De acht grenzen

De vier horizontale grenzen

Van het absolute niets naar het Geestelijke

Talloze gegevens uit paleontologie en biologie leiden tot de conclusie dat de term evolutie niet meer kan worden gebruikt in de zin van het ontstaan van soorten, geslachten, dierklassen, enzovoorts, uit elkaar, beginnend met eencellige wezens en opklimmend tot de zoogdieren en de mens. De soms grote verschillen tussen levensvormen voor en na catastrofen en het plotseling verschijnen van totaal nieuwe, vaak uiterst gecompliceerde structuren en regulatiesystemen, laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de verschillende vormen van leven onafhankelijk van elkaar ontworpen en geschapen zijn. Bij deze Schepping uit het niets werd kennelijk gebruik gemaakt van bouwplannen van reeds bestaande levensvormen, of levensvormen die vroeger bestonden.


Het eerste en voornaamste beeld van de ongeschapen wijsheid is de geschapen wijsheid, dat wil zeggen, het redelijk schepsel. Omdat dit schepsel enerzijds zichtbaar is en anderzijds onzichtbaar, is het zowel tot poort als tot weg der contemplatie (innerlijke beschouwing) gemaakt. Voor zover het zichtbaar is, is het de poort. Voor zover het onzichtbaar is, is het de weg. Het is de poort omdat het de beginnelingen in de contemplatie een ingang verschaft. Het is de weg omdat het de gevorderden in de contemplatie tot het einddoel leidt. Het is de poort omdat het op een bepaalde manier het onzichtbare zichtbaar maakt. Het is de weg omdat het hen die vanuit het zichtbare het onzichtbare binnengaan zover brengt dat ze de Schepper van het zichtbare en onzichtbare kunnen aanschouwen.


Het gaat hier om iets dat de mens in zichzelf kan ontdekken. Want niemand die bij zijn volle verstand is kan ontkennen dat hij bestaat. Maar als de mens begint te onderzoeken wat zijn bestaan in feite inhoudt, zal hij beseffen dat het afwijkt van alles wat hij in zichzelf ziet of kan zien. Want ook al is ons redelijk vermogen om zo te zeggen in de materie gegoten en daarmee vermengd, toch onderscheidt dit vermogen zich door zijn eigen rationaliteit van het materiele en onderkent dat het daaraan vreemd is.


Zo opent zich voor de mens de poort der contemplatie wanneer hij, geleid door zijn eigen rede, tot zichzelf inkeert om zichzelf te leren kennen. Eenmaal op deze weg moet hij tot aan het einddoel voortgaan om vanuit de zelfbetrachting tot kennis van zijn Schepper te komen. Datgene in ons wat geen materiele essentie heeft, kan ook zijn bestaansgrond niet aan de materie ontlenen. Het voelt zich even ver afstaan van een materiele oorsprong als van de materie zelf. Toch weet het redelijk schepsel met grote zekerheid dat het een begin heeft gehad. Want met al zijn bestaansbegrip kan het zich niet herinneren altijd bestaan te hebben.


Iets met een geestelijke essentie kan geen materiele oorsprong hebben. Alles wat uit de materie voortkomt, is noodzakelijkerwijs materieel. Als dus ons onzichtbare wezen een begin heeft gehad, is de enige conclusie dat dit wezen niet uit de materie is gemaakt, maar uit niets. Wat echter niets is, kan zichzelf geen bestaan geven. Daarom lijdt het geen twijfel dat alles wat een begin heeft gehad zijn bestaan van een ander heeft ontvangen. Wat niet vanuit zichzelf bestaat, kan geen bestaan aan iets anders geven. Dus wie het ook is die aan de dingen hun bestaan gaf, zijn eigen bestaan heeft hij in elk geval niet van een ander ontvangen. Dit wordt overigens duidelijk bewezen door het feit dat we geen begin in de dingen zouden vinden als we aannamen dat al het bestaande geschapen is.


Zo leert onze natuur ons dat we een eeuwig Schepper hebben, aan wie het volkomen eigen is dat hij bestaat. Want als hij zijn bestaan van een ander had ontvangen, zou hij niet naar waarheid de eerste oorsprong der dingen heten. Als er namelijk ooit een tijd was geweest dat hij niet bestond, zou hij zijn begin niet van zichzelf hebben gekregen. En als hij zijn bestaan van een ander had ontvangen, zou men hem niet de eerste kunnen noemen. Dus a1s hij de Schepper is, heeft hij ook altijd bestaan. Verder is het voor iets dat vanuit zichzelf bestaat onmogelijk om niet te bestaan. Want voor iets dat vanuit zichzelf bestaat valt het zijn in absolute zin samen met wat het zelf is.


Nu staat het vast dat geen enkele rea1iteit van zichzelf kan worden gescheiden of vervreemd. Dus moet iets waarvoor het absolute en individuele zijn samenvallen altijd bestaan, omdat niets van zichzelf kan worden vervreemd. Hieruit volgt niet alleen dat deze realiteit altijd bestaat, maar ook dat het bestaan daarvan, dat door niets anders is gegeven, evenmin door iets anders kan worden weggenomen. Zo komen we tot de dwingende conclusie dat degene die we als Schepper belijden begin noch einde heeft. Want wat a1tijd bestaan heeft kent geen begin, en wat nimmer vergaat, kent geen einde. Dus is er niets eeuwig behalve de ene Schepper, terwijl deze Schepper niet anders dan eeuwig kan zijn.


De Grieken noemden alles Gnosis (kennis). Zoals de betekenis van het woord Gnosis al aangeeft, vormde het doel van deze beweging het verwerven van bijzondere kennis. Deze kennis betrof de geestelijke wereld: kennis over GOD en over het ontstaan van het geschapene en de mens. Deze kennis was niet alleen intellectueel. Zij diende als een leidraad om langs de weg van mystieke ervaring op te stijgen in de geestelijke wereld. Het einddoel van die weg was het aanschouwen van de hoogste godheid of een mystieke eenwording met het goddelijke. De verkregen inzichten konden aan de gewone onwetende gelovigen worden verkondigd om ook hen op de gevonden heilsweg te brengen.


De schepping, zoals die beschreven is in het boek Genesis in de Bijbel, geldt voor de gnostici als tweede akte in de scheppingsgeschiedenis. Aan Genesis gaat een fase vooraf: het Pleroma. De goden (Elohim) uit Genesis zijn dus in wezen ondergoden. JHWH is een jaloerse God omdat er boven hem een hogere GOD is, een onsterfelijk Lichtwezen. Naar het lichaam is de mens een creatie van die ondergod. Maar zijn diepste kern, zijn geest, is onlosmakelijk verbonden met de lichtwereld van het Pleroma. Mythologisch wordt het vaak zo voorgesteld dat de geest er door Sophia, een van oorsprong geestelijke kracht, ingeblazen is.



