[ Homepage | Contact | Werk | Curriculum vitae | Publicaties | Sitemap ]

Criminaliteit en rechtspraak in Leersum in de achttiende eeuw

gepubliceerd in Hoetwas 2005 - © Hans van Deukeren, 2003, 2006

Inhoud: Een fatale ruzie - Hooggerecht - Platteland - Zaken van leven en dood - Een zedelijkheidsoffensief - Vechtpartijen en bekkensnijden - Diefstallen - Krankzinnigheid en vernielingen - 'Ik scheyt in den drost' - 'Kleyne Kees' - Slot - Noten - Literatuur en bronnen - Toegang tot de geraadpleegde archiefbronnen

Van 1632 [1] tot 1798 vormde Leersum een zelfstandig gerecht. Het was in juridische zaken aan niemand ondergeschikt, maar toch had zo'n minigerecht - Leersum telde niet meer dan een paar honderd inwoners - het niet gemakkelijk. Het begon al met de opgave om ter plaatse voldoende geschikte personen te vinden om het gerecht te bemensen. Die moesten hun weg maar zien te vinden tussen de juridische spitsvondigheden van gehaaide advocaten. Tegenover rauwdouwende vechtersbazen, brutale dieven, mensen die het hof beledigden, diende het gerecht met beperkte middelen een geloofwaardig gezag te handhaven. Maar ook weer niet onnodig streng, want dat kon gevaarlijke spanningen in de kleine gemeenschap veroorzaken. Hoe redde het gerecht van Leersum zich in deze niet gemakkelijke situatie?

Een fatale ruzie

Op donderdagavond 5 maart 1739 zaten de Leersumers Tonis Dirksen Woudenberg en Gerrit Pietersen Cruijff in herberg 'King William' bier te drinken. Toen Woudenberg weigerde om het volgende glas te halen ('Ik wil geen schelm bier brengen') ontstond er ruzie. Cruijff sloeg Woudenberg met zijn hoed, de ander sloeg terug, Cruijff gaf Woudenberg nog een draai voor z'n kop. Daarop bedaarden de heren en dronken verder, maar later laaide de ruzie toch opnieuw op. Omstanders zagen hoe Woudenberg tegen tienen naar buiten ging, even later gevolgd door Cruijff. Daarop klonk buiten geroep, en Cruijff bleek bebloed op de grond te liggen met een steekwond tot in het hart waaraan hij direct overleed. De chrirurgijns van Wijk bij Duurstede en Amerongen konden later bij de lijkschouwing alleen maar verklaren dat hij 'door geen menselijke hulp te redden' was geweest.

Woudenberg was intussen weggevlucht. Aan een kennis, Poulus Aelbers, vertelde hij wat er was voorgevallen en hij vroeg Aelbers om terug te gaan en na te vragen of Cruijff echt overleden was. Woudenberg verschuilde zich zolang in de boomgaard. Toen bleek dat het slachtoffer inderdaad dood was, vervloog al zijn hoop: 'Ik moet vluchten, sonder te weeten waar naartoe'.

Nog diezelfde avond bezocht de drost (de hoogste politiefunctionaris, zie verderop) de plek van het drama. Hij liet direct het gerecht bijeenroepen en kreeg nog dezelfde nacht toestemming om een arrestatiebevel wegens manslag tegen Woudenberg uit te vaardigen en beslag te leggen op diens bezittingen. In de volgende dagen nam hij bij een aantal getuigen verklaringen af.

Door het beslag dat op de bezittingen was gelegd, kwam Woudenbergs vrouw Errigje Jans intussen in de problemen: ze had geen voeder meer voor twee paarden. Ze vroeg en kreeg toestemming om die te verkopen, waarbij de opbrengst aan het gerecht zou toekomen. De verkoop leverde 28 gulden op, waaruit de lijkschouwingskosten (f 19) konden worden betaald.

In de maanden die volgden werd Woudenberg tot vier keer toe openbaar opgeroepen om voor het gerecht te verschijnen: op 8 en 20 april, daarna nog in juni en november, maar telkens kwam hij niet opdagen. Zo'n oproep was altijd een heel spektakel: de kerkklok werd geluid, de oproep werd voorgelezen bij het rechthuis en op opvallende plaatsen aangeplakt, de gerechtsbode bezorgde de oproep bij zijn vrouw thuis. Voor haar werd het leven in Leersum op den duur kennelijk zo zwaar dat ze in juni een verzoek bij het gerecht indiende om te mogen vertrekken en haar inboedel te mogen verkopen. Het gerecht stond dat toe en al twee dagen later vond de openbare verkoping plaats. De opbrengst was opnieuw voor de dorpskas. De inboedel was schamel - wat huisraad, bestek, gereedschap, drie zijden spek - en de opbrengst was dan ook bescheiden, 10 gulden en 12 stuivers. Twee dingen vallen erbij op: het meest bracht nog de mestvaalt op (zes gulden), wat illustreert hoe waardevol mest was op de arme zandgrond van Leersum; en de enige opkoper was ene Jan Woudenberg, die gezien zijn achternaam vermoedelijk een familielid was en de inboedel zo binnen de familie hield. [1a]

Toen Tonis Woudenberg in november ook bij de vierde oproep van het gerecht niet was komen opdagen, verspeelde hij formeel zijn laatste recht op verweer. Het gerecht veroordeelde hem bij verstek tot verbeurdverklaring van f80 (misschien openstaande gerechtskosten, of de waarde van zijn huisje?) en tot levenslange verbanning; en als hij ooit zou terugkeren in Leersum 'of andersints in handen van de Justitie mogte geraaken', dan zou hij 'gebracht worden ter plaetse daar men justitie doet en aldaer mit den swaarden gestraft worden dat er de doot op volgt'.

 

Aanvulling (2012)

Begin 2012 werd in Amersfoort bij toeval een document gevonden dat meer zicht geeft op hoe het Tonis Dirksen Woudenberg is vergaan nadat hij uit Leersum was weggevlucht. Bij renovatiewerkzaamheden aan een huis in de Langestraat werden namelijk tussen de planken van een houten vloer tochtstrips gevonden, die waren gemaakt van oud briefpapier. Een van de brieven [ :zie hiernaast → ] bleek een verzoekschrift te zijn ("requeste"a) van Teunis Dirkse Woudenberg aan de "Doorluchtige Hoog Edele Gestrenge" drossaard (drost) van IJsselstein om hem "protextie of vrijgelijde" te verlenen binnen de stad en baronie van IJsselstein.

Woudenberg meldt in zijn brief dat er in Leersum een juridische procedure tegen hem looptd "wegens begaane noodweer of manslag".b Dat is een nogal geflatteerde omschrijving van zijn misdrijf (hij vermijdt de termen "doodslag" of "moord"), en ook in het vervolg van de brief geeft Woudenberg een nogal eenzijdig verslag van het gebeurde op 5 maart 1739. Hij minimaliseert zijn eigen aandeel in het drama: de schaapherder zou hem in het donker met een mes hebben aangevallen, Woudenberg had zich toen genoodzaakt gevoeld zich te verdedigen,c en helaas helaas, daarbij had de schaapherder een dodelijke wond opgelopen.

Woudenberg claimt tot twee keer toee,h dat hij genoeg argumenten heeft om zijn onschuld aan dit noodlottig ongeval te bewijzen. Maar, zegt hij, hij durft er niet op te vertrouwen dat de drost van Leersum zich inderdaad door hem zal laten overtuigen.f Subtiel benadrukt hij hierbij dat zijn onschuldige vrouw en kinderen de dupe ervan zouden zijn, mocht hij in Leersum onverhoopt veroordeeld worden.g

Vandaar dat hij verzoekt om te worden toegelaten tot IJsselstein. Dat was een zogeheten vrijstad, waar plegers van lichte misdrijven of mensen die per ongeluk iemand letsel hadden toegebracht, zich mochten vestigen. Of Teunis Woudenberg inderdaad tot IJsselstein is toegelaten is onbekend, maar het lijkt me onwaarschijnlijk. De drost van IJsselstein zal zeker informatie hebben ingewonnen bij zijn collega in Leersum, en die zal geen positief advies hebben gegeven, temeer niet daar Woudenberg een notoire recidivist was met een omvangrijk strafblad.

