde hij boetes op aan zijn Afrikaanse soldaten, maar veel afleiding was er niet.

    De overheidsdienaren hielden vaak wel tijd over om een eigen handeltje te drijven, en van commandant Van Hien is zelfs bekend, dat hij de gevangenis van zijn fort gebruikte om mensen op te sluiten die hun schulden aan hem niet voldeden.

    Er werd veel gedronken in deze wereld. Van tijd tot tijd riepen de gouverneurs hun mannen op een eind te maken aan het drinken, vloeken en hoerenlopen, maar zelf waren ze duidelijk niet altijd in staat om het goede voorbeeld te geven.

    In 1808 bijvoorbeeld werd de gouverneur Hoogenboom, die zich door een reeks willekeurige en onzedelijke handelingen de haat van de Afrikaanse bevolking op de hals had gehaald, door een stel woedende negers op het biljart van de sociŽteit vermoord. Volgens een negentiende-eeuwse schrijver werd zijn lijk vervolgens beroofd "van de ligchaamsdeelen, welke het meest hun toorn hadden opgewekt". Andere ambtenaren konden ongehinderd naar het kasteel terugkeren: "een trek die eenigzins pleit voor de regtvaardigheid der negers."

    De gouverneur (soms ook gouverneur-generaal, commandeur of president genoemd) stond aan het hoofd van de kolonie. Hij werd met advies bijgestaan door de Grote Raad, waarin de overige belangrijke Nederlanders aan de Goudkust zitting hadden. De tweede man aan de kust was de boekhouder. Voorts waren er residenten, die commandant waren van andere forten en assistenten. Er was een officier van gezondheid (soms twee, in welk geval het onderscheid in eerste en tweede klasse zin had). Het garnizoen stond onder leiding van een militaire commandant. Rond 1850 gaf de schoolmeester les aan een klas van veertig kinderen.

    In het kasteel St. George d'Elmina was ook een kerk, met "meer dan noodige ruimte voor het Personeel". Een predikant was er echter niet. De schoolmeester hield op zon-en feestdagen godsdienstige voorlezingen. Bovendien leidde hij godsdienstoefeningen voor de schooljeugd en het garnizoen, in welk geval hij werd bijgestaan door de tolk voor de Fantijnse taal.

    De rechtbank zetelde ook te Elmina. Hierin traden ongeveer dezelfde functionarissen op als hierboven genoemd: de gouverneur was president van de rechtbank, de boekhouder officier van justitie. De officier van gezondheid was een van de rechters. Officieel was het Nederlandse recht alleen van toepassing op de Nederlanders en mensen die bij hen in dienst waren. Toch kwam het ook voor dat Elminezen hun geschillen aan de gouverneur voorlegden. Hiervoor stelde gouverneur Van der Eb in 1850 een overzicht van het Afrikaanse recht op.

    De straffen die met name aan het lagere personeel (bijvoorbeeld roeiers die van de lading stalen) en soldaten werden opgelegd, waren meestal zwaar. Zo waren er twee soldaten, in 1848 bij de goudmijn gelegerd, die ruzie hadden over een schuldkwestie en tijdens het appŤl boos wegliepen. Zij werden nu schuldig bevonden aan oproer en opstand tegen hun superieuren en veroordeeld tot "3 jaar kruiwagen" (waarschijnlijk dwangarbeid). Dit vond zelfs een van de rechters te zwaar, maar hij liet ziet overtuigen dat er vor de krijgstucht nu eenmaal strengere straffen nodig waren.

    Naast soldaten beschikte het gouvernement ook nog over zogenaamde landsslaven, een erfenis van de Westindische Compagnie. De slavenhandel, dat wil zeggen het exporteren van slaven uit Afrika, was wel afgeschaft, maar de slavernij is in de Nederlandse bezittingen in West-Afrika nooit officieel beŽindigd.

    Zoals we gezien hebben was het aantal Nederlanders aan de kust zeer klein. Het gouvernement werd vertegenwoordigd door slechts 19 ambtenaren (allen met een militaire rang) en een honderdtal soldaten, van Afrikaanse en gemengd Europees-Afrikaanse afkomst. Alleen de beide forten te Elmina, en de forten te Axim, Butri, Sekondi en Accra hadden nog een vaste bezetting.

    Voorts waren er nog enkele families van gemengde afkomst, die plantages hadden en handel dreven. Zij worden behandeld in de paragraaf over de mulatten.

     

    III DE AFRIKAANSE BEVOLKING "ONDER DE FORTEN"

    Het moge duidelijk zijn dat een dergelijk kleine Europese gemeenschap in hoge mate afhankelijk was van de plaatselijke Afrikaanse bevolking. Voor de diensten van kano-roeiers (rimadoors), handwerkslieden en bedienden was men aangewezen op mensen uit de omgeving. Ook voor het voedsel was men daarop aangewezen. Handel was eenvoudigweg niet mogelijk zonder de medewerking van de kustbewoners. Forten, die toch bestemd waren voor de handel, werden dan ook zelden gevestigd tegen de wil van de plaatselijke bevolking.

    De Nederlanders steunden sterk op het volk van Elmina, waar het hoofdfort St. George d'Elmina was gelegen, terwijl op de heuvel St. Jago boven Elmina het fort Coenraadsburg lag.

    De Elmina's profiteerden ook van hun banden met de Nederlanders, waardoor ze zich onafhankelijk konden opstellen ten opzichte van de andere kustvolken. In 1872 waren zij dan ook fel gekant tegen de overdracht van de Nederlandse bezittingen aan Engeland.

    De bevolking was georganiseerd in zeven kwartieren. Elk kwartier (asafo) beschikte over een Nederlandse vlag met een nummer, en stond onder leiding van een vaandrig (tufohen). De leider van het vrijburgers- of mulattenkwartier droeg de titel van burgemeester. In geval van oorlog leverde Elmina soldaten aan de Nederlanders.

    Het was met het Nederlands gezag over de 'Nederlandse' gebieden merkwaardig gesteld. Nederland claimde een gebied met (in 1859) 110.000 inwoners, maar het is maar de vraag of die inwoners wel als Nederlandse onderdanen beschouwd kunnen worden. Er waren gebieden, zoals Ahanta, die Nederland door 'recht van oorlog' verkregen had. Een opstandige koning was dan door het Nederlandse leger verslagen, en het koningschap was opgeheven. In de meeste gevallen was de verhouding met de Afrikaanse bevolking echter onduidelijk.

    Zelfs in Elmina, dat toch zeer nauw met Nederland verbonden was, had de gouverneur geen rechten over de bevolking. Veel hing af van de mate waarin de gouverneur zijn gezag kon opleggen, en vaak reikte zijn macht niet verder dan de kanonnen van het fort.

    Elmina was een belangrijke handelsplaats. Regelmatig kwamen inwoners van landschappen in het binnenland, zoals Wasa, Denkyera en ook Ashanti naar de kust om manufacturen, geweren, kruit, lood, tabak en sterke drank te kopen bij de kooplieden van Elmina. Zij betaalden met ivoor, palmolie en stofgoud. De bewoners van andere kustplaatsen leefden voornamelijk van de visvangst.

    De Nederlanders hadden niet zoveel begrip voor de godsdienst van de Afrikanen. Een verslag bij de Handelingen der Staten-Generaal meldde neutraal dat de godsdienst van de Afrikanen de heidense was, en dat hun priesters grote invloed uitoefenden. De meeste schrijvers gingen verder. Weijtingh schreef bijvoorbeeld over de priesters in hun fetisj-hok en hun bedrog, zoals "touwtjes trekken, de handen in kokende olie steken, vlammend vuur in den mond brengen". Ook Gramberg bracht een bezoek aan de woning van een fetisj-priester:

  • "Maar hemel! wel eene rapsodie van ondingen en onreinheden leverde dat priester-verblijf op: fetiche-touwtjes van allerhande soorten; beenderen en staarten van dieren, amuletten en heilige bundels, een fetiche-pot met ingewanden en stinkend bloed en te midden van dat alles de zwarte priester in een blaauw kleed. Nimmer tevoren had ik zulk een dieven- en galgengelaat aanschouwd en ik weet niet wat meer invloed op mijn spoedige vertrek heeft uitgeoefend: de stank van het heiligdom of de afkeer jegens den priester."
  • Overigens beschouwde men de bewoners in het algemeen als lui en onbetrouwbaar. Gouverneur Daendels importeerde zelfs negers uit het tegenwoordige Liberia (de Kroo-lieden), omdat daarmee beter te werken zou zijn.

    Ook verhalen over afschuwelijke wreedheden die de Afrikanen begingen, deden de ronde. J.H. van Boudyck Bastiaanse, die in de jaren 1840 als gezagvoerder van de brik Lancier de Goudkust bezocht, vertelde over de begrafenis van de koning van Appolonia in 1800, waarbij meer dan vijftig mensen werden geofferd en de koninklijke doodskist bedekt was met menselijk bloed. Even gruwelijk is zijn verhaal over een gebeurtenis die vier jaar later te Sekondi plaatsvond:

  • "On livra une femme d'‚ge ŗ la faiblesse et ŗ l'inexpťrience d'un jeune garÁon de cinq ans, qui fut contraint de lui couper la tÍte avec un vieux couteau mal aiguisť. Il lui fallut plus de trois quarts d'heure pour commettre cet acte barbare, car l'enfant n'avait pas assez de force pour diriger l'instrument du supplice."
  • Als bron is Van Boudyck Bastiaanse echter niet zo betrouwbaar: de gebeurtenissen die hij schetste waren ook toen al lang geleden gebeurd. Hij had zelf zulke dingen niet meegemaakt, en had zijn verhalen blijkbaar alleen van 'horen zeggen'.

    Toch berichtten ook gezanten aan het hof van de koning van Ashanti in Kumasi over de mensenoffers die daar plaatsvonden. Het was voor de Nederlandse regering een morele rechtvaardiging om daar krijgsgevangenen als slaaf te kopen, en vervolgens naar IndiŽ te sturen: zo werd hun een afschuwelijk lot bespaard.

     

    IV DE MULATTEN: TUSSEN EUROPEANEN EN AFRIKANEN

    Een bijzondere positie in de maatschappij namen de mensen van gemengd Afrikaans-Europese afkomst in, de zogenaamde mulatten. De meeste van hen bekleedden lage posities: de mannen waren soldaat, de vrouwen waren als 'huishoudster' in dienst bij Europese mannen.

    Sommige mulattenfamilies wisten echter machtige posities te verwerven. Door hun langdurige verblijf aan de kust, vaak vele generaties, en hun banden met de Afrikaanse bevolking waren ze er beter thuis dan Europese ambtenaren en handelaren die pas korte tijd aan de Goudkust verbleven.

    Een voorbeeld van zo'n invloedrijke mulat was Jan Nieser (1756-1822), die voor de komst van gouverneur Daendels de ongekroonde koning van de Nederlandse bezittingen was. Andere voorbeelden zijn de families Huydecoper (afstammelingen van Mr. J.P.T. Huydecoper, in de jaren 1760 gouverneur), Ruhle en Bartels. Van oorsprong Brits was de familie Brew, die er in slaagde een machtige onafhankelijke positie aan de kust op te bouwen.

    Het aantal mulatten aan de Goudkust bedroeg volgens J.T. Lever aan het eind van de achttiende eeuw 600 tot 800. Hij baseert deze schatting op het gegeven dat de Nederlanders rond de 100 tot 150 mulatten als soldaat in dienst hadden, rekent daar hun families bij, en gaat er van uit dat de andere Europese machten een vergelijkbaar aantal mulatten in dienst hadden. Een tamelijk ruwe schatting dus, maar er is in ieder geval uit af te leiden dat er veel meer mulatten in de Nederlandse Bezittingen waren dan Nederlanders (hooguit enkele tientallen). Het aantal mulatten was echter zeer klein in verhouding tot het aantal Afrikanen die in 'Nederlands' gebied woonden: in 1859 werd hun aantal geschat op 110.000.

    De carriŤre van Jan Nieser

    De bekendste 'Nederlandse' mulat aan de Goudkust was ongetwijfeld Jan Nieser, in 1756 geboren als zoon van een Duitse ziekenverzorger in Nederlandse dienst, en een vrouw uit Elmina. Jan kreeg gedurende een paar jaar een opleiding in Europa, keerde naar de Goudkust terug en trad in dienst bij het Nederlands bestuur als soldaat. In 1785 bezocht Nieser wederom Nederland, en na zijn terugkomst vestigde hij zich als koopman te Elmina.