1: van het Geestelijke naar het overgangsgebied

Al zolang als de mens leeft en naar de oneindige hemel staart bestaat het verlangen om terug te keren naar de bron waar ooit het leven begon, terug naar de staat van eenheid. Meditatie en gebed zijn paden om te komen naar het diepste van je ziel, voorbij het egogerichte ik dat het leven bepaalt.


Meditatie is een bezigheid om een sterker bewustzijn te ontwikkelen. Die wereld om ons heen is een wirwar van gedachten, impulsen en emoties die ons afleiden van wie we werkelijk zijn. We belasten onszelf met irrelevante bezigheden, zorgen, haast en agressie. Meditatie is de manier om ons terug te brengen naar onszelf waar we, vrij van alle gewoonten en patronen, ons gehele wezen werkelijk kunnen proeven en ervaren. Het is een staat die vrij is van alle zorgen, waarin geen wedijver is, geen verlangen om iets te bezitten of te grijpen, geen intense, wanhopige worsteling en geen honger naar prestatie. Meditatie is de geest thuisbrengen.


Het is jezelf in meditatie van het denken distantiëren, waardoor wij niet meer denken maar toekijken. Meditatie is de enige manier waarop we de natuur van de geest telkens weer kunnen onthullen en stabiliseren. Meditatie is dan ook voorbij het overwegen, peinzen, denken en vragen. Het is een gewaar zijn die onze totale gevoeligheid en een absoluut bewust leven is. Wij zijn een en al gewaar zijn. De wereld verschilt in niets van jou. In helder gewaar zijn is er geen aanwezigheid van een denkende geest. Door ons onafgebroken op GOD en Zijn volmaaktheid gericht te houden, worden de vibraties van ons lichaam verhoogd tot een punt, waar zij zich harmonisch vermengen met die van de goddelijke volmaaktheid en worden er op den duur absoluut één mee. Je vindt Hem vanzelf als je mediteert als je voortdurend GOD indachtig bent. Wanneer je GOD indachtig bent, moet je voelen dat jij je eigen onsterfelijke Zelf indachtig bent. Dat heb je vergeten, je weet het niet meer. Vergetelheid verdwijnt door herinnering en onwetendheid door weten.


Vanuit je mysteriebesef en zijn in niet-wetendheid kan er dan in deze toestand een intense bewustheid ontstaan van het onbeschrijflijke wonder van het bestaan. Je kunt dan komen in een intense positieve verbazing die niet meer in woorden is uit te drukken. En in zulk een moment kun je een subtiele bevangenheid ervaren van het mysterie dat voorbij is aan al het gekende. Door iets van totaal andere orde dan al het gekende.


Bidden en mediteren zijn loten van dezelfde tak. Terugblikkend op de geschiedenis van het gebed komen dezelfde ademhalingsoefeningen en ascese voor die ook eeuwenlang in de Oosterse religies en levensovertuigingen worden beoefend. Het bidden van de rozenkrans bijvoorbeeld staat gelijk met het mediteren met de mala. Met het opzeggen (of in gedachten herhalen) van een gebed of een mantra en het door de vingers laten glijden van de kralen van de mala of de rozenkrans, komen lichaam en geest in een gesteldheid waarbij het mogelijk is voorbij de dagelijkse gang van zaken te komen. Dichterbij dàt wat je in wezen bent. Wij zijn immers niet ons denken of ons lichaam. In ons huist een levende ziel, een afsplitsing van het goddelijke, een kosmisch wezen.


Bidden is met God spreken. Wij moeten in geestelijke taal spreken, want er is een taal van de geest en van het hart. Deze verschilt evenzeer van onze gewone taal als de laatste verschilt van die der dieren, die uit kreten en klanken bestaat. Het is de taal van de geest, waarmee wij tot God spreken. Als wij van alle uiterlijke dingen bevrijd ons in gebed tot God wenden, is het alsof wij in ons hart Gods stem horen. Wij spreken zonder woorden, en staan in verbinding met God, wij spreken met God en horen het antwoord.



2: van het overgangsgebied naar het Fysieke

De mens heeft vijf zintuigen. Door te kijken, luisteren, voelen, ruiken en proeven krijgt het lichaam de informatie die nodig is om te (over)leven in de Fysieke wereld.


De ziel is de ontmoetingsplaats van geest en lichaam want zij zijn verweven met elkaar. Door zijn geest heeft de mens omgang met de geestelijke wereld en met de Geest van God. De geest ontvangt de kracht en het leven van het geestelijke rijk en geeft er ook uitdrukking aan. Door zijn lichaam is de mens in contact met de voelbare buitenwereld, terwijl het beïnvloedt, en beïnvloed wordt. De ziel staat tussen deze twee werelden en behoort toch tot beide. Zij is verbonden met de geestelijke wereld door de geest en met de materiële wereld door het lichaam. Zij is ook in het bezit van de macht van een vrije wil en is dientengevolge in staat om uit haar omgeving te kiezen. De geest kan niet direct het lichaam besturen. Hij heeft een tussenpersoon nodig en die tussenpersoon is de ziel die ontstaan is doordat de geest in aanraking kwam met het lichaam. De ziel staat daarom tussen de geest en het lichaam, terwijl zij die beiden samenbindt. De geest kan het lichaam onderwerpen door de ziel als tussenpersoon, zodat het God zal gehoorzamen; gelijkerwijze kan het lichaam door de ziel de geest verleiden de wereld lief te hebben.


Een zenuw baan bestaat uit een aaneenschakeling van individuele zenuwcellen. Zeg maar een ketting. Die zenuwcellen zijn aan elkaar verbonden in die ketting via lange uitstulpingen (neurieten) met aan het eind daarvan een breder raakvlakje. Dat raakvlakje met de volgende zenuwcel, de synaps genoemd, is uitermate dun, terwijl de rest van de zenuwcellen met relatief dik niet elektrisch geleidend weefsel, dus isolatiemateriaal, zijn omgeven. Maar ook de laag in de synaps is niet geleidend.


In de zenuwcellen zelf bevinden zich in het celvocht opgelost positieve kaliumionen en negatieve chloorionen. Als een stimulus van buiten wordt aangebracht, dan betekent beweging van beide ionensoorten in onderling tegengestelde richtingen een stroompje in een dergelijke zenuwcel. Over een synaps wordt dan bij de ene cel een overmaat aan chloorionen, dus negatieve lading, en in de andere cel gelijktijdig een overmaat aan kaliumionen, dus positieve lading aangetroffen.


In de synaps kan geen stroom lopen. Het is isolatiemateriaal. Uit microscopisch en chemisch onderzoek is gebleken dat in die synaps bij flinke elektrische stimulatie van twee buurcellen zich chemisch processen afspelen in die synaps. Er worden stoffen gedirigeerd naar plaatsen, die men receptoren noemt. Die stoffen heten neurotransmitters, omdat men aan hen de transmissie van het elektrische signaal van de ene zenuwcel naar de andere toeschrijft. En de elektrische activiteit die men dan meet gebeurt met stootjes. Dat noemt men het "vuren" van de synaps.


