De drie kolommen

Kolom A:

Kolom A staat voor de wereld van het geloven. Geloven is datgene wat aan weten vooraf gaat. De wereld van het geloven wordt begrensd door de overgang van de Bekering. In feite is er een drempelwaarde waarbij geloven overgaat in weten.


De wereld van het geloven wordt voornamelijk beheerst door het gezag van andere mensen. In feite wordt er afbreuk gedaan aan de vrije wil. Het is ook niet juist iets aan te nemen op gezag van anderen. Men moet alleen dat aannemen wat onttrokken wordt aan Rij 1.


Anders dan vaak gezegd wordt, staan denken en geloven niet tegenover elkaar. Niemand denkt vanuit het luchtledige. Geen enkele filosoof begint bij nul. Ieder inzicht heeft een veronderstelling in geloof. Dat hoeft geen religieus geloof te zijn, maar er is altijd iets waar je vanuit gaat. Filosoferen is twijfelen, maar dat twijfelen gaat niet zonder dat je ergens op vertrouwd.


Zodra je een vooronderstelling hardop uitspreekt, is het geen vooronderstelling meer. Dan is het namelijk een stelling. Gelovigen belijden regelmatig hun geloof in God. Het bestaan van God is dus helemaal geen vooronderstelling, maar een stelling. Of noem God een verklaring, een uitleg, een idee.


Geloven wordt vaak gelijkgesteld aan religie. Dat is maar ten dele waar. Religie is het geloven in een God, een Opperwezen. Waarom zijn er meerdere religies? In principe is er maar één enkele waarheid. Religies zouden dus moeten zijn als automerken. Auto's rijden allemaal op dezelfde brandstof en brengen ons allemaal naar hetzelfde doel. Het verschil zit hem in de manier waarop. De ene auto is comfortabeler dan de ander en er is ook prijsverschil. Zo zouden alle religies ons naar het punt van één-wording moeten brengen.


Een mens heeft van zijn schepper de vrije wil gekregen. Zo zou dus ieder mens vrij moeten zijn in de manier waarop hij het punt van één-wording bereikt. Hij zou de meest comfortabele religie vrij mogen kiezen. Dat wordt bedoeld met vrijheid van godsdienst.


Kijkend naar de drie monotheïstisch godsdiensten, kan ik concluderen dat er geen verschil zit in de uiteindelijke doelstelling. Doordat een godsdienst zich uitsluitend bezig houdt met het geloof, wordt de overgang naar Kolom B niet bereikt en daarmee het bereiken van het punt van één-wording een onmogelijkheid.


Uit de bestudering van de godsdienstgeschiedenis wordt duidelijk dat de mens een spiritueel dier is. Er is alle reden om aan te stellen dat de Homo Sapiens óók een Homo Religiosus is. Mannen èn vrouwen begonnen goden te aanbidden, zodra ze herkenbaar menselijk waren geworden. Ze schiepen religies op hetzelfde moment als waarop ze kunstwerken schiepen.


Religie is geen geesteshouding die manipulerende vorsten en priesters aan een van oorsprong seculiere menselijke natuur hebben geplakt, maar is de mens ingeschapen. Sterker nog, de secularisatie die we momenteel meemaken, is een volstrekt nieuw probeersel en nooit eerder in de geschiedenis van de mens voorgekomen. Sinds ik me ben gaan verdiepen in de geschiedenis van het godsbegrip en de godservaring in de drie verwante geloven van joden, christenen en moslims, ben ik gaan ontdekken dat God gewoon een projectie van menselijke behoeften en verlangens is. God is een afspiegeling van de angsten en hunkeringen die een samenleving in elke fase van haar ontwikkeling kent.


Om stand te houden dient het godsbeeld flexibel te zijn. Wanneer de godsvoorstelling op een zeker moment geen betekenis meer heeft of niet meer relevant is, dient ze terzijde geschoven te worden en door een nieuwe theologie te worden vervangen. Een fundamentalist zal dat ontkennen, aangezien het fundamentalisme antihistorisch is. Fundamentalisten geloven dat Abraham, Mozes en Mohammed hun God allemaal op precies dezelfde manier ervoeren als de mensen van nu.


Als we naar de drie monotheïstische godsdiensten kijken, wordt het duidelijk dat er geen objectieve visie op God bestaat. Elke generatie moet het godsbeeld scheppen dat voor haar werkt. Dat geldt ook voor het atheïsme.


Een van de redenen waarom religie tegenwoordig niet meer relevant lijkt, is dat velen niet langer het gevoel hebben dat ze worden omringd door het onzichtbare. Onze wetenschappelijk ingestelde cultuur heeft ons getraind onze aandacht te richten op de fysieke en stoffelijke wereld die zich aan ons vertoont. Door op deze manier naar de wereld te kijken, hebben we geweldige resultaten bereikt. Maar een van de consequenties is dat we als het ware ons gevoel voor het spirituele zijn kwijtgeraakt.

Jodendom

Jodendom

De Mageen David (letterlijk Schild van David) gewoonlijk in het Nederlands vertaald met Davidsster, is het symbool dat heden ten dage het meest geassocieerd wordt met het Jodendom, maar het is in feite een relatief niet Joods symbool. Het zou de vorm van het schild van Koning David voorstellen (of misschien het embleem daarop), maar er bestaat geen enkele steun voor die bewering in geen enkele rabbijnse literatuur. In feite komt het symbool zo zeldzaam voor in de vroege Joodse literatuur en kunstwerken, dat antiquairs en archeologen voor een vervalsing vrezen wanneer zij het symbool in vroege werken tegenkomen.


Het Jodendom is ontstaan in het nabije oosten, op een woelig trefpunt van culturen. De eerste aartsvader, Abraham, kwam uit Ur (het huidige Iran). Een deel van de stammen verbleef lange tijd in Egypte. Rond 1300 voor Chr. volgde onder het leiderschap van Mozes de terugtocht naar Palestina. De Israëlieten werden ter plaatse steeds machtiger, getuige de instelling van het koningschap onder Saul. David en Salomon waren zijn opvolgers. Het rijk splitste zich later in een noordelijk deel (Israël) en een zuidelijk deel (Juda).


Het is opmerkelijk dat het Joodse volk, omgeven door zoveel volkeren die meer goden kenden, toch altijd heeft vastgehouden aan de ene God, in medeklinkers JHWH, aanvankelijk zonder daarmee andere (mindere) goden voor andere volkeren uit te sluiten. Pas na de ballingschap is er consequent sprake van één God. In de religieuze wereld van de oudheid staat het Joodse volk geheel alleen in zijn beleving van de ene en persoonlijke Macht die enerzijds ver boven het menselijke is verheven maar anderzijds toch met de mensen en hun geschiedenis bezig is.