Hoe deze brief in Amersfoort is terechtgekomen, is niet duidelijk. Maar het meest waarschijnlijk is dat Teunis vanuit Leersum naar de dichtstbijzijnde grote stad is gevlucht, dus Amersfoort, omdat je je daar als anonieme immigrant het makkelijkste kon schuilhouden. Daar heeft hij dan vermoedelijk contact gezocht met een plaatselijke jurist, die het request voor hem kon opstellen. De brief die nu is gevonden was dan vermoedelijk een afschrift van of concept voor het exemplaar bestemd voor IJsselstein, dat de Amersfoortse jurist in zijn eigen archief bewaarde. Later, toen de zaak was afgedaan en het dossier kon worden geruimd, moet het papier zijn gerecycled als tochtstrip.

Meer over deze brief is te vinden op de website van het Archief Eemland.

Requestea
aan den Hoog Edele Gestrenge Heere Drossard der stad en Baronije van IJsselstein om provisioneele protextie of vrijgelijde, wegens begaane noodweer of manslag.b

Aan den hoogedele gestrenge heere drossard, der stad en baronie van IJsselstien.

Geeft ootmoediglijk te kennen Teunis Dirkse Woudenberg, wonende onder de heerlijkheid Leersum, dat hij suppliant op den 5 maart 1739, in den avond is geweest in de herberge van eenen Cornelis van Westbroek; alwaer hij in woorden is geraekt met een schaapherder, Gerrit Peterse Kruijff genaamd; dat hij tussen 8 en 9 uuren nae huijs zullende gaen, door den voornoemden Gerrit Peterse met een mes is geattacquert geworden; dat hij in den donker zig niet weetende te redden,c zijn mes getrokken en tegen zijne aenvegter ter weer gesteld heeft; wien hij het ongeluk gehad heeft een wonde toe te brengen, waar aan hij overleden is.

Dat den heere drossart der vrije heerlijkheden Suijlesteijn, Leersum en Ginkel, ter saake de voorzeide manslag, tegens de suppliant edictale citatie procedeertd en of wel den suppliant zijn noodweer zoude kunnen bewijsen,e dat hij egter niet hasardeerenf durft zig in persoon te compareren, of zig in hegtenis te sisteren [= plaatsen]; vermits zodanige criminele procedures voor hem en zijn vrouw met twee kinderen ruïneus zoude kunnen zijn;g werhalven hij te raden is geworden zig te keeren tot U Doorluchtige Hoog Edele Gestrenge versoekende U Doorluchtige Hoog Edele Gestrenge provisioneel appointement van protexie of vrijgelijde binnen de stad en baronie van IJsselstijn; immers ten tijd en wijlen hij suppliant doen blijken zal,h dat hij het vreijgelijde en de provicie van haar hoogheijd is meriterende.

't Welk doende... enz.

Bron: Archief Eemland.

Hooggerecht

Leersum was in de achttiende eeuw een gebied met eigen, zelfstandige rechtspraak. De archieven van dit gerecht, dat officieel de naam 'Zuilenstein, Leersum en Ginkel' droeg, zijn grotendeels bewaard gebleven. Zij bieden een boeiend zicht op een kleine plattelandssamenleving; niet alleen zijn criminaliteit, maar ook - zoals we zojuist konden zien bij de gesprekken die Tonis Woudenberg had gevoerd of bij de lijst van spulletjes die in zijn huishouden aanwezig was - facetten van het dagelijks leven. In dit artikel zal ik aan de hand van voorbeelden met toelichting laten zien welk beeld de criminaliteit in Leersum tussen 1724 en 1800 te zien gaf, en wat daar typisch of uitzonderlijk aan was.

De rechtspraak in de provincie Utrecht was tot het eind van de achttiende eeuw erg versnipperd. Ieder dorp had zijn eigen dorpsgerecht, in totaal waren er meer dan honderd. In één opzicht verschilde Leersum echter van de meeste andere dorpsgerechten: het had de zogeheten 'hoge' rechtspraak, dat wil zeggen het was bevoegd om lijfstraffen op te leggen, zoals geseling, brandmerking of de doodstraf. Ook had Leersum het recht om verdachten aan 'tortuur' te onderwerpen om ze tot een bekentenis te dwingen, al ben ik daar geen enkel voorbeeld van tegengekomen.[2] Doorsnee dorpsgerechten hadden alleen de 'lage' rechtspraak en mochten slechts boetes of gevangenisstraffen opleggen. Zij zouden hun boekje te buiten zijn gegaan als ze een Tonis Woudenberg, zelfs bij verstek, ter dood hadden veroordeeld. Dergelijke zware zaken dienden ze over te dragen aan het provinciale Hof van Utrecht.

Hoge rechtspraak was in de praktijk alleen een recht van de steden (bij voorbeeld Rhenen of Wijk bij Duurstede), alsmede van enkele dorpsgerechten die aan de provinciegrens lagen waar de lange arm van het provinciale Hof te kort schoot (Renswoude, Bunschoten). Dat het kleine dorp Leersum - de bevolking liep in de achttiende eeuw op van 300 naar 500 inwoners - het recht van hoge rechtspraak had, was te danken aan een langdurig en onverkwikkelijk conflict in de jaren 1611-1629 tussen twee adellijke heren, Godart van Reede en Johan van Renesse van der Aa, die beiden zichzelf als de legitieme heer van Amerongen en eigenaar van kasteel Zuilenstein beschouwden.[3] Hun conflict werd uiteindelijk in 1629/30 van hogerhand beslecht toen de stadhouder zelf, prins Frederik Hendrik, het kasteel Zuilenstein voor een riant bedrag aankocht - een klassieke combinatie van verleiding (uitkoop) en dwang (spreekverbod, boetes). De Staten van Utrecht verleenden de doorluchtige nieuwe eigenaar de hoge rechtspraak, en omdat Zuilenstein alleen wel heel erg klein was, werd weldra ook Leersum bij het gerecht getrokken.

Galg Leersum, bron: Arjan Griffioen
Op dit fragment van de Militaire kaart uit 1797 is linksboven de galg Π in Leersum ingetekend ('Gerechtsplaats van Leersum').
R—R is de grote weg van Utrecht naar Arnhem, thans Rijksstraatweg.
(Afbeelding beschikbaar gesteld door Arjan Griffioen.)

Als teken van de hoge rechtspraak, en als vingerwijzing aan passerende reizigers om zich deugdzaam te gedragen, stond er tot aan de Franse tijd (toen de hoge rechtspraak in Nederland werd gecentraliseerd) een galg aan de grote weg naar Utrecht, iets westelijk van de dorpskern. [3a] Waarschijnlijk was dat een galg voor de show, die nooit echt gebruikt is. We kunnen de vergelijking maken met Amerongen, dat in 1676 eveneens een hooggerecht werd. Ook daar stond zo'n etalage-galg, en wel aan de oostgrens bij Elst. De ene keer dat in Amerongen een doodstraf is voltrokken, in 1687, was de showgalg ongeschikt en moest de timmerman voor de gelegenheid een echt schavot timmeren. Een geoefende beul om de straf met het zwaard te voltrekken was ter plaatse natuurlijk evenmin voorhanden, dus die moest uit Utrecht gehuurd worden. Al met al was zo'n executie dus een vrij kostbare aangelegenheid. Een cachot had Leersum wel, sinds 1712 met paal en ketting, in de kelder onder het rechthuis.[4] Veroordeelden die niet in staat waren een opgelegde boete te betalen, konden daar enkele dagen op 'water en brood' worden gezet: hun dagrantsoen was een pond droog roggebrood en een emmer water.

Het gerecht kwam normaliter om de paar weken bijeen in het 'rechthuis' van Leersum, de herberg 'King William' naast de oude kerk. Strafzaken kwamen weliswaar niet zoveel voor, maar het gerecht behandelde ook zogeheten civiele zaken (geschillen tussen particulieren) en vrijwillige zaken: het vastleggen van contracten, verkoop van onroerend goed, en dergelijke. Het gerecht fungeerde dus tevens als gemeentehuis of notariskantoor. Wanneer een ernstig misdrijf het acuut nodig maakte, kon tussentijds altijd een 'extraordinaris' zitting worden belegd (de achttiende-eeuwse rechtspraak staat bol van dit soort potjeslatijn).