Het elektrische signaal in de ene cel wordt omgezet in een chemisch signaal in de synaps en dan weer in een elektrisch signaal in de volgende cel. En zo de hele ketting langs.



3: van het Fysieke naar het absolute niets

Horen, zien, voelen, proeven en ruiken doe je met je zintuigen. De meeste mensen maken gebruik van deze vijf zintuigen om zich op de wereld te oriënteren. Velen gaan ervan uit dat er ook maar vijf zintuigen zijn. Anderen geloven dat er een zesde zintuig is, waar enkelen over beschikken. Dat zesde zintuig noemen ze helderziendheid of helderhorendheid. Met dat zesde zintuig zou het verleden en de toekomst te zien of te horen zijn. Ook dat wat van het heden niet waarneembaar is met de vijf zintuigen. In sommige culturen worden mensen die over een zesde zintuig beschikken als wijzen, genezers of priesters vereerd. Andere culturen vinden het hekserij, het boezemt angst in. De persoon die beweert een zesde zintuig te hebben wordt voor gek verklaard, doodgezwegen of het fenomeen wordt botweg ontkend.


Metafysici en parapsychologen hebben al vele jaren geleden het bestaan van een zesde zintuig gepostuleerd. Onder dit zesde zintuig verstaan ze een zintuig waarmee we bijzondere dingen kunnen waarnemen waarvoor onze vijf aardse zintuigen ongevoelig zijn. Zo kan zonder hulpmiddelen gecommuniceerd worden met levenden op afstand en met overledenen, ook kunnen aardstralen gedetecteerd worden enz. enz. Paranormaal begaafden, zoals wichelroedelopers schijnen een goed ontwikkeld zesde zintuig te hebben.


Paranormaalheid is het zesde zintuig van de mens. Paranormaal betekent boven het normale, het wordt beschouwd als iets dat anders is dan dat veel mensen gewend zijn, maar het is eerder abnormaal wanneer je het niet zou hebben. Iedereen is paranormaal, alleen weten veel mensen niet van zichzelf dat ze het hebben. Het is een zintuig dat ontwikkeld kan worden.


Het zesde zintuig van de mens is een fijngevoelig zintuig. Het zintuig kan de energie opmerken van een plek of van een persoon zonder tijdsbelemmering. Het kan energie voelen van een uur geleden, gisteren of eeuwen terug, maar het kan net zo goed energie uit de toekomst zijn die wordt waargenomen. Alles wat er gebeurt laat energie achter, dit is door het zesde zintuig waar te nemen. Maar ook alles wat je doet heeft een gevolg, je creëert als het ware een pad in de toekomst, dit pad heeft zijpaden. Je kunt altijd vrij je keuze maken welke kant je op gaat. De toekomst staat niet vast.


Het zesde zintuig is heel erg beïnvloedbaar. Wanneer je bijvoorbeeld verbeelding hebt, wordt de informatie en de energie die iemand doorkrijgt door een filter gehaald. Deze filter is dan troebel en het vervormt de informatie die iemand doorkrijgt en vermindert de kracht van de doorgekregen energie. Niet alleen verbeelding zorgt voor onjuiste informatie, ook andere negatieve eigenschappen die een mens kan hebben zorgen voor de vervorming. Bijvoorbeeld arrogant zijn, een snob zijn, over het paard getild zijn, een ego hebben, verwaand zijn, en ga zo maar door. Om de informatie die iemand door krijgt zo zuiver mogelijk te houden, is het slim om het vrij te laten stromen. Wanneer je het wilt beheersen en controleren vervormt het en kan het wegvallen. Ook moet je niet te veel willen, je wilt dan zoveel mogelijk ervaren en dat werkt juist averechts.


De werking van dit zesde zintuig is de werkzame kracht van het ander Ik. Welk ander Ik? Dat Ik welke door het wezen of ziel gebouwd werd door de ervaringen in de stoffelijke en kosmische wereld. Als het lichaam rust, maakt het onderbewuste deze werkende kracht of dit zesde zintuig ervan bewust dat een of andere handeling van het Ik niet in overeenstemming is met wat werd opgebouwd door dat andere Ik. Dit veroorzaakt het vechten van toestanden en gemoedsaandoeningen in de mens. Daardoor komt het dat de mens in slaap kan vallen van verdriet en opstaan met een opgetogen gevoel.



De vier verticale grenzen

De vier verticale grenzen verdelen het Negenvlak in de 3 kolommen. Het zijn overgangen naar een andere (hogere) toestand. Omdat het Negenvlak een denkraam is, is de tijdmaat binnen het vlak relatief. De verdeling in kolommen helpt de wereld om ons heen te begrijpen. Het is een manier om de gebruiksaanwijzing te herleiden. De eerste grens is die van de (Weder)geboorte, dan volgt de wereld van het Geloven. Vervolgens komt de grens van de Bekering, gevolgd door de wereld van het Weten. Vervolgens komt de grens van de Dood, gevolgd door de wereld van het Hiernamaals. Ten slotte komt de grens van het Volmaakte.


Wat voor de grens van de (Weder)geboorte is, is in principe niet interessant. Die wereld valt buiten het Negenvlak. Ieder mens wordt geboren, of zo men wil wedergeboren. Wat belangrijk is, is dat men wordt geboren als mens. Het betekent dat men Geestelijk wordt geboren, dat men Fysiek wordt geboren en dat men een aangeboren interface heeft die daar tussen staat.


Direct na de (Weder)geboorte is het niet weten maximaal. Door leren kan men het niet weten verkleinen. Leren doet men door kennis te onttrekken aan de Geestelijke wereld. Men moet het geleerde koppelen aan de ervaring. Ervaring ligt in de Fysieke wereld. Zodra het geleerde is gekoppeld aan de ervaring wordt het opgeslagen in het geheugen. Men kan niet leren vanuit de ervaring, ofwel men kan geen nieuwe kennis opdoen door ervaring. Wel kan men ervaring vanuit het geheugen oproepen.


Zodra kennis is ontrokken aan de Geestelijke wereld, vervolgens gekoppeld aan de ervaring in de Fysieke wereld en opgeslagen in het geheugen, is er minder niet weten en een beetje weten. Een punt uit het rode gebied in de Geestelijke wereld is gekoppeld aan het bijbehorende punt uit het rode gebied in de Fysieke wereld. Niet weten maakt plaats voor weten.


Door een gebrek aan weten is er in dit stadium voornamelijk geloven. Van veel dingen in de wereld om ons heen "gelooft" men dat deze op een bepaalde manier werken of behoren te werken, maar men "weet" dat niet. Daarvoor ontbreekt de kennis. Het is voorstelbaar dat er een bepaalde drempelwaarde is voor de totale hoeveelheid kennis, waarvoor men kan zeggen dat geloven plaats maakt voor weten. Men "gelooft" niet langer dat iets op een bepaalde manier werkt, maar men "weet" het op dat moment zeker. Dit is het punt van de Bekering.


