De drie rijen

Rij 1:

De eerste rij representeert de wereld van het conceptuele, het Geestelijke, het niet tastbare.


Volgens de theosofie wordt, terwijl wij onze eigen wereld scheppen door bewustzijn, het geheel van het gemanifesteerde universum tot leven gebracht door Universeel Bewustzijn, de subjectieve kant van het universele proces, genaamd atma of Brahman of God. Zoals de Indiase wijze Sankaracharya zei, Brahman is Absoluut Bewustzijn. Deze visie van bewustzijn als een fundamentele eigenschap van het goddelijke wordt niet alleen onderwezen door oosterse filosofen maar ook door Christelijke mystici zoals Meister Eckhart, door de Pythagorese en Platoonse filosofie en zelfs door sommige wetenschapsfilosofen. Zoals het aloude Hermetische principe stelt: de wereld werkt "van binnen naar buiten", van het innerlijke domein van zuiver atma of bewustzijn naar de dichte materiële wereld. Bewustzijn gaat vooraf aan alle vormen en roept zelf vormen in het leven als voertuigen voor haar expressie. Zij bedenkt, construeert en bestuurt vervolgens de zichtbare materie.


Er is reden om aan te nemen dat bewustzijn niet alleen een bijproduct is van het ingewikkelde samenstel van complexe moleculen in het brein zoals traditioneel wordt aangenomen in de materialistische wetenschap. De theosofie leert ons, en een aantal contemporaine wetenschappers zijn het daarmee eens, dat het hele universum bewust is, dat zelfs schijnbaar inerte mineralen enige graad van sensitiviteit of perceptievermogen bezitten. Nobelprijswinnaar en bioloog George Wald concludeerde, samen met een aantal natuurkundigen die het contemporaine rijk van subatomaire deeltjes onderzochten, dat er een of ander soort denkvermogen of bewustzijn bestaat in alle materie, dat denkvermogen en materie tweelingaspecten zijn van de realiteit.


Sommige kwantum fysici vinden bevestiging van deze aloude visie van de vooraanstaande plaats van het bewustzijn. Zo vindt men bijvoorbeeld in het gedrag van kwanta steun voor de visie van bewustzijn als universeel en ondeelbaar. Kwanta zijn losse stukjes energie, voortgebracht door kwanta objecten zoals elektronen en fotonen. Deze onvoorstelbaar kleine deeltjes van materie/energie doen vreemde dingen die in strijd lijken te zijn met de Newtoniaanse natuurkunde en het gezonde verstand tarten. Bijvoorbeeld, elektronen springen bliksemsnel van een baan rond de kern van een atoom naar een andere baan, zonder de ruimte ertussen te doorkruisen. Wat verder in strijd lijkt met de Newtoniaanse natuurkunde, tenzij ze geobserveerd en gemeten kunnen worden, zijn de subatomaire deeltjes die zich verspreiden en bestaan als waarschijnlijkheidsgolven op meer dan één plaats. Zij duiken op in diffractieplaatjes als donzige kringen of wolken. Elektronen kunnen tegelijkertijd door twee spleten heen gaan. Maar wanneer ze gemeten worden door ze te volgen in een nevelkamer, verschijnen ze altijd op één enkele plaats, als deeltjes. De bewuste handeling van het observeren ervan brengt ze van een wolk van onzekerheid in de ruimtetijd realiteit als deeltjes. Op één of andere manier selecteren bewustzijn en experimentkeuze of zij verschijnen als deeltje of als golf.


In de kwantumtheorie worden deeltjes niet gezien als kleine biljartballen, maar als eenheden (kwanta) die een waarschijnlijkheidverdeling hebben. Deze verdeling wordt beschreven met een golffunctie. De beschrijving van systemen door middel van een golffunctie betekent dat deeltjes zich, afhankelijk van de manier waarop ze worden waargenomen, soms als een deeltje in klassieke zin, maar soms als een golfverschijnsel gedragen.


Bij het formuleren van de kwantummechanica in termen van golffuncties blijkt dat bepaalde fysische grootheden uitsluitend waarden kunnen aannemen uit een bepaalde verzameling, die van de situatie en de te meten grootheid afhangt. Een bekend voorbeeld is het feit dat elektronen in een atoom slechts bepaalde energieniveaus kunnen bezetten, wat aanleiding geeft tot spectraallijnen in het licht dat door het atoom wordt uitgezonden. Een ander opmerkelijk feit in de kwantummechanica is dat sommige eigenschappen van een systeem niet tegelijkertijd met willekeurige nauwkeurigheid bekend kunnen zijn. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn plaats en impuls, en tijd en energie. Dit feit staat bekend als het onzekerheidsprincipe van Heisenberg.


