De twee gekleurde gebieden

Als alle macht in de handen van wetenschappers is, wordt alles mogelijk. We weten intussen dat de potentie van de wetenschap enorm is, zowel ten goede als ten kwade. De bestudering van die potenties behoeft een ethiek, een stelsel van normen en waarden, dat uitspraken doet over wat "ten goede" en "ten kwade" eigenlijk is. Dat wordt door de wetenschap zelf niet geleverd, daar is een levensbeschouwing voor nodig. Wetenschap kan alleen vaststellen wat is, niet wat zou moeten zijn; daar hebben we de religie voor.


Alles wat ik weet en waarneem, noem ik het gekende, het Goede (het Rode gebied). Alles wat ik niet weet en niet waarneem, noem ik het ongekende, het Kwade (het blauwe gebied). Het gekende is de helft van het ongekende. Meer dan deze twee samen, gekende en ongekende, is er niet. Het is alles.


Hier zijn geen universele wetten, hier is geen wet van karma, hier is geen wet van aantrekking en afstoting, hier is maar één universele wet en dat is de wet van Liefde. Alle andere wetten zijn bedacht om het voor ons begrijpelijker te maken. Deze ene wet van Liefde verklaart alles over het gekende en het ongekende. Wij mensen pogen die wet met metafysica (intuïtief) en fysica (verstandelijk) te ontdekken. We zijn op zoek naar deze ene basiswet. We zullen deze ene formule ontdekken, door elk punt in het geestelijke Rode gebied aan het bijbehorende punt in het fysieke Rode gebied te koppelen. Blauw maakt plaats voor Rood, niet weten maakt plaats voor weten, het ongekende maakt plaats voor het gekende. Pas dan ontdekken we het Goddelijk Principe, pas dan ontdekken we de Liefde en dus GOD.


Onze God van Liefde heeft ons geschapen met een vrije wil, dus met de mogelijkheid te kiezen tussen Goed en Kwaad, tussen wel Liefde en geen Liefde, tussen naastenliefde en egoïsme. Het kwaad bestaat, maar er bestaat geen externe boze geest Satan die onze wil kan annexeren en manipuleren. Dat veroorzaken we zelf, door ons eigen egoïsme en angst.


Wetenschap onderzoekt de wereld met instrumenten die wij maken. De manier waarop deze instrumenten werken is gebaseerd op onze vijf zintuigen: zicht, geluid, smaak, geur en aanraken. We kunnen niets nieuws bedenken, compleet anders, wat ongelijk is aan wat we waarnemen in onze zintuigen. Alle informatie die door onze instrumenten en door onze zintuigen wordt geanalyseerd in ons brein, schept in ons een beeld waarvan we denken dat het het beeld is van de wereld om ons heen.


Indien we de frequentie van één van onze zintuigen zouden kunnen verhogen zouden we, bijvoorbeeld, röntgen straling zien, of geluiden horen die boven onze gehoorgrens liggen. In dat geval zou de wereld om ons heen heel anders lijken. We zouden het nog steeds zien als "onze wereld", maar het zou veranderen vergeleken met de wereld die we vandaag zien.


Alle velden van de wetenschap behandelen datgene wat we waarnemen met onze zintuigen, maar de Kabbala behandelt het verkrijgen van kennis die onze beperkte zintuigen te boven gaat. Indien, bijvoorbeeld, informatie in de vorm van geluiden ons bereikt, hoe weten we dan dat het een geluid is? Golven bestaan om ons heen en sommige van hen drukken op onze trommelvliezen, welke op zijn beurt signalen doorgeeft aan een innerlijk mechanisme waarna het terug in balans komt. Het brein meet de kracht en de frequentie van de beweging in het trommelvlies en vertaalt die informatie in geluiden. We ontvangen deze gegevens als een combinatie van geluiden, een toon, een ruis of andere geluiden.


Met andere woorden, onze reactie was enkel een bij effect van de druk die uitgeoefend werd op ons door onze omgeving. We kennen de geluiden om ons niet, enkel wat wij voelen. Al onze zintuigen zijn op deze manier opgebouwd. We weten niet wat om ons heen is, enkel datgene wat we voelen. De wereld om ons heen kan oneindig zijn in kleur of geluid, maar alles wat we opvangen is wat onze zintuigen opvangen.