    In 1807 en volgende jaren werden de kustvolken geteisterd door invallen van Ashanti. De Elmina's, die werden beschouwd als bondgenoten van Ashanti, werden nu aangevallen door Fanti, Wasa en de bevolking van Cape Coast. De koopman J. Nieser te Elmina leverde wapens ter waarde van f 11.000 aan de Elmina's, en voerde een legertje van 250 man aan, waarmee de aanvallen afgeslagen werden. De kwartieren van Elmina, ieder aangevoerd door een 'Grootvaandrig', benoemden hem nu tot Opper-Grootvaandrig. Duidelijk was Nieser nu de leider van de Afrikaanse bevolking van Elmina.

    Op hetzelfde moment verkeerde het Nederlandse gouvernement in een tamelijk zwakke positie. Door de Napoleontische oorlogen in Europa was het contact met het moederland verbroken, en men had groot gebrek aan geld en andere zaken die men gewoonlijk uit Nederland kreeg. Gouverneur De Veer besloot nu om Nieser uit te nodigen deel te nemen aan het bestuur van de kolonie, en samen met een andere mulat, Carel Ruhle, trad hij toe tot de Grote Raad. Zijn ster rees tot grote hoogte toen in 1813 een muiterij van het garnizoen slechts bedwongen kon worden doordat Nieser het geld voor het voldoen van de achterstallige soldij leende. Behalve de machtigste onder de Afrikanen was hij nu ook de machtigste onder de Europeanen.

    Het einde van de oorlog in Europa en de komst van een nieuwe gouverneur, H.W. Daendels betekenden het begin van het einde voor Niesers koninkrijk. De gouverneur eiste de macht voor zich op, en ook hun wederzijdse handelsbelangen botsten. Een tijd van conflicten volgde. Nieser vormde een privť-legertje, maar werd in 1818 door Daendels op onduidelijke gronden gearresteerd. Terwijl Nieser in Elmina opgesloten was, overleed de gouverneur. Het gouvernement zat nu in een lastig parket: men durfde geen proces tegen Nieser te beginnen op grond van Daendels' beschuldigingen, maar hem vrijlaten zou groot prestigeverlies betekenen. Hij kreeg nu de keus om 'vrijwillig' naar Europa te reizen en daar zijn zaak te laten uitzoeken, of in de kerker in Elmina te blijven. Nieser reisde naar Nederland waar de zaak geseponeerd werd, maar toen hij na een jaar terugkwam was zijn handel verlopen, en waren zijn bezittingen verwaarloosd. Hij probeerde nog, zonder succes, een katoenplantage op te zetten, en overleed reeds in 1822.

    Andere mulatten

    Zo machtig als Jan Nieser zijn andere mulatten nooit geworden, maar ook zij zijn er soms in geslaagd een onafhankelijke positie te verwerven. Sam Kanto Brew, bijvoorbeeld, onderhield goede betrekkingen met Ashanti. Daar kocht hij slaven, die hij aan Spaanse slavenhalers verkocht. In 1807 bezette hij het verlaten Nederlandse Fort Nassau te Mori, hees er de Spaanse vlag en gebruikte het fort tien jaar lang als basis voor zijn slavenhandel. Dit alles tot grote ergernis van de Engelse gouverneur, die overigens machteloos was.

    De positie van mulatten tussen Europeanen en Afrikanen in, maakte hen bij uitstek geschikt om contacten te onderhouden met de volken in het binnenland. Verscheidene leden van de familie Huydecoper werden als Nederlands gezant naar Kumasi gestuurd.

    Niet altijd met even groot succes overigens. Hoogendijk verhaalt van een Huydecoper die zich "in dit negermilieu" zo thuis begon te voelen, dat hij zijn plichten verwaarloosde en niet meer naar Elmina durfde terug te keren.

     

    V RELATIE MET ANDERE EUROPEANEN AAN DE KUST

  • "Wij (...) merkten op dat een neger tamelijk brutaal ons van het hoofd tot de voeten opnam.

    'Wat moet je?' vroeg ik den snaak, nog al barsch.

    'Beg pardon Sar! I'm Inglichmen. I con here in bussiness!'

    'Dat mag de d....l' sprak ik verstoord, 'moet dan onze geheele kolonie verengelscht worden!'

    'Dat moet u niet verwonderen,' sprak mijn reismakker, 'vlak achter Batenstein ligt, te midden van het Nederlandsch grondgebied, een Engelsch dorp en niemand wist er iets van!'"

  • J.S.G. Gramberg klaagde in zijn levendige Schetsen van Afrika's Westkust regelmatig over de toenemende Engelse invloed aan de Goudkust. Later hebben verscheidene historici uitspraken gedaan over de verhouding tussen de Nederlanders en de Engelsen, die het grootste deel van de andere Europeanen aan de Kust uitmaakten. W.J. Koppius, bijvoorbeeld, schreef in 1930 dat Engeland al ten tijde van De Ruyter op onze Afrikaanse bezittingen aasde, en steeds bezig was "ons nog van den wal in de sloot te helpen".

    Dit is toch wat te sterk uitgedrukt, en Albert van Dantzig vertolkte vijftig jaar later dan ook een geheel andere mening. "In fact one can hardly speak of any commercial rivalry among the European nations on the Gold Coast in the nineteenth century," zo schreef hij.

    Van Dantzig heeft gelijk wanneer je het begrip 'concurrentie' letterlijk opvat. Ondanks de groeiende Engelse invloed was er geen sprake van dat de Nederlanders met de Engelsen in een handelswedloop verwikkeld waren: daarvoor was de Goudkust te groot en waren de Nederlandse aspiraties te bescheiden. Behalve het ontbreken van Nedelands tegenwicht zijn er tal van oorzaken aan te wijzen voor de Engelse expansie.

    Ten eerste is er het succesvolle bewind van George Maclean. Hij kreeg in 1828 de leiding over de Engelse bezittingen aan de Goudkust namens een commissie van Londense kooplieden. In tegenstelling tot de Nederlanders hadden de Engelsen in hun gebied verscheidene vertegenwoordigingen van handelsfirma's. Deze hadden nu het beheer van de kolonie overgenomen van de Engelse overheid, die eigenlijk haar bezittingen wilde opgeven omdat ze te veel geld kostten. Maclean breidde de Engelse invloed uit: enkele verlaten forten werden herbezet, en stamhoofden uit het directe achterland werden overgehaald om hun geschillen met behulp van het Engelse recht op te lossen. In 1843 werden de Engelse bezittingen wederom een Kroonkolonie, maar de succesvolle gouverneur bleef aan tot zijn dood in 1847.

    Door het regelmatig patrouilleren van Engelse oorlogsbodems voor de kust, het African Squadron op zoek naar illegale slavenschepen, konden de Engelsen meer indruk maken op de plaatselijke bevolking. Nederlands vlagvertoon met een oorlogsschip vond slechts zelden plaats. Ratelband vermeldt zelfs, dat tussen 1845 en 1860 geen enkel Nederlands oorlogsschip de Goudkust aandeed.

    Een andere oorzaak voor de toename van de Engelse invloed is gelegen in de verhouding met de Afrikaanse volken. Nederland werd door zijn banden met de Elmina's, die claimden een "broedervolk" van de Ashanti's te zijn, in verband gebracht met het aggressieve Ashantijnse rijk. De andere kustvolken, zoals de Fanti's, waren regelmatig in oorlog met het opdringende Ashanti, en vonden daarbij de Engelsen aan hun zijde. Nederland probeerde zich dan angstvallig neutraal te houden, en de vriendschappelijke banden met Ashanti enerzijds en de kustvolken anderzijds niet te laten verbreken. Het is echter niet zo verwonderlijk, dat Nederlandse vriendschap met Ashanti door de Engelsen en de Fanti's gezien werd als steun aan hun vijand.

    Engeland werd door de "Fanti Bond" in 1844 officieel beschermheer van acht kustvolken. Geleidelijk werd ook de Britse rechtspraak in het gebied ingevoerd. Toen de Engelsen echter probeerden ook belasting (poll-tax) te gaan heffen, stuitten ze op fel verzet van de Afrikanen.

    In 1850 werd de Engelse positie ten oosten van Accra versterkt door de aankoop van de Deense bezittingen, voor een prijs van £ 10.000. Echt grote invloed op de verhouding met de Nederlanders had dit laatste overigens niet: de Nederlanders waren oostelijk van Accra niet aan de Kust vertegenwoordigd.

    Een laatste, maar toch zeer belangrijke oorzaak die ik zou willen noemen voor de uitbreiding van de Engelse invloedssfeer is wel de aanwezigheid van de Wesleyaanse zending, Engelse kerken en scholen. In Sekondi was bijvoorbeeld in de ene helft van het dorp een Nederlands fort (met daarin een commandant "die zich razend verveelt", volgens Gramberg), terwijl in de andere helft een Engelse school en een kerk waren. Deze hadden meer invloed op de plaatselijke bevolking dan de kanonnen van Fort Oranje.

    In het algemeen was de verstandhouding tussen Nederlanders en Engelsen goed. De gouverneurs bezochten elkaar geregeld op de wederzijdse hoofdforten St. George d'Elmina en Cape Coast Castle, die niet ver van elkaar lagen. Post voor Nederland werd vaak met Engelse schepen verzonden, terwijl ook wel gebruik werd gemaakt van de diensten van de Engelse arts te Cape Coast.

    Gevluchte Afrikanen die hun toevlucht hadden gezocht in andermans fort werden meestal uitgeleverd. Ook werden er gezamenlijke militaire strafexpedities georganiseerd. In de strijd tegen Ashanti deden de Engelsen echter tevergeefs een beroep op de "blanke solidariteit".

    Wedijver was er wel degelijk op diplomatiek terrein. Met name de verhoudingen met Ashanti waren voor beide landen belangrijk. Allebei probeerden ze de gunsten van de koning van Ashanti voor zich te winnen. Toen bijvoorbeeld de Nederlandse gouverneur Daendels in 1817 een gezant naar Kumasi had gestuurd, zonden de Engelsen kort daarop ook een vertegenwoordiger. Deze deed nog mooiere aanbiedingen dan de Nederlanders: hij erkende zelfs het Ashantijnse beschermheerschap over Fanti. Hevige protesten van de Fanti's dwongen de Engelsen echter dit aanbod in te trekken.

    Daarnaast heeft de Engelse regering herhaaldelijk kritiek geuit op de Nederlandse werving van Afrikaanse soldaten voor dienst in Nederlands IndiŽ. Zij beschouwde dit als een vorm van slavenhandel, en had daar, eerlijk gezegd, ook wel gelijk in.

    Behalve de Engelsen waren ook de Denen vertegenwoordigd op de Kust. Hun forten lagen ten oosten van Accra, en werden niet afgewisseld door Nederlandse forten. Om die reden was er betrekkelijk weinig contact tussen de Nederlandse en Deense autoriteiten.

     

    VI RELATIE MET HET BINNENLAND: ASHANTI

    De toestand van de Nederlandse Bezittingen ter Kuste van Guinea zijn niet te beschrijven zonder aandacht te besteden aan het machtige koninkrijk Ashanti. De hoofdstad Kumasi lag ongeveer 200 kilometer landinwaarts, maar het rijk had in de loop van de achttiende eeuw grote invloed verworven aan de kust. Met militaire campagnes had het zijn macht uitgebreid tot Denkyera (1698-1701), Akyem en Accra (1742) en Fanti (1765 en 1807). Een Britse gezant die Kumasi had bezocht beschreef de koning van Ashanti, de Asantehene, als "indisputable the greatest and the rising power of western Africa."

    Het rijk had handelscontacten met Hausaland in het noordoosten, Timboektoe in het noordwesten, en via karavaanroutes zelfs met Noord-Afrika en West-Soedan. Aan de zuidgrens van het rijk bevonden zich de Europese handelsforten.