De bijbel van de joden, de Tenach, kwam tot stand gedurende een lange periode en kent een grote verscheidenheid in literaire vorm (geschiedschrijving, lofzang, spreuken). De Thora (de Wet) bevat de vijf oudste boeken (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium), waarvan de oudste gedeelten nog op Mozes terug gaan. Van later datum zijn de boeken van de Profeten en de Psalmen. De historische commentaren op de Joodse bijbel zijn verzameld in de Talmoed.


Er is één God die aan het begin en het einde staat van de schepping. De mens wordt op zijn daden aangesproken, God beloont het goede en straft het kwade. De Thora bevat de openbaring en leefregels voor het volk. Eens zal er een Messias komen die het Joodse volk terugvoert naar het beloofde land (wat hier letterlijk opgevat moet worden). Onreine zaken dienen vermeden te worden (bloed, menstruerende vrouw, sperma, niet kosjer eten, varkens).


De leefregels zijn samengevat in de Tien Geboden zoals deze aan Mozes zijn gegeven en door hem op de twee stenen tafelen zijn vastgelegd (te vinden in Exodus, Leviticus en Deuteronomium). Daarnaast staan er met name in Leviticus een groot aantal, vaak zeer precieze voorschriften voor de sociale omgang, de voedselbereiding, de hygiëne, enz. waaraan de wettische Jood zich heeft te houden.


Door alle tijden heen heeft het jodendom bepaalde stromingen gekend. Rond het begin van onze jaartelling waren er de Farizeeën (de chassidische of vrome sekte binnen het Jodendom), de Sadduceeën (een groep rond de priesters van hogere rang), de Essenen (chassidisch en in afzondering levend) en de Samaritanen (een verwant volk dat zich niet geheel aan de Wet hield).



Christendom

Christendom

Het christendom is ontstaan binnen de Joodse geloofsgemeenschap als een opwekkingsbeweging die zich verzette tegen het al te wettische karakter van toenmalige Jodendom. De Essenen zochten het eerder in de afzondering, zoals ook Johannes de Doper dit deed. Het is waarschijnlijk dat er bepaalde lijnen lopen via Johannes de Doper naar de eerste christengemeenschap.


Jezus werd geboren uit betrekkelijk arme ouders, bleef ongehuwd en zocht op zijn dertigste levensjaar de openbaarheid op om zijn opvattingen over de leer duidelijk te maken. Reeds na drie jaar kwam er een einde aan zijn actieve leven en werd hij bewust vernederend ter dood gebracht. Met Jezus van Nazareth treedt een man naar voren die zich enerzijds zeer aan de Joodse gebruiken wilde houden maar anderzijds nadrukkelijk en soms provocerend de vrijheid nam daar ter wille van de naaste van af te wijken.


Zijn volgelingen, waarvan hij er twaalf tot apostel had benoemd, melden de verschijning van hun Heer en kwamen enkele weken na de laatste verschijning (Hemelvaart) tot het besef dat Hij met hen voortleefde.


Er is één God, sinds het voorbeeldgebed van Jezus (het Onze Vader) ook de Vader genoemd. Gods Geest en Gods Zoon (Jezus) vormen theologisch gesproken een Drie-eenheid. De Zoon wordt ook aangesproken als de Messias en de Heer. Jezus kan worden opgevat als de incarnatie van God (de Vader), vandaar de mens geworden Zoon.


Het christendom erkend dezelfde boeken als het Jodendom (het Oude testament), maar heeft daarnaast een eigen deel (het Nieuwe Testament), bestaande uit de vier evangeliën: de Handelingen der Apostelen, de Brieven en de Apocalyps (of het Boek der Openbaring). De Handelingen en de brieven zijn de oudste delen van het Nieuwe testament en geschreven ca 60 jaar na de dood van Jezus. Drie van de vier evangeliën (Markus, Matheus en Lukas) gaan terug op eenzelfde bron, het evangelie van Johannus staat wat apart.


Net als in het Jodendom gelden de Tien Geboden maar er is een veel grotere nadruk op het principe "Bemin God en je naaste zoals je zelf". Het "Oog om oog, tand om tand" heeft niet het laatste woord. De bergrede van Jezus met de twaalf zaligsprekingen plaatst het ideaal op een hoger niveau. In de omgang met de naaste ligt meer nadruk op de actieve beoefening van de naastenliefde.


Reeds vanaf het eerste begin kenden de Christenen bepaalde stromingen. Zo was er al direct het verschil van mening of de uit de heidenen afkomstige christenen zich nu wel of niet aan de joodse wet dienden te houden. Toen de groep zich eenmaal als kerk gevormd had, deden zich allerlei nieuwe geschilpunten voor (Gnostici, Katharen, Arianen waren ooit belangrijke minderheidsgroepen maar deze namen hebben nu nog slechts historische betekenis). De scheuring van de Kerk in 1051 in een westers Katholiek en een oosters Orthodox gedeelte was eerder politiek dan leerstellig van aard. Hetzelfde geldt voor de afscheiding van de Anglicaanse kerk in 1538. De oecumenische beweging tracht de kerken en groeperingen weer dichter bij elkaar te brengen.



Islam

Islam

De Openbaring is tot de dag van vandaag nergens bestudeerd binnen zijn drie oorspronkelijke taalkundige verschijningsvormen - Hebreeuws, Aramees en Arabisch - noch binnen de historische en antropologische omstandigheden waarin zij ontstonden. Hier falen de vergelijkende geschiedwetenschappen der religies. De sociale wetenschappen en de menswetenschappen laten de zorg om "het goed van het Heil te beheren" over aan de theologen van iedere afzonderlijke gemeenschap. Het theologische krijgt de functie van legitimering van de wil tot de macht van iedere afzonderlijke gemeenschap. Die gemeenschap wordt er daardoor toe veroordeeld een cultureel uitsluitingssysteem te blijven van eenieder buiten de eigen gemeenschap. Degene die aanspraak maakt op hetzelfde symbolische kapitaal wordt vervolgens beschuldigd van heiligschennis.


Vaak wordt het woord Islam vertaald met onderwerping, onderwerping aan God. In het Arabisch betekent Islam etymologisch gezien "je persoon in zijn geheel aan God geven". Naar GOD gaan betekent naar het Absolute gaan, naar het Transcendente. Het is het gevoel opgeheven te zijn naar een hoger niveau van bestaan. Al deze betekeniswaarden zijn verbonden met het woord Islam.


Moslim wijst op de volmaakte, religieuze houding, die wordt gesymboliseerd in het gedrag van Abraham en wordt bevestigd in het Verbond of de Verbintenis, waarvan zowel de Bijbel als de Koran spreken.