Tijdens de Bekering keert men zich van de wereld van het Geloven af, om zich vervolgens te keren tot de wereld van het Weten. Dit punt is voor ieder mens anders en niet eenduidig vast te stellen. Wel is het zo dat dit een echt keerpunt is. Men verlaat met de wereld van het Geloven ook de wereld van het Kwade. Met het overgaan naar de wereld van het weten kiest men voor de wereld van het Goede. Dit is mogelijk omdat de schepper de mens heeft uitgevoerd met de "feature" van de vrije wil. De vrije wil is het mechanisme om te kiezen voor de Bekering. Ieder mens heeft dus de keus om zich te bekeren tot het Weten of om te blijven Geloven.


In de wereld van het Weten kan de levende mens zover komen dat voor elk punt uit de Geestelijke wereld het bijbehorende punt uit de Fysieke wereld gevonden kan worden. Het weten is daarmee maximaal. Er is dan niets meer wat men niet weet. Men weet alles. Daarmee is de ervaring ook maximaal. Er is geen Kwaad meer in beide werelden. Het is dus voor elke mens mogelijk de overgang naar de dood te maken als volkomen mens.


Het mechanisme van de vrije wil geeft iedere mens de vrijheid van keuze. Iedere mens kan er dus voor kiezen om niet te weten, wat overeenkomt met de overgang van de Bekering niet te maken. In dat geval zullen de twee overgangen Bekering en Dood samenvallen. Het kan dus gebeuren dat men er voor kiest niet wetend de overgang naar de dood te maken. Kijkend naar de praktijk van alledag kan geconstateerd worden dat vrijwel elk mens de overgang naar de dood niet wetend maakt.


Dat heeft uiteraard consequenties. Zoals uit het Negenvlak blijkt, kan men alleen met behulp van een fysiek lichaam alle koppelingen vanuit de Geestelijke wereld naar de Fysieke wereld tot stand brengen. Bij de overgang naar de Dood, wordt het Geestelijke losgekoppeld van het Fysieke. Men leeft dan in het Hiernamaals alleen voort in het Overgangsgebied, de interface.


Alleen wanneer men de overgang naar de Dood wetend maakt, komt men in de hemel. Door veel culturen van nu en in het verleden is veel geschreven over de hemel. De hemel is de wereld in het hiernamaals die toegang geeft tot het punt van één-wording. Zoals uit het Negenvlak blijkt, is er in het overgangsgebied nog voor een aantal punten uit de Geestelijke wereld het bijbehorende punt in de Fysieke wereld te vinden. De ervaring speelt dan geen rol meer, immers er is geen fysiek lichaam meer en daardoor ook geen geheugen.


De vrije wil en de keuze die daaruit volgt, levert twee mogelijke toestanden op in het Hiernamaals. De eerste is de hemelse toestand, de andere de niet-hemelse toestand. De eerste bereikt men wetend, de tweede bereikt men niet-wetend. Sommige culturen noemen de niet-hemelse toestand de Hel. De Hel als zodanig echter bestaat per definitie niet.


Wanneer men in het Hiernamaals de toestand van de hemel bereikt, is men in staat het eenmaal begonnen werk af te maken. In dat geval zal men 100% wetend worden. Er is dan geen Kwaad meer en het Goede is maximaal. Op dat moment bereikt men het punt van één-wording en maakt men de overgang naar het volmaakte. Iedereen die de overgang naar het volmaakte maakt zal GOD kennen. Wanneer men GOD kent, wordt men aan GOD gelijk. Men kent dan de Schepper en de Schepping.


Wanneer men in het Hiernamaals in de toestand van de niet-hemel is, kan men onmogelijk het punt van één-wording bereiken. Men zal GOD niet kennen. Men kent zijn Schepper en de Schepping niet. Deze toestand wordt vaak de toestand van de Hel genoemd. Dat is echter een vergissing. De Hel bestaat per definitie niet en is een begrip dat geheel tot stand is gekomen door redeneringen vanuit rij 3 (de Fysieke wereld). Alleen dat wat boven (geestelijk) is, is ook beneden (fysiek). Niet andersom. Het is een vervelende toestand, dat wel. Men zal de laatste overgang niet bereiken. Het is begrijpelijk dat de meeste culturen onprettig over deze toestand schrijven, maar het is onjuist deze toestand als hel te omschrijven.


Tenslotte nog even de vier horizontale lijnen in schema:

Onbewust - OnbewustOnbewust - Bewust Bewust - OnbewustBewust - Bewust


De Wedergeboorte

Johannes 3:7 Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.


De wedergeboorte of vernieuwing is een verandering van karakter; een verandering van zondigheid naar heiligheid. Er moet sprake zijn van een vrijwillige actie van de kant van de zondaar, want hoe kan er anders sprake zijn van een verandering van het morele karakter, als hij daarbij passief is en niet actief! Het karakter is afhankelijk van de wil, en als de wil van een mens veranderd is, dan is zijn karakter veranderd. Wedergeboorte is daarom niet onvrijwillig, maar een verandering van de wil, en een verandering van karakter. Het is een verlaten van een toestand van zondigheid naar een toestand van heiligheid.


De Bijbel spreekt over wedergeboorte als een verandering van karakter, als het begin van een nieuw en heilig leven. Er wordt vaak over gesproken als een nieuwe schepping, maar daar wordt niet de letterlijke schepping van een nieuwe natuur, een nieuwe aard mee bedoeld. Het is niet een verandering van de essentie, of substantie van de ziel of het lichaam, maar slechts een verandering in het gebruik ervan.


De wedergeboorte bestaat uit een verandering van de uiteindelijke doelstelling, een verandering in het doel waartoe je leeft. In de wedergeboorte houdt de geest op met het zoeken als hoogste ultieme doel naar de bevrediging van het zelf, en richt zich op een hoger doel dan het zelf. Zijn fundamentele neiging wordt veranderd van fundamentele zelfgerichtheid naar een totale toewijding van het hele wezen aan het grote doel waarvoor God leeft, en waarvoor Hij de mens geschapen heeft om voor te leven. De wedergeboorte bestaat dus uit het ophouden om te leven voor de zonde en de zelfzucht, en te leven tot en voor God.


Elk niet wedergeboren mens bekijkt de dingen in een zelfzuchtig licht, en alles wat hij zich voor ogen stelt, zal zijn eigen belang voorop stellen, dat is het enige wat hij zoekt en waar hij van houdt. Maar als een mens wedergeboren is, heeft hij zichzelf afgekeerd van het zoeken van zijn eigen belang als het hoogste goed.


Bij de wedergeboorte vindt een grote verandering plaats in de vreugden en treurnissen, de hopen en vrezen van de ziel die deze verandering heeft ondergaan. De vreugden van een dergelijke mens zijn van een volledig nieuwe aard. Hiervoor was hij erg blij met de vooruitzichten op aardse goederen. Hij was er aan gewend voornamelijk verdriet te voelen als er een of ander werelds verlies werd geleden.