    Nederland onderhield bijzondere contacten met Ashanti. Reeds in 1701 was David van Nyendael de eerste hoge officiŽle gezant die het hof te Kumasi bezocht. Tot 1740 waren ivoor en goud de voornaamste handelswaar die de Nederlanders van de Ashantijnen kochten. Daarna waren slaven het voornaamste exportartikel. De belangrijkste verbindingsroute liep toen van Kumasi naar Nederlands Accra. In 1816, toen de slavenhandel was afgeschaft, probeerde de nieuwe gouverneur Daendels de oude handel in goud en ivoor te herstellen via de directe verbinding Kumasi-Elmina. De Ashantijnse handelaars die naar Elmina kwamen waren vooral geÔnteresseerd in tabak, sterke drank, kruit en geweren.

    Ook tijdens de oorlogen die Ashanti met Fanti en de Engelsen voerde, probeerde Nederland goede handelsbetrekkingen met het rijk te onderhouden. Het werd hierbij gesteund door Elmina, dat zich als een Ashantijns 'broedervolk' beschouwde en zo zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de andere kustvolken benadrukte. In 1824 klaagde de Nederlandse gouverneur Frans Last aan zijn Engelse collega over de grote invloed van Ashanti in Elmina:

    "You are well aware of the very unpleasant situation in which I am placed in consequence of the little support by H.N.M. Government at home - and it is with regret that I am obliged to say that from such circumstances inhabitants of the town [Elmina] who call themselves Dutch subjects are in reality more under the influence and commands of the Ashantees than under mine..."

    In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw heeft men, met niet erg veel succes overigens, geprobeerd om via de koning van Ashanti soldaten te werven voor het Oost-Indische leger, en in 1849 heeft de Nederlandse regering onderzocht of men misschien gebruik kon maken van de uitgebreide handelscontacten van Ashanti door over land post naar de Goudkust te sturen. Bij wijze van proef gaf de Nederlandse consul in Tripolis een brief (het overlijdensbericht van koning Willem II) mee aan een handelskaravaan naar het zuiden. Men hoopte dat die brief via Timboektoe en Ashanti de Nederlandse gouverneur aan de Goudkust zou bereiken. Helaas is mij niet bekend of deze brief ooit is aangekomen. Ik denk dat de proef mislukt is.

    Het kostgeld

    Een bijzonder aspect in de Nederlands-Ashantijnse verhouding was het zogenaamde kostgeld, dat de Nederlanders aan de koning van Ashanti betaalden: f 960 per jaar. De misverstanden die in de negentiende eeuw hierover ontstaan zijn, spelen ook de hedendaagse historici nog parten. L.W. Yarak heeft een paar jaar geleden de oorzaken van die misverstanden onderzocht.

    Aan het begin van de vorige eeuw ontstond er verschil van mening tussen Ashanti en Nederland over de betekenis van het kostgeld dat de laatste betaalde. De Nederlanders beschouwden het kostgeld als een gebaar van vriendschap jegens de koning, om de handel te stimuleren. De koning van Ashanti zag hierin echter een erkenning van zijn gezag over de kust, en beschouwde het als pachtgeld voor de Nederlandse forten te Elmina. Hij zou dit recht verkregen hebben toen hij in de achttiende eeuw de koning van Denkyera overwon, aan wie dit recht eerder toekwam. Dit denkbeeld werd door toenmalige Engelse schrijvers als Dupuis en Brodie-Cruickshank overgenomen, waarna het ook in het werk van de Nederlander Gramberg verscheen. Ten tijde van de overdracht van de bezittingen in 1872 geloofde zelfs de Nederlandse overheid erin, en ook hedendaagse historici als Margaret Priestley en Harvey M. Feinberg namen deze zienswijze over.

    Toch is deze visie aantoonbaar onjuist, heeft Yarak nu aangetoond.

    In de achttiende eeuw werd er in Elmina helemaal geen kostgeld betaald. Wel werd er in Accra kostgeld betaald aan de koning van Akyem, en toen deze verslagen was door Ashanti, aan de koning van dat rijk. Er was geen sprake van pachtgelden voor Elmina: dat misverstand was ontstaan toen gouverneur Daendels in 1816 het kostgeld van Accra rechtstreeks vanuit Elmina aan vertegenwoordigers van Ashanti ging betalen. Het was de bron van een misverstand dat tot op heden voortleeft.

     

    VII DE GOUDKUST: HET GRAF DER BLANKEN

    De westkust van Afrika had in Europa een zeer slechte naam wat betreft de gezondheid, en bepaald niet onterecht. Propegandisten van ontwikkeling van het gebied, zoals J.S.G. Gramberg en Mr. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, weten de hoge sterfte onder de Europeanen vooral aan hun slechte leefwijze.

    Volgens de laatste vertrokken naar de westkust meestal personen, waarvan het gestel door onzedelijk gedrag ondermijnd was. Door gebrek aan Europese vrouwen kon er aan de Goudkust ook geen familieleven ontstaan, "de kweekschool van alle deugden en redelijke hoedanigheden".

    Ook de slavenhandel had volgens Mr. Sloet een slechte invloed op de moraal gehad, want deze

    "lokte tot allerlei ongebondenheid uit, en de stem van het geweten, die ook door lange gewoonte aan het kwaad en door het maatschappelijk vooroordeel, dat het wettigt, niet altijd tot zwijgen gebragt kon worden, moest in wilde dierlijkheid gesmoord worden."

    Dit was er de reden van dat de kust het graf der Hollanders werd. Volgens hem was die bijnaam echter niet terecht, want men wist tegenwoordig (1860) dat de kust "niet minder gezond, zoo al niet gezonder" was dan vele tropische kusten van Amerika.

    Ook Gramberg was van mening dat het ongunstige beeld van de kust onder meer ontstaan was door het ontbreken van een elite, en door het "woelziek en losbandig leven" dat de Europeanen op de kust leidden. De arts Gramberg heeft echter ook een waarneming gedaan, die achteraf gezien een belangrijker verklaring voor de hoge sterfte der Europeanen oplevert.

    De slavenhandelaars waren namelijk altijd aan de vochtige kustlijn gebleven, met z'n modderbanken en moerassen. Gramberg had echter gemerkt, dat in de vruchtbare vlakten in het binnenland, "waar het bekende Guinea-gras welig tiert, waar de frissche bries over de velden strijkt", de Europeaan het jarenlang kon uithouden. Het denkbeeld dat geen Europese vrouw in Guinea zou kunnen leven werd hier ook weerlegd: hij had er zeer gezonde missionarisvrouwen ontmoet.

    Deze vlakten nu waren veel gezonder dan de kuststreek, want "de lucht is er niet besmet door vuile uitdampingen, en zoo ze nog mogten ontstaan, worden ze weldra weggevaagd."

    Hiermee heeft Gramberg de belangrijkste doodsoorzaak van Europeanen aan de kust van Guinea verklaard. Want hoewel later ontdekt is dat niet slechte lucht ("mal-aria") de ziekte veroorzaakt, is het toch de tropische malaria geweest die de meeste slachtoffers heeft gemaakt aan de kust.

    De Engelsman P.D. Curtin heeft in zijn artikel '"The white man's grave"; Image and reality, 1780-1850' verslag gedaan van zijn onderzoek naar de grote sterfte aan de Afrikaanse westkust, en hoe men er destijds tegenaan keek.

    Het heersende beeld van het 'graf der blanken' berustte duidelijk niet op fantasie. Van de groepen Europeanen die aan het einde van de achttiende eeuw op de westafrikaanse kust arriveerden, overleed binnen een jaar gemiddeld 30 tot 70 procent. Na de eerste schok daalde de sterfte, maar ook dan overleed nog 8 tot 12 procent. En in tegenstelling tot wat Mr. Sloet beweerde, was dat een aantal malen hoger dan in tropisch Amerika.

    Aan de kust heersten vele ziekten, waarvan verreweg de belangrijkste de malaria was, gevolgd door de gele koorts. Maar ook de slaapziekte, bilharzia, framboesia en dysenterie maakten slachtoffers onder de bevolking.

    De Goudkust is een extreem gunstige leefomgeving voor de malaria overbrengende muggen Anopheles gambiae en Anopheles funestas, terwijl de heersende malariavorm Plasmodium falciparum een der gevaarlijkste soorten is. Door de tamelijk grote bevolkingsdichtheid is er een groot menselijk reservoir dat de ziekte in stand houdt.

    Er is geen ontsnapping mogelijk: in sommige gebieden loopt men gemiddeld honderd besmette insectebeten per jaar op, een reden waarom Curtin de ziekte in deze streken hyperendemisch noemt.

    Waarom waren de Europeanen aan de kust nu zo veel vatbaarder voor de ziekte dan de Afrikanen? Dat was maar schijn. Wanneer men de ziekte overleeft, blijft men er tamelijk immuun voor, mits men herhaaldelijk wordt gereÔnfecteerd. De opgebouwde weerstand tegen de ziekte blijft dan bestaan. De Afrikanen leken minder vatbaar voor de ziekte door de hoge kindersterfte die er onder de bevolking heerste. De kinderen die de ziekte overleefden, hadden echter een redelijke weerstand tegen de malaria opgebouwd.

    Men zou kunnen zeggen dat de Afrikaanse bevolking in de vorm van kindersterfte een hoge prijs voor haar latere bescherming betaalde. De Europeanen betaalden dezelfde prijs, echter met volwassenen, niet met kinderen.

    Ook de gele koorts, veroorzaakt door de muskiet Aedes aegypti, maakte veel slachtoffers, vooral in epidemieŽn. Na besmetting stierf men binnen vijf tot zeven dagen, of was men voor altijd immuun. In dat geval kon men de ziekte ook niet meer aan een nieuwe mug overdragen, waardoor na een epidemie ook het aantal besmette muggen afnam, en de volgende golf vijf tot tien jaar op zich liet wachten.

    Hoe keek de medische wetenschap in de eerste helft van de negentiende eeuw tegen deze ziekten aan?

    Men beschouwde de met de ziekten gepaard gaande koortsen als zelfstandige ziekten, niet als symptomen. Zo onderscheidde men wisselkoortsen (febres remittentes), op- en afgaande koortsen (febres intermittentes), galkoorts (febris biliosa), etcetera. Het negentiende-eeuwse begrip malaria duidde dan ook slechts de giftige stof in de lucht aan, niet de ziekte zoals wij die kennen.

    De twee methoden die men hanteerde ter voorkoming van de tropische ziekten waren dezelfde die ook Gramberg aanwees: Men diende gezondere gebieden op te zoeken, en z'n persoonlijk gedrag te verbeteren. Dat betekende op zedelijk gebied vooral afzien van wijn, sterke drank en geslachtsgemeenschap, terwijl men in het algemeen grote lichamelijke inspanning, en grote temperatuursverschillen moest vermijden. Ook voor regen en dauw diende men uit te kijken, vanwege de gevolgen voor de vochtbalans.

    Het feit dat men meestal geen ziekten, maar slechts verschillende koortsen onderscheidde, was er de oorzaak van dat het reeds bekende kinine slechts matige toepassing vond. Proeven met dit middel (tegen malaria) vielen vaak negatief uit, omdat de betreffende koortsen door een andere ziekte veroorzaakt waren.

    In de loop van de jaren 1840 daalde aan boord van de schepen van het African Squadron, dat voor de kust patrouilleerde ter voorkoming van de illegale slavenhandel, de sterfte door grotere toepassing van kinine, het uitwijken naar een koeler klimaat of in ieder geval uit de kust blijven in geval van een gele-koortsepidemie. Ook het in onbruik raken van de aderlatingen kan bij de sterftedaling een rol hebben gespeeld.

    Vooruitlopend op het verslag van mijn onderzoek naar de Nederlandse goudwinning, ook in de jaren veertig, kan ik zeggen dat de begeleidend arts daar nog geen kinine gebruikte. Hij noemde weer de ongebonden leefwijze als een van de oorzaken van de sterfte van de mijnwerkers, aan wat hij de "landziekte" noemde. Natuurlijk is het aannemelijk dat daardoor hun weerstand afgenomen was, maar dDe werkelijke oorzaak van de ziekten kende men in die tijd nog niet. Pas in 1880 werd de muskiet Anopheles als overbrenger van de malaria aangewezen, en de oorzaak van de gele koorts werd pas in deze eeuw ontdekt.