Waar het uiteindelijk om gaat is het onderscheid tussen gezag en macht. Gezag krijgt men. Macht neemt men. Gezag gaat boven macht. Gezag overleeft ten slotte macht. Macht is tijdelijk en veelal te partijdig en te persoonlijk. Gezag daarentegen kan wel persoonlijk zijn en gebonden aan partij maar komt algemeen belang eerder ten goede dan alleen eigen belang dat vervolgens kan delen in algemeen belang. Gezag herkent men aan de overtuiging, aan het veranderen van het bewustzijn en de zingeving aan het bestaan van de mens. Gezag komt overeen met de Horizontale pijl in de richting Nieuw. Macht komt overeen met de Verticale pijl. Het gebruik van macht ten goede heeft de richting Geestelijk ↓ Fysiek. Machtsmisbruik heeft de richting Fysiek ↑ Geestelijk.


Tegenwoordig tracht de godsdienstwetenschap de historische en theologische herkomst van de orthodoxe leer, die in elke monotheïstische traditie devoot wordt herhaald, te ontdekken, evenals haar ideologische en psychologische functies en haar antropologische en semantische grenzen of onvolmaaktheden.


Soerat 42:51 En het is de mens niet gegeven dat God tot hem spreekt, anders dan door openbaring (wahy) of van achter een afscheiding of doordat Hij een gezant zendt die met Zijn toestemming openbaart wat Hij wil. Hij is verheven en wijs.


Het islamitische begrip van de Openbaring heet tanzil, neerdaling, een essentiële metafoor om de blik omhoog van de mens te beschrijven. De mens die is uitgenodigd om zich te verheffen tot God, de Transcendente, de boven alles Verhevene.


De theologie legt het geopenbaarde verhaal een harnas aan. Slechts de orthodoxe gelovigen genieten ruimschoots de rechten die door de Openbaring worden toegekend. Op deze wijze worden sociale rangorden en politieke, economische en culturele ongelijkheden gevestigd, die de Openbaring juist wilde afschaffen. De theologische en juridische lezing van koran en bijbelverhalen betekenen dogmatische inperking, terwijl de context van deze verhalen juist de opening naar de spirituele roeping van het individu onderstrepen.


Bij de Joden was de priester de macht die de offerdieren aan God aanbood. Bij de Romeinen, in een polytheïstische context, werd die taak vervuld door degene die offers brachten aan de goden om hun bescherming te verwerven. De centrale, betekenisgevende daad is in al deze gevallen het offer. Het offer zelf dient om de gelovigen in verbinding te brengen met het goddelijke. Zij die de macht hebben om een offer te brengen, zijn dus de schakel die de geldigheid van het offer en zijn verzoenende, bemiddelende en verlossende werking waarborgt.


In het christendom is bemiddeling tussen God en gelovige de functie van de priester. De priester is degene die gerechtigd is zich te vertonen voor Gods aangezicht. Hij mag zich tot Hem richten zonder tussenkomst van anderen. Het offer, teruggebracht tot symbolische handelingen, geschiedt in de mis.


De islam kent geen priester. Elke gelovige ontmoet zonder tussenkomst van anderen God rechtstreeks in het gebed, de pelgrimage naar Mekka, de persoonlijke vervulling van het vasten tijdens de Ramadan en de voorgeschreven aalmoes. De verschillende offers, zoals die bij de andere godsdiensten worden gebracht, zijn afgeschaft.


De islam is een ideologische hefboom, een verontschuldiging voor aanval of verdediging. De islam is maar zelden een onderwerp van studie of een bron van positieve middelen om de oorzaken van onderontwikkeling en onwetendheid, uitbarstingen van geweld, corruptie of onverdraagzaamheid te bestrijden.


Welke antwoorden en welke houding stellen de denkers, onderzoekers en voormannen van politieke stromingen, kortom de politieke en intellectuele elites van na de Tweede Wereldoorlog, tegenover deze overweldigende feiten. En wat stellen zij tegenover de dringende behoeften van samenlevingen die in hun semantische wanorde hevig op drift zijn geraakt, zelfs in het Westen, dat toch wordt geacht de problemen van ontwikkeling en moderniteit de baas te zijn?


In het Westen heeft er steeds een neiging bestaan om de islam buiten te sluiten van het culturele gebied waar de rechten van de mens werden geformuleerd, afgekondigd en bewaard.


De islam heeft de mensheid veertien eeuwen geleden een ideaal stelsel regels voor de mensenrechten gegeven. Deze rechten dienen om de mensheid eer en waardigheid te brengen en om uitbuiting, onderdrukking en onrechtvaardigheid uit te bannen.


In de islam zijn de mensenrechten sterk geworteld in de overtuiging dat God, en God alleen, de maker van de Wet is en de bron van alle rechten van de mens. Door deze goddelijke oorsprong mag geen enkele leider, regering, vergadering of autoriteit de mensenrechten die door God zijn toegekend op welke wijze dan ook inperken, herroepen of schenden.


In de koran is de term al Haqq (oprechte waarheid) uitsluitend van toepassing op God zelf als absolute en bovenzinnelijke Waarheid, Bron en Ontvanger van de Huquq Allah (rechten van God). Wie deze rechten respecteert wordt de Haqq, de ware Werkelijkheid deelachtig met de rechten die daaruit voor de mens voortvloeien.


Door de politiek wordt de afstand tussen de verbeelde, maar dwingende voorstelling van het profetische model en het concrete gedrag van individuen, die zijn blootgesteld aan steeds grotere economische, sociale en politieke spanningen, steeds groter. De materiële moderniteit speelt hier een verwoestende rol. Aan de meest bescheiden mensen legt zij haar consumptienormen op, haar kostbare behoeften, haar criteria om mee te gaan in de stroom van de levensstijl die iedereen zich wenst. Alle energie wordt gestoken in een levensstijl die haaks staat op de traditionele moraal, die verbonden is met de economie van het levensonderhoud. Op deze wijze zijn maatschappelijk gedrag en het belang dat men hecht aan de verschillende waarden, onderworpen aan structurele veranderingen. Buiten medeweten van de mensen zelf om is dit proces algemeen geworden, omdat er nauwelijks sociologische, psychologische of filosofische analyses zijn die zich hier rekenschap van geven.