A: de Bekering

Mattheüs 4:17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.


2 Petrus 3:9 De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.


Bekering is tot inkeer brengen of beter nog overhalen van het kwade tot het goede. Bekering komt van het Griekse woord metanoia wat betekent een verandering van gedachten, zoals blijkt als iemand berouw heeft van een plan dat hij gevormd heeft of van iets dat hij gedaan heeft. Het is iets wat niet goed is vervangen voor iets beters, van zonde afkeren en naar God toekeren.


Wat is nu die verandering van denken? Het antwoord is ingewikkeld, omdat het over zo veel aspecten gaat. Een van de belangrijkste elementen is de ontwikkeling van de natuurwetenschappen. Vooral sinds de zeventiendeeeuwse natuurkundige Newton is de kennis van de natuur een exacte wetenschap. Wetenschappelijk denken is denken in wetten, die meetbare en herhaalbare resultaten en voorspellingen mogelijk maken. De wereld is breder en dieper dan de natuurwetenschappelijke manier van denken wil doen geloven. Maar we zijn zo thuis in die natuurwetenschappelijke, materiële wereld, dat we grote moeite hebben te zien wat buiten de werkelijkheid van die wetenschappen ligt. We zijn doorgeschoten in het natuurwetenschappelijke denken: alleen wat meetbaar en berekenbaar is, is "echt" en doet er toe. En hoe zouden we GOD (als ook geestelijke werkelijkheid) kennen als we alleen de materiële wereld kennen?


De doorwerking van het heersende denken reikt tot in alle wetenschappen: in landbouw en in onderwijs net zo goed als in economie en geneeskunde. Het opnieuw doordenken van wat de "echte" werkelijkheid is, zou wel eens de grootste bijdrage kunnen zijn voor vernieuwing. Het is een oproep tot bekering van "geheel het hart, geheel de ziel en geheel het verstand", leidend tot een geestelijke manier van leven en laten leven - ook in wetenschap en techniek.



B: de Dood

Johannes 5:24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.


Lesly Flint: De dood is de grote poort waardoor iedereen de werkelijkheid, het rijk van de geest, de eeuwigdurende wereld zal vinden. Er is geen echte dood, alleen dat wat er op lijkt. De mens heeft de dood zelf in zijn onwetendheid en dwaasheid geschapen. Maar er zal een dag komen dat de mens zal vinden, wat ik en anderen reeds vóór hem deden, namelijk de weg van de waarheid, van het leven, van de vrijheid, die tot GOD leidt.


Er bestaat geen eeuwigdurende hel, omdat dit in strijd is met de evolutie, die voor elke overgegane is weggelegd. Het voortleven na de dood staat vast. De dood brengt geen wezenlijke verandering in de geest van de mens teweeg. Slechts het stoffelijke lichaam blijft, nadat de geest zich daarvan heeft afgescheiden, op aarde achter. De mens treedt een nieuwe wereld binnen met alle geestelijke kwaliteiten, die hij bij zijn sterven bezat, niet meer en niet minder. Wel worden hem in de nieuwe wereld de mogelijkheden tot verdere evolutie geboden, zoals dit ook tijdens zijn aardse leven het geval is geweest. Hij wordt dus zeker niet alwetend.


Ieder, die is overgegaan, komt eerst in een stadium van rust. De overgegane krijgt nu de gelegenheid om de gekleurde bladzijden van zijn aardse levensboek te herlezen. De overgegane kan zodoende berouw tonen over de dingen die hij op aarde (bewust) verkeerd gedaan heeft, en in het bijzonder over datgene wat in strijd met de liefde tot zijn naaste was. Daarna krijgt men zijn eigenlijke geestelijke rust. Men ervaart de overgang naar de nieuwe wereld op een zeer persoonlijke manier. Door eigen ervaring, maar ook met behulp van ervaring van andere overgeganen, wordt kennis over de nieuwe wereld opgedaan. Die evolutie, geestelijke groei, loopt via de weg van ervaring en verwerking waardoor een andere (betere) bewustwording voor de overgegane zichtbaar wordt.


De ziel is onsterfelijk. In ons kennen zijn wij betrokken op het blijvende en onveranderlijke in de dingen. Dat is het belangrijkste argument om te concluderen dat onze ziel onsterfelijk is en wel alleen in haar kennende gedeelte. Vóór de geboorte heeft de ziel de ideeën geschouwd die zij als zij in het lichaam is geïncarneerd langs de weg van de herinnering weer kan leren kennen. Volgt de ziel die weg, dan bereikt zij tijdens het leven al een staat van dood-zijn, van bevrijding uit de kerker van het lichaam, en moet het daadwerkelijke einde van het leven veeleer worden verwelkomd dan gevreesd.


In de eerste plaats staat de aandacht voor de dood in het teken van het vraagstuk van het al dan niet sterfelijk zijn van de ziel. Dit kader is van mythisch-religieuze aard. Het zielsbegrip is sterk beïnvloed door het pythagorisme en het orfisme. In de tweede plaats vooronderstelt het antwoord een bepaalde manier van vragen, die wij als vanzelfsprekend hanteren, maar die door Socrates en Plato wijsgerig is gevormd. Hun definitie is antwoord op de vraag naar het wezen van de dood, de vraag wat de dood is. Het wezen is het ene, noodzakelijke, onveranderlijke en intelligibele. Het gaat hier om een bij uitstek rationele vraagstelling. Dit rationele blijkt niet alleen uit de aard van de vraag, die naar een wat-zijn dat voor de geest transparant is. Wie al tijdens zijn leven het kennen van de waarheid verkiest boven al het andere, hoeft de dood niet te vrezen.


Plato: de dood is de scheiding van de ziel van het lichaam.


Bovenstaande dialoog handelt over de onsterfelijkheid van de ziel en vindt plaats vlak voordat Socrates de gifbeker drinkt. Uit heel zijn houding moet blijken dat Socrates de dood als overgang verwelkomt naar een domein waar hij zich als filosoof al op heeft voorbereid. In ons kennen zijn wij betrokken op het blijvende en onveranderlijke in de dingen. Dat is het belangrijkste argument voor Plato om te concluderen dat onze ziel onsterfelijk is en wel, zoals hij naderhand in de Timaeus betoogt, alleen in haar kennende gedeelte. Vóór de geboorte heeft de ziel de ideeën geschouwd die zij als zij in het lichaam is geïncarneerd langs de weg van de herinnering weer kan leren kennen. Volgt de ziel die weg, dan bereikt zij tijdens het leven al een staat van doodzijn, van bevrijding uit de kerker van het lichaam, en moet het daadwerkelijke einde van het leven veeleer worden verwelkomd dan gevreesd.