Het gerecht werd bemand door een drost en een schepenbank van twee 'burgemeesters' en vijf schepenen, allen degelijke burgers. Een praktisch detail is dat een van de schepenen gewoonlijk de waard was van King William, zodat het gerecht daar zitting kon houden. De drost of drossaard (die elders meestal schout of soms baljuw heette) werd ondersteund door een secretaris, een bode annex veldwachter, en misschien ook af en toe nachtwakers. De drost had een scala aan taken: hij was verantwoordelijk voor de openbare orde, bij hem kon je aangifte doen, bij een misdrijf had hij de leiding over het onderzoek, hij ondervroeg getuigen, zorgde voor het opstellen van de processtukken, hij trad in de rechtszaak op als openbare aanklager, en als het schepencollege vonnis had gewezen zorgde de drost voor de tenuitvoerlegging. De functie van drost was 'geprivatiseerd': hij pachtte het ambt voor een klein bedrag, maar mocht wel van de betaalde boetes een deel houden. Formeel stond de drost onder het college van schepenen: bij hen moest hij toestemming vragen om bij voorbeeld een verdachte te laten arresteren of een opsporingsbevel te doen uitgaan. Maar in de praktijk kreeg hij die toestemming altijd - de notabelen van het dorp vormden een klein kringetje, waarin het 'poldermodel' toen al levend was (behalve aan het eind van de achttiende eeuw toen heftige politieke meningsverschillen tussen oranjegezinden en patriotten oplaaiden). De drost had trouwens, als enige 'professional' in het team, het voordeel van zijn grotere juridische ervaringskennis, wat nog versterkt werd doordat hij vaak vele tientallen jaren achtereen in functie bleef.        

Drosten van Leersum in de achttiende eeuw

1698-1711 Frederik van den Honert sr.
1715-1752 Frederik van den Honert jr.
1758-1778 (waarnemend:) Maurits Versteegh.
Nominaal drost waren in deze periode mr. Cornelis J. Kien (1758-1764; burgemeester van Utrecht) en mr. Cornelis de Wijs (1765-1778; drost van Renswoude)
1779-1831 Gerard Weenink.
Bron: Demoed, blz. 172.

Platteland

Stel dat de gerechtelijke archieven uit Leersum je 'blind' zouden worden voorgelegd. Dan zou toch direct duidelijk zijn dat de delicten op een plattelandsgemeenschap betrekking hebben. Ten eerste blijkt dat natuurlijk uit de hoofdpersonen en rekwisieten: boerderijen, vee, bijenhouders, schaapherders, diefstallen van peren of wilgentenen. Maar daarnaast is ook typerend voor het platteland dat het leeuwendeel van de dossiers geweldszaken betreft, met name vechtpartijen met messen. Was Leersum een stad geweest, dan zouden diefstallen de meerderheid hebben gevormd.

De frequentie van de delicten in de tijd varieert volgens een kenmerkend patroon. Grofweg gezegd, was eind zeventiende eeuw het totaal aantal vastgelegde misdrijven heel hoog, daarna daalde die geregistreerde criminaliteit tot een minimum rond 1760, om aan het eind van de eeuw, vooral in de Franse tijd, weer flink toe te nemen. Historici twisten erover wat dit precies betekent - de cijfers kunnen onbetrouwbaar zijn omdat niet iedere drost zijn administratie even secuur bijhield; en zelfs als de politie inderdaad meer bonnen schrijft, betekent dat nog niet automatisch dat de misdaad weliger tiert - maar een feit is dat dit V-vormig criminaliteitsverloop (hoog-laag-hoog) in achttiende-eeuwse plattelandsarchieven opvallend wijd verspreid is.

Hoe hoog de delictcijfers aan het eind van de zeventiende eeuw waren is plastisch te illustreren aan de hand van Amerongen. De bevolking daar telde toen zo'n 600 zielen, dus de volwassen mannelijke bevolking zal toen 150 à 200 man hebben bedragen. Uit de criminele archieven blijkt dat tussen 1662 en 1700 in totaal (minstens) 189 mannen bij vechtpartijen en messentrekkerijen betrokken waren, wat inhoudt dat iedere man gemiddeld wel een keer bij een bloedige vechtpartij betrokken was. In Leersum zal het in die tijd niet veel anders zijn geweest. Overigens waren er ook toen veelplegers en beruchte families waarvan we de namen steeds weer in de dossiers zien terugkeren. Tonis Woudenberg bij voorbeeld was zo iemand.

De bewaard gebleven Leersumse gerechtelijke archieven vangen aan in 1662. Tot 1724 staan de criminele aantekeningen in vier dikke boeken tussen allerlei andere stukken in; ik heb die delen verder niet bestudeerd. Voor dit artikel heb ik alleen de stukken vanaf 1724 bekeken. In dat jaar startte het gerecht met een schone lei - een nieuwe boekband, een gescheiden administratie van verschillende categorieën rechtszaken. De aanleiding is vermoedelijk geweest dat de secretaris van het gerecht, Adriaan Ruisseveen, in 1724 in een aanval van overspannenheid was vertrokken met medeneming van het archief tot dan toe. Gelukkig zijn de ontvoerde stukken later toch weer teruggekeerd. De gerechtelijke archieven eindigen kort na 1800, wat samenhangt met juridische hervormingen na de Franse inval van 1795: in 1798 raakte Leersum zijn hoge bevoegdheden kwijt aan het Hof van Utrecht, en in 1811 werden schepenbanken helemaal opgeheven.

In totaal hebben de gerechtelijke stukken tussen 1724 en 1804 betrekking op circa 70 dossiers. Daaronder zijn 22 civiele zaken die conflicten over schulden betreffen, en vier zaken waarin het delict onbekend is. Laten we die weg, dan blijven de 'interessante' dossiers over: vier levensdelicten, 19 vechtpartijen, negen diefstallen, vijf zedendelicten en zeven overige zaken.

Zaken van leven en dood

Van de vier levensdelicten is er één de doodslag of dood door schuld gepleegd door Tonis Woudenberg, die eerder in dit artikel is beschreven. Eenmaal vond een kennelijke zelfdoding plaats: in 1730 sneed Lysbet Aerts zichzelf de keel open met een scheermes. Omdat zelfmoordenaars zichzelf buiten de christelijke gemeenschap plaatsten, werd Lysbet 'bij avondt in alle stilte in een slegte kist' begraven.

Ten slotte waren er twee gevallen waarin een ongehuwde vrouw ervan werd verdacht haar pasgeboren kind te hebben gedood of verwaarloosd. Het eerste vond plaats in december 1740. De Duitse Johanna Feltmans was, toen ze in verwachting was geraakt, samen met haar oudere zus Maria van huis weggevlucht. In Leersum werd ze, vijf maanden zwanger, overvallen door weeën. Hulp dorst ze niet halen, maar haar zus stond haar bij de bevalling bij. Het kind werd echter dood geboren (zoals het schouwrapport bevestigde) en de vrouwen wierpen het in een sloot. Dadelijk gingen er geruchten rond, maar de vrouwen ontkenden alles, totdat een week later het lijkje werd gevonden.

De drost eiste een sterk symbolische straf: te pronkstelling aan de kaak, met een pop boven het hoofd, of anders acht dagen water en brood gevolgd door verbanning uit de provincie vanwege vagebonderij. Johanna voerde vier verzachtende omstandigheden aan, waarvan sommige ons nu wat vreemd aandoen: haar jeugdige leeftijd (18 jaar), de medeschuld van haar zus (die was opgetreden als vroedvrouw en zij zou het kind in de sloot hebben gegooid), 'het is de vrouwen eigen om haar schande te bedekken', en tenslotte dat ze dodelijk ziek was en een regime van water en brood niet zou overleven, 'zelfs geen drie dagen'. Na overleg met enkele beroepsjuristen van het Hof van Utrecht (een standaardprocedure in elke situatie die niet volstrekt duidelijk was) besloot het gerecht met het laatste argument rekening te houden en Johanna een lichte straf te geven - drie dagen water en brood en verbanning. Het kind was inmiddels fatsoenlijk begraven 'op 't kerkhof alhier in een kistjen'.