De gevolgen die de onzekerheidsrelatie van Heisenberg met zich mee brengt, zijn niet alleen natuurkundig maar ook filosofisch enorm. De filosofische implicatie die de kwantummechanica met zich meebrengt is dat we moeten spreken over "de waarschijnlijkheid van een positie van het elektron", in plaats van "de positie van het elektron". De Heisenberg-relatie stelt bovendien dat er een minimum onzekerheid is in de bepaling. Een filosofische interpretatie van die onzekerheid is "willekeur" en in die interpretatie zou dus de kwantummechanica dicteren dat er een fundamentele willekeur in de natuur om ons heen is. Dit in contrast met de klassieke natuurkunde voordien, die wel een fundamentele willekeur uitsloot.


Er zijn verschijnselen die tot nu toe alleen verklaard kunnen worden als we de onzekerheidsrelatie gebruiken. De filosofische implicatie daarvan is dat processen in de natuur gebeuren niet ondanks, maar dankzij de onzekerheidsrelatie van Heisenberg.


Quarks zijn één van de types bouwstenen van elementaire deeltjes. Er bestaan zes soorten quarks: voor elke generatie van elementaire deeltjes een stel. De drie paren worden aangeduid door de Engelse namen up en down; charm en strange; top en bottom. De eerste uit elk paar heeft een lading van +2/3 elementaire lading, de tweede van -1/3. Voor elke quark bestaat ook een antiquark, met de omgekeerde lading.


Alledaagse materie is opgebouwd uit up en down quarks. Quarks kunnen nooit alleen voorkomen, maar alleen in groepen van voornamelijk drietallen bestaande uit 3 quarks. Protonen zijn opgebouwd uit het drietal van één down quark en twee up quarks; de totale lading komt dan op +1 elementaire lading. Neutronen bestaan uit twee down quarks en één up quark, met een totale lading van 0.


De kracht die protonen en neutronen bij elkaar houdt in een atoomkern is te danken aan de sterke wisselwerking tussen de quarks. De krachtvoerende deeltjes heten gluonen, naar het Engelse woord glue, omdat ze de quarks zo vast aan elkaar lijmen dat ze nooit los kunnen komen.


Volgens de theorie over de Oerknal, de Big Bang, zou het heelal oorspronkelijk hebben bestaan uit een uiterst dicht pak materiaal dat na een explosie uitdijde. Hieruit ontstonden de melkwegstelsels, de sterren en de planeten. De oerknal leidde een expansie in die pas tot stilstand zal komen wanneer de krachten van de aantrekking groter zullen worden dan die van de expansie en alles ineenklapt zoals bij het begin. Een andere redenering zegt: de aantrekkingskrachten verdwijnen en de aarde zal sterven door een koudedood. Feit is: eenmaal zal het leven op aarde eindigen. De Amerikaanse fysicus Frank J. Tipler meent echter uit wetenschappelijk onderzoek af te kunnen leiden dat het menselijke leven toch zal verdergaan.


Het kernstuk in zijn redenering is de terugkeer van het universum naar de aanvangssituatie, in wat hij noemt: het Punt Omega. Hiermee zit hij dicht tegen de theorie van de jezuïet, filosoof en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin. Deze zag in de ontwikkeling van de schepping een evolutie naar een steeds intelligenter leven. Die ontwikkeling schreef Teilhard toe aan de goddelijke kracht in de kosmos. Die kracht noemde hij de radiale energie: een doelgerichte, innerlijke kracht die fysisch niet te meten is. De intelligentie van de huidige mens is niet het eindpunt. De mens zal, gedreven door de radiale energie, ten slotte opgaan in het Punt Omega, het punt van één-wording, de laatste stap waarbij de opgestegen geest zijn materieel omhulsel afwerpt in een aanschouwen van GOD.


De mens móest gewoonweg ontstaan. Vanaf het begin was het universum gericht op intelligent leven, aangezien het in de "toevallige" mutatie zo weinig anders had moeten lopen om geen intelligent leven te hebben. Het principe van de schepping is op de mens gericht. De mens kan niet zomaar uit de geschiedenis verdwijnen, aangezien vanaf het begin in het hele universum het intelligenter worden van de schepping in de orde der dingen lag. Wanneer de planeet Aarde over meer dan 1 miljard jaar door de zon letterlijk opgeslokt zal worden en de kosmos nog miljarden jaren verder zal leven tot ook zij dichtklapt en uitdooft, zal die menselijke intelligentie als het ware overgeplant worden.