De moderne verlichte wetenschappelijke opvatting van de dood ligt in het verlengde van het platoonse antwoord. Als er geen ziel is, als onze ervaring nergens bevestigt dat er iets dergelijks onderscheiden van het lichaam bestaat, dan resteert het lichaam. Alles wat we van oudsher met de ziel in verband brachten is in de grond natuur. Het rationele antwoord op de vraag wat de dood is luidt dan ook vandaag: de dood is het natuurlijke einde van het leven.


Dat zogenaamd natuurlijke einde schuiven wij liefst zo ver mogelijk voor ons uit. De dood komt dan buiten elk verband te staan, niet alleen buiten een transcendent verband, maar zelfs buiten dat van het leven. We willen immers van de dood niet weten. Wel is er hernieuwde bezinning mogelijk op een verband dat in de Grieksplatoonse traditie van onze cultuur en nog sterker in de joods-christelijke religieuze traditie is verwaarloosd: het kosmische verband tussen dood en natuur.


De moderne wetenschappelijke mens staat huiverig tegenover een kosmisch levensbegrip. Hij zal er slechts ideeën van beamen die worden bevestigd door de evolutietheorie, zoals de idee dat de dood ruimte creëert voor nieuw leven. Het "natuurlijke" van de dood als het natuurlijke einde begrijpt hij strikt empirisch. De dood treedt wetenschappelijk gezien in als vitale organen het niet meer doen. We spreken dan van een "natuurlijke dood".


De rijkdom van de bezinning op de dood in de moderne filosofie hangt wezenlijk met de nihilistische situatie samen. Zij is niet alleen rijk, maar valt op door een heel andere benadering. Die is niet meer uitsluitend of primair rationeel van aard. Er treden andere vragen op de voorgrond. Ook bij Plato speelden, naast de vraag naar het wat-zijn van de dood, andere vragen mee. Maar afgezien van de vraag naar sterfelijkheid en onsterfelijkheid bleven die impliciet. Hoe wordt er in de moderne filosofische bezinning gevraagd?


Met deze vraag hangen nog weer andere vragen samen. Hoe heb ik weet van de dood? Ik mag dan niet kunnen weten wat de dood in zich is, ik heb toch weet van de dood die mij wacht, alleen hoe? Een andere vraag is: hoe verhoud ik mij tot de dood? Hoe zou ik mij tot de dood moeten verhouden? De vraag of we mogen hopen op een voortzetting van het leven na de dood, die bij Plato met de vraag naar het wezen van de dood is verbonden, wordt door het merendeel van de moderne filosofen gemeden en slechts door een enkeling voorzichtig aangeroerd.


In de moderne wijsgerige bezinning op de dood draait het om de vraag naar zijn zin. Maar die zin staat niet op zich. Het gaat niet om een theoretische betekenis van de dood. De dood als het natuurlijke einde is een wetenschappelijke definitie, gebaseerd op empirische observaties en rationele gevolgtrekkingen. De vraag naar de zin van de dood is daarentegen geen theoretische vraag. Je kunt van oordeel zijn dat de dood het natuurlijke einde van het leven is. Toch gebeurt het dat je, denkend aan je eigen dood of geconfronteerd met de dood van een dierbaar medemens, wordt overvallen door de vraag naar de zin van de dood. Die vraag laat zich niet onderdrukken. Hij komt in het leven zelf op. Maar wat is de zin daarvan? Wat is het verband met het leven?


Plato's bepaling van de dood als de scheiding van de ziel van het lichaam vooronderstelt de ervaring van de onbegrijpelijkheid van de dood. Socrates zegt te hopen op een voortbestaan. Hij vertrouwt erop, maar hij weet het niet zeker. Elk volk, elke cultuur ontwikkelt eigen antwoorden op de dood. Dat vooronderstelt de ervaring van zijn onbegrijpelijkheid. En wie zich niet tevreden stelt met de opvatting van de dood als het natuurlijke einde, zal meestal van oordeel zijn dat dit geen recht doet aan zijn onbegrijpelijkheid.


De dood krijgt een betekenis die we existentieel noemen. De dood is niet louter overgang of het natuurlijke einde, de dood komt een zin toe binnen het leven en wel op grond van zijn onbegrijpelijkheid. Het adjectief "existentieel" krijgt de betekenis van een situatie of stap waarbij iemands bestaan in de waagschaal wordt gesteld, waarin het op hemzelf als enkeling aankomt.



C: het Volmaakte

1 Korinthiërs 13:9-12 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden; Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was; Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.


De leer van Pythagoras maakt duidelijk, dat de wiskunde de weg is tot het volmaakte weten. Denken en werkelijkheid worden opgevat als volledig onderworpen aan dezelfde logische orde, waardoor de logische gedachte vanzelf de waarheid over de werkelijkheid onthult. Omgekeerd is alles wat onlogisch is alleen maar schijn, geen werkelijkheid. Parmenides is de eerste die het heil van de mens laat afhangen van dit volmaakte (logische) weten. Volgens hem verkeert de mens in ellende doordat hij de volmaakte kennis is kwijtgeraakt.


De sofisten hebben met hun algehele verwerping van iedere zekerheid een krachtige tegenreactie opgeroepen en zo op eigen wijze bijgedragen aan de Griekse nadruk op logisch inzicht en volmaakte kennis. Plato heeft aldoor de sofistiek bestreden en willen overwinnen. Hij stelt dat de menselijke ziel (het intellect), tot goddelijke kennis kan komen door herinnering aan de tijd dat de ziel nog niet gevangen zat in een lichaam. Ook bij Aristoteles kan het menselijke intellect tot godskennis komen, maar niet zonder contact met het goddelijke Intellect. Bij beide filosofen dient de ziel zich los te maken van zijn lichamelijke gesteldheid en met de rede (al redenerend) op te klimmen tot de hemelse plaats waarop hij waarlijk thuis is en de eeuwige wijsheid kan aanschouwen.


De wiskundige, astronoom en filosoof Pythagoras ziet in de getallen de bouwstenen van de wereld en het geheim van het heelal. Elk van de grondgetallen van 1 tot 10 heeft zijn bijzondere kracht en betekenis, in het bijzonder het volmaakte getal 10. De harmonie van de wereld - Pythagoras was de eerste die de wereld een kosmos (geordend geheel) noemde - is gebaseerd op getalsverhoudingen. Deze verhoudingen ziet Pythagoras allereerst in de muziek, en vervolgens laat hij zien hoe deze muzikale opbouw ook in het heelal terug te vinden is. Volgens hem is er sprake van een volmaakte harmonie der sferen.


Het geheim van de wereld is volgens Pythagoras dus niet gelegen in een stoffelijk oerbeginsel, maar in een oerwet, namelijk in de getalsmatige verhoudingen tussen de bestanddelen van de wereld. Daarmee loopt hij vooruit op de latere moderne wetenschap en haar periodiek systeem der elementen. Dat Pythagoras het geheim der dingen in het onzichtbare en onstoffelijke zoekt, zal nauw samenhangen met zijn religie, die zowel Orphische als Indische invloed verraadt. Volgens Pythagoras is de mens in essentie een ziel die steeds weer reïncarneert en daarin een louteringsproces doormaakt. Doel van het leven is volgens Pythagoras, dat de ziel door reinheid en vroomheid zichzelf verlost van de kringloop der wedergeboorten.