    TERUG NAAR: INHOUD

     

     

    DEEL 2

    PLANNEN EN POGINGEN OM DE KOLONIE RENDABEL TE MAKEN

    VIII GOUVERNEUR DAENDELS: KOLONISATIE-PLANNEN

    In de persoon van Herman Willem Daendels hebben de Nederlandse Bezittingen ter Kuste van Guinea een gouverneur gehad die zich daadwerkelijk heeft ingespannen om de kolonie tot grote ontwikkeling te brengen.

    Toen Daendels in 1816 tot Gouverneur-Generaal benoemd werd, had hij al een roerige loopbaan achter de rug. Als overtuigd patriot was hij als generaal met het Franse leger van Pichegru in 1794 Nederland binnengetrokken, en tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon was hij Gouverneur-Generaal van Nederlands IndiŽ geweest (1808-1811). Daar had hij bestuur en rechtspraak gereorganiseerd en wantoestanden uit de tijd van de VOC aangepakt. Ook had hij naam gemaakt met de aanleg van de grote postweg op Java. Er waren echter wel klachten geweest over de wijze waarop Daendels zichzelf verrijkte. Na zijn tijd in IndiŽ was hij nog generaal in het keizerlijke Franse leger en maakte gedeeltelijk Napoleons veldtocht naar Rusland mee.

    De val van Napoleon en de terugkeer van het huis van Oranje in de persoon van koning Willem I, eerst als soeverein vorst, in 1815 als koning van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, brachten de succesvolle voortzetting van zijn loopbaan ernstig in gevaar. Plotseling toonde Daendels zich zeer oranjegezind, en bood hij de Nederlandse regering zijn diensten aan.

    Graag zou hij betrokken willen worden bij de verdere ontwikkeling van Nederlands IndiŽ, maar de nieuwe regering bejegende de man, die met zijn kennis, ervaring en ambitie van groot nut had kunnen zijn, met een door het verleden gerechtvaardigd wantrouwen. In IndiŽ was geen taak voor hem weggelegd, maar men was wel bereid hem bij het koloniaal bestuur in te schakelen. De voormalige Gouverneur-Generaal mocht opnieuw die titel voeren, maar nu niet van het grote IndiŽ, maar van de kleine, bijna vergeten bezittingen aan de Goudkust, die al acht jaar lang door geen enkel Nederlands schip waren aangedaan.

    Daendels begon energiek aan zijn nieuwe taak, en vergat daarbij zijn eigen belangen niet. De ruimen van het korvet waarmee hij op 20 januari 1816 aan de kust van Guinea arriveerde, waren geladen met handelswaar van de firma H.W. Daendels en Co., om aan de kust te verkopen.

    De komst van de nieuwe gouverneur viel vrijwel samen met de officiŽle afschaffing van de slavenhandel. Daendels' taak was het nu, nieuwe mogelijkheden voor de kolonie te zoeken en haar zo snel mogelijk rendabel te maken. Hij begreep dat men zich meer op het binnenland moest richten, en besefte het belang van een goede verstandhouding met de koning van Ashanti. Een afstammeling van een vroegere gouverneur, Huydecoper, werd als afgezant naar de koning gezonden. Kolonel Starrenburg maakte verscheidene onderzoekstochten landinwaarts op de rivieren Ankobra, Pra en Volta. Daendels kwam met kolonisatieplannen, en wist een geregeld handelscontact met Ashanti tot stand te brengen.

    De plannen van Daendels

    Een jaar na zijn aankomst in West-Afrika ontvouwde Daendels zijn plannen voor de ontwikkeling van de Nederlandse bezittingen in een memorie aan zijn superieuren in Den Haag.

    In de eerste plaats bepleitte hij een gebiedsruil met de Engelsen. Nederland zou zijn territoriale rechten ten oosten van Elmina (de zogenaamde Benedenkust) met het fort CrŤvecoeur te Accra dienen te ruilen voor het Engelse fort Dixcove ten westen van Elmina, waardoor Nederland "territoriaal bezitter" zou worden van de gehele Bovenkust. Een aaneensluitend Nederlands gebied ten westen van Elmina zou volgens Daendels de ontwikkeling van handel en cultures zeer bevorderen.

    Daendels beschouwde de ontwikkeling van de kust van Guinea als een goede compensatie voor de aan de Engelsen verloren koloniŽn Demerara, Essequibo en Berbice in Guyana:

    "Het territorium aan de bovenkust waar het Nederlandsch Gouvernement aanspraak op heeft als territoriale eigenaars door gesloten contracten of door het regt van oorlog verkregen, is vrij uitgestrekter als de kolonien welke wij in de WestIndien hebben verloren, even vruchtbaar, en met minder als een vierde gedeelte der capitalen te defricheeren (= ontginnen) en met nog minder kosten te cultiveeren en te onderhouden als de plantagien in de WestIndien gekost hebben..."

    Het was niet zijn bedoeling een soort Cultuurstelsel in te voeren: van de Afrikaanse bevolking werden geen verplichte leveranties verwacht. Met "zachte middelen" moesten de negerregeringen tot dezelfde ondergeschiktheid worden gebracht als op Java. Alles moest overgelaten worden aan de vrije cultuur van particulieren, die door legale middelen eigenaar van de gronden waren geworden.

    De gouverneur legde nadruk op een regeling van het eigendom, na een onaangename ervaring die de ambtenaar Van Neck enige maanden eerder had opgedaan. Deze had het plan opgevat om op de zogenaamde Katoenberg een katoenplantage te beginnen. Helaas kwamen na enige tijd de inlandse eigenaars opdagen, en kon het plan geen doorgang vinden. De Grote Raad besloot daarop een kohier van Europese landerijen in te stellen.

    In Europa wilde Daendels families laten uitnodigen, die zich als kolonist in Afrika wilden vestigen. Zij moesten zelf voor de nodige handelsartikelen en gereedschappen zorgen. Hij rekende hierbij op f 5000 voor de handelswaar, en f 1000 voor gereedschap en meubels. Om hen in te lichten, zouden stukken uit het Journaal gepubliceerd moeten worden.

    Uit het exemplaar van de Secrete Memorie dat in het archief van het ministerie van KoloniŽn berust, blijkt dat er inderdaad kandidaten zijn geworven. Bij de betreffende passage is in de marge geschreven: "Deze uitnoodiging is reeds geschied. Zie couranten."

    Als vestigingsplaats van toekomstige kolonisten raadde Daendels Simbo en Komenda aan, gelegen aan rivieren met zoet water en ver van de moerassen van Elmina. Bewerking van de plantages zou niet volledig met slaven moeten plaatsvinden. Voor de eigenaren zou het zeer voordelig zijn als slaven na tien jaar vrij werden verklaard. De ingeboren slaven waren volgens hem vele families tot last, terwijl ze als vrije lieden en aan werken gewend, wel voor een klein loon zouden kunnen werken.

    Inmiddels was de gouverneur zelf al begonnen met de oprichting van plantages. Eind 1816 kochten hij en kolonel Starrenburg in Simbo een door onkruid overwoekerde bananenplantage van de vrijburgersfamilie Ruhle. Hij liet voor eigen rekening een weg naar Simbo aanleggen, en in mei 1817 fourneerde hij het geld waarmee zijn twee oudste zoons samen met de latere gouverneur Frans Last een katoenplantage oprichtten. De naam van de onderneming verwees naar zijn nieuwe houding tegenover het Huis van Oranje: "Oranjedageraad". Vanuit Kumasi liet hij zijn gezant bij de Ashantijnse koning verscheidene katoenpitten opsturen, om zo te ontdekken welke soort de beste kwaliteit zou leveren.

    Ondertussen nam de resident van Axim, Van Barneveld, een proef met een koffieplantage. Deze sloeg goed aan, maar ontginning door ambtenaren bleek niet zo gunstig te zijn: Van Barneveld ging met een opdracht naar Nederland, en werd later naar Elmina overgeplaatst. Zijn plaatsvervanger interesseerde zich niet voor de koffieplantage, en liet haar geheel vervallen.

    Daendels streefde naar uitbreiding van de Nederlandse invloed in het binnenland. Hij zond kolonel Starrenburg op verschillende expedities. Op de plaats stroomopwaarts aan de rivier Ankobra, waar in de zeventiende eeuw korte tijd het Nederlandse fort Ruyghaver had gestaan, plantte de kolonel opnieuw de Nederlandse vlag. Ook trachtte Daendels, nu de slavenhandel was afgeschaft, de wettige handel (goud, ivoor) met Ashanti op gang te brengen. Via de Kumasi-Elmina route kwamen nu Ashantijnse handelaren die in Elmina tabak en sterke drank, maar vooral geweren en kruit van de Nederlanders kochten. Samen met de Ashantijnse koning Osei Tutu wilde hij een weg aanleggen van Kumasi naar Elmina. Van juli 1816 tot januari 1817 werd er aan de weg vanuit Kumasi gewerkt. Toen kwam men aan de grens van het gebied van Wasa, vier dagreizen van Elmina. Een niet bijgelegd conflict tussen de leider van Wasa en de koning van Ashanti bemoeilijkten verdere aanleg van de weg. De Nederlandse gouverneur stelde toen aan de koning voor om vier forten te bouwen waar de weg door het gebied van de Wasa liep.

    Ook geprobeerde hij de zetel van het bestuur van Elmina naar het gezondere Axim te laten verplaatsen, net zoals in IndiŽ het gouvernement van Batavia naar Buitenzorg was verplaatst.

    Grote plannen kosten altijd geld, en dat had Den Haag voor deze kolonie niet over. Daendels heeft aangeboden om naar Nederland te komen om de uitvoerbaarheid van zijn plannen aan te tonen, maar het ministerie van KoloniŽn liet weten dat men met belangstelling zijn verdere proefnemingen zou volgen, en bij eventueel succes, steun in overweging zou nemen.

    Op 2 mei 1818 overleed Daendels, na een verblijf van ruim twee jaar aan de kust. Zijn vroegtijdige dood betekende een abrupt einde van de door hem in gang gezette ontwikkeling van de kolonie. Zijn ondernemingen steunden te sterk op zijn persoon om door zijn zoons met succes voortgezet te kunnen worden. Het betekende het einde van de plantage Oranjedageraad. De aangelegde wegen hielden geen stand: kort na Daendels' dood werd bericht dat ze weer waren dichtgegroeid.

    Het ministerie maakte van zijn overlijden gebruik om de door hem ingediende begroting met 60 procent te verminderen. Kolonisten werden niet gezonden, evenmin als de aan Daendels toegezegde onderwijzer.

    Slechts de directe handelscontacten tussen Kumasi en Elmina bleven bestaan. Niet lang overigens: vijf jaar later brak er een oorlog uit tussen Ashanti en Fanti en was handelsverkeer over deze route eigenlijk niet meer mogelijk.

     

    IX WERVING VAN SOLDATEN VOOR HET INDISCHE LEGER

    De werving van Afrikaanse soldaten voor dienst in het Indische leger is een van de belangrijkste Nederlandse activiteiten in het negentiende-eeuwse West-Afrika geweest. In een scriptie over de Goudkust nŠ de slavenhandel is dit een merkwaardig hoofdstuk. Tijdens de bloeiperiode van de werving, 1836-1842, werden ongeveer 2100 recruten naar Java verscheept. De omstandigheden waaronder zij in dienst waren getreden rechtvaardigen het predikaat "verkapte slavenhandel" voor deze activiteiten.

    De laatste jaren hebben verscheidene historici onderzoek gedaan naar de werving van recruten voor het Nederlands Indisch Leger in West-Afrika. Reeds in 1966 schreef Albert van Dantzig erover in het tijdschrift van het Ghanese historische genootschap. In Leiden hield Renť Baesjou zich met het onderwerp bezig, terwijl in Amerika Larry W. Yarak er aandacht aan besteedde in zijn proefschrift over de Nederlands-Ashantijnse betrekkingen. Zeer recentelijk, in 1989, publiceerde J.M. Verhoog de bevindingen van zijn onderzoek naar dit onderwerp.

    Verhoog laat niet merken dat hij het werk van Baesjou en Yarak kent. Hij klaagt dat er slechts schaarse literatuur over het onderwerp bestaat, en dan nog vooral met een populair karakter. Merkwaardig is zijn mededeling, dat een gedegen overzicht ervan niet bestaat, "althans niet in de vorm van een publicatie". Hij suggereert hiermee, dat het gedegen overzicht wŤl bestaat, maar hij laat na de auteur ervan te vermelden.