De tweede zaak van babymoord is raadselachtiger. De Leersumse Mie Floren zou in 1771 onder grote pijn een dode vrucht 'in groene brokken' zijn kwijtgeraakt. De drost begon zijn onderzoek pas twee jaar later, nadat de vader van het kind bij een kennis aan de keukentafel had gesuggereerd dat hij zijn vriendin had 'gedokterd' en er geruchten gingen dat Mie's moeder het kind vermoord had (abortus?). Verklaringen van Mie zelf, haar oudere zus en haar moeder suggereren dat het om een miskraam ging; op zich was er dan geen reden voor een justitieel onderzoek geweest. Maar na twee jaar vielen alle details natuurlijk niet meer te verifiëren, en de verklaringen van Mie en haar moeder waren zo vreemd dat het bij het gerecht verdenking opriep. Zo ontkenden Mie en haar moeder dat er van zwangerschap sprake was geweest, het zou een 'verstopping' zijn geweest en Mie zou gewoon van de ene dag op de andere dun, dik en weer dun zijn geweest. Mie's oudere zus gaf wel toe dat Mie in verwachting was geweest. De drost was bevreemd dat de moeder haar verantwoordelijkheid ten opzichte van haar zwangere dochter niet had genomen, maar die vond haar gedrag geheel normaal.

En passant zien we iets van de angst die het gerecht mensen kon inboezemen - of die de mensen elkaar konden aanpraten. Toen secretaris en waarnemend drost Maurits Versteegh het ouderlijk huis van Mie bezocht, trof hij daar een treurig tafereel: Mie en haar ouders waren vertrokken en er waren alleen zussen en broers thuis, die op het zien van de drost in huilen uitbarstten: 'Dat dezelve kinderen wegens hunne droefheid zich niet kunnende inhouden vervolgens zich absenteerden; uytgenomen de oudste dogter die aan hem comparant [Versteegh] zeyde dat het er droevig uytzag'. De zus legde aan Versteegh uit dat Mie in verwachting was geraakt, waarna 'de vrienden haar hadden benaauwd gemaakt'; en dat nu opnieuw 'de vrienden haar hadden bevreesd gemaakt, met te zeggen dat zij door het Hof zou worden weggehaald, en dat ze alleen daarom was weggegaan, maar niet omdat zij eenig deel had aan de zaak.'

Een zedelijkheidsoffensief

Dat ongehuwde vrouwen zwanger raakten, kwam natuurlijk wel vaker voor. Maar de algemene bezorgdheid daarover groeide opeens sterk vanaf ongeveer 1780, ook in Leersum. Het was een tijd van onzekerheid. Burgers hadden het gevoel dat wilde nieuwerwetse ideeën Nederland vanuit het buitenland bedreigden (de Verlichting), er was politieke onrust (patriotten, Franse revolutie), economische neergang, toenemende werkloosheid en bedelarij. Mensen voelden zich onveilig en maakten zich zorgen over de normen en waarden. Ongehuwde moederschappen werden steeds meer geduid als een veeg teken.

Het gerecht van Leersum nam deze signalen serieus: zowel in 1788 als in 1792 diende een zaak waarin een 'gedefloreerd' [=onteerd, zwanger gemaakt] meisje de vader van het kind vroeg om haar te trouwen, of ten minste de kraamkosten te vergoeden, alimentatie te betalen en haar 'ter eere te brengen' (het kind te erkennen). In beide gevallen ontkende de man dat hij gemeenschap met het meisje had gehad. Het gerecht zette hem onder druk: hij moest deze verklaring voor het gerecht onder ede en in aanwezigheid van vrouw en kind herhalen. In beide gevallen gaf de man geen krimp en bleef erbij dat hij niet de vader was. Het meisje schoot er uiteindelijk dus niet zoveel mee op, maar het gerecht had getoond dat het zulke zaken ernstig nam. Hoe ernstig, blijkt uit het feit dat beide gevallen pro deo-zaken waren, die het gerecht dus alleen maar geld kostten. Men had dat er kennelijk voor over.

Het was geen toeval dat in deze zelfde periode het gerecht ook actie ondernam tegen een andere uitwas van zedeloosheid: prostitutie. Hendrikje Marees, een twintigjarige Leersumse, had zich in februari 1795 bijna dagelijks 'aan hoererijen en ontugt verloopen'. Ze had zich laten gebruiken door Franse soldaten, zowel in Amerongen, waar een Frans legerkamp was, als bij haar moeder thuis in Leersum. Een buurvrouw verklaarde dat ze daar een groep van negen Franse soldaten had gezien en alles kon verstaan; tussen hun beider huizen was enkel een tuinpad, en de huizen waren toen tochtig en open. Hendrikjes verweer dat ze 'gedwongen' was geweest, nam het gerecht met een korrel zout, want een fatsoenlijke vrouw had dan wel een aanklacht ingediend. Hendrikje werd veroordeeld tot een straf die typerend is voor dit soort misdrijven: twee uur te pronk staan met om de hals een bord waarop met grote letters 'hoer' was geschreven, daarna vier dagen water en brood, en de onkosten van de rechtszaak.

Opmerkelijk is dat dames Marees vaker in verband werden gebracht met prostitutie. Zo werd ene Dirkje Marees in 1787 en 1788 meermalen gerechtelijk gecorrigeerd wegens openbare hoererij. En in 1792 was voor Willem van Doornik 'de deern van Mores' synoniem met seks (zie verderop). Het is niet ondenkbaar dat dit 'vak' in deze familie van moeder op dochter overging, zoals dat ook bij andere beroepen gebruikelijk was in die tijd.

Vechtpartijen en bekkensnijden

Als er één delict endemisch was, dan was het de vechtpartij. Die ontstond veelal in de herberg onder invloed van alcohol. De eerder beschreven ruzie tussen Woudenberg en Cruijff is, op de afloop na, in zijn verloop volstrekt representatief. In de regel ontstond er irritatie om een kleinigheid. Om het bij te leggen 'dronken' de ruziemakers 'het af', de extra alcohol leidde tot een nieuwe ruzie, en uiteindelijk ging eerst de een en dan de ander naar buiten en werd er op straat met het mes gevochten. Een reden dat dit zo vaak tot ongelukken leidde, was de traditie van het 'bekkensnijden', een populaire sport waarvan de regels waren dat je je tegenstander twee sneeën moest aanbrengen, één over de neus en één (een 'maantje') op de wang.[5]

Je zou misschien verwachten dat bij zo'n attractie iedereen toestroomde om te kijken, maar dat was niet zo. Getuigen verklaarden altijd nadrukkelijk dat ze binnen waren gebleven toen de vechters naar buiten gingen. Ten eerste liep je natuurlijk als omstander zelf ook risico om door het mes van een van de zatlappen getroffen te worden. Wat misschien nog zwaarder woog, was dat er op deze vechtpartijen vrij hoge boetes stonden, die het gerecht omsloeg over de deelnemers, dus als je pech had ook over de slachtoffers. De basisboete was 25 gulden, maar afhankelijk van de omstandigheden kon dat oplopen tot 600 gulden. Ter vergelijking: een gemiddeld dagloon was minder dan een gulden.

         

Tarievenlijst vechten

Op vechten stonden in de achttiende eeuw de volgende boetes:
 vechten en slaan met de blote vuist f 25
 iets naar iemand gooien f 100
 een mes trekken tegen iemand f 100
 iemand bloedend verwonden f 150
  • De boetes werden verdubbeld wanneer zoiets gebeurde
    • 's avonds of 's nachts vanaf een uur na zonsondergang, of
    • in bijzijn van magistraat of gerechtsfunctionaris, of
    • bij recidive
  • Als iemand de boete niet kon betalen: aan de schandpaal met een voor het delict toepasselijk voorwerp boven 't hoofd, of wat het gerecht beslist;
  • Bij recidive: verdubbelde boete, direct te betalen, anders lijfstraf of wat het gerecht beslist.
Bron:
 
ordonnanties 'Op de vechtelingen' van de Staten van Utrecht, 1642-1644, geciteerd bij Pierson, § V.4.1.