Parminedes heeft deze gedachte verder uitgewerkt. De hoofdzonde van de mens is voortaan de onwetendheid. De boete voor deze zonde stelt Parmenides voor als even miserabel als die van de Titanen die opgesloten waren in de duistere krochten van de onderwereld (de Tartarus), nadat zij van hun goddelijke heerlijkheid waren beroofd. Wetendheid (wetenschap) echter bevrijdt ons uit deze onderwereld conditie en verheft ons tot op het goddelijk niveau van heerlijkheid en inzicht. De wetende mens herovert het geluk dat hij door onwetendheid was kwijtgeraakt.


Op de vraag wat dit volmaakte weten dan voorstelt, heeft Parmenides zonder twijfel het meest abstracte en onvoorstelbare antwoord gegeven. Zijn wijsheid is gebaseerd op twee uitgangspunten (axioma's) die volgens hem een ieder zonder dwang zal willen aanvaarden:

  1. wat bestaat, bestaat niet niet, en
  2. alleen wat bestaat kan worden gedacht.

Het eerste axioma beschrijft het principe dat men niet tegelijk a en niet a kan zeggen. Ook het tweede axioma klinkt nogal logisch, maar het houdt bij Parmenides meer in dan menigeen zal denken. Parmenides veronderstelt namelijk (eigenlijk als derde, onuitgesproken axioma), dat zowel het denken als het bestaande volledig beantwoorden aan de ene wiskundige of logische orde. Wat bestaat, bestaat dus logisch en kan dus logisch worden gedacht. Tegelijk geldt: wat logisch wordt gedacht, bestáát, en wat ónlogisch wordt gedacht, is zowel een denkfout als een schijnwerkelijkheid. Onwetendheid (niet het volmaakte, logische weten in pacht hebben) betekent dus tevens: niet-zijn, of in schijn verkeren.


De ellende van de mens is nu, dat hij zich overgeeft aan dit schijnbestaan. Parmenides spreekt over doxa (mening) en aletheia (waarheid). De onwetende sterveling geeft zich over aan allerlei meningen (schijnwaarheden), terwijl hij zich als een ware wetenschapper alleen zou moeten richten op de waarheid.


Het doel (telos) van alle dingen is de beweging te voleinden in de volmaaktheid. Nu hebben de hemellichamen al een volmaakte substantie (aether) en zij maken ook al de volmaakte beweging, namelijk de cirkelbeweging. Het enige waarop zij dus nog gericht kunnen zijn, is de Onbewogen Beweger. Zo blijkt de transcendente godheid niet alleen de Beweger en de Bewaarder, maar uiteindelijk ook het Doel en de magnetische Aantrekkingskracht van de kosmos te zijn. De beweging die van GOD uitgaat, is zelf ook weer een volmaakte cirkelbeweging: de eeuwige beweging die van GOD uitgaat, streeft ernaar weer terug te keren tot de Oorsprong. Aristoteles noemt GOD daarom de Doeloorzaak (Causa finalis) van de kosmos. Terugkeer is het doel, de bestemming, van de eeuwige oorzaak. Ter contrastering spreekt Aristoteles over Plato's Demiurg als de Werkoorzaak (Causa efficiens) van de kosmos: deze brengt scheppend een beweging op gang, hetgeen voor Aristoteles onaanvaardbaar is.


Ook het hoogste doel van de mens is GOD. Dat wil zeggen: het doel van de mens is om met zijn ziel tot zuiver intellectuele activiteit te komen. Zijn hoogste doel is de theoretische deugdzaamheid: het schouwen (theória) van de hoogste wijsheid. In zijn Metaphysica omschrijft Aristoteles deze wijsheid (sophia) als kennis van de oorzaken. En omdat GOD de Eerste Oorzaak is, is het kennen van GOD de allerhoogste wijsheid. En via zijn intellect (nous) komt een mens tot GODskennis. Aristoteles omschrijft dit intellect als iets dat als enige functie van buiten binnenkomt en als enige goddelijk is. Maar het is er in eerste instantie alleen nog in potentie en moet nog geactualiseerd worden door contact met het goddelijke Intellect. Alleen door inwerking van het goddelijke Nous in het menselijke nous kan de mens tot GODskennis komen. Zo is er dus opnieuw sprake van een cyclische beweging: de intellectuele beweging van de mens wordt door GOD voortbewogen met als doel weer tot GOD terug te keren.


Openbaring 1:8 Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.



Het Enneagram

Het Enneagram

In het Enneagram is er een samengaan van psychologie en spiritualiteit. Het Enneagram maakt ons er van bewust dat we op een "automatische" manier reageren op levensomstandigheden. Automatismen hebben een lange geschiedenis van emotionele survival achter zich.


We worden geboren met een bepaalde aanleg, met een bepaald emotioneel temperament. Als een kind ter wereld komt heeft het bepaalde emotionele behoeften, met de behoefte aan veiligheid en vertrouwen. Al heel vroeg zijn we overlevingsstrategieën gaan ontwikkelen om aan onze basisbehoeften te voldoen, om ons te verzekeren van liefde en vertrouwen en angst om niet te zullen overleven te vermijden. Onze opvoeders in de vroege jeugd reageerden op onze signalen. Gedrag van ons dat beloond werd hebben we verder ontwikkeld om de kans op overleven te vergroten. Gedrag dat een veiligheidsgevoel teweeg bracht herhaalden we, gedrag dat geen succes had leerden we af.


Kennis van het basistype kan iemand helpen zichzelf en anderen beter te leren kennen en begrijpen. Men ziet de steeds terugkerende patronen en kan die (deels) herleiden tot het typegedrag. Men wordt zich bewuster van het eigen gedrag. Men gaat begrijpen hoe mensen en het leven in elkaar zitten. Er zijn verklaringen voor gedrag. Er liggen bepaalde wetmatigheden aan gedrag ten grondslag en er is geen sprake van een schuldstraf model, maar meer van oorzaak en gevolg. Het accepteren en verwerken van lastige, moeilijke situaties, het accepteren ook van zichzelf zoals men zich op een bepaald moment 'aantreft', wordt gemakkelijker. Er is geen schuld, er is oorzaak en gevolg, en men maakt deel uit van die keten van oorzaak en gevolg. Men is daar in verzeild geraakt door de aanwezigheid op deze wereld.