Wat de intellectueel onderscheidt van alle andere maatschappelijke krachten is de kritische relatie die hij in de uitoefening van zijn beroep onderhoudt tot het vraagstuk van de betekenis. Dit impliceert dat beoefenaren van de sociale wetenschappen of zelfs theologen en filosofen niet noodzakelijkerwijze intellectuelen zijn. Omgekeerd kunnen ingenieurs, economen, boeren en arbeiders door hun ontwikkeling intellectuele aanspraken doen gelden. Er vindt over de hele linie een nieuwe rol- en functieverdeling plaats, doordat wetenschappelijke kritiek een eind maakt aan theorieën, waarden en gemakzuchtige concepten die enkel dienen om de nationale glorie of groepsidentiteiten in stand te houden.


In de islam is alles wat kan leiden tot gemeenschap tussen een vreemde man en een vrouw een zonde en dus verboden. Dat geldt dus ook voor het geven van een hand. Nergens in de Koran staat echter letterlijk dat handen schudden tussen een man en een vrouw niet mag. De mannen zijn blijkbaar bang uit balans te raken als er vrouwen in de buurt zijn. Ook speelt angst voor machtsverlies bij deze mannen een rol. Eigenlijk moet degene die bang is zichzelf afschermen en niet de ander. Mannen kunnen dus beter een gezichtssluier dragen in plaats van hun vrouwen in lange gewaden weg te stoppen.



Mythos (A1)

De mythen stonden voor Plato aan het eind van de filosofische weg, als zijnde de volmaakte kennis. Hij claimde de essentie van de mythen te hebben ontdekt, welke zich bevindt in de ziel van de mens, in de veronderstelde zuivere werkelijkheid, de zogenaamde ideeën. Deze opvatting van de mythen wordt vertaald naar de moderne tijd. In overeenstemming met het heidendom verwijzen de mythologische symbolen naar de gemeenschappelijke oergeest, de zogenaamde eeuwige Waarheid en de uiteindelijke vereniging met de kosmos (GOD).


Een mythe, in het Grieks mythos, betekent mondelinge overlevering, die van mond tot mond van de ene generatie op de andere wordt overgebracht. Een mythe is een uiterst complexe culturele werkelijkheid die vanuit verschillende gezichtspunten kan worden benaderd en geïnterpreteerd. Vaak houdt ze verband met het geheel van de werkelijkheid, zoals bij de schepping van de kosmos. In andere gevallen kan ze slaan op een deel van de werkelijkheid. Een mythe geeft op een bepaalde manier antwoord op vragen zoals: Wie ben ik? Wat is mijn juiste plaats in de maatschappij en in de wereld? Hoe zou ik moeten leven? Uiteenlopende culturen vinden in hun scheppingsmythen de primaire antwoorden, want ze beschouwen de eerste oorzaken als de essentie van wat hun cultuur als waar ervaart, het eerste besef van het menszijn, van de wereld, van tijd en ruimte.



Mana (A2)

De mens kan geen definitieve grip krijgen op de wereld om hem heen. Vanaf Plato en Aristoteles heeft hij het al geprobeerd, door aan de (irrationele, ondoordachte) mythos een (rationele, doordachte) logos te ontfutselen. Evangelie bestaat uit het conflict tussen mythos en logos, de mythe en de rede, waar het gaat om de vraag naar de werkelijkheid.


Mana kan worden gezien als de interface tussen mythos en logos. In dat verband is het aardig om de relatie te leggen naar het woord management. Management is de discipline die zich richt op het effectief en efficiënt gereed krijgen van bepaalde activiteiten. Een persoon die deze discipline uitvoert wordt manager genoemd. Het bij elkaar brengen van mythos en logos kan gezien worden als een proces, een proces dat gemanaged dient te worden.


Fundamentalisme vormt een rechtstreekse reactie op het feit dat er een scheiding wordt aangebracht tussen mythos en logos, de twee componenten die in de premoderne cultuur wel onderscheiden maar niettemin als een onlosmakelijke twee-eenheid werden gezien. Na het èn-èn-denken maakt het òf-òf-denken zijn entree. Mythos wordt in de moderne cultuur (helaas) als strijdig beschouwd met logos.


Wanneer wij tijdens meditatie of oefeningen tot bezinning komen, ervaren wij geest en ziel als twee afzonderlijke eenheden. De betekenis van de woorden geest en ziel geeft soms verwarring. Onze geest is een onstoffelijk wezen. Het woord geest hangt onder andere samen met het woord kracht. Het houdt verband met het woord usgeisnan, wat uittreden of in vervoering raken betekent. Het komt tot leven en keert weer in rust terug, aangezien het de wezenlijke levende werkzame zelf scheppende levenskracht is. Geest is mannelijk en in de interface gericht op Rij1. De ziel is een meer dimensionaal fenomeen en behoord tot een hogere dimensie. Het is zowel de binnen als de buitenkant. Aan de binnenkant is het vormbaar door ons zelf in karakter vorming haar werk te laten doen. Aan de andere kant door de inwerking van de indrukken van onze zintuigen, aangezien de ziel een vormbaar krachtveld is tussen de geest het stoffelijke. Ziel is vrouwelijk en in de interface gericht op Rij3.


De geest heeft de mogelijkheid het subtiele krachtveld van denkbeelden af te drukken en herinneringen vast te houden. Door de zintuigen kan er een beeld van de omgeving in worden gevormd. Via de zintuigen en zenuwen van je lichaam werkt die buitenwereld vormend op je ziel. Hierdoor worden gegevens overgebracht en zichtbaar voor het geestesoog en oor gemaakt. Omgekeerd is het krachtveld van de ziel te beïnvloeden waardoor wilsbesluiten kunnen worden overgebracht naar de hersenen en van hieruit naar de spieren van het lichaam.



Logos (A3)

Logos betekent oorspronkelijk woord, daarna redenering, ten slotte rede. Aan heel het wereldgebeuren ligt redelijkheid ten grondslag. Het is voor de mens de opdracht deze redelijkheid, deze logos in te zien. Wanneer je jezelf voor de wetten er van buigt, ben je wijs. Onze ziel is een onderdeel van deze almachtige logos. Na de dood zinkt zij daarin terug, als een licht dat uitdooft in de nacht. Wanneer we dat inzien zullen we leren onze wil aan de hoogste rede ondergeschikt te maken. Daarin zal onze ziel de rust vinden die het eigenlijke geluk van de mens is.


De rede is het hoogste goed en de enige mogelijkheid om tot kennis van de natuur, de samenleving en de mens te geraken. De rede mag niet gelijk worden gesteld aan de wetenschap, de rede bestaat uit logos (verstand) en uit fancy (verbeelding). De logos is de redelijke eenheid achter de door onze zintuigen verkregen empirische wereld. Dankzij de rede verschijnt die wereld aan ons en dankzij onze verstandelijke vermogens kunnen we haar doorgronden en begrijpen. We dienen echter ook toegang te krijgen tot de redelijke waarheid der verschijnselen. We dienen de samenhang der verschijnselen te ervaren willen we haar begrijpen. Deze toegang noemen we fancy, een stemming van intuïtie en poëzie die een gevoeligheid voor waarheid ventileert, een stemming die de mens als in een flits het evenwicht in de wereld doet inzien.