Alle wetenschappen zijn gelimiteerd door onze vijf zintuigen, terwijl de Kabbala spreekt over datgene wat verkregen kan worden met een extra zintuig genaamd het zesde zintuig. Daarmee kunnen we de realiteit buiten onze zintuigen waarnemen. Indien een persoon een bepaalde beproeving heeft ondergaan, kan hij meeleven met iemand die door een soortgelijke ervaring gaat, want hij heeft een passende ervaring ondergaan - emoties van dezelfde ervaring. In feite, heeft hij alles wat benodigd is om zijn medemens te voelen, de emoties van zijn medemens. Een persoon die geen gelijkwaardige ervaring heeft opgedaan kan zich niet goed inleven in andere mensen en kan ongevoelig zijn voor de pijn van een vriend.


Het verschil tussen mensen en elk ander deel van de natuur is het talent om dit of dat effect van het deel van de onbekende buitenkant waar te nemen. Onze onderzoekingen van de buitenwereld, welke we normaal niet bereiken, is gebaseerd op het gelijk maken van onze innerlijke eigenschappen aan de fenomenen buiten ons. Indien we bepaalde spirituele zintuigen ontwikkelen, welke bij onze geboorte niet in ons bestaan, kunnen we ze gebruiken om een hogere wereld te bereiken; een spirituele, eeuwige en ruime wereld, die niet aanwezig is in de conceptie van gewone mensen.


De Kabbala is een systeem dat aanvullende zintuigen ontwikkeld, waardoor een persoon de spirituele wereld begint te voelen, als toevoeging op de wereld zoals we die vandaag voelen. Als toevoeging op het kleine deel dat de mens ontvangt, komt hij in een compleet ander veld van informatie. We worden geboren; we voelen onszelf in het biologische lichaam voor enige tijd en dan verdwijnen we.


Mensen denken, ze zijn slim, de hoogste graad van de schepping. Maar we zijn ontvreemd aan de realiteit, van de Waarheid. Indien we trots zijn omdat we erg slim zijn, bewijst dat enkel dat ons niveau van ontwikkeling erg laag is en dat we ons zelfs niet bewust zijn van onze werkelijke toestand.


Natuurlijk, in een dergelijk geval is onderwijs niet nodig, omdat onderwijs enkel nodig is om aan te vullen wat de mens niet zelf kan zien. Indien iemand duidelijk de consequenties van zijn acties kan zien, kan iemand kwaad doen, maar het zou duidelijk zijn wat goed en kwaad is. Dan zal geen ruimte bestaan voor theorieën en filosofieën.


Alles zou zo duidelijk zijn dat misleiding zou ophouden te bestaan door de volle ontwikkeling van de verlangens en intenties van de mens. De Kabbala beschrijft de weg waarop de mens een extra zintuig ontvangt, waardoor hij de objectieve realiteit kan zien in plaats van de foute voorstelling. Het beschrijft hoe dat zintuig zich ontwikkeld.


Door dat zintuig ontvangen we informatie over hoe correct te beginnen te handelen, in het licht van de nieuw ontvangen informatie. Kabbalisten zeggen op deze weg gaat de mens verder dan de grenzen van leven en dood en tijd en ruimte. Hij ziet het hele leven, voor zijn dood en na zijn dood. Zo voelt hij de objectieve realiteit in zijn biologisch lichaam. Hij stijgt naar een niveau waar verleden, heden en toekomst één zijn. Hij ziet het hele mechanisme van de voorzienigheid en begint er actief deel van uit te maken. Hij maakt deel uit van het universum en beoordeelt zijn acties correct, waar hij eerder faalde.



