FOTORAPPORTAGE: DE VELUWE IN DE SNEEUW (MAANDAG 7 DECEMBER 1998)



Reeds twee keer eerder dit jaar moest een wandeldag van Wim Scherpenisse en mij afgelast worden wegens ongunstige weersomstandigheden. Op de zevende december liet het weer zich van zijn allerbeste kant zien (cliché): er was zon en windstilte voorspeld. Helaas dreigt een andere omstandigheid roet in het eten te gooien (cliché, cliché): de treinmachinisten van rayon Leeuwarden staakten wild voor eeuwig employment en salarisgaranties tot december 2099 (help me herinneren, dat ik ze hiervoor de Sjef Koekenbakker Award toeken), zodat Wim zijn woonplaats Zuidhorn mogelijk niet eens zou kunnen verlaten. We besloten, toch op weg te gaan. De trein van Leeuwarden naar Groningen bleek gewoon te rijden (met name de reeds noodlijdende lijnen naar Stavoren en Harlingen bleken getroffen door de wilde actie).

Voor beide wandelaars was sprake van een reis naar het verleden. Wims moeder is geboren in Harderwijk, al heeft ze er niet lang gewoond, en ik heb vrijwel alle zomervakanties in de jaren 60 doorgebracht in het Vakantieverblijf De Heihaas in Putten.

Harderwijk was, na de wintersluiting van het Dolfinarium, teruggebracht tot zijn ware aard; een mooie en rustige oude vissersstad aan wat ooit de Zuiderzee heette (maar nu, geloof ik, het Nuldernauw, aan de overkant waarvan de skyline van Zeewolde zichtbaar is).

Na een kennismaking met de Harderwijkse horeca (bij destationsrestauratie hadden wij het voorgoed verkorven toen ik me voortijdig aan de gevulde koeken vergreep, die eigenlijk niet voor zelfbediening bestemd waren; bij het restaurantje aan de boulevard, met de originele naam Zeezicht, werden we afstandelijk-correct en Veluws sloom bediend), na de Harderwijkse horeca dus, namen wij bus 104 naar Staverden.

We stapten uit een halte voorbij restaurant De Zwarte Boer, in de jaren 60 rustplaats bij lange fietstochten in de omgeving van Putten. De Veluwe lag onder een dik pak sneeuw. Misschien kwam het daardoor, dat ik situatie ter plaatse niet helemaal herkende. Het koste ons enige moeite om het kasteeltje van Staverden te vinden. Ooit was dit bestemd als vakantieverblijf voor arbeiders. In de huidige tijd doet het dienst als lokatie voor conferenties, retraites en chique parties.

Vervolgens sloegen wij de weg in naar Speuld. Ergens moeten wij een ondergesneeuwde ANWB-paddestoel gemist hebben, want Speuld hebben we nooit gezien. We liepen langs militair terrein. Er stonden radiozenders en zo te zien onbemande tanks. Na een zijpad en nog een zijpad ingeslagen te hebben, en nadat ondergetekende keihard onderuit was gegaan op de gladde weg, bereikten we de Speulder- en Sprielderbossen en het gehucht Drie, dat ook op de route stond. We spraken over literatuur en taalkunde, onderwerpen waarmee je slechts weinig mensen in je kennissen-, familie- en vriendenkring kunt lastigvallen.

Voorbij Drie begint het wandelpad naar het Solsche gat. Dit is een 7 meter diepe en 100 meter lange kloof in het bos, ontstaan tijdens de laatste ijstijd door een oprukkende ijsmassa. Het Solsche Gat is een enigszins geheimzinnige plaats, waar je het in een bos hoogst zeldzame verschijnsel van echo kunt horen. Vele legenden over het Solsche Gat doen al eeuwen de ronde op de Veluwe. Wie valt in de donkere poel in het midden van de kloof, zo wist ik als kind, wordt onmiddellijk naar beneden gezogen en ziet de bewoonde wereld nooit meer terug.

In de eerste eeuwen na het begin van de jaartelling deed het stuk bos rond de put dienst als dingplaats. Er stond een altaar voor de god Sol; hieraan ontleent het gat zijn naam. Ook voor de moderne vakantieganger is het gat een ontmoetingsplaats, zoals blijkt uit de tientallen picknickbanken die rond de kloof staan opgesteld.





We liepen verder richting Putten en zagen voor het eerst sinds uren andere levende wezens: een gezin dat liep te wandelen met de hond. Tegen het invallen van de schemering bereikten wij de eerste straten van Putten. Het station lag helemaal aan de andere kant van de plaats. De Stationsweg was veel langer dan ik me kon herinneren van 27 jaar geleden, toen ik hem voor het laatst gelopen heb.

Het etablissement bij het station was door het vertekenende geheugen sedert mijn 15e levensjaar uitgegroeid tot een luxe restaurant, maar toen we het binnentraden schrompelde het ineen tot wat het altijd geweest was: een eenvoudig, halfdonker café-biljart. Geen spat veranderd sinds 1971: alleen de Heineken- millenniumklok was nieuw. Je kon er gelukkig nog steeds eten. We werden pijnlijk vriendelijk en beleefd bediend door een ober die zelf niet veel ouder was 15.

Einde van een mooie wandeldag; moe en met krampen in de kuitspieren keerden we terug naar Zuidhorn, resp. Leiden.

Frans Mensonides, 12-12-1998