Een geruchtmakende affaire waarbij gewonden vielen, vond plaats in april 1793 toen Maurits Versteegh en zijn twee zonen Hendrikus en Maurits jr. op een feestvierende menigte schoten. Duidelijk is dat hier politieke achtergronden meespeelden: de oranjegezinde menigte vierde dat de Franse opmars naar het noorden in de Zuidelijke Nederlanden was gestuit (slag bij Neerwinden). Voor de voordeur van Versteegh, die fransgezind (patriot) was, zongen de feestvierders provocerend oranjeliedjes. Een bijkomende complicatie was Versteeghs persoonlijkheid: hij was een eigengereid man, niet wars van subtiele pesterijtjes. Hij behoorde als huizenbezitter, voormalig waarnemend drost, schoolmeester, koster en nog zo wat functies weliswaar tot de Leersumse upper class, maar met zijn gedrag had hij nogal wat mensen tegen zich in het harnas gejaagd.[6]

Terwijl Versteegh strijdvaardig met een snoeimes in de hand over zijn voordeur leunde en de menigte trotseerde, verloor een van zijn zoons, die zich kennelijk bedreigd voelde, zijn zelfbeheersing en vuurde vanaf de zolder een viertal geweerschoten af. Bij het tweede schot was het bingo: een jongetje, een man en een vrouw raakten licht gewond.

Versteegh, die als voormalig secretaris en waarnemend drost goed vertrouwd was met de gang van zaken bij het gerecht, diende in de maanden na de schietpartij tot vier maal toe een 'request' (verzoekschrift) in bij het gerecht om de affaire ondershands af te handelen. Aanvankelijk deed hij Versteghiaans of het incident niets om het lijf had gehad, maar dat pikte het gerecht niet en uiteindelijk was Versteegh gedwongen zijn ontslag als bode en koster in te dienen en een boete van 300 gulden te betalen. Dat laatste was geen probleem, want Versteegh bezat grond en huizen met een totale waarde van f 30.000. Als bode/koster werd hij opgevolgd door de textielwinkelier Willem van Doornik, die echter op zijn beurt - zoals we nog zullen zien - het slachtoffer werd van intriges. In juli 1795 kwam de cirkel rond toen het Franse bewind was geïnstalleerd en de drost tot zijn schrik bemerkte dat Versteegh in zijn oude waardigheid dreigde te worden hersteld.

Soms deed het gerecht na een vechtpartij een andere uitspraak dan wij zouden verwachten. Zo bijvoorbeeld in 1774. Bij zonsopkomst ontdekte Willem van den Bogaert dat drie mannen bezig waren een pasgeplante haag aan de rand van zijn erf uit de grond te trekken. Willem werd zo boos dat hij op hen in sloeg. Dat had hij beter niet kunnen doen, want het gerecht veroordeelde hem tot 200 gulden, in vier jaarlijkse termijnen te voldoen. Het gerecht stelde 'de vernielers' in het gelijk nadat twee oudere inwoners van Leersum hadden uitgelegd dat huurders in het betreffende deel van Leersum traditioneel het recht hadden om aan de westelijke rand van hun erf een heg te plaatsen. Het voordeel daarvan was dat zij daarmee het recht verwierven op alle groente die tegen die heining geteeld werd. Kennelijk had Van den Bogaert zijn eigen haag geplaatst op de plek waar alleen zijn buurman het recht had een heining te plaatsen.

Diefstallen

Bij de diefstallen zijn twee groepen te onderscheiden, de 'beroeps' en de 'amateurs'. Van de min of meer professionele diefstallen uit de eerste categorie resteert doorgaans alleen een aangifte, omdat de daders erin slaagden onbekend te blijven. Uit andere gerechten weten we dat het vaak ging om uiterst mobiele groepjes van twee of drie mannen of om grotere bendes. Zij specialiseerden zich gewoonlijk in bepaalde soorten diefstal. Ook in Leersum zijn er vaak tekenen die op zo'n specialisatie wijzen, zoals een reeks van bijna gelijke misdrijven die kort na elkaar werden gepleegd, een selectiviteit in wat werd meegenomen, of een techniek die een zekere verfijning verraadt: ruiten werden geluidloos uitgesneden in plaats van ingetikt, bijen werden verdoofd met zwaveldamp voordat de honingraten werden gestolen. In september 1774 werd in Leersum iemand op heterdaad betrapt die een ruitje had uitgesneden, maar klem was komen te zitten in de opening. Hij ontsnapte echter alsnog en ook deze ontsnappingskunst was kenmerkend voor de 'beroeps'. Beroepsdieven profiteerden van het feit dat Nederland in deze tijd versnipperd was over duizenden dorpsgerechten - als je een uurtje liep was je buiten het gerecht en praktisch ongrijpbaar geworden voor de schout of drost. Bovendien waren gerechten allang blij als een misdadiger vertrokken was - arrestatie kostte maar geld, moeite en zorgen.

De tweede groep van dieven omvatte de 'amateurs', degenen die vanuit een impuls iets stalen, meestal iets onbenulligs zoals een paar peren (Lammert Lagerweij en Jan van Es/Nas, 1793) of wat wilgentenen (Jan Lodder in 1796). De straf was in deze gevallen een betrekkelijk milde boete, waarbij de daders soms tevens verplicht werden een bedrag in de armenkas te storten.

Twee opmerkingen kunnen met betrekking tot de diefstallen worden gemaakt. Ten eerste ben ik in Leersum geen gevallen tegengekomen van mensen die uit kennelijke armoede diefstallen pleegden. Hoewel het dorp op buitenstaanders een arme indruk maakte,[7] stak in feite het aantal bedeelden (4-6% van de bevolking rond 1811) gunstig af bij andere Utrechtse gemeenten. De grond in Leersum was weliswaar zeer arm - de noodzaak om veel boekweit te verbouwen bewijst dat [8] - maar kennelijk was het toch goed mogelijk om de relatief snel groeiende bevolking goed te onderhouden. Ook de beroepenverdeling begin negentiende eeuw maakt voor een dorp met de omvang van Leersum een 'gezonde' indruk.[9]

De tweede opmerking is dat het Leersumse gerecht - en trouwens ook andere gerechten - er bepaald blijk van gaf zijn taak serieus op te vatten. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in zijn zakelijke opstelling ten opzichte van joden. Die hadden een slechte naam en dat werd er niet beter op toen er rond het midden van de achttiende eeuw rondtrekkende joodse dievenbendes ontstonden.[10] Ook in Leersum kwam het met name bij diefstallen dan ook voor dat er lukraak verdenkingen of kwaadwillige beschuldigingen tegen, in hedendaags jargon, 'kutjoodjes' werden geuit. Het gerecht onderzocht die dan echter onbevooroordeeld. Zo nodig werd juridisch advies ingewonnen bij het Hof van Utrecht.

Zo beschuldigde in 1755 de Amsterdammer Evert Dirkse Boon twee joden, Joseph en Gabriel Abrahamse, ervan dat zij in Amerongen twee mestkalveren van hem gestolen hadden. De twee joden werden in Leersum met kalveren en al gearresteerd, maar dienden op hun beurt een contra-aanklacht in tegen Dirkse, die een vals adres had opgegeven - hij woonde in Remmerden, vlakbij de Abrahamses zelf. Uiteindelijk liep de zaak onbevredigend af; het gerecht zat in zijn maag met de kalveren die nogal dure kostgangers bleken, en besloot ze maar publiek te verkopen om nog iets terug te verdienen van de kosten van het dure juridisch advies (25 gulden).

Opmerkelijk is dat in het archief geen bestraffingen van bedelaars te vinden zijn. Waarschijnlijk kwam dat doordat bedelaars in een klein, dun bevolkt en wat armelijk dorp als Leersum weinig te zoeken hadden, die gingen liever naar de grotere plaatsen. Mocht er toch eens één langskomen, dan zal daaraan geen kostbare rechtbanktijd zijn gespendeerd, maar de man of vrouw zal direct zijn uitgewezen. In dit verband is het goed te beseffen dat Leersum weliswaar aan de doorgaande weg van Utrecht naar Rhenen lag, maar wie achttiende-eeuwse afbeeldingen van Leersum bekijkt ziet dat die 'hoofdweg' niet veel meer was dan een mul zandspoor waarlangs af en toe een koetsje of wat voetgangers passeerden, maar waar zeker geen druk verkeer was. In wezen bleef Leersum erg geïsoleerd tot rond 1820 de rijksstraatweg verhard werd.