Het menselijke leven is meer en complexer dan alleen maar de registratie en bewerking van informatiedata. De mens is een complex wezen dat muziek hoort, geniet van het praten met andere mensen, nadenkt over de zin van het leven, bidt tot God, een relatie opbouwt met anderen, kinderen opvoedt. Maar onder al die menselijke capaciteiten en activiteiten steekt op de laagste trap een fysische structuur die deze handelingen mogelijk maakt. De geestelijke activiteiten van denken, horen, bidden en liefhebben hebben hersenen nodig die ook hiervoor aan informatieverwerking doen.


De "computercapaciteit" van het menselijke brein beslaat tien tot de vijftiende macht bits (een getal met 15 nullen). Het zal nog lang duren vooraleer de mens er in slaagt om het menselijke verstand met een PC na te bootsen. Computeremulatie is het in getallenreeksen vastgehouden model van het origineel. Het is alleen de mens die zijn eigen intelligentie kan reproduceren, nabootsen. Een intelligentie die op haar beurt creatief is en intelligentie reproduceert.


Die menselijke eigenschap om intelligentie te creëren, die zo uniek is, moet ergens vandaan komen. Net zoals de kunstmatige intelligentie een emulatie is van het menselijke denken, zo moet de mens een emulatie zijn van de oorsprong van de kosmos. De kosmos was immers vanaf het begin gericht op de creatie van intelligent leven (de mens).


Hier komen we bij het punt van één-wording aan. Het punt van één-wording is een emulatie van een schepsel, de mens. Dus moet het punt van één-wording op zijn minst zo intelligent zijn als de mens. Het is een persoonlijk wezen: een Schepper, GOD. Het punt van één-wording in zijn transcendentie (als scheppende God) is in wezen een zelfprogrammerende universele machine met oneindige opslagcapaciteit. We kunnen zeggen dat de mens in zijn wezen op GOD gelijkt, wat wij van andere levensvormen op aarde niet kunnen zeggen. In een diepe zin is correct wat de Bijbel zegt: God heeft ons mensen naar zijn evenbeeld geschapen, en geen enkel ander leven schiep Hij zo.

Rij 2:

De tweede rij representeert het overgangsgebied, de interface, tussen het Geestelijke (het niet tastbare) en het Fysieke (het tastbare).


Intelligenties vormen samen met de zielen of engelen een tussenrijk (interface) tussen de mens en God. Deze intelligenties bezitten ook verbeelding, sterker nog, ze zijn verbeelding in zuivere vorm. Via het tussenrijk van de verbeelding bereiken mannen én vrouwen hun volmaaktste vorm van godskennis.


Een van deze intelligenties is de Heilige Geest van de openbaring, ofwel Gabriël, de oorsprong van licht en kennis. De menselijke ziel bestaat zowel uit praktische intelligentie, die zich met de Fysieke wereld onderhoudt, als uit schouwende intelligentie, die in staat is om via Gabriël in de Geestelijke wereld te verkeren.


Met de komst van de Westerse Verlichting richtten vele denkers een kunstmatige barrière op tussen de twee belangrijkste uitdrukkingen van bewustzijn: geest en materie. Wetenschappers en geestelijken kwamen stilzwijgend overeen dat elk van hen zich voortaan maar op één van beide vormen zou concentreren, de wetenschappers op de materie en de mensen van de kerk op de geest. Dit tijdelijke bestand vermeed de kwestie van het gezag door de jurisdicties te scheiden. Zoals altijd stelden de priesters zich op als de poortwachters van het goddelijke: de gewone man moest door de stenen poort van de kerk gaan om God aan te kunnen raken. Veel wetenschappers werden echter even dogmatisch. Zij verkondigden met pauselijke onfeilbaarheid dat alleen materie de basis vormde van al wat is. Zelfs onze hogere intellectuele vermogens werden fundamenteel gezien als slechts de gecompliceerde bewegingen van atomen zonder enige werkelijke betekenis of kosmisch doel.



Rij 3:

De derde rij representeert de Fysieke wereld, het tastbare.


Ofschoon bewustzijn aanwezig is in alles wat bestaat, wordt alleen de mens gekenmerkt door zelfbewustzijn. Ieder mens heeft zolang als hij het zich kan herinneren geweten dat hij verschilt van zijn broer, van zijn auto, van de planten in de tuin. Men wordt misschien wakker op een onbekende plaats en vraagt zich af: waar ben ik? Maar men vraagt zich nooit af: wie ben ik? Men heeft een gevoel gehad dat men een zelf is, dat, behalve in gevallen van ernstig geheugenverlies, bij eenieder blijft bij belangrijke veranderingen naarmate men ouder wordt door de verschillende levensfasen heen. Men heeft een blijvend gevoel van ik-ben-ik, van egoschap, van zelf zijn en niemand anders.