Het blauwe gebied

Nietzsche - Fröhliche Wissenschaft:
Hebt gij niet gehoord van die uitzinnige, die in het helle licht van de voormiddag een lantaarn aanstak, de markt op ging en onophoudelijk riep: "Ik zoek God! Ik zoek God! - Omdat er daar juist veel van die lieden bijeen stonden die niet aan God geloofden, verwekte dit groot gelach. "Is hij soms verloren gegaan?" zei de een. - "Is hij verdwaald als een kind?" zei de ander. - "Of houdt hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Geëmigreerd? - zo schreeuwden en lachten zij door elkaar. De uitzinnige sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. "Waar God heen is? riep hij uit. "Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood - jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, om de hele horizon uit te vegen? Wat deden we toen we de aarde van haar zon ontkoppelden. Waarheen beweegt zij zich nu? Waarheen bewegen wijzelf? Weg van alle zonnen? Vallen we niet aan een stuk door? En terug, opzij, naar voren, naar alle kanten. Is er nog wel boven en beneden? Dwalen wij niet door een oneindig niets? Hijgt de leegte ons niet in de nek? Is het niet kouder geworden? Komt niet meer en meer de nacht? Moeten de lantaarnen niet in de ochtend aangestoken worden? Horen wij nog niets van het rumoer van de doodgravers die God begraven? Ruiken we nog niets van de goddelijke ontbinding? - Ook goden ontbinden! God is dood!~God blijft dood! En wij hebben hem gedood. Hoe troosten wij ons, moordenaars der moordenaars. Het Heiligste en Machtigste dat de wereld ooit bezat is onder onze messen doodgebloed - wie wist dit bloed voor ons weg?
(Fröliche Wissenschaft 125).


Het blauwe vlak komt overeen met de kennis die je niet hebt, ofwel de kennis die we niet hebben. Het Negenvlak is niet gebonden aan een persoon. Het is een denkraam.


De kennis die je niet hebt is groot. De totale hoeveelheid kennis die in het universum aanwezig is, is eindig.


Dat wat we niet weten zit dus in het Blauwe gebied, dat wat we weten in het Rode gebied. Het is de bedoeling de totale hoeveelheid niet weten zodanig te verkleinen, dat bij de overgang naar de Dood het blauwe vlak minimaal is.


Niet weten komt overeen met het Kwaad. Gebrek aan kennis leidt tot gebrek aan inzicht en gebrek aan inzicht leidt tot het Kwaad. Er zijn voorbeelden genoeg om dat aan te tonen.


Het probleem van de mens is dat hij telkens denkt alles te weten. Elke generatie opnieuw. Zo denken de kinderen meer te weten dan de ouders. In zekere zin is dat natuurlijk zo, echter de nieuwe generatie weet zeker niet alles. Om alles te weten is kennisoverdracht van de ouders naar de kinderen niet genoeg. Kennisoverdracht ofwel onderwijs is in feite niet meer dan het kopiëren van de geborgde kennis uit Rij 3 van de oude generatie naar de nieuwe generatie.


Nieuwe kennis moet uit Rij 1 komen. Soms zijn er zieners, of ook wel wetenschappers, die plotseling, vanuit een soort ingeving, kennis onttrekken aan Rij 1 en die beschikbaar stellen aan andere mensen. Het onttrekken van kennis aan Rij 1 gebeurd echter op primitieve wijze en niet systematisch.


Het borgen van eenmaal aan Rij 1 onttrokken kennis geschiedt vaak wel professioneel en systematisch. Het gevolg hiervan is, dat de mensheid het idee heeft dat de kennis moet worden gezocht in Rij 3. Men is zo intensief bezig met het borgen van de onttrokken kennis, dat men Rij 3 als bron is gaan zien. Dat is echter een dwaling. De bron van alle kennis ligt in Rij 1, het doel ligt in Rij 3.


Sommige culturen gaan nog een stap verder met de verwisseling. Dat is uiterst kwalijk. Die culturen beschouwen Rij 3 als bron en Rij 1 als doel. Deze verwisseling heeft nare gevolgen. Men brengt geborgde kennis in feite terug naar de bron. Het netto effect hiervan is een beweging in de richting Oud. De opdracht van onze Schepper is juist de beweging in de richting Nieuw. In het blauwe deel van het Negenvlak moet men denken in modellen. Rij 1 als afbeelding van Rij 3, met Rij 2 als interface. Door de werking van het blauwe gebied te begrijpen, komt men tot kennis. De richting is dus naar Nieuw. Kennis gaat over in inzicht en vervolgens tot het bereiken van het punt van één-wording.