Krankzinnigheid en vernielingen

In 1755 raakten inwoners van Leersum regelmatig spulletjes kwijt, niet door diefstal maar door vernieling. Gerritje Steenbeek, echtgenote van Jan Radstock, 'ruïneerde' gewassen, brak bladen af en vertrad de boekweit. Omdat zij 'niet wel bij haar sinnen is en daaromme daarover niet wel kan worden gestraft' (ze reageerde niet op terechtwijzingen) kreeg haar man een vermaning om haar in toom houden. Desnoods mocht hij haar laten 'sluyten' om te voorkomen dat ze langs de weg liep en de goederen van de ingezetenen vernielde.

Zulke krankzinnigheid kwam in die tijd vrij vaak voor, als gevolg van alcoholmisbruik, ongevallen (zoals een ongelukkige val of een klap van de molen), of door inteelt in kleine geïsoleerde gemeenschappen. Er bestonden wel inrichtingen waar krankzinnigen konden worden opgesloten - van behandeling was nog geen sprake - zoals het Dolhuis en de 'beterhuizen' in de stad Utrecht. Maar dat was kostbaar.[11] Vandaar dat in dit geval het gerecht de echtgenoot (en voogd) min of meer opriep om haar te laten opsluiten - maar hij moest dat dan wel op eigen kosten doen.

'Ik scheyt in den drost'

De machtsmiddelen van een klein gerecht als Leersum waren in de praktijk erg beperkt. Het was daarom belangrijk dat het zijn gezag onder de bevolking wist te handhaven. Meestal lukte dat wel, mensen die iets op hun kerfstok hadden zonk doorgaans de moed in de schoenen als ze voor de drost stonden. Maar wanneer incidenteel de autoriteit van de drost toch werd uitgedaagd, reageerde die als door een wesp gestoken. Dat gebeurde bij voorbeeld in 1739, in de rechtszaak tegen Johan Christian Maus, een Duitser die vanuit de hofstede Broekhuizen als arts actief was. De zaak begon simpel: Maus was langsgegaan bij een zieke klant van hem, Jacomijntje van Ginkel, om betaling van medicijnen af te dwingen. Toen zij niet kon betalen, had hij zich niet ontzien haar flink te slaan en schoppen - een nogal opmerkelijke geste voor een arts. Toen de vrouw dreigde de drost erbij te halen, was Maus' reactie: 'Ik scheyt in uw en den drost'. Door deze uitlating escaleerde de zaak van simpele molest (goed voor een geldboete) in belediging van een overheidsfunctionaris (waarop lijfstraf stond). Maus probeerde de zaak nog te redden door zijn twee handlangers weg te sturen, maar Jacomijntje had de tegenwoordigheid van geest hen terug te roepen, zodat ze in de rechtszaak tegen Maus konden getuigen. Maus zag de hopeloosheid van zijn situatie in en vertrok met de noorderzon voordat het gerecht hem kon straffen.

Wanneer het gezag van het plaatselijke gerecht niet direct in het geding was, werden delicten tegen de overheid soms veel minder zwaar opgenomen. Bij voorbeeld wanneer de Staten van Utrecht weer eens een verbod uitvaardigden om onder kerktijd bier te tappen, of toen in 1795 het Franse gezag verbood om Oranjeliedjes te zingen. In zulke gevallen zie je dat overal de plaatselijke gerechten pro forma één keer tot vervolging overgingen, liefst tegen mensen die elders woonden zodat de vervolging weinig praktische consequenties had, om daarna soortgelijke overtredingen ongemoeid te laten. De gerechten dekten zich op deze wijze in tegen verwijten van hogerhand dat ze niet loyaal waren, maar zonder dat de eigen burgers er het slachtoffer van werden.

Zo vaardigde het pro-Franse bewind in februari 1795 een verbod uit op uitingen van Oranje-liefde. Het werd prompt overtreden door Laurens Jansen uit Woudenberg, die zich bij een openbare verkoping in Leersum schuldig maakte aan het roepen van 'Oranje Boven'. De brave drost lichtte het Hof Provinciaal van Utrecht in maar liet weten dat het buiten zijn bevoegdheid lag om iemand uit Woudenberg te arresteren. Wel voldeed hij gewillig aan zijn plicht om het Hof om arrestatie te verzoeken en hij stuurde desgevraagd zelfs netjes een lijst met vragen die het Hof bij een eventueel verhoor aan Laurens kon stellen.

'Kleyne Kees'

In de top drie van spectaculaire Leersumse rechtszaken scoort de zaak tegen Willem van Doornik uit 1793/94 hoog. Van Doornik, van beroep kleermaker en textielwinkelier, was in de zomer van 1793 Maurits Versteegh opgevolgd als bode en koster na de ongelukkige schietpartij door Versteeghs zoon. De beschuldiging die tegen Van Doornik werd ingebracht, was dat hij homoseksuele handelingen had verricht (sodomie). Dat was in die tijd een buitengewoon ernstig delict, waarvoor nog in 1776 in Holland drie mannen waren opgehangen.[12] Maar, zoals ene Jan van Heederen aan het gerecht suggereerde, mogelijk was de aanklacht een politiek geïnspireerde wraakactie: 'Zegt te hebben hoore zeggen, dat zo Willem van Doornik geen Bode was geworden, hij geen sodomiter zou geweest zijn.' Sterker, Van Heederen noemde de namen van vier mannen en twee vrouwen die sinds Van Doorniks aanstelling als bode meermalen herrie hadden geschopt voor diens huis; onder de zes waren niet alleen twee mannen die Van Doornik van seksuele avances beschuldigden, maar ook een dochter van de afgezette Versteegh!

In de processtukken beschrijven in totaal vier jongemannen, soms heel plastisch, hoe Van Doornik hen benaderd had. Een van de vier was Cornelis van den Broek, die verklaarde dat hij in de zomer van 1792 's avonds was langsgeweest bij Van Doornik om de maat te laten nemen voor een broek. Die had hem 'in de broek getragt te tasten, zeggende "Hoe staat er de kleyne Kees mee?" '. Van den Broek vluchtte weg, maar Van Doornik achtervolgde hem en tastte hem met geweld opnieuw in de broek, daarbij proberend zijn partner op te winden met uitlatingen in de trant van 'Als je bij de deern van Mores was, dan zouw je er dingen mee doen'. Deze strategie - handtastelijkheden ingeleid door hitsige praatjes over jonge vrouwen - meldden ook de andere jongemannen die door Van Doornik waren benaderd. Een van hen, Dirk van Vulpen, vertelde aan het gerecht dat de verleidingspogingen bij voorkeur op zondag werden ondernomen, wanneer mevrouw van Doornik naar de kerk was. 'Ik hou zooveel van jouw,' had Van Doornik bij zo'n gelegenheid romantisch tegen Van Vulpen verklaard, 'ik zouw het een ander niet doen'. Dat eerste was misschien waar, het laatste zeker niet.

Begin 1794 liet Van Doornik, die toen al enige maanden in voorarrest zat, door zijn advocaat een 'Memorie' (verdediging) opstellen voor het gerecht om zijn onschuld te bewijzen. Het werd een pak papier van een centimeter dik, dat door zijn bombast en gezochte argumentaties nu vooral de lachlust opwekt, een opgeblazen tekst vol latijnse citaten uit Cicero en allerhande juristen, spreekwoorden, bijbelexegeses, enzovoort. Het stuk bestrijdt in de eerste plaats de rechtsgeldigheid van de getuigenverklaringen: omdat de getuigen aan de sodomie hebben meegewerkt zijn ze zelf verdacht, ze weten de precieze datum niet meer en zijn dus niet geloofwaardig, er is maar één getuige per contact dus verklaringen kunnen nooit gecheckt worden, een van de getuigen is nog minderjarig en zijn verklaring is dus niet rechtsgeldig, er zijn getuigen à decharge (bedoeld wordt dat er jongemannen in de bloei van hun leven bestaan die nooit door Van Doornik zijn lastiggevallen). Tsja, op dit niveau gaat het nog even door.