NrTypeKarakter VerleidingVermijdingPassie►►
1PerfectionistIk heb gelijk PerfectionismeOnvolmaaktheidKwaadheid7
2HelperIk help Sociale houdingBehoeftigheidTrots4
3Succesvolle werkerIk heb succes SuccesMislukkingIJdelheid6
4RomanticusIk ben anders MelancholieMinderwaardigheidAfgunst1
5WaarnemerIk heb het door WijsheidLeegheidHebzucht8
6LoyalistIk doe mijn plicht ZekerheidTwijfelAngst en Roekeloosheid9
7LevensgenieterIk ben gelukkig PlezierPijnGulzigheid5
8BaasIk ben sterk MachtMachteloosheidLust2
9BemiddelaarIk ben tevreden FijngevoeligheidConflictTraagheid3

Op een gegeven moment in het leven, bijvoorbeeld in de midlifecrisis, kan men vastlopen als men zijn patronen niet flexibel maakt. De automatismen kunnen ons steeds meer benauwen en beperken, en er kan onvrede ontstaan met onszelf, met de wereld om ons heen. We kunnen vervreemding ervaren, leegte en angst.


Deze onvrede kan een mens motiveren tot een spirituele zoektocht: "er is toch meer tussen hemel en aarde dan dit lijden". Het ware zelf zegt een mens dat het anders kan. Maar ook contact krijgen met de essentie, de goddelijke kern, kan moeizaam gaan, want daarvoor moet men het valse zelf, het ego, de overlevingsmechanismen, loslaten, en dat wil men niet. Men verwart het valse zelf met het ware zelf en denkt dat men met het loslaten van het ego zijn essentie kwijt raakt, terwijl men die juist wint. Het dreigende verlies van het valse zelf is beangstigend. Dat is een blokkade die staat tussen het ego en het ware zelf. Het is het obstakel dat tussen God en de mens staat.


Een zoektocht kan een mens er dan toe brengen dat men komt tot zelfkennis door middel van the inner observer. Dit is het voertuig van ons bewustzijn. Men kan met de aandacht gaan waarheen men wil. Men kan de aandacht sturen. Men kan met de aandacht zowel naar plaatsen buiten het lichaam als naar plaatsen in het lichaam gaan.


Zo herkent men the inner observer, de getuige van ons bewustzijn. Via de innerlijke waarnemer kan iemand zichzelf observeren. Men kan aldus leren gewaar te zijn van zijn bewustzijn.


De spirituele traditie leert om de transformatie in ons zelf te vinden. Het is helend om vol mededogen naar binnen te kijken, en te ontdekken dan dat de mens zelf het obstakel is dat hem weerhoudt van de liefde, die tussen God en de mens in staat. Religie doet ons op mystieke wijze begrijpen dat het obstakel in de mens zelf ligt. Het obstakel is het ego, het valse zelf, de afweerpatronen, de automatismen, die zowel emotioneel als mentaal van aard zijn.


Wat staat er tussen God en de mens? Hetzelfde als wat er tussen het valse zelf en het ware zelf staat, namelijk de wortelzonden. Voor de Perfectionist (1) staat de woede en de constant oordelende geest er tussen. Voor de Gever (2) staat trots in de weg. Voor de succesvolle werker (3) moeten leugen en bedrog overwonnen worden. De Romanticus (4) zal zijn nijd (jaloezie) moeten overwinnen. Bij de Waarnemer (5) staat de hebzucht in de weg. Bij de Loyalist (6) staat de angst tussen hem en zijn ware zelf. De Levensgenieter (7) zal moeten leren om zijn onmatigheid te boven te komen. De Baas (8) zal zijn schaamteloosheid moeten overwinnen. De Bemiddelaar (9) zal zijn luiheid moeten onderkennen. Het gaat er om de geest af te wenden van de obstakels (de wortelzonden, de patronen waarin de mens verstrikt is geraakt), zodat spirituele transformatie mogelijk wordt.


Het Enneagram is een hulpmiddel om de gedragspatronen te leren herkennen die de obstakels zijn tussen God en de mens, en tussen het valse en het ware zelf. Transformatie is het doel, het Enneagram is daarbij een middel, en meditatiebeoefening helpt de mens deze transformatie te realiseren door middel van de heen-en-weerbeweging tussen de adem en wat zich in het bewustzijn voordoet.


Ik (de auteur) ben een perfectionist!


De Bijbel vertelt het ons eerlijk: wij leven in een onvolkomen, onvolmaakte wereld! Goed, toegegeven, soms lijkt iets in ons leven zo volmaakt dat wij zeggen: het is perfect!. Maar, het is niet perfect. Niets op deze wereld is dat. Sommigen wijzen dan naar Genesis, de schepping van deze wereld, waar God, nadat hij al het geschapene overziet, zegt: Zie, het was zeer goed. Maar dat zeer goed was vóór de zondeval! Daarna was het helemaal niet meer goed met deze wereld en haar bewoners. De ongehoorzaamheid van de eerste mensen gaf toegang tot een onzuivere, kwaadaardige invloed, die het leven op aarde vanaf dat tragische moment van de zondeval systematisch begon te vernielen. Ziekte, dood, ouderdom, onrecht en geweld begonnen steeds meer grip te krijgen op deze van oorsprong volmaakte wereld; zelfs de dieren leden eraan mee. Dit is daarom een onvolkomen wereld. Verre van de oorspronkelijke perfectie waarin de Schepper haar had gemaakt.


Sommigen van ons zijn door die onvolkomenheid van deze gevallen wereld meer aangetast als anderen. Wij merken het aan ons lichaam, aan ons uiterlijk, aan onze genen (erfelijkheid), aan onze daden, aan onze ziel (gevoelens), onze relaties, onze manier van communiceren, kortom, aan alles. Dat is moeilijk voor ons, om in een dergelijke wereld te moeten leven. Ergens in ons collectieve geheugen hebben wij nog die herinnering aan die volmaakte wereld waar wij vandaan komen. Wij willen en kunnen er niet mee leven, dat wij temidden van zoveel onvolkomenheid ons leven moeten slijten. Sommigen lijden daar heel intens aan. Wij noemen hen perfectionisten, en, als het heel erg met hen gesteld is neurotische perfectionisten. Die laatste groep kan moeilijk hier leven en daar valt ook moeilijk mee te leven. Krampachtig proberen zij de onvolmaaktheden om hen heen, in dingen en in mensen, naar de volmaaktheid te duwen. Ook voor zichzelf zijn zij een ware marteling, want, de perfectionist is het voor zichzelf en voor zijn omgeving! Met perfectionisme bedoelen wij natuurlijk niet het normale, zelfs heilige, verlangen om de dingen zo goed mogelijk te willen doen. Dat is zelfs een bijbelse opdracht voor elke gelovige! Nee, de perfectionist kan en wil niet leven met de onvolkomenheden die nu eenmaal altijd aanwezig zullen zijn. Hij verdraagt geen fouten, niet van zichzelf, en, niet van anderen. Hij stelt daarom absurd hoge eisen aan zichzelf, en aan anderen om hem heen. En, zichzelf vergeven is een onmogelijke klus.