Er is in het blauwe gebied sprake van een modellen hiërarchie. Wat dus vanuit het ene perspectief een afbeelding is, kan vanuit een ander perspectief een reëel object zijn. De grote vraag is nu waar de top van de hiërarchie is. En wat is die top van de hiërarchie? Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Door systematisch het blauwe gebied te exploreren en in de richting Nieuw te gaan, zal het antwoord op deze vraag worden beantwoord.


De mens bezit door de Schepping over een vrije wil. We hebben als mens dus de vrije keuze of wij de Waarheid willen kennen. Er komt onmiddellijk een nieuwe vraag aan de orde. Willen wij als mensheid de Waarheid kennen?


In eerste instantie is men geneigd te denken dat wij dat inderdaad willen. Enerzijds zijn wij door onze aangeboren nieuwsgierigheid geneigd alles te willen weten en dus ook de Waarheid. Anderzijds zijn wij door onze Schepper gedwongen de Waarheid te kennen. Alles wijst er dus op dat wij als mensheid inderdaad de Waarheid willen kennen.


In tweede instantie wordt men zich al gauw bewust van het feit dat het kennen van de Waarheid (vervelende) consequenties heeft. Met het kennen van de Waarheid komt iedere vorm van verschil te vervallen. Wanneer ieder mens afzonderlijk de Waarheid kent op het snijvlak van het overgangsgebied in Rij 2, dan weet iedereen alles van alles. Men is daarmee de Leugen voorbij. Willen wij de Leugen wel voorbij zijn?


Op dit moment ben ik sterk geneigd te zeggen dat de mensheid dit niet wil. De mens kiest er voor de Waarheid niet te kennen en de Leugen (of zo men wil de on-Waarheid) wel. Het in stand houden van de Leugen brengt individuen namelijk tijdens het leven veel voordeel. Ik bedoel hierbij het leven in de wereld van Kolom A, de wereld van het Geloven, het niet-weten. De on-waarheden creëren een virtuele wereld. Alleen de Waarheid kan de werkelijkheid zuiver en voor 100% echt beschrijven. Het jarenlang stapelen van on-waarheden, heeft de on-Waarheid tot Waarheid gemaakt. Deze verwisseling leidt in de richting Oud.


Het gaan in de richting Nieuw met als eerste en belangrijke stap de overgang van de Bekering, vereist dus een totaal andere manier van denken. Het verruilen van de virtuele wereld voor een reële wereld is een grote stap voor de mensheid. Deze stap is groter dan die van de eerste stap van de mens op de maan. Het zal ons naar het punt van één-wording brengen.


Zij die een verlangen hebben in de richting Oud zullen alles los moeten laten. De bestaande doelen zullen geen enkele betekenis meer hebben. Bezit leidt naar Oud en is dus niet langer een levensdoel. Zo ook status. En wat te denken van een hoog saldo op de bankrekening. Het zijn alle levensdoelen uit de Oude virtuele wereld.


Voor mijzelf is die Oude wereld niet te begrijpen. Juist daarom heb ik het denkraam van het Negenvlak ontwikkeld. Het geeft mij de mogelijkheid die ongrijpbare wereld te begrijpen. Het laat mij zien hoe mensen druk bezig zijn zich een positie te verwerven. Ieder voor zich en generatie na generatie telkens weer opnieuw. Het heeft veel weg van een mierenhoop, echter met dit verschil dat mieren systematisch en ordelijk te werk gaan met een duidelijke doelstelling en mensen niet. Mensen streven met een gigantisch grote ijver allerlei subdoelstellingen na die op geen enkele wijze leiden naar een doel. Elke sub-doelstelling wordt met meer of met minder succes gehaald, maar die sub-doelstelling draagt op geen enkele wijze bij tot het echte doel.


Wij weten nog veel niet, dat durf ik te stellen. Wat wij op dit moment "weten-schap" noemen, zou ik met klem "veronderstel-schap" of in sommige gevallen zelfs "geloof-schap" willen noemen. Vroeger wist men dat een vrouw van klein gewicht kon vliegen op een bezemsteel. Tegenwoordig weten we dat dit niet mogelijk is. Beide wetenschappen sluiten elkaar uit. En hoe zit dat met de "weten-schap" anno 2004?