    Verhoog heeft in Leiden gestudeerd. Misschien doelt hij toch op het ongepubliceerde werk van Renť Baesjou, zoals diens studie over Kwasi Boakye, dat in de bibliotheek van het Afrika Studiecentrum in Leiden te raadplegen is.

    In ieder geval heeft Verhoog een zeer duidelijk overzicht gegeven van de geschiedenis van de werving van Afrikaanse recruten.

    De proefwerving

    Reeds tijdens de Java-oorlog (1825-1830) werd er op het Ministerie van KoloniŽn met de gedachte gespeeld de verliezen van het Indische leger gedeeltelijk te compenseren door werving van Afrikaanse soldaten in de Nederlandse bezittingen in West-Afrika. In Nederland waren niet genoeg troepen te werven, en deze zwarte soldaten zouden een aantal voordelen van Europese en inlandse troepen combineren. Door hun afkomst was het niet waarschijnlijk dat ze gemene zaak zouden maken met de Javaanse opstandelingen, terwijl ze beter tegen het tropische klimaat bestand waren dan de Nederlandse soldaten.

    In 1831 werd besloten tot een proefwerving: men zou een compagnie (150 man) Afrikaanse soldaten werven en naar IndiŽ overbrengen. Nadrukkelijk wees het ministerie op de vrijwilligheid waarmee de indiensttreding gepaard moest gaan. De slavenhandel was immers verboden, en men vreesde moeilijkheden met het Engelse African Squadron dat voor de kust patrouilleerde om illegale slavenhandel te bestrijden.

    Gouverneur Last had echter grote moeite om voldoende vrijwilligers te werven. De gehechtheid van de Afrikaan aan zijn geboortegrond, en het niet al te duidelijke verschil met het vroegere verschepen van slaven overzee weerhield de bevolking van de Nederlandse bezittingen ervan zich als vrijwilliger te melden. In 1831 en 1832 werden in totaal slechts 44 recruten naar IndiŽ gezonden.

    Last bedacht twee mogelijkheden om de werving te bespoedigen. Ten eerste bepleitte hij een delegatiŽnsysteem, waarbij de recruut een deel van zijn soldij zou delegeren aan zijn familie. Op die manier zou het voor hem makkelijker zijn om zijn familie in Afrika achter te laten. Met dit systeem zouden ook slaven van hun meesters toestemming kunnen krijgen om naar IndiŽ te gaan, in ruil voor een deel van hun soldij. De opvolger van Last, gouverneur Lans, maakte hiervan later dankbaar gebruik: hij kocht 57 slaven die hij vervolgens als 'vrijwilliger' beschuikbaar stelde.

    Dit systeem leidde inderdaad tot een hoger aanbod van recruten, maar de vrijwilligheid was ver te zoeken: slaven/recruten werden vaak geboeid door hun meesters naar Elmina gebracht.

    Als tweede mogelijkheid rekende gouverneur Last op de koning van Ashanti, vroeger een belangrijke slavenleverancier van de Nederlanders. In 1832 werd de Elminees Jacob Simons naar Kumasi gestuurd om onder andere de recruteringsmogelijkheden te onderzoeken. In de praktijk betekende dit, dat Simons moest onderzoeken of er jonge mannelijke slaven beschikbaar waren voor de export. In 1834 werd opnieuw een gezant naar Kumasi gestuurd met de opdracht de recrutering te bevorderen. De koning was wel geneigd mee te werken in ruil voor geschenken. Toch werden er uit Kumasi maar weinig recruten gezonden.

    De missie Verveer

    Dit alles diende te veranderen toen de Afrikaanse soldaten in IndiŽ zeer goed bleken te bevallen, en de proefwerving omgezet werd in een meer permanente werving voor een korps Afrikaanse soldaten. Voor grootschalige levering rekende men nu op Ashanti.

    In 1836 werd de generaal-majoor Jan Verveer als Nederlands gezant naar Kumasi gezonden. Alles werd gedaan om een zo groot mogelijke indruk op de koning Kwaku Dua te maken, en hem gunstig te stemmen.

    380 slaven werden vooruitgestuurd met geschenken. De hoofdstoet bestond uit 36 palankijnen met delegatieleden, gedragen door 196 hangmatdragers. De stoet werd voorafgegaan door een vaandeldrager en een muziekkorps van 13 man.

    De reis verliep moeizaam: voor het vervoer door de Afrikaanse wildernis waren de palankijnen niet zo handig. Er moest een speciaal pad van 5 voet breed gehakt worden. Buiten Kumasi werd de delegatie nog 3 weken opgehouden omdat de koning naar een begrafenis moest. In Kumasi aangekomen, werden geschenken uitgereikt, zoals een oranje vaandel met het Nederlandse wapen, zilverwerk, een porceleinen theeservies, champagne, spiegels, een camera obscura en portretten van de koninklijke familie. 's Avonds werd er een vuurwerk afgestoken.

    Toen eindelijk een begin gemaakt werd met de onderhandelingen, werd vrij snel een akkoord bereikt. Koning Kwaku Dua verplichtte zich binnen een jaar 1000 mannen in de leeftijd van 17 tot 22 jaar te leveren. De mannen uit Ashanti zouden 15 jaar in dienst blijven, slaven uit het noorden, de Donko's, zouden voor onbeperkte tijd in dienst treden. Als beloning kreeg de vorst 2000 geweren vooruitbetaald, en verder per recruut kruit en lood ter waarde van 2Ĺ ons goud. In Elmina werden bovendien Ashantijnse slaven opgeleid in het bespelen van Europese blaasinstrumenten, waarna ze voorzien van uniformen en instrumenten naar Kumasi zouden terugkeren.

    Merkwaardig was nog, dat Kwaku Dua twee prinsjes, zijn zoon Kwasi Boakye en zijn neef Kwame Poku, in handen stelde van generaal Verveer. De reden waarom dit gebeurde, is niet duidelijk. Waren zij gijzelaars, of een teken van vertrouwen in het Ashantijns-Nederlandse bondgenootschap? Misschien werden ze alleen aan Verveer meegegeven om in Nederland een opleiding te ontvangen.

    Zowel in Kumasi als te Elmina werden nu werfdepŰts opgericht. De Nederlandse agent in Kumasi was J. Huydecoper, op wie de zware taak rustte om te zorgen dat de koning zijn afspraken nakwam. Uiteindelijk werden er door Ashanti geen duizend recruten per jaar geleverd: in 1842, dus na ruim vijf jaar bedroeg het aantal Ashantijnse recruten 1160.

    Het depŰt in Elmina leverde in die tijd ongeveer 900 soldaten.

    Dat het toch mogelijk bleek om een dergelijk groot aantal in Elmina zelf te recruteren, was te danken aan het feit dat generaal Verveer de mogelijkheid had geopend voor het Nederlandse gouvernement om slaven te kopen. Deze slaven werden vrijverklaard als ze naar IndiŽ verscheept werden. Ze moesten echter hun aankoopprijs terugbetalen door een kwart van hun soldij aan de Nederlandse overheid delegeren.

    Hier was dus sprake van een verkapte slavenhandel, en dat lokte regelmatig Engelse protesten uit. De Engelse ambassadeur in Den Haag diende klachten in bij de Nederlandse regering, en ook Engelse kranten schreven over het onderwerp.

    Het einde van de werving

    Het Engelse protest was een van de redenen waarom Nederland de werving in 1842 beŽindigde. Andere redenen waren, dat er nu inderdaad een volledig korps gevormd was, en dat het oordeel in IndiŽ over de Afrikanen minder gunstig was geworden na een aantal muiterijen.

    In de tijd tussen 1855 en 1872 is de werving nog eens hervat, doch nu op minder grote schaal, en alleen met vrijwilligers. Het laatste schip met Afrikaanse soldaten vertrok een maand na de overdracht aan Engeland vanuit Elmina.

    De Nederlandse overheid probeerde met de werving van soldaten de bezittingen in West-Afrika rendabel te maken door terug te grijpen op de oude bestaansreden van de forten. Slechts door slaven te kopen kon de werving succesvol gemaakt worden, en dit was in de negentiende eeuw, toen de slavenhandel was afgeschaft, een moeilijk te verdedigen zaak. Engelse protesten hebben ertoe bijgedagen dat deze vorm van werving stopgezet werd, waarna de recrutering op vrijwillige basis nog een kwijnend bestaan heeft geleid.

    Misschien is het wel de Nederlandse textielindustrie geweest, die nog het meest geprofiteerd heeft van deze affaire. Soldaten die na hun diensttijd in IndiŽ terugkeerden, hadden op Java kennis gemaakt met het batikken. Aan de Goudkust werden batiks langzamerhand populair, en bedrijfjes in Nederland beantwoordden de grote vraag naar de stof. In de twintigste eeuw werden de "Dutch Wax Block Garments" een gewild kledingmateriaal in West-Afrika.

     

    X GOUDWINNING AAN DE GOUDKUST

    Vanzelfsprekend dankt de Goudkust haar naam aan het goud dat er gevonden werd. Ook in het tegenwoordige Ghana is goud, na cacao, het belangrijkste exportgoed. Winning van goud heeft al eeuwenlang plaatsgevonden in dit gebied.

    De Afrikanen zochten het goud niet alleen voor de handel met de Europeanen aan de kust. Ook binnen de eigen samenleving speelde goud een belangrijke rol.

    Goud werd als heilig beschouwd. Verscheidene Europese reizigers meldden ook dat er goud op de akkers werd begraven, omdat het de vruchtbaarheid van het gewas zou vergroten. Vrouwen werden tijdens de menstruatie niet toegelaten bij de goudmijnen, en het schijnt dat zelfs bananen soms verboden waren, daar zij als fallussymbolen golden. Hoe het ook zij, de Afrikanen stelden groot belang in goud, en hadden de neiging om het zoveel mogelijk op te potten.

    Wanneer iemand een goudklompje ontdekte, verdeelde het stamhoofd dat in drieŽn. De eerlijke vinder ontving ťťn deel, terwijl het stamhoofd zich meestal over de rest ontfermde.

    Aan de Nederlandse gouverneur Van der Eb danken we een beschrijving van de inlandse mijnbouw. Hij bezocht in 1843 het krom PetrŰ in het landschap Ahanta, in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheid van een Nederlandse systematische goudwinning. Hij beschreef de wijze waarop de Afrikanen hun mijnen in dagbouw ontgonnen als volgt:

    Eerst begon men kleine gaten te maken, waaruit vervolgens een grote mijn ontstond, waar drie tot vierhonderd man werkten. Deze mijn werd tot ongeveer twintig meter uitgediept. De gewonnen goudhoudende aarde werd dadelijk aan de zorg van vrouwen en kinderen toevertrouwd, die de aarde spoelden in bakken met water. Op twintig meter stuitten de mijnwerkers op een harde laag met marmerachtige steen. Deze liet men springen met kruit, waarna de handelbare brokken met "boschtouw, een slingerachtig gewas" naar boven werden gehaald. Met hamers werden de brokken erts kapot geslagen, en zo kon het goud bij stukjes gewonnen worden. Onder de harde laag werd niet meer gegraven, in verband met instortingsgevaar. Een groot probleem vormde het water. Wanneer het flink geregend had, moest dit met bakken uit de mijn geschept worden. Wanneer dit vrijwel niet meer mogelijk was (waarschijnlijk ook door opkomend grondwater) werd de mijn verlaten.

    Natuurlijk was Van der Eb benieuwd naar de opbrengst, maar dat bleek men hem eigenlijk niet te kunnen vertellen. De mensen werkten afzonderlijk, of in ploegen voor hun meester, en hoeveel men vond, werd bepaald door de fetisj. Iemand kon een kwart ons goud per maand vinden, maar ook tien ons met een waarde van 400 gulden.

    Joseph Dupuis, die in 1819 een Brits gezantschap leidde naar de koning van Ashanti, verhaalde over de ongelooflijk rijke goudgebieden in het binnenland, waar het goud veel dichter dan in de kustgebieden aan de oppervlakte kwam. Het goud zou er slechts zes voet (nog geen twee meter) onder de grond zitten. Volgens zijn zegslieden bevatte de streek rond Gaman de rijkste goudmijnen die zij kenden, in dit of welk deel van Afrika dan ook. Het is echter niet bekend, of zij ook andere delen van hun werelddeel kenden.