Vervolgens betoogt het stuk dat zelfs als de verklaringen waar zijn, er niets strafbaars is gebeurd: het betrof geen 'vrouwelijke bijlegginge' door mannen maar alleen scabreuze taal; Van Doornik sprak steeds over 'meisjes', en raakte daardoor zelf zo verhit dat hij alleen op deze wijze zijn driften kon verkoelen. Het document stelt dat dit volgens sommige medici 'gezondheidshalve gepermitteert zij' en voegt daar zelfs een literatuuropgave bij. Kortom, wat Van Doornik had gedaan was 'juist het teegenovergestelde van sodomie'. Zelfs een bijbelexegese (Genesis 38:9, het verhaal over Onan) ontbreekt niet om deze visie op Van Doorniks onschuld te onderbouwen. Ten slotte stelt de Memorie ook nog dat de aanklachten politieke motieven hebben en zijn ingegeven door afgunst.

Zowel door de aard van het delict als door het feit dat een medewerker van het gerecht de aangeklaagde was, lag de zaak buitengewoon gevoelig. Hoe hoog het gerecht de zaak opnam, blijkt uit het feit dat niet alleen extern schriftelijk juridisch advies werd opgevraagd, maar dat op de rechtszitting (5 maart 1794) twee juristen van het Hof van Utrecht persoonlijk aanwezig waren. Dit was uniek en bewijst dat het om een zeer belangrijke zaak ging. Van Doornik werd, conform het advies van de twee juristen, veroordeeld tot levenslange verbanning uit Leersum, alsmede betaling van de kosten van de rechtszaak. Eigenlijk kwam hij er daarmee genadig af. [13] In zijn voordeel zal hebben gewerkt dat het van sodomie in engere zin, dat wil zeggen anale seks, nooit gekomen was.

Slot

Op de levens- en zedendelicten na, waarvan het aantal aan de hoge kant was, viel het met de criminaliteit in Leersum in de achttiende eeuw eigenlijk wel mee. Af en toe leidde uit de hand gelopen bier- of wijnconsumptie tot een vechtpartij, bij tijd en wijlen werd er een diefstal gepleegd, maar ernstige misdrijven waren zeldzaam. Voor een deel zal dit te danken zijn aan het feit dat Leersum een kleine gemeenschap was, waar de mensen elkaar goed kenden en in de gaten hielden, en waar geruchten zich snel verspreidden.

Wanneer er een ernstige ontsporing plaatsvond - vaker door een tragisch ongeluk dan door opzettelijke misdadigheid - bleek de drost alert en ondernam hij dezelfde dag nog actie. Tegelijk handelde het gerecht beslist niet overhaast. Het was zich bewust van zijn verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige rechtsgang, zoals blijkt uit het inroepen van kostbare externe juridische adviezen in alle moeilijke situaties, en uit de objectieve reacties wanneer beschuldigingen werden geuit aan het adres van buitenstaanders (joden, Duitsers) of mensen uit de eigen kring (Versteegh, Van Doornik). Vaak probeerde men zaken in der minne te schikken, eerder dan het risico te nemen door hard optreden een breuk in de kleine gemeenschap te forceren. Gerechten stonden tal van procedures ten dienste om een zaak via ondershandse schikkingen met de delinquent af te handelen en die werden ook in Leersum graag gebruikt.[14]

Wanneer de Staten van Utrecht officiële bezorgdheid uitspraken over bepaalde gangbare misstanden, waren de gerechten niet vies van window-dressing: bij wijze van publieke waarschuwing traden ze eenmalig op, om daarna weer over te gaan tot de orde van de dag. Zo hadden ze aan hogerhand hun goede wil getoond zonder dat ze door de zaken scherp te spelen de verhoudingen in het dorp in gevaar brachten. Sociale verantwoordelijkheidszin spreekt ook uit de pro-deo vaderschapsprocedures en uit het feit dat delinquenten soms werden veroordeeld tot een storting in de armenkas.

Hard optreden was natuurlijk ook uitgesloten omdat het Leersumse gerecht niet over veel machtsmiddelen beschikte. Ter afschrikking stond er een galg en er waren een schandpaal en een gijzelkamer beschikbaar, maar die werden alleen gebruikt als het echt niet anders kon. De straffen zijn voor onze begrippen soms erg hoog - een jaarloon boete voor een vechtpartij, een lijfstraf voor het stelen van een paar peren, verbanning wegens homoseksualiteit - maar achttiende-eeuwers wisten niet anders. Minachting van het hof was wel een gevoelig punt en de drost liet zien dat hij dat niet tolereerde. Maar uit de dossiers blijkt dat de inwoners van Leersum doorgaans wel voldoende ontzag voor de rechtbank hadden; zozeer zelfs dat sommigen na een onschuldig vergrijp uit Leersum wegvluchtten. Ambulante beroepscriminelen, met name dieven, waren geharder en brutaler, maar zij hadden het kleine gerecht allang weer verlaten voordat de drost kon ingrijpen, als die daar al lust toe zou hebben gehad.

De machtsmiddelen van het gerecht waren dus beperkt, maar ondanks die beperking slaagde het er naar mijn indruk heel goed in adequaat op te treden en de orde te handhaven op een manier waar de dorpssamenleving tevreden over kon zijn.

Noten

1. E.J. Demoed, In een lieflijk landschap. Wandelingen door de historie van Maarn, Doorn, Langbroek, Cothen, Leersum en Amerongen (Zaltbommel 1974) blz. 171. B. Pilger, Inventaris van de archieven van de gemeente Leersum 1655-1933 (Leersum 1988), blz. 5, noemt als jaartal 1634.

1a. Dick van Wageningen van het Archief Eemland bevestigde mij dat Jan Woudenberg een broer was van Teunis (e-mail 17-2-2012). Deze Jan was trouwens op zijn beurt ook weer betrokken geweest bij vechtpartijen in Leersum, in 1732 en vermoedelijk ook in 1727.

2. Ook in het hoge gerecht Amerongen is dit machtsmiddel nooit gebruikt, vermoedelijk omdat het huren van een beul die de tortuur moest uitvoeren kostbaar was: Pierson, 'Boetstraffelijcke en lijfstraffelijcke saecken in de Hooge ende Vrije Heerlijckheijt van Amerongen, Ginckel ende Elst 1662-1795' (doctoraalscriptie RU Utrecht, 1989) par. III.4.2.

3. Demoed, blz. 171. A. Versteegh, Leersum in de loop der tijden (Veenendaal 1964), blz. 21, schijnt Godart met zijn grootvader te verwarren.

3a. Demoed, blz. 171, schrijft dat de galg "nabij de huidige Bentincklaan" stond. De afgebeelde Militaire kaart uit 1797 plaatst de "Gerechtsplaats" verder westelijk, op de Donderberg, ter hoogte van de huidige Prins Bernhardlaan. Ook de MIP plaatst de galg daar (Hans Lägers en Meta Prins-Schimmel, Monumenten-Inventarisatie Provincie Utrecht, Leersum, Geschiedenis en architectuur, blz. 25-26). Vanaf de Rijksstraatweg zal de galg daar goed te zien zijn geweest over de toen nog met hei begroeide Heuvelrug.
Maar misschien bedoelde ook Demoed wel diezelfde plaats, want hij zegt er nog over dat die "thans nog bekend [is] als het Galgenbosje." Een op de kaart ingetekend bosperceel, het Galgenbosje, liep vanaf de galg namelijk ongeveer door tot bij het noordeinde van de Bentincklaan. (Het 'Galgenbos' is aangegeven op een kaart van Leersum op historischleersum.nl, in de vijfhoek tussen Lomboklaan, Burg. van den Boschlaan, Vogelslag en Bergweg.)
(Met dank aan Arjan Griffioen voor aanvullende informatie.)

4. Demoed, blz. 174. Pilger, blz. 5, suggereert dat er vóór 1712 geen gevangenis was, maar dat lijkt onwaarschijnlijk; een gerecht moest zijn gevangenen toch ergens kwijt kunnen. In noodgevallen was het overigens mogelijk uit te wijken: zo werd in 1795 Hendrikje Marees in Amerongen opgesloten 'also tot [=omdat te] Leersum geene goede bewaarplaatsen zijn'.