Wij weten vandaag dat er moleculen bestaan en dat alle materie daaruit is opgebouwd. Zo denken wij ook te weten dat de moleculen op de aarde er altijd geweest zijn in de verhouding en aantallen zoals we ze nu aantreffen. Maar is dat wel zo? Ik ga er van uit dat alle materie is gecreëerd. Materie is maakbaar. In de toekomst zullen we dus weten dat moleculen kunnen worden geconstrueerd en wel in de aantallen en verhouding zoals we die nodig hebben.


Zo zoeken wetenschappers naar water op Mars, in de hoop daar leven aan te treffen of zo nodig te creëren. Dat zoeken is echter een nutteloze bezigheid, want men kan uit de ruwe materie van Mars water creëren. Waterstof en zuurstof atomen zijn eenvoudig maakbaar, of zo men wil converteerbaar vanuit de ruwe materie. Zoeken is zinloos, want alles is al aanwezig. Voor mij is dit principe inmiddels weten. Wanneer wordt deze kennis wetenschap? Hoe lang moet het nog duren, voordat wij inzien dat onze materiekennis nog op het niveau staat van de vliegende vrouw op de bezemsteel?


Neem een enorme stapel stenen en wat cement en leg dat ergens neer op een geschikte locatie. Wacht vervolgens een miljoen jaar. Na deze periode is de stapel stenen door natuurlijke selectie uit zichzelf een kathedraal geworden. Deze weten-schap wordt op dit moment onderwezen. Vreemd genoeg "gelooft" niemand dit verhaal, omdat wij "weten" dat dit niet kan.


Neem een enorme hoeveelheid moleculen en wat warmte en breng die bij elkaar op een geschikte locatie. Wacht vervolgens een miljoen jaar. Na deze periode is uit deze materie door natuurlijke selectie uit zichzelf een mens ontstaan. Dit verhaal "gelooft" bijna iedereen, omdat wij "weten" dat dit zo is. Vreemd eigenlijk dat wij dit geloven en ook denken te weten.


Ik geloof dat de mens is gecreëerd. Ik denk dat zelfs te weten. Het bouwplan bevindt zich voor mij echter nog in het Blauwe gebied. Ik ben al een eindje in de richting Nieuw gegaan, om mijn niet weten plaats te laten maken door weten. Het moet niet zo moeilijk zijn om de punten uit het Rode gebied bij elkaar te brengen. Ook die kennis zal in de nabije toekomst worden geborgd.



Het rode gebied

Natuurfilosofen, theologen, humanisten en dichters bestudeerden de natuur vanuit de gedachte dat die een soort tweede boek van God was. Daaruit moest je, net als uit de bijbel, kunnen afleiden dat God bestaat. Geleerden legden verzamelingen aan, een soort rariteitenkabinetten uit de natuur. Van mummies en Nijlriet tot vlinders en schelpen. Als letters uit het Boek der Natuur en bedoeld om de bijbel te illustreren. Nu wordt gezegd dat het overdrachtelijk bedoeld is, maar in die tijd nam men het letterlijk: De schepping voor onse ooghen is als een schoon boec, in welcke alle schepselen, groote ende cleyne, ghelijck als letteren zijn. Het onderzoek der natuur was niet voorbehouden aan een klein clubje wiskundigen en astronomen. Het was een brede beweging. Veel dominees ontpopten zich als kenners van planten en zetten telescopen op het dak. Als mensen sprinkhanen zagen, ontstonden levendige discussies over een van de plagen uit het Oude Testament. Kometen werden gezien als tekenen uit de hemel.


Het rode vlak komt overeen met de kennis die je hebt, ofwel de kennis die we hebben. Het Negenvlak is niet gebonden aan een persoon. Het is een denkraam.


De kennis die je hebt is beperkt. Het is echter mogelijk om alle kennis die er is te verkrijgen. Uiteindelijk zal blijken dat de totale hoeveelheid kennis die in het universum aanwezig is, eindig is.


Dat wat we weten zit dus in het Rode gebied, dat wat we niet weten in het Blauwe gebied. Het is de bedoeling de totale hoeveelheid kennis zodanig groot te maken, dat bij de overgang naar de Dood het rode vlak maximaal is.


Er zijn weinig tot geen mensen die dit hebben weten te bereiken. Daar zijn een aantal redenen voor aan te wijzen. Allereerst weten veel mensen niet, dat dit de opdracht van hun Schepper is. Ook weten veel mensen niet hoe ze aan de kennis moeten komen. Ook zijn er culturen waar kennis vergaren wordt ontmoedigd.