    Net als in het Ashanti-, Fanti- en Ahantagebied werd goud er ook gewonnen uit de rivieren. Volgens Dupuis' informanten waren in het regenseizoen in het gebied rond Gaman wel acht tot tienduizend slaven bezig met de goudwassing in de rivier de Barra. Slechts een klein deel van dat goud zou echter de Europese handelaren aan de kust bereiken, want het meeste werd in het binnenland verhandeld, of verkocht aan de moslims uit het noorden en oosten.

    Ook Brodie-Cruickshank had blijkbaar het verslag van Dupuis gelezen, want hij vermeldde de rivier de Barra en het landschap Gaman in zijn boek Eighteen Years on the Gold Coast (1853), dat twee jaar later reeds in een Nederlandse vertaling verscheen.

    Hij hield echter een slag om de arm, want door de politiek van de koning van Ashanti was er nauwelijks contact met het binnenland mogelijk, zodat hij hierover geen zekerheid kon verschaffen.

    Nederlandse pogingen tot goudwinning

    Ook de Nederlanders hebben zich al vroeg voor de goudwining geÔnteresseerd. In de jaren 1716-1718 heeft de Westindische Compagnie in het landschap Axim onderzoekingen laten verrichten door landsslaven onder leiding van Duitse mijnwerkers, zo vermeldde J.A. de Marree in een uitvoerige memorie uit 1818. Hij bepleitte daarin de invoering van goudwinning in plaats van het ontwikkelen van plantages. De onderneming was gestaakt toen alle mijnwerkers overleden waren, maar de mijn scheen echter wel succesvol te zijn geweest. Toch heeft geen goud uit deze Nederlandse mijn Europa bereikt: de schepen waarmee het verzonden werd, verongelukten of werden gekaapt. Volgens De Marree zou men een eventueel te openen mijn door Europese mijnwerkers moeten laten bewerken: de negers zouden slechts in het volle daglicht willen delven.

    In 1825 is er goud gezocht in de omgeving van Elmina. Enkele negers hadden zich bij gouverneur F. Last beklaagd over de slechte tijd, en hun gebrek aan goud en levensmiddelen. Last bedacht toen een oplossing:

  • "Ik zette hen toen aan om te werken en goud te graven. De raadgeving beviel hun wel, maar waar moesten zij beginnen? Met welke gereedschappen? Zij hadden niets."
  • Last wilde toen zelf het voorbeeld geven, maar stuitte op verzet van de Afrikanen, die dachten dat de fetisj het niet goed zou vinden. De gouverneur stelde vervolgens de fetisj tevreden met een geschenk van drank, textiel, tabak en andere waren.

    De vrijburger Bartels en ook twee ŗ drie andere burgers werkten mee, en in korte tijd had men vier aanzienlijke kuilen. Door het vertrek van Last naar Europa en gebrek aan de juiste werktuigen vond het werk toen echter geen voortgang.

    Drie jaar later werd het werk echter hervat. Bartels had uit Engeland een boor laten komen, waardoor het werk veel gemakkelijker zou moeten worden. Veertien burgers uit Elmina vormden nu een associatie, met Last in de functie van voorzitter van de commissie van Bestuur en Toevoorzicht.

    Ondanks het grote enthousiasme werd er toch niets gevonden. Blijkbaar was Elmina niet de juiste plaats om goud te zoeken.

    In de jaren veertig zouden de zaken echter groot worden aangepakt. Men begon toen met de "systematische goudwassching en delving" in het landschap Ahanta.

    De systematische goudwassing en -delving

    We hebben in de inleiding al gezien dat de uitgaven die voor de Goudkust werden gedaan, relatief onbelangrijk waren in vergelijking met de grote bedragen die de Oostindische koloniŽn opleverden. In dit licht gezien was ook de systematische gouddelving slechts van beperkte omvang. Echter, wanneer we onze blik beperken tot de Nederlandse Bezittingen ter Kuste van Guinea, dan was het aandeel van de gouddelving in de begroting van de kolonie aanzienlijk: gemiddeld over de jaren 1845 tot en met 1849 (met uitzondering van 1846) f 48.000 op de totale kosten van de kolonie van f 111.000. Dat is een aandeel van 43 procent. (Uiteindelijk vielen de uitgaven voor de gouddelving echter lager uit, wegens redenen die ik later nog zal behandelen). De speciaal aangestelde Directeur van het Mijnwezen verdiende f 6.000 per jaar, dat was duizend gulden meer dan het salaris van de Gouverneur ter Kuste.

    De in Nederland opgevoede Ashantijnse prins Kwasi Boakye liet men zelfs mijnbouwkunde studeren om bij de goudwinning van nut te kunnen zijn. Volgens een nota van de minister van KoloniŽn Pahud was dit een idee geweest van koning Willem II persoonlijk. Men kan dus stellen dat deze keer de ontwikkeling van de kust serieus werd aangepakt.

    Het begin

    In 1842 is er op het Ministerie van KoloniŽn besloten om in de Nederlandse bezittingen in West-Afrika goud te gaan zoeken. Daartoe zocht men een geschikte mijningenieur in Duitsland. Waarschijnlijk juist in Duitsland omdat men daar meer ervaring had met mijnbouw dan hier in Nederland. Nadat onderhandelingen met een gegadigde uit Wiesbaden waren afgebroken omdat deze man te dure eisen stelde, werd door de hertog van Saksen-Weimar een zekere ingenieur Heusch aanbevolen.

    En zo kwam het dan, dat de ingenieur C.J. Heusch begin 1843 met de Nederlandse oorlogsbrik Echo te Elmina arriveerde. Een goudzoeker met een geheime missie, want het was de regering er blijkbaar veel aan gelegen om de goudzoekerij zolang mogelijk geheim te houden. De Nederlandse gouverneur Van der Eb, die vrijwel nooit geheime missieven ontving, werd nu met een geheime brief op de hoogte gesteld van de komst van Heusch. En later bleek het ministerie er prijs op te stellen dat de mijningenieur niet via Engeland zou terugkeren. Was men bang voor Engelse aanspraken in de toch niet al te duidelijk afgebakende invloedssferen in het binnenland?

    Laat ik nu, ten aanzien van de activiteiten van de heer Heusch, J.S.G. Gramberg aan het woord laten, die in 1861 schreef:

  • "De heer H., een Duitscher, is door het Nederlandsch Gouvernement naar Guinea gezonden om mineralogische onderzoekingen te doen. Die heer kwam zonder ťťn werktuig medegebragt te hebben; woonde eenige diners te Elmina en Cape Coast bij en vertrok zonder iets van belang onderzocht of gedaan te hebben."
  • Welnu, zo erg als Gramberg het schetst, was het niet. Heusch had wel degelijk werktuigen bij zich, en hij is ook het binnenland ingetrokken. Daar werd hij al snel overvallen door de zogenaamde "landziekte". Op 16 april arriveerde hij zeer verzwakt per kano te Elmina. Hij had zich niet aan zijn verplichting gehouden dagelijks rapport uit te brengen aan de gouverneur, maar uit zijn mededelingen bleek, dat hij een paar weken in het kleine dorpje Dabokrom was geweest, vergezeld van 5 ŗ 6 "handlangers". Door zijn ziekte en gebrek aan materiaal had hij echter niet geboord. Hij was echter overtuigd van de aanwezigheid van grote schatten, daar duidelijk was te zien dat de negers hier al eeuwenlang gewerkt hadden.

    Het hele mineralogisch onderzoek, waar de regering al meer dan f 4.000 in gestoken had, was dus eigenlijk een farce. In Den Haag heeft men dat echter nooit beseft, want bij zijn terugkomst in Nederland schreef Heusch zo'n positief rapport aan de minister, dat niemand er meer op gelet heeft, op wat voor onderzoek zijn uitspraken eigenlijk gebaseerd waren.

    Het rapport van Heusch moet een minister van KoloniŽn met een verliesgevende kolonie als muziek in de oren geklonken hebben. Volgens dit stuk behoorde Guinea tot de rijkste streken ter wereld. Het goud vertoonde zich er maar liefst op drie manieren: er waren goudaders, en bovendien goudkorrels in de rivieren en bijna overal enige voeten onder de grond. En in aanmerking genomen dat de negers op hun primitieve wijze al aanzienlijke hoeveelheden goud wonnen, moest er toch met modernere technieken, zoals het amalgameren, een veelvoud daarvan te verkrijgen zijn.

    Heusch produceerde ook tekeningen van de benodigde machines, en had zich ook al beziggehouden de mogelijkheden voor aandrijving van de pompen, in verband met het grondwater. Met dijken zou men in de regentijd water kunnen opvangen, en zodoende waterkracht benutten. Liever wilde hij echter stoommachines. Hij wilde de zaak groot aanpakken. Het plan was om te Dabokrom, vier mijl ten noorden van Sekondi de mijn in dagbouw te ontginnen. De negers hadden hier ook al gegraven, maar waren verdreven door het opkomend grondwater. Hij wilde ook huizen bouwen te Elmina, Sekondi en Dabokrom, en een betere weg van Elmina naar Sekondi aanleggen (het bestaande pad voerde namelijk langs het strand en de steile rotsen langs de zee). Ook zou er een weg gemaakt moeten worden van Sekondi naar de mijnen te Dabokrom.

    En zo schreef de minister op 25 april 1844 aan koning Willem II dat "het U.M. zal blijken dat er gegronde vooruitzigten bestaan, om van die bezittingen welke tot heden slechts verlies het rijk hebben opgeleverd, - dadelijk voordeel te trekken."

    Heusch werd benoemd tot directeur van de Stelselmatige Goudwassching en Delving te Guinee, en hij wist goede voorwaarden te bedingen: Gegarandeerd werden twee jaar vol tractement (een hoger salaris dan dat van de gouverneur), ook al zou hij wegens ziekte eerder terugkeren. En als zou blijken dat hij toch niet tegen het klimaat kon, zou hij in zijn vak geplaatst worden in een der andere Nederlandse koloniŽn. Hierbij dacht de minister aan de mogelijke opening van een goudmijn te Aruba, terwijl ook de goudmijnen van Borneo, Celebes of Sumatra, en de tinmijnen van Banka tot de mogelijkheden behoorden.

    Aangezien de gouddelving volledig een overheidsonderneming was, wilde Den Haag graag een vinger aan de pols houden. Daarom zou de goudwinning onder leiding staan van een commissie, gevormd door de directeur Heusch en de gouverneur ter Kuste. Van alle beslissingen en gebeurtenissen zou een register moeten worden bijgehouden, het kasboek werd gecontroleerd door de gouverneur of de boekhouder (de tweede man in de kolonie), en van tijd tot tijd moest van alles een afschrift naar Den Haag gestuurd worden.

    De eerste gouddelving

    Op 8 januari 1845 ging de driemaster Anthonie voor anker op de rede van Elmina. Aan boord waren onder andere de directeur Heusch, en de door hem aangeworven ingenieurs Kiessler en Knothe, vier mijnwerkers, twee timmerlieden en twee smeden, en bovendien de nodige mijnbouwwerktuigen. Heusch, die liever de zware werktuigen liever niet over de moeilijke landweg naar Sekondi wilde vervoeren, had nog getracht de kapitein te bewegen om daar te landen. Gezagvoerder Van der Klomp had echter geweigerd, met als motivering: strijdigheid met z'n instructies, moeilijkheden met de verzekering, en de wil van de overige passagiers.

    Was dit slechts een tegenvaller voor de directeur, tegenslagen zouden nog volgen. Het krom Dabo bleek geheel verlaten en vervallen te zijn, en goede huisvesting was er dus niet. Men liet zich echter daardoor niet van het plan afbrengen om hier met de goudwinning te beginnen.

    Contracten met de plaatselijke bevolking

    Vanzelfsprekend is het bij een dergelijke ondereneming van belang, dat men de medewerking van de plaatselijke bevolking verkrijgt. Voor levering van voedsel en arbeidskrachten is men immers van haar afhankelijk.

    Daarom werd dus ook een soldaat met de gouvernementsstok (ten teken dat hij een officiŽle boodschapper was) naar de caboceeŽrs van Dabokrom en omgeving gezonden, om deze dorpshoofden te Sekondi te ontbieden.