5. G. Marx, 'De overheid contra vechtlustige Loosdrechters', in: Historische Kring Loosdrecht jrg. 4 (1977) blz. 118-123.

6. E.P. de Booy, De Weldaet der scholen. Het plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19de eeuw (Utrecht 1977) blz. 238-239. Artikelen van M.J. Ververs ("Maurits Versteegh (1719-1808)", in Hoetwas nrs. 4.4, 5.1 en 5.3, 1999-2000) en van J.H. Alberts ("De familie Versteegh in de loop der tijden", Hoetwas nrs. 8.2, 8.3, 8.4, 9.1 en 9.3, 2003-2004) waren helaas niet toegankelijk voor mij.

7. Demoed, blz. 188.

8. De Utrechtse gemeenten in 1815: in vraag en antwoord (Utrecht 1972) blz. 71: Leersum, vraag 28; J.L. van Zanden, De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw 1800-1914 (Utrecht 1985) blz. 39-40, 168.

9. Archief Onderprefecturen van Utrecht en Amersfoort 1811-1813 (Utrechts Archief, Utrecht), inventarisnr. 289 (gegevens uit 1811); A. Versteegh, Leersum in de loop der tijden (Veenendaal 1964) blz. 107-110 (1822); summier ook De Utrechtse gemeenten in 1815, blz. 70, vraag 14. De toestand zestig jaar eerder beschouwt De Booy, blz. 232, echter als vrij primitief.

10. Florike Egmond, Op het verkeerde pad. Georganiseerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden 1650-1800 (Amsterdam 1994).

11. C. Dekker (red.), Geschiedenis van de provincie Utrecht (3 delen; Utrecht 1997) deel III, blz. 30; 'Krankzinnigheid in [de stad] Utrecht tussen 1600 en 1800' (eindverslag doctoraalwerkgroep RU Utrecht, 1984).

12. Theo van der Meer, Sodoms zaad in Nederland. Het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd (Nijmegen 1995).

13. In het tv-programma Verborgen verleden (NTR, 26 november 2016) werd vermeld dat Van Doornik afkomstig was uit Aalten, Gelderland. Hij was dus niet zo sterk aan Leersum gebonden dat verbanning een heel grote ramp voor hem was.
De uitzending was gewijd aan Nelleke Noordervliet; tot haar voorouders behoren de Lagerweijs, Leersumse grote boeren die tot de plaatselijke elite behoorden en in verschillende plaatsen in de regio schout of schepen waren. Voor rechtszaken waarbij ze waren betrokken, zie in onderstaande
tabel de nummers 61/D en 64/X.
Als auteur van bovenstaand artikel viel mij aan de uitzending vooral op hoe goed Nelleke geïnstrueerd was welke vragen ze moest stellen. Telkens als ik dacht, dit zou ook leuk zijn om te vertellen, stelde Nelleke precies de vraag waardoor haar gesprekspartner kon uitpakken met dat leuke verhaal...

14. Pierson, par. III.4.1-2.

Literatuur en bronnen

Achtergrondgegevens over Leersum werden ontleend aan:

Een gedetailleerd beeld van het dorp Leersum in het begin van de negentiende eeuw, maar ook met veel gegevens over zijn bewoners in de achttiende eeuw, geeft Arjan Griffioens website

Over achttiende-eeuwse gerechten, Leersum in het bijzonder:

Vergelijkingsgegevens uit andere gerechten:

Gebruikte archiefbronnen:


Toegang tot de geraadpleegde archiefbronnen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de zeventig dossiers die ik in mijn onderzoek heb bekeken. De dossiers zijn chronologisch gerangschikt op het tijdstip van behandeling van de zaak. Het is mijn bedoeling te zijner tijd alle gegevens die ik uit de bronnen heb overgenomen, op internet te zetten. Wie over bepaalde zaken nu al nadere gegevens wenst (bijvoorbeeld omdat een van zijn of haar voorouders erbij betrokken was) kan mij een e-mailtje sturen:
h.vandeukeren [apestaart] casema.nl.

N.B.
Drie 'dossiers' van vóór 1720 in inventarisnr. 2477 (uit de jaren 1693, 1697 en 1718) zijn hier buiten beschouwing gelaten.

Update 2015:

Een uitwerking (transcriptie of parafrasering) van de gerechtelijke bronnen staat inmiddels op internet als "Nadere toegang": zie

Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht >
(links op het scherm:) ZOEKEN: Archievenoverzicht >
("zoeken in archievenoverzicht:") Globale zoekterm: (intypen) dorpsgerechten >
("archief nr. 64, Dorpsgerechten:") klik in rechter kolom op "nadere toegangen" >
("Overzicht archief nummer 64" / Bewerkt zijn de volgende delen:) de nrs. 2471-2493 ('bewerking hele bron') hebben betrekking op Leersum (met Zuilenstein en Ginkel).

volg-
nr.
datum delict datum zaak namen van de verdachten slachtoffers delict getuigen;
(overige betrokkenen)
vind-
plaats
opmerkingen
1/V ca. 1720/21 1721 Teunis Dirkse Woudenberg, Gerrit Tonissen   mestrekken Eerigje Jans van Schayk e.a.; (Cornelis van Westbroek) 2477  
2/S (1723) 1724 Tijmen Jans Jacob van Erkom (uit Buuren) [?] schulden (paard) (Cornelis van Westbroek) 2475  
3/S (1723) 1725 Jacob van Gerderen Benjamin Edelkoot (schoolmeester) schulden (onderwijs) (Maria van Gerderen) 2475  
4/V jun 1725 1725 Jan Woutersen, Huijbert Arrissen   mestrekken (Cornelis van Westbroek) 2476  
5/V okt 1725 1725-26 Dirk Cornelissen Woudenberg, Arris Huijbertsen   mestrekken (Dirk Petersen Woudenberg, Gijsbert Petersen Woudenberg, Huijbert Arrissen) 2476  
6/S (1727) 1727 Geurt Daniels van Stigt diaconie armen (eiser: Hendrik Eederveen) schulden (diaconie) - 2475  
7/S (1726) 1727 Jan Wouters Jan Abram schulden (loon) - 2475 landarbeider; verband met nr. 8?
8/V jun 1727 1727 Tonis en Jan D. Aree Woudenberg (broers) Jan Abraham vechten (wapens?) (... Gijsbertse Woudenberg) 2476, 2477 slachtoffer joods?; verband met nr. 7?
9/S (1727) 1729 Huybert Errissen Aelbert Jansen schulden (loon) - 2475 schaapherder
10/S (1728) 1729 Jan Woutersen van Ginkel (te Ginkel) Jacob Gerritsen Blotenburg (te Ginkel) schulden (huishuur); + achterstallig onderhoud - 2475  
11/S (ca. 1727) 1729 Jan Woutersen Jan van Ginkel (procureur: Pieter Alexander Kippel) schulden (loon) - 2475  
12/S (1729) 1730 Gijsbert Woudenbergh Cornelis Blankesteijn (Amerongen) schuld (landhuur) - 2475  
13/S? (1729) 1730 Cornelis van den Burg Aelbert van den Brink; Wouter Willemze van de Laar / Gerrit de Ridder schulden (hout; vaars) - 2475  
14/L# mrt 1730 1730 Lysbet Aerts idem (Lysbet Aerts) zelfmoord (scheermes) (Jacob Jansen Visee [echtgenoot]; Frederik van den Hovert, drossaert, Jacob Knoppert en Cornelis van Westbroek, burgemeesteren, en de chirurgijn [opstellers schouwakte]) 2476  
15/V sept 1730 1730 Hui Branssen van Barnevelt (uit Amerongen), Tonis Dirksen Woudenbergh   mestrekken - 2476  
16/S? ? 1731 Wouter Willemse Dirk Petersen van Woudenberg, Megteld Jans schuld (uitkoop maaggescheid; rente) (Maria Morre) 2475  
17/S apr 1731 1731 Christiaan Karsesteijn Jacob van Genderen (timmerman) schuld