Het Rode gebied komt ook overeen met het Goede. Er is dus een overeenkomst tussen kennis hebben en het Goede. Kennis leidt tot inzicht en inzicht tot het Goede. Een aantal voorbeelden kan dit duidelijk maken.


In de middeleeuwen had men geen kennis van Aërodynamica. Men ging er toen van uit dat vrouwen konden vliegen, wanneer ze onder een bepaald gewicht bleven. Voor mannen gold die regel vreemd genoeg niet. Zo had men openbare gebouwen met een weegschaal, waarop vrouwen gewogen werden. Op basis van een willekeurig gekozen gewicht, bepaalde men of een vrouw kon vliegen. Een dergelijke vrouw was "gewogen en te licht bevonden". Deze zegswijze is nog steeds in onze taal aanwezig. Men ging er van uit dat een vrouw met een klein gewicht kon vliegen op een bezemsteel.


Zo is kennis hebben dus een ingewikkeld fenomeen. Immers, als wij de kennis zouden hebben te vliegen op een bezemsteel, waren we van twee belangrijke problemen uit onze tijd verlost, namelijk dure brandstof en files.


Helaas kunnen we alleen vliegen als we voldoen aan de wetten van de aërodynamica. Kennis hebben van die wetten is dus een vereiste. Toch waren de mensen in de middeleeuwen overtuigd van hun gelijk. Wat valt hieruit te concluderen. Wat weten we nu eigenlijk echt? En wanneer weten we zeker dat het de werkelijkheid is. Het antwoord vinden we in het Rode gebied in Rij 1.


De kennis van de mensen uit de middeleeuwen was gebaseerd op de ervaring, en dus kennis opgebouwd vanuit het Rode gebied van Rij 3. Dat is in feite wat we ook tegenwoordig nog steeds doen. Dat is begrijpelijk maar eigenlijk wel vreemd. Er zijn meer voorbeelden te noemen, waaruit blijkt dat kennis opgedaan vanuit Rij 3 tot vreemde inzichten leidt. Kennis moet dus opgedaan worden vanuit Rij 1 en kan geborgd (verankerd) worden in Rij 3.



Goed en kwaad

De wet of stelregel betreffende recht en onrecht placht men vroeger de natuurwet te noemen. Wanneer wij tegenwoordig van natuurwetten spreken, bedoelen wij daarmee gewoonlijk dingen als zwaartekracht, erfelijkheid of scheikundige wetten. Wanneer echter vroegere denkers de wet van recht en onrecht, van goed en kwaad, de natuurwet noemden, dan bedoelden zij daarmee werkelijk de wet der menselijke natuur.


Als we met mensen te maken hebben, doet zich iets gelden dat boven en buiten de tastbare feiten staat. Men heeft te doen met feiten (namelijk hoe de mensen zich gedragen) en men heeft te doen met iets anders (namelijk hoe zij zich behoren te gedragen). In het heelal behoeven er niets anders dan de feiten te zijn. Mensen hebben blijkbaar een keuze (zoals men wil of zoals het hoort).


De natuurwet is niet enkel een antwoord op de vraag hoe wij zouden willen dat mensen zich gedragen, zo dat wij er gemak van hebben. Een gedragswijze die wij slecht of oneerlijk noemen, is niet precies hetzelfde als een gedragswijze waarvan wij last ondervinden: ze kan zelfs het tegendeel daarvan zijn. Daarom moet deze regel van goed en kwaad, deze wet der menselijke natuur of hoe men haar wil noemen, op de een of andere manier een reële zaak zijn; iets dat er werkelijk is en dat niet door ons is uitgedacht.


GOD heeft aan de wezens die HIJ schiep een vrije wil gegeven. Dat houdt in dat deze schepselen goed of kwaad kunnen doen. Men kan zich een schepsel voorstellen dat vrij is, maar dat niet de mogelijkheid in zich heeft de verkeerde weg te gaan. Als een wezen vrij is om goed te zijn, dan is het ook vrij om kwaad te zijn. De vrije wil is juist datgene wat het kwade mogelijk maakt.