    De 23e januari arriveerde de soldaat met vier caboceeŽrs, terwijl hij zelf tot afgezant was benoemd van het dorpshoofd van PetrŰ, die te oud was om te komen. Na lang onderhandelen werd er dan een contact gesloten waarin de dorpshoofden afstand deden van hun mijnen, zich verplichtten arbeiders en voedsel te leveren, en de wegen en de rivier open te houden. Elke dag zou een van de vier op het werk moeten zijn om te zorgen dat de orders werden nagekomen. Alle vier zouden dadelijk moeten komen als de directeur of de gouverneur dat verlangde. Gehoorzaamden ze niet, dan zouden ze naar Elmina worden gestuurd om straf te ontvangen.

    Op contractbreuk werd een boete gesteld van 10 ons stofgoud ten gunste van de gouvernementskas.

    Na vertaling door de 'beŽdigd translateur' werden de contracten ondertekend (door de caboceeŽrs met een kruisje, voorzien van de toevoeging "Dit is het merk van ... , verklaard niet te kunnen schrijven"). Bovendien legden de Afrikanen de eed af "op den Bijbel naar onzer gewoonte en bij de asch hunner voor Vader, en dat de fetitie hun zullen dooden zoo zij wat bij dit Contract besloten is niet getrouwelijk naa komen". Wat betreft het zweren bij de as van de voorvader heeft Renť Baesjou er in zijn artikel over de Nederlandse rechtspraak aan de Goudkust op gewezen, dat crematie aan de Goudkust niet gebruikelijk was: de term 'as' zou ontleend zijn aan de Statenbijbel.

    De beloning

    Tegenover al deze verplichtingen stond een beloning voor de caboceeŽrs van twee stuks romaal per maand. De geleverde arbeiders zouden ieder een stuk romaal per maand ontvangen.

    Maar welke waarde vertegenwoordigden die romalen in de Afrikaanse samenleving? Het stuk romaal, verdeeld in 15 doeken romaal, blijkt textiel te zijn. Een keer ben ik in het archief zelfs de mededeling tegengekomen dat een partij romalen was afgekeurd wegens aantasting door zeewater. In de kasboeken wordt de romaal omgerekend naar guldens, waarbij een stuk romaal meestal rond de f 3,30 waard is. Guldens fungeerden echter aan de Kust alleen als rekeneenheid, in omloop waren ze niet. Betalingen werden meestal gedaan in stofgoud (waarde: f 40 per 'once' van 16 engels), rum (f 1,20 per gallon) en stukken en doeken romaal.

    Om iets over de waarde van de beloning in romalen te kunnen zeggen, is het nodig het prijsniveau van goederen, liefst eerste levensbehoeften, aan de Goudkust te kennen. Het bleek moeilijk te zin om die te achterhalen, zodat mijn uitspraken hierover statistisch niet erg betrouwbaar zullen zijn. Toch wil ik echter een poging wagen. Ik weet de prijzen van een aantal goederen die de plaatselijke bevolking volgens contract verplicht was te leveren ten dienste van de goudwinning. Vanwege die verplichting is het weer tamelijk moeilijk om te zien of dit redelijke prijzen zijn, maar bij een loon van 12 stuks romaal per jaar zou men kunnen stellen dat dit een waarde vertegenwoordigt van 40 gulden, ofwel 12 schapen, 24 geiten of 'bosdieren', 180 kippen of bossen pisang, of 900 yams. Nog afgezien van de verkrijgbaarheid ervan, lijkt me een halve kip per dag, of een halve geit per maand niet echt veel als arbeidsloon. Het Europese personeel verdiende in ieder geval aanzienlijk meer: f 880 per jaar is 22 keer zo veel als een Afrikaanse 'handlanger' verdiende. Afrikaanse ambachtslieden verdienden echter wel meer dan hun 'ongeschoolde' collega's, terwijl tijdens het werk sterke drank (rum) werd geschonken, wanneer de Europese opzichter dit wenselijk achtte. Ik ben nooit klachten tegengekomen over te lage beloning. Dat de bereidwilligheid om voor de goudwinning te werken niettemin klein was, werd destijds geweten aan de slechte arbeidsomstandigheden, niet aan de lage beloning.

    Tegenslag

    Een groot probleem vormde de huisvesting van het Europese personeel. Dabokrom was in de twee jaar na Heusch' laatste bezoek zo vervallen, dat er geen goede woningen meer te vinden waren voor het mijnpersoneel. Daarom zond Heusch het personeel terug naar Sekondi, maar ook van daar bereikten de gouverneur klachten over de slechte huisvesting. Gouverneur Van der Eb vroeg zich af waarom de directeur per se in Dabokrom wilde verblijven: vijf minuten verderop lag immers een mooi dorp met goede huizen? Maar Heusch had besloten dat er te Dabokrom gewerkt zou worden, en nu moest er ook te Dabokrom gewerkt worden. Ook latere pogingen van het gouvernement om de leiding van de goudwinning over te halen op andere, beter bereikbare plaatsen te zoeken hebben tot niets geleid: Dabokrom was en bleef de plaats waar het goud gezocht zou worden.

    Een nieuwe tegenslag volgde. Het was de zogenaamde "landziekte" die het succes van de onderneming ernstig in gevaar zou brengen. Reeds op 15 februari 1845, een maand na hun aankomst in Afrika, moesten de ingenieur Knothe en de smid Van der Meer in bed blijven vanwege hevige koorts. De zieken werden onder behandeling gesteld van de officier van gezondheid Boomsma, te Elmina. Steeds meer mijnwerkers, smeden en timmerlieden werden nu getroffen door de landziekte, en op 3 maart moest gouverneur Van der Eb aan de minister van KoloniŽn de treurige tijding mededelen, dat 'de smid J.G. van der Meer, dezen morgen twee uren het tijdelijke met het eeuwige verwisselde'. Vele van deze brieven zouden nog volgen, want diezelfde maand overleden ook de vijf Duitse mijnwerkers. De drie overgebleven Nederlandse ambachtslieden stierven vlak na elkaar, na een verpleging van slechts ťťn dag. De ingenieur Kindermann overleed de laatste dag van die maand.

    En zo was de systematische goudwinning en -delving binnen twee maanden al zijn Europese personeel kwijt, behalve de directeur Heusch en de ingenieurs Kiessler en Knothe. De laatste had zijn landziekte weliswaar overleefd, maar was zeer verzwakt. Hij liep in het kasteel van Elmina rond met een stok, en overleed uiteindelijk in juni.

  • "Het verlies van zoo velen is, niet anders toe te schrijven, dan dat de mensschen te laat onder geneeskundige behandeling zijn gekomen, zoodat zij teveel krachten hebben verloren, voordat zij met enige hulp bijgestaan worden,"
  • zo verklaarde Van der Eb de gebeurtenissen. Hij wilde liever dat men de mensen te Dabokrom kon behandelen:

  • "De mensschen leiden te veel, en de ziektes nemen teveel toe gedurende het transport van Dabokrom naar Elmina."
  • Het Afrikaanse personeel

    Nog voordat de goudwinning begonnen was, was men nu volledig aangewezen op Afrikaans personeel. In maart 1845 werkten er 51 Afrikanen voor de goudwinning. Vijf ervan waren gouvernementsambachtslieden (twee timmerlieden, twee smeden en een metselaar). De overige 46 waren 'handlangers' afkomstig uit de omgeving van Dabokrom. Het aantal handlangers liep echter al snel terug tot niet veel meer dan tien, en Heusch had grote problemen om voldoende personeel te vinden.

    In januari 1846 bereikten de problemen een hoogtepunt. Volgens de contracten die met de caboceeŽrs waren gesloten, waren deze verplicht om arbeiders te leveren. In de praktijk gebeurde dit echter niet of nauwelijks. Al spoedig kregen twee dorpshoofden, waaronder die van Dabokrom, dan ook niet meer hun beloning, het kostgeld, uitbetaald. Pogingen van de gouverneur om de dorpshoofden op hun verplichtingen te wijzen hadden geen resultaat. Als uiterste dwangmaatregel werd nu het dorpshoofd van Hotopo gearresteerd, en in Elmina opgesloten. Pas een maand later werd hij vrijgelaten, nadat z'n dorp tien arbeiders had geleverd. Waarom was het zo moeilijk om personeel te krijgen voor de goudwinning? In de paragraaf over de beloning heb ik al vermeld dat, hoewel het loon niet hoog was, ik daar geen klachten over ben tegengekomen. Nu is het niet zo, dat er helemaal geen klachten van het Afrikaanse personeel waren, of dat ze niet in het archief terecht zijn gekomen. Integendeel, ik ben erg veel klachten tegengekomen, en wel over de slechte en onredelijke behandeling die het werkvolk bij de goudmijn moest ondergaan.

    Het blijkt dat de handlangers veelvuldig werden geslagen, en dat het werk vaak te zwaar was. Heusch liet ze bijvoorbeeld te zware bakken klei dragen, of te veel planken. Gouverneur Van der Eb was het vaak wel eens met de klachten die bij hem binnenkwamen, maar hij stuurde de weggelopen handlangers wel weer terug, tenzij ze zo zwaar geslagen waren, dat ze daartoe niet in staat waren. De denkbeelden van de gouverneur over dit probleem zijn wel interessant, zoals uit deze brief aan Heusch blijkt:

  • "Het schijnt dat Ahantasche volk niet bij uE willen werken. (...) Het volk is mij genoeg bekend dat het lui van aard is, doch om nu te zeggen dat men niets met hun kan werken, zoude te veel gezegd zijn, dunk mij.

    Men heeft immers van den vroegsten tijden af aan zoo wel in oost & west als hier met inlanders gewerk. Geene Eouropiaanen kunnen het alhier uit houden om te werken,- zoo lang de Kust bestaat heef men gewerk met dit volk en worden geenen Eouropiaan aan opgeofferd."

  • Van der Eb zou nog kunnen begrijpen dat de inlanders geen mijnen kunnen aanleggen, maar voorlopig wordt er alleen nog maar simpel werk gedaan. Hij vervolgt zijn brief dan ook:

  • "Langs deze heelen overzeesche gewesten wordt er gewerkt met de inlanders, zoo wel bij ons als bij de Engelschen, Daenen & Franschen, dus zoude het wel ongelukkig zijn, dat wij met hun te Dabokrom niet konde voort gaan tot het bouwen van eenige huizen."
  • Van der Eb probeerde te Elmina arbeiders voor Dabokrom te werven. Dit was echter zeer moeilijk, want ook in Elmina was de goudwinning inmiddels berucht. De gouverneur slaagde er zelfs niet in om gevangenen over te halen voor Heusch te gaan werken. Zij antwoordden hem, zo schreef hij, "wij blijven liever in het gevangenhuis dan ons te Dabokrom te laten doodslaan!" Later probeerde hij nog tien slaven over te nemen van de familie Huydecoper.

    De toestand werd uiteindelijk onhoudbaar. Toen Van der Eb met verlof naar Nederland was, kwam Heusch in aanvaring met gouverneur ad interim Derx, die hij ervoor verantwoordelijk stelde dat hij niet genoeg arbeiders geleverd kreeg. Derx, van zijn kant, was zeer verbolgen over het feit dat Heusch achter zijn rug om rechtstreeks contact had gezocht met Den Haag en plannen had om de goudwinning te beŽindigen. Derx verweet Heusch ook nergens anders te willen zoeken dan te Dabokrom, terwijl hij ook wel andere plekken wist waar, naar men zei, goud te vinden was. Eind 1846 kreeg Heusch eervol ontslag, en vertrok hij samen met ingenieur Kiessler naar Europa. Hiermee was de eerste fase van de systematische goudwassing en delving aan de kust van Guinea tot een einde gekomen.

    De tweede gouddelving

    Het verhaal van de gouddelving is hiermee echter nog niet uit. Het ministerie van KoloniŽn had de hoop nog niet opgegeven dat er goud te halen zou zijn aan de Goudkust. De tweede man van de voormalige directeur Heusch, Kiessler, wist Den Haag ervan te overtuigen dat voortzetting zeker mogelijk was. Volgens hem waren er werkelijk grote mogelijkheden, het slechte resultaat tot nu toe was vooral te wijten aan onvoldoende voorbereiding, slechte keus van het personeel en de slechte directie van Heusch. Kiessler, zo schreef een ambtenaar later, "beloofde ons gouden bergen". En de minister van KoloniŽn ging akkoord met de voortzetting van het project.