De logos wil een ding laten zien zoals het is. De logos der dingen is de waarheid over die dingen. Het is niet gemakkelijk deze logos te ontdekken. De Griekse wijsgeren hebben dit trachten te bereiken door hun ontzagwekkende denkarbeid.


Zij hadden daarmee ook een praktisch doel: de mensen tot wetenden te maken, opdat zij naar de orde (logos) der dingen zouden leven. Het kan immers niet goed zijn voor een mens als hij tegen de orde van de kosmos ingaat. Hij leeft eerst zoals hij behoort te leven als hij zich gedraagt in harmonie met het heelal. Het doel van de Griekse wijsbegeerte is steeds een ethiek te vinden.


Waarheden zijn exact en volgen de regels van de logos, maar deze afgeperkte en rechtlijnige waarheden dienen te worden aangevuld met het vermogen van de poëzie. Er is een poëtisch of utopisch vermogen nodig om de eenheid achter de verschijnselen te achterhalen. De mens dient voortdurend een redelijke eenheid te herscheppen met behulp van wetenschappelijke data, gevolgd door verbeeldingskracht.


De eerste kolom representeert dus de wereld van het geloven en wordt begrensd door de Wedergeboorte en de Bekering. Direct na de Wedergeboorte is het niet-weten maximaal. Vanuit de schepping is er voor ieder mens de opdracht om de overgang van de Bekering te maken. Men heeft de opdracht het niet-weten plaats te laten maken voor het weten. Daarbij moet voor elk punt in de Geestelijke wereld (rij 1) het overeenkomstige punt gevonden worden in de Fysieke wereld (rij 3).


Een zevental voorbeelden uit de Bijbel onderschrijven deze opdracht:

  1. De kinderlijke mens:
    1 Korinthiërs 14:20 Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.
  2. De beïnvloedbare mens:
    Efeziërs 4:13;14 Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen.
    Kolossensen 2:8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus.
    2 Petrus 3:17;18 Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid; Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.
  3. De niet-onderscheidende mens:
    Hebreeën 5:11;12;13;14 Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt; Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben, en niet vaste spijze; Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind; Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.
  4. De wettische mens:
    Galaten 4:1;2;3 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld; Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.
  5. De ongemotiveerde mens:
    1 Petrus 2:2;3;4 En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is; Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.
  6. De vleselijke mens:
    1 Korinthiërs 3:1;2;3 En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus; Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet; Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?.
  7. De wereldse mens:
    Romeinen 12:2 En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.

Kolom B:

Kolom B beschrijft de wereld waar Weten de plaats heeft ingenomen van Geloven. Men "gelooft" niet langer dat de dingen zijn zoals ze zijn, maar men "weet" waarom de dingen zijn zoals ze zijn.


Er zijn mensen en culturen die deze wereld verafschuwen. Alle denken is ontdaan van bijgeloof. Er is geen plaats voor het occulte. Romantiek maakt plaats voor realisme. Ikzelf ervaar een dergelijke wereld als een paradijs. Men hoeft nergens meer aan te twijfelen, want van elk gevolg is de oorzaak bekend en van elke oorzaak kent men het gevolg.


We hoeven niet langer alles wat om ons heen gebeurd toe te schrijven aan de wil van GOD. GOD als Schepper gaf ons de vrije wil. Daarmee is alles wat er om ons heen gebeurd toe te schrijven aan de wil van de mens. De wil van GOD is per definitie volmaakt. De wil van de mens is door gebrek aan kennis onvolmaakt.


Elk mens kan Weten. Weten is niet voorbehouden aan een selecte groep. Er is wel een selecte groep mensen die van zichzelf beweren de wijsheid in pacht te hebben. Dat is echter geen werkelijkheid. Het zichzelf plaatsen in een selecte groep heeft tot doel zichzelf te verheffen. Men geeft zichzelf macht. Macht, roem, rijkdom, status, het zijn allemaal seksuele perversiteiten, die niets met Weten te maken hebben. Het zijn oerdriften, primitieve emoties.


Emoties zijn stuurmechanismen van het menselijk lichaam. Concreet zijn het 150 millivolt pulsen van het zenuwstelsel. De vorm en de lengte van de pulsen vormen een soort streepjescode. Elke streepjescode komt overeen met een emotie. De emoties zijn nodig om het menselijk lichaam zo evenwichtig mogelijk te laten voortbestaan. Als biomechanisme heeft het menselijk lichaam een theoretische levensduur van ongeveer 100 jaar. Elke verstoring kan deze levensduur bekorten.


De optelsom van emoties vormen het karakter. Iemand met een onbalans in zijn emoties is een onevenwichtig persoon. Iemand die erg in onbalans is, noemen we ziek. De vraag die nu gesteld dient te worden is: waar ligt het evenwicht? Welk karakter komt overeen met het perfecte evenwicht in emoties?


Een manier om kennis te borgen is onderwijs. Men zou dus verwachten dat onderwijs altijd en overal beschikbaar is. Het tegendeel is waar. Onderwijs wordt meer en meer een exclusieve aangelegenheid. Onderwijs behoort gratis te zijn. Het is vreemd te moeten constateren dat onderwijs onbetaalbaar duur is.


De Schepper heeft ons duidelijk de opdracht gegeven te gaan in de richting Nieuw. De huidige ordening van de wereld dwingt ons echter meer en meer in de richting Oud. Vreemd eigenlijk, want er is toch al een tijdje sprake van een nieuwe ordening van de wereld (new world order). Is hier sprake van een spraakverwarring of van misleiding.


En wie of wat zijn die leiders van de wereld eigenlijk? Leiden is een proces in overeenstemming met de Horizontale pijl. Onze wereldleiders moeten ons leiden in de richting Nieuw. Waarom leiden zij ons dan in de richting Oud? Het enig mogelijke antwoord op deze vraag moet zijn, dat zij gebrek aan kennis hebben. Door gebrek aan kennis hebben zij gebrek aan inzicht en door gebrek aan inzicht hebben zij gebrek aan leiderschap.


Wat de wereld met een nieuwe ordening nodig heeft, zijn leiders met voldoende inzicht de wereld te leiden in de richting Nieuw. Onze huidige leiders zijn eigenlijk geen leiders, maar managers die de rol van leider op zich genomen hebben. Managen is een proces in overeenstemming met de Verticale pijl. Zie hier de reden van alle verwarring. Managers in de rol van leider. Dat moet tot chaos leiden, en dat doet het dus ook.


Willen we de een nieuwe ordening aanbrengen in de wereld, om deze te brengen in de richting Nieuw, dan hebben we een geheel nieuwe generatie leiders nodig en tevens een geheel nieuwe generatie managers. De huidige generatie zal moeten worden vervangen. Zoals men een niet goed functionerend apparaat naar de sloperij brengt, zo zullen wij onze huidige leiders en managers naar de sloperij moeten brengen. Renoveren is geen optie. Leiders en managers hebben bepaalde persoonlijkheidskenmerken die ontleren en herinneren in de richting Nieuw onmogelijk maken. Helaas is deze groep mensen verloren.


Kabbala wordt afgeleid van het Hebreeuwse woord QBLH, en dat betekent zoveel als van mond tot oor, waarmee mondelinge overlevering bedoeld wordt. Het gaat hier dus om overgeleverde kennis en weten.


Met behulp van de kabbalistische structuur kunnen verbindingen naar veel systemen uit de filosofie, de symboliek, de mystiek en de mythologie gelegd worden; dat alles met het oogmerk om aan de studie en de praktijk der magie een praktische structuur te bieden.


Het doel van het bestuderen van de Kabbala is, dat men, terwijl men zich nog in deze wereld bevindt, de geestelijke werelden bewust ervaart, d.w.z. begrijpt en voelt. De geestelijke werelden worden volledig ervaren en wel in de volle omvang van het heelal. Men verkrijgt dusdanige gewaarwordingen, waar noch geboorte noch dood macht over hebben. Men komt in het tijdloze terecht, en bereikt een zodanige toestand, dat men in alle werelden tegelijk kan leven. Op die manier vloeit men samen met de Hoogste kracht en gaat men de Schepper volledig bevatten. Dat is het doel van het menselijke bestaan in deze wereld en van het gehele heelal.


Wanneer wij leren ons los te maken uit de veranderende bewustzijnsstroom, kunnen wij waarlijk weten wie wij zijn. Wat wij zien als een afgescheiden, geïndividualiseerd ego dat plannen maakt en keuzes doet is een secundaire entiteit. Het is een lokalisatie in tijd en ruimte van zuiver, ongedeeld kosmisch bewustzijn. Goswami zegt dat het tevoorschijn gebracht wordt door een individueel hersen-denken en het geloof dat het lichaamsdenken is. Hij en andere fysici zoals Erwin Schrödinger beweren dat het onderwerp van ervaring één enkel universeel subject is voor iedereen, niet ons persoonlijk ego. Schrödinger zei, Bewustzijn is een enkelvoud waarvoor geen meervoud bestaat. Fundamenteel is ons bewustzijn bewustzijn van Zijn, je zou kunnen zeggen van God, transcendent, buiten tijd en ruimte, voorbij de tweespalt tussen subject en object. Goswami zegt, Er is geen andere bron van bewustzijn... Het is alles wat er is. Met andere woorden, atma en Brahman zijn één, of zoals de Duitse mysticus Meister Eckhart het formuleerde, De Grond van God en de Grond van de Ziel zijn hetzelfde.


Wij ontdekken langzaam opnieuw de kennis die universeel was in de antieke wereld, dat er geen materie bestaat, afgescheiden van denkvermogen of bewustzijn. Bewustzijn is latent in ieder deeltje van materie en de mathematische orde die de wetenschap ontdekt in het universum is te danken aan het effect van het universele bewustzijn daarin. In de menselijke natuur begint dit latente bewustzijn tot een feitelijk bewustzijn te worden, en naarmate menselijk bewustzijn zich ontwikkelt, wordt het zich steeds bewuster van het universele bewustzijn waarin het gegrondvest is.


Deze opvatting verduidelijkt dat de mens zelf fundamenteel niets anders is dan dat oerbewustzijn aan de basis van alles wat er is, atma. Ons diepste zuivere, onvoorwaardelijke bewustzijn, vrij van enige inhoud, is één met universeel bewustzijn. Zieners en wijzen getuigen dat, wanneer alle objecten uit het bewustzijn gehaald worden, het mogelijk is dit, hun meest fundamentele Zelf, hun primaire bewustzijn te ervaren. Het Zelf van het universum en het Zelf van de mens zijn één, en door het Zelf te kennen, kennen wij datgene wat aan de wortel staat van zowel het universum als de mens.


Zeer waarschijnlijk hebben de meeste, zo niet alle individuen van alle soorten, behalve de mens, geen tijdsbesef en tijdsconstructie in verleden, heden en toekomst en ook geen eigen doodsbesef. Dit belet niet dat organismen in de regel levensbedreigende gedragingen instinctief (genetisch ingebouwd) zullen vermijden. Sommige individuen van sommige in de schepping hogere diersoorten ondergaan wel neuronaal gestoord gemisgedrag (bij de mens noemen we dat treuren) wanneer één van de soortgenoten, waarmee ze een dichte relatie onderhielden, plots uit hun ervaringswereld verdwijnt.


Daarbij vormt het concipiëren van de eigen eindigheid en dood in de reflexieve projectie van een tijdskader een extra probleem dat vele mensen in vele culturen oplossen door het bedenken en geloven in het bestaan van een godheid, in een buitengewoon hiernamaals en in een zich van het lichaam losmakende geest, die in dit hiernamaals gaat voortleven (na voldaan te hebben aan een aantal voorwaarden). Hierbij wordt naast een ongezien hiernamaals een onstoffelijke entiteit (geest) los van de werkende hersenen in het geding gebracht, die daarheen verhuist.


In bepaalde godsdienstige varianten is dan ook nog eens een hel en een vagevuur uitgevonden. Er zijn ook denkbeelden van reïncarnatie bedacht. Deze bevatten slechts in die mate een vorm van wetenschappelijke waarheid en een werkelijkheidsgehalte, dat de materie waaruit we bestaan na onze dood ontbindt in eenvoudiger componenten die, gefragmenteerd, chemische onderdelen van méérdere andere composities kunnen worden. De idee dat een menselijke geest of zijn moleculen volledig in één ander organisme verhuizen, is daarbij wetenschappelijk gezien fictie.


Waarheid zo goed mogelijk door middel van de wetenschappelijke methode ontdekken en de feiten met zo weinig mogelijk concepten interpreteren in wetmatige, causale verbanden, steeds in het operationele kader van meten, is de eerste voorwaarde tot Weten. Op grond hiervan duidelijke, meetbaar toetsbare en onafhankelijk herhaalbare voorspellingen doen, heeft erg positieve aspecten, maar ook het aspect van het besef van de eigen sterfelijkheid en die van andere wezens.


Spreuken 2: 2-6 Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt; Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid; Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden; Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.


Spreuken 3:13;14;15 Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!; Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud; Zij is kostelijker dan robijnen; en al wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.


Johannes 1:1-5 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God; Dit was in den beginne bij God; Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is; In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen; En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.



Zelf (B2)

Wanneer wij stil worden in ons Zelf dan kunnen wij de op zichzelf onmerkbare levenskracht in ons inwendig ervaren. We kijken in het duister, met ons ruimtelijke geestesoog ervaren wij ons Zelf hierbij als geest. Het is de bron van woorden en beelden die uit je Zelf opborrelen en die de vorm aan je gevoelens en geestindrukken geeft, zo dit door het geestesoog en oor wordt waargenomen. Het zijn impressies die zo goed mogelijk worden vertaald naar het dimensionale veld waar wij ons bevinden. Wel is het zo dat niet alles is over te brengen zoals wij dit gewaarworden, we kunnen geuren, kleuren, klanken dan wel gevoelens waarnemen die niet in onze dimensie waarneembaar zijn. Dit maakt deel uit van een bewuste ervaring van onze eenheid in het Zelf met een zelfwerkzame scheppende kracht, die haar werk doet en bijdraagt aan zelfbewustzijn.


De geest is de scheppende werkzame vormkracht van de ziel; het is de kracht die het werkt verricht dan wel beweging brengt door eigen kracht. De geest maakt op die wijze met behulp van de geestelijke vermogens haar geestelijke ontwikkeling door in hereniging met onze ziel.


We zien hier dat het onzichtbare (Rij1) het zichtbare (Rij3) regelt, dat dit de werking van het Licht in de duisternis is en dat het werk het werk doet. Wij mensen wensen het zichtbare het onzichtbare te laten regelen, wat dan ook onze problemen schept. Een actieve geest straalt haar geest dan wel Licht om zich heen, het is het krachtveld dat wij als aura waarnemen. De ziel en geest kunnen ervaren worden als een ruimtelijk krachtveld die in ons huist en haar verbinding heeft met de aura.


De ziel heeft de mogelijkheid om herinneringen op te slaan in de vorm van ons karakter. Dit is zichtbaar in de aura waarin wij de ervaringen kunnen lezen. In een ruimte kan door de geest denkbeelden worden afgedrukt, herinneringen vastgehouden dan wel worden opgeroepen. Dat is wat wij ervaren als wij menen dat er iemand in een ruimte aanwezig is maar niet kunnen zien.


De menselijke vorm komt voort uit de ontwikkeling van de ziel door het toenemen van het geestesvermogen in samenwerking daarmee. Dit verklaart de grote verschillen die wij zien in de voor ons zichtbare wereld, maar ook daarbuiten waarnemen. Onze geestgedaante is wat buitenstoffelijk blijft bestaan en herkenbaar blijft. Dit maakt dat wij aan het einde van de tunnel, als wij overlijden, onze dierbaren mede herkennen. De vorm van de geestgedaante zijn de eigenschappen van de geestelijke vermogens die hierin tot uitdrukking komen. Deze geestgedaante kan moleculen dan wel stof vasthouden, waardoor deze in de stoffelijke wereld zichtbaar wordt.


Als je dieper in je Zelf komt verdwijnt het persoonlijke en is het de herinnering die het verleden doet herleven en een lauw gevoel van het geen er eens was laat voelen (richting Oud). Een verlangen naar terug is niet mogelijk aangezien dit een illusie is. Dit is de reden dat er uit verdriet ofwel oud verlangen gehandeld wordt. Wanneer wij in illusies blijven geloven, zal dit een verwijdering dan wel het dichtslibben van onze interface ten gevolge hebben. Dit maakt op den duur, dat de relatie met ons Zelf verslechteren. Alleen zuiverheid, zeker op gelijk niveau, houdt een relatie levend. Het nieuwe kan zich openbaren als wij het oude hebben losgelaten, dit is bovendien de wezenlijke boodschap die aan de openbaringen ten grondslag ligt. Het oude fundamentalistische dan wel de weg van onze angsten wordt dan in een ander perspectief geplaatst en werkt zo mee aan onze eigen bevrijding (richting Nieuw).



Kolom C:

De derde kolom representeert de wereld van de waarheid.


Na de Dood zal het eenieder duidelijk worden welke bedoeling de Schepper met ons heeft. Geloven of niet geloven, weten of niet weten, het is dan allemaal niet meer relevant. Er is geen Geestelijke wereld meer. Er is geen Fysieke wereld meer. De mens leeft voort in de wereld die de Schepper oorspronkelijk heeft bedacht, die van de interface.


Zij die de overgang naar de Dood wetend maken, zullen in die nieuwe nieuwe wereld, het hiernamaals, opnieuw de keus hebben de Waarheid te leren kennen. Zij zullen de overgang naar het Volmaakte kunnen maken en GOD ontmoeten.


Zij die de overgang naar de Dood niet wetend maken, zijn verloren. Zij zullen nimmer de Waarheid kennen, noch zullen zij GOD ontmoeten.


Het principe van de vrije wil, de mogelijkheid om te kiezen, leidt dus na de dood tot drie mogelijkheden. De Waarheid per definitie niet kennen, de Waarheid door keuze niet kennen of de Waarheid door keuze wel kennen.


De Schepper zal uiteindelijk alleen verder kunnen met de laatste groep, zijnde de mensen die wetend sterven en vervolgens kiezen voor de Waarheid. Alle anderen zijn verloren. Zij zullen de Waarheid zien maar niet kennen. Zien is niet genoeg om de overgang naar het Volmaakte te maken.


Via ons denken, voelen en vrije wil beschikken wij over een kracht om tot het hoogste en het diepste te gaan waardoor de eigen weg van ervaringen bepaald wordt. Door bewust de eigen aandacht te beheersen die men door de geest laat accepteren, kan men met GOD wandelen en spreken van aangezicht tot aangezicht.


De laatste grote Griekse wijsgeer is Plotinus. Plotinus baseert zich op de leer van Plato. Hij houdt de zintuiglijke ervaringswereld voor een schijnwerkelijkheid en het denken stelt hij gelijk met het schouwen van een hogere werkelijkheid. Zijn wijsbegeerte spruit voort uit een religieuze behoefte. In navolging van Philo plaatst hij de godheid in het middelpunt van zijn filosofisch stelsel. Deze godheid noemt hij de absolute eenheid, het hoogste goed en de volmaakte schoonheid. Zij kent niet en kan door de mens ook niet gekend worden. Volgens Plotinus vindt de veelheid van de wereld haar ontstaan in de uitvloeiing van deze absolute eenheid (GOD).


De eerste uitstraling van GOD is de denkende geest. Uit de geest ontstaat door verdere uitstraling de ziel. De wereld van de ziel vormt de verbinding van geest en stof, de overgang van de wereld der ideeën naar de wereld der lichamelijke dingen. Zij heeft gelijkelijk deel aan geest en materie. Uit de wereld van de ziel komt dan ten slotte een reeks van verdere uitstralingen voort die zich steeds verder van de absolute eenheid verwijderen en dus steeds onvolkomener worden.


Het doel van het menselijk handelen is volgens Plotinus het ontkomen aan de greep van de materie en de opklimming naar hogere werelden, dus naar uitstralingen, die dichter bij GOD staan. Slaagt de mens er tijdens zijn leven in zich te reinigen van zijn zinnelijke begeerten, dan zal na zijn dood zijn ziel de hoogste zaligheid genieten, welke bestaat in de terugkeer tot GOD. Slaagt hij daarin echter niet, dan zal zijn ziel verhuizen naar een ander lichaam, net zolang tot hij zich de zuiverheid heeft verworven welke noodzakelijk is om tot GOD te kunnen terugkeren. Overigens kan het de mens reeds tijdens zijn leven gegeven zijn zich met GOD te verenigen, namelijk door in een toestand van extase zich langs mystieke weg met GOD te vereenzelvigen. Deze extase, de hoogste zaligheid welke voor de mens op deze wereld is weggelegd, duurt echter slechts kort en komt bovendien maar zeer zelden voor.


Hoeveel mensen de Schepper nodig heeft om in het punt van één-wording zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer te brengen, is niet bekend. Het zou kunnen worden afgeleid uit wat tot nu toe is geschreven. In het punt van één-wording ontstaat een steeds sterker wordend denkend verstand. Een ieder wordt immers in dat punt gelijk aan GOD en daarmee gelijk een Schepper. Wanneer het scheppende vermogen groot genoeg is, kan het uiteindelijke plan van de Schepper ten uitvoer worden gebracht.


Het scheppende vermogen zal op een onbepaald moment dermate groot zijn, dat het mogelijk wordt het gehele heelal, het universum, opnieuw in te richten. Wat wij nu nog als dode materie zien, als rotsachtige planeten, zal worden herschapen. Een genesis van ongekend grote orde zal plaats vinden.


De mens als Schepper zal in staat zijn materie te herscheppen. In het punt van één-wording is er immers geen niet weten. De mens zal weten hoe materie kan worden geconfigureerd. De mens zal niet langer zoeken. Alles wat nodig is, zal er zijn. In feite is alles er nu al. De schepping voorziet al in het nodige materiaal. Wij herinneren het ons echter nog niet. Leren is herinneren, heeft Plato gezegd. Doordat wij nog niet hebben geleerd, hebben wij het ons nog niet herinnerd. Zo eenvoudig is dat.


De uiteindelijke toestand van het gehele heelal is "de volledige correctie, de Gmar tiekoen". Dat is een feit, als het laagste punt der schepping dezelfde toestand zal bereiken als het hoogste punt. Deze toestand is direct door de Schepper geschapen. We bevinden ons allemaal al in de toestand van "Gmar tiekoen". Waarvoor hebben wij dan nog een instructie nodig om deze te bereiken? Omdat wij niet in staat zijn onze ware toestand te onderkennen door onze huidige egoïstische verlangens. En indien wij ons niet ontwikkelen en onze zintuigen niet corrigeren naar de gegeven instructie (de Tora komt van het woord horaa, instructie), dan worden wij, wat in overeenstemming is met de Kabbala, opgejaagd. Wij worden daartoe door geweld en het lijden gedwongen. De instructie is echter gegeven om de duur van het lijden (daar de snelheid, waarmee deze weg wordt overbrugd, is verhoogd) te verkorten. Daardoor worden de pijnen zachter en anders van aard: het leed door de haat verandert in leed door de liefde.


Het ontstaan van een behoefte aan de hulp van de Schepper en in contact met Hem te staan is pas mogelijk, wanneer een ware honger naar het absolute geestelijke genot in ons tot uiting komt. Het besef van het gebrek aan volmaaktheid dient aan het gevoel van volmaaktheid vooraf te gaan - alles in de schepping wordt alleen dankzij de tegenovergestelde toestand begrepen. Eerst ontstaat er een wens en pas daarna kan men een genot gewaarworden in het in vervulling gaan van het gewenste. Onze uiteindelijke volmaakte toestand, waarin wij ons allemaal bevinden, kunnen wij niet gewaarworden zonder eerst pijn te hebben ondervonden vanwege het ontbreken van deze volmaaktheid.


Veronderstel dat er geen intellect stond achter het heelal, geen scheppend verstand. In dat geval zou er niemand zijn die aan mijn hersenen de bepaalde bestemming heeft gegeven er mee te denken. Het is dan zó, dat, enkel doordat er atomen binnen in mijn schedel door toevallige fysische of chemische oorzaken zich op een bepaalde wijze groeperen, dit aan mij als begeleidend gevolg een gewaarwording verschaft die ik denken noem. Als dat echter zo is, hoe kan ik vertrouwen dat mijn eigen denken waarheid bevat? Wanneer ik echter niet kan vertrouwen op mijn eigen denken, kan ik natuurlijk ook niet de argumenten vertrouwen die tot atheïsme voeren; en dan heb ik dus geen reden om atheïst of wat ook te zijn. Als ik het bestaan van GOD ontken, ontken ik ook het denken; en dus kan ik het denken nooit gebruiken om het bestaan van GOD te ontkennen.


In de wereld (kolom A) noemen wij het ene ding goed en het andere kwaad; het is een zuiver menselijke zienswijze. Hoe wijzer men wordt, hoe minder behoefte men heeft iets goed of kwaad te noemen en hoe duidelijker men ziet dat elk ding goed is in een bepaald opzicht en kwaad in een ander opzicht en dat er geen werkelijk verschil kan hebben bestaan. Op het moment dat men het convergentiepunt (Bethel) bereikt, is het onderscheid geheel en al verdwenen.



Kolom A: B: C:

Albert Einstein: Ik heb mij met lichaam en ziel verkocht aan de wetenschap, op de vlucht van het "Ik" en het "Wij" naar het "Het".

IkWijHet

1 Johannes 2:13 Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.

KinderenJongelingenVaders

Hebreeën 5 Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben, en niet vaste spijze; Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind; Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.

Melk + KindVaste spijze + VolwasseneGoed en Kwaad + Volmaakte

Kolossensen 3 Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken; En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft.

De Oude MensDe Nieuwe MensDe Vernieuwde Mens