Onderzoekers hebben de ontwikkelingsstadia van het zichzelf kennen, van zelfbewustzijn in kaart gebracht. Ze vroegen individuen in de leeftijd van peuter tot puber, "Wat of waar is jouw zelf?" Ze ontdekten dat peuters het gevoel hebben dat het zelf "binnenin" is en de realiteit "buiten" is. Iets oudere kinderen geloven dat het zelf te identificeren valt met het fysieke lichaam, maar het denkvermogen beheerst het zelf en kan het vertellen wat het moet doen: Het denken is een groot persoon en het lichaam is een klein persoon. Op de leeftijd van zeven tot twaalf jaar is het zelf niet een lichaam maar een persoon, een sociale rol die zowel denkvermogen als lichaam omvat. Op de leeftijd van elf tot zeventien wordt de sociale persoonlijkheid of rol gezien als een onechte uiterlijke verschijning, die anders is dan het ware innerlijk zelf. Deze jonge mensen beginnen een glimp te zien van het zelf als die natuur die zichzelf blijft temidden van veranderingen in mentale inhoud. Bespiegelend zelfbewustzijn daagt, zodat zij er gedachten en gevoelens, die onafhankelijk zijn van de sociale situatie, op na kunnen houden. In latere stadia wordt het zelf als observeerder onderscheiden van de ideeën die we hebben over wie wij zijn, of over ons zelfconcept.


Het denkvermogen ziet het subjectieve "ik" als een entiteit met continuïteit. Het komt ons voor dat wij een voortdurend, definitief zelf zijn, afgescheiden van al het andere. Maar diep besef van innerlijke processen openbaart dat dit gevoel van zelf ontstaat door het aan elkaar rijgen van herinneringen. Zoals veel meditatiemeesters ontdekt hebben is ons gewone gevoel van een onafhankelijk "ik" een illusie, een gekristalliseerd concept in ons denken. Het observeren van de inhoud van het denkvermogen laat slechts voorbijgaande sensaties, gedachten, emoties, herinneringen, en beelden zien, zonder dat een zelf daar ergens ingekapseld zit. Wat wij gewoonlijk beschouwen als "ik" is een referentiepunt dat ons oriënteert in de snelle stroom van de veranderende inhoud van het bewustzijn.


Onze gewaarwordingen zijn het gevolg van de eigenschappen van onze zintuigen. Dat ik een geluid ervaar, komt door de druk van iets van buiten op mijn trommelvlies.


Het enige dat ik weet, is dat mijn trommelvlies op iets van buitenaf in tegengestelde richting reageert. Ik ervaar, dat er van binnen naar buiten iets zodanig drukt, dat de kromming, die onder druk van buiten is ontstaan, in evenwicht wordt gebracht. Deze reactie van mij meet ik van binnenuit namelijk in mijn hersenen, en ik ervaar het als een gebeurtenis, die om mij heen plaatsvindt. Maar ik heb geen flauw idee wat er werkelijk buiten mij gebeurt, immers in mijzelf ervaar ik alleen een reactie van mijn zintuigen.


Iets dergelijks vindt ook met mijn andere zintuigen plaats: gezichtsvermogen, smaak, tastzin en reukzin. Wij kunnen nooit buiten de grenzen van ons lichaam komen. Alles, wat wij als het ware over het gebeurde buiten onszelf kunnen zeggen, is, dat we ons dat in onszelf verbeelden ten behoeve van onszelf.


De bestudering van de Kabbala kan ons helpen om de grenzen van onze natuurlijke gevoelens te verleggen en een aanvullend zesde zintuig te verkrijgen. Beter is het te zeggen, dat het geen aanvullend gevoelsorgaan is, maar een gewaarwording van de volle inwerking van het licht van buitenaf.


Een kabbalist bevat de Geestelijke wereld, terwijl hij zich in zijn lichaam in de Fysieke wereld bevindt. Hij ervaart beide werelden als één geheel zonder dat er grenzen tussen beide werelden worden getrokken. Pas wanneer een mens aan de gewaarwording van de echte realiteit toekomt, begint hij in te zien wat er met hem op deze aarde gebeurt. Zo komt hij tot het besef inzake de resultaten van zijn handelingen. Dan pas wordt hij voor het eerst een realist. Hij leeft, alles gewaarwordend en weet, wat hij met zichzelf en met zijn leven moet doen.


Zolang de mens nog niet op dit bewustwordingsniveau is aangekomen, is hij waarlijk blind. Hij beschikt over geen enkel middel om te weten te komen, waarvoor hij geboren is, wie hij is en wat de resultaten van zijn daden zijn. Waar gaat hij heen als hij sterft? Alles wordt voor hem door de grenzen van de Fysieke wereld beperkt: hij kwam hier zonder bewustzijn van het Geestelijke en zo gaat hij ook heen.


Aanvankelijk bevindt alles zich op het bewustzijnsniveau van de Fysieke wereld. Onze zintuigen zijn voor ons allemaal op gelijke wijze beperkt en vandaar dat wij allemaal hetzelfde tafereel zien. Maar in de loop van het leerproces onthullen we aanvullende vormen en verbanden, beginnen we dingen te zien, die wij vandaag niet in staat zijn te zien.


Ons niveau is vandaag het laagste, daar wij ons bevinden recht tegenover het uiteinde van het heelal, waar de Schepper zich bevindt. De eigenschap van de Schepper is eindeloos geven, terwijl ons natuurlijke beginsel is alleen voor onszelf te ontvangen.



Rij 1: 2: 3:

Volgens Descartes is er maar één enkel middel dat kennis van de werkelijkheid mogelijk maakt: het verstand. Volgens Pascal zijn er drie: de ervaring, het verstand en het hart.

1:VerstandGeestelijk
2:Het hartKabbala
3:ErvaringFysiek

We kunnen de 3 Rijen nogmaals beschouwen, maar dan in samenhang en eventueel ook nog vanuit verschillende invalshoeken.


Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om met behulp van het Negenvlak te leren denken in modellen. Rij 1 is de modellen wereld en Rij 3 de reële wereld. Dat kan op verschillende niveaus. Een model wordt ook wel een afbeelding van een fysiek object genoemd. Er kan een hiërarchie van modellen ontstaan. Het Negenvlak als denkraam beschrijft in dat opzicht telkens één niveau uit de hiërarchie.


Wanneer we aan een huis denken, dan is het huis het fysieke object en de bouwtekening de afbeelding. Dit is het eerste niveau uit de modellen hiërarchie. We kunnen echter ook de bouwtekening als fysiek object zien. Het ontwerp in ons hoofd is dan de afbeelding. Dit is het tweede niveau uit de modellen hiërarchie. Tot zover is het nog redelijk te begrijpen. Moeilijk wordt het pas echt als we nog een niveau dieper gaan. We maken het ontwerp in ons hoofd het fysieke object. Door het ontwerp proces is er in ons hoofd door synaps vorming een blijvende verandering van ons brein ontstaan. Echter welke afbeelding stond daar aan ten grondslag? Hier hebben we het ineens over de kennis die we NIET hebben.


De kennis over de Schepper, over de Geestelijke wereld, de Kabbala, werd door kabbalisten van mond tot mond en schriftelijk doorgegeven. Het allereerste boek over de Kabbala werd door Adam geschreven. Zijn kennis verkreeg hij direct van boven.


Elke gewone mens kan naast de bestaande vijf zintuigen een extra zesde zintuig verkrijgen. Dit zesde zintuig is de gevoeligheid voor het Geestelijke. Met dat zintuig is hij in staat om de geestelijke wereld als een concrete realiteit te voelen, precies zoals wij onze dagelijkse realiteit, onze wereld, gewaarworden.


De Geestelijke wereld ligt buiten bereik van onze gewone gewaarwordingen. Een kabbalist ziet hoe alles uit de Geestelijke wereld neerdaalt en in de Fysieke wereld geboren wordt. De kabbalist bevindt zich tegelijkertijd in beide werelden, de Geestelijke en de Fysieke.


Een kabbalist is in staat het gehele beeld van het heelal te bevatten. Kabbalisten beschikken over de mogelijkheid om de gegevens over het gehele heelal, over de bron van ons leven, over datgene wat gaat gebeuren, te onderzoeken en aan ons mede te delen. Zij geven ons de methode om de Geestelijke wereld te begrijpen.


De kabbalistische weg ter correctie van de essentie van een mens verwerpt alle vormen van geweld volledig. De weg ter correctie geeft aan een mens een voorstelling van het Licht, van wat het Geestelijke is. Daardoor zal een mens zelf, bewust, maar afhankelijk van zijn geestelijke bevattingsvermogen, de voorkeur geven aan het Geestelijke boven het materiële.