    Deze keer pakte men de voorbereiding beter aan, er werd gezorgd voor huisvesting en medische begeleiding. Alles was gedaan om het deb‚cle van drie jaar eerder te voorkomen. Dat mocht echter niet baten. Aan het eind van jaar 1847 arriveerde ingenieur Kiessler met tien man personeel (waaronder zes Duitse mijnwerkers) aan de Goudkust. Nog voor het werk begonnen was, waren drie Duitsers bezweken aan de landziekte.

    Reeds op 25 januari 1848 maakte ook de hoofdingenieur zelf zijn laatste aantekening in het journaal: "Der Bergzimmerman Martin stirbt frŁh 10 Uhr und wird des abends begraben." Het verslag vervolgt in een ander handschrift:

  • "Es ist lange Zeit vergangen daŖ an diesen Blšttern etwas gethan worden ist. die mit dem Tode eindigende Krankheit von den Oberingenieur Kiessler, mein eigenes fortwšhrendes Unwohlsein waren die Ursache davon. (...) Wšhrend diesen ganze Zeit (...) war an der Goldgraberei nichts gethan worden."
  • Een paar maanden na de hervatting van de gouddelving was het project alweer in grote moeilijkheden gekomen, nu de leider van de onderneming overleden was. Nog twee mijnwerkers zouden korte tijd na hem sterven, en het overige personeel was te ziek om te kunnen werken. Het was voor het Nederlandse gouvernement een reden om officier van gezondheid R. Boomsma een geneeskundig verslag te laten vervaardigen. Hierin vraagt deze arts zich af of de vele sterfgevallen toe te schrijven waren aan de ongunstige invloed van het Afrikaanse klimaat.

    Die vraag meende hij echter ontkennend te moeten beantwoorden. Ook kon het niet aan de ontvangst van de mensen gelegen hebben, want de voorbereidingen waren goed geweest, en ook het mijnpersoneel zelf was zeer tevreden geweest. Volgens Boomsma was de fatale afloop wel te wijten een "gemis aan voldoende voorzorgen om menschen met eene gezonde constitutie herwaarts te voeren".

    Neem nu de mijnwerker Martin. Hij bleek bij aankomst in Afrika aan tuberculose in een vergevorderd stadium te lijden. De dokter vraagt zich dan ook vertwijfeld af, wie er nou een teringlijder uitzendt, en wat voor nut het gouvernement dŠŠr van gehad zou hebben.

  • Een ander geval, de mijnwerker Henschel, over wie het rapport zegt: "welke met al te duidelijke sporen der ondeugd ten grave is gedaald, aan welke ziekte hij reeds in Saksen, in Holland en op de reis herwaarts had geleden, en hier voor mij nog steeds een geheim van had gemaakt, tot dat ik het in zijne ziekte zelf moest ontdekken."
  • Ook bij het overige personeel was er sprake van een ongebonden levenswijze, die de weerstand gesloopt had.

    Een bijzonder geval was de ingenieur Kiessler. Hij was reeds een paar jaar in Afrika geweest, en was dus aan het klimaat gewend. Hij herstelde dan ook vrij snel van z'n landziekte, maar werd daarna toch weer ziek. Hij weigerde echter de voorgeschreven levenswijze na te komen, dronk te veel en weigerde geneesmiddelen die hij niet lustte. Op 28 januari kreeg hij dysenterie, waaraan hij twee weken later "succombeerde".

    Dat er relatief meer sterfgevallen waren onder het Duitse personeel was volgens Boomsma niet te wijten aan het feit dat mensen uit bergstreken nu eenmaal slechter tegen een tropisch klimaat konden. De meeste Nederlandse ambachtslieden zouden in leven gebleven zijn omdat ze na hun landziekte weer snel aan het werk gingen, waardoor ze gezonder leefden en beter bestand waren tegen de ook bij hun regelmatig terugkerende koortsaanvallen.

    Toch hebben ook zij hun collega's niet lang overleefd: de smeden Thomassen en Van den Berg overleden in april en december van hetzelfde jaar, de timmerman Mijnders in juli 1849.

    Wat was nu eigenlijk die "landziekte"? In het hoofdstuk over de ziekten die aan de Afrikaanse westkust heersten, hebben we gezien dat malaria en gele koorts de meest voorkomende waren. We moeten natuurlijk rekening houden met het feit dat men misschien geen onderscheid maakte tussen verschillende ziekten, en dat de landziekte niet altijd een en dezelfde ziekte is geweest.

    In ieder geval was het niet de gele koorts. Een lijder aan die ziekte overlijdt binnen vijf tot zeven dagen, of overleeft. De ziekte waaraan het mijnpersoneel overleed duurde meestal langer: geruime tijd werd men door koortsen gekweld.

    De beschreven symptomen ("febres continua remittentes biliosa, met meerder of mindere congestiones ad cerebrum gepaard", dus aanvallen van "galkoorts" met zware hoofdpijn) wijzen toch in de richting van tropische malaria. Ook bijverschijnselen als diarree en deliria zoals dokter Boomsma beschreef, zouden hiermee verklaard kunnen worden. De verzwakking en zelfverwaarlozing die bij enkelen optraden, zouden op chronische malaria kunnen duiden. Het is echter moeilijk om honderdvijftig jaar nadat de patiŽnt overleden is, alsnog de juiste diagnose te stellen.

    De onderneming komt eindelijk op gang

    Na de dood van Kiessler werd ingenieur P. Reinhardt, hoewel nog zeer zwak, tot hoofdingenieur benoemd. Maar, zo werd er bij bepaald, de bijbehorende salarisverhoging zou pas ingaan als er daadwerkelijk goud gevonden was.

    Onder leiding van Reinhardt werd nu eindelijk een serieus begin gemaakt met de onderneming. Problemen met de werving van arbeidskrachten waren er niet meer. Naast het handvol overgebleven Europese personeelsleden waren er nu rond de 180 Afrikanen in dienst. De machines werden niet, zoals directeur Heusch ooit had gewild, door water- of stoomkracht aangedreven. Alles werd met handkracht gedaan. Alleen al voor het pompen van water uit de schacht waren 12 man nodig.

    Ook de amalgameer- en destillatiemachines waren nu vol in gebruik. Het gouderts werd gemalen, en vervolgens met kwik vermengd. Het hopelijk in het erts aanwezige goud zou zich dan met het kwik verbinden, waardoor goudamalgaam ontstond. Tijdens het destillatieproces werd het kwik weer teruggewonnen, en zou het zuivere goud overblijven. Het lijkt mij een ongezonde methode, maar het is mij niet bekend of de lieden die aan de amalgameerkuip werkten, ook een kwikvergiftiging opliepen.

    Er was echter ook genoeg ander werk te doen. Er werd een landweg aangelegd, hout gezaagd en er werden balken gesleept. Een paar strafarbeiders moesten meestal stenen dragen. Daarnaast werden er arbeiders als dragers gebruikt. Toen gouverneur Van der Eb, de militaire commandant Munnikhuizen en diens vrouw na een bezoek aan de mijn weer naar Elmina moesten worden gedragen, waren daar 41 man voor nodig.

    Het Gouvernement hield nog steeds goed de vinger aan de pols. Toen ingenieur Reinhardt op een gegeven moment meldde waarschijnlijk op een goudader gestuit te zijn, werd de resident Pel, commandant van het fort Batenstein in de buurt van Dabokrom, met een groep soldaten bij de goudmijn gedetacheerd. Pel verbleef bij de mijn als officiŽle vertegenwoordiger van het Gouvernement, en van elke goudwinst zou hij proces-verbaal moeten opmaken.

    Het volgende jaar, 1849, werd er inderdaad goud gevonden. In januari werd er uit het erts 7 engels goud gewonnen, en in maart vond men nog eens 8 11/16 engels. De vreugde werd wel enigszins getemperd door de geringe waarde van de vondsten: die bedroegen respectievelijk f 19,685 en f 24,455. Een werkelijk zeer magere opbrengst voor een dergelijk geldverslindend project.

    Het einde van de goudwinning

    Het Ministerie van KoloniŽn trok dan ook de enige juiste conclusie: voortgaan met goudzoeken in Dabokrom had weinig zin, omdat men blijkbaar op een plaats zocht waar geen goud in de grond zat. De door Reinhardt ingediende begroting voor 1850 (f 63.000) was de aanleiding om het hele project te beŽindigen. Men was niet overtuigd van de voordelen van de moderne, 'stelselmatige' wijze van goudwinning boven de door de Afrikanen gebruikte manier. Integendeel, de negers zamelden op hun primitieve wijze meer stofgoud in dan de blanken met hun moderne methoden.

    Volgens in de Handelingen der Staten-Generaal gepubliceerde begrotingen voor de Kust van Guinea heeft men in totaal voor de goudwinning waarschijnlijk tussen de f 250.000 en f.300.000 uitgetrokken. De werkelijke uitgaven zijn lager uitgevallen, daar de landziekte een van de voornaamste posten, de salarissen van het Europees personeel, steeds snel tot een minimum gereduceerd heeft. Aan de Goudkust zelf heeft men uiteindelijk tegen de f 130.000 uitgegeven, maar hoeveel er in Nederland betaald is, is mij niet bekend. De vele opgeofferde mensenlevens in acht genomen, is het duidelijk dat er een hoge prijs is betaald voor het verkrijgen van een hoeveelheid goud ter waarde van f 44,14.

    Welke oorzaken zijn er nu aan te wijzen voor het volkomen mislukken van zo'n groot project?

    Het verloop van de onderneming is bepaald door de landziekte, die tot twee keer toe het Europese mijnwerkersbestand decimeerde.

    Men kan echter wel vraagtekens zetten bij de kwaliteit van dat personeel. Ingenieur Kiessler noemde als een van de oorzaken van het mislukken van de eerste gouddelving, de slechte keus van het personeel die directeur Heusch gemaakt had. Evenwel, over het door hemzelf geworven personeel voor de tweede gouddelving velde dokter Boomsma een tamelijk vernietigend oordeel.

    De eerste fase van het project is in ieder geval mislukt door de slechte behandeling die het Afrikaanse personeel van Heusch en zijn medewerkers moest ondergaan. Het grote tekort aan arbeiders dat daardoor ontstond, heeft ervoor gezorgd dat er nauwelijks enig werk verricht is. Misschien moeten we ter verdediging van het slechte gedrag van de Europeanen aanvoeren, dat de grote slachting die de landziekte onder hun groep aangericht had, bepaald niet bevorderlijk voor de moraal geweest is.

    De belangrijkste reden dat de onderneming mislukt is, is natuurlijk het feit dat men goud gezocht heeft waar het niet was. Ook hier was de heer Heusch verantwoordelijk voor. Het hele project steunde op het mineralogisch onderzoek dat hij in 1843 verrichtte, en dat hij niet erg consciŽntieus gedaan had. Eigenlijk was toch de enige reden dat hij te Dabokrom goud wilde winnen, het feit dat daar door de Afrikanen verlaten goudmijnen waren. Misschien hebben zij de mijnen wel om dezelfde reden verlaten als waarom de Nederlandse regering het project stillegde: eenvoudig omdat er geen goud was te vinden.

    Zijn optimistische rapport over het bijzonder rijke Guinea, zijn grote plannen om met de modernste technieken op systematische wijze mťťr goud te winnen dan de Afrikanen, hebben het Ministerie van KoloniŽn ertoe gebracht om hem zijn vertrouwen te schenken.

    En zo werd het Afrikaanse gezegde weer bevestigd, dat luidde:

  • "God schiep het goud voor de zwarte man. Wil er nu een blanke aankomen, dan wordt het diep in de aarde getrokken."

    TERUG NAAR: INHOUD

  • ARCHIEF

    Algemeen Rijksarchief in Den Haag:

  • - Archief van het Ministerie van KoloniŽn 1814-1849
  • (afgekort: MvK)

  • - Archief van de Nederlandsche Bezittingen ter Kuste van Guinea
  • (afgekort: NBKG)

     

     

    TERUG NAAR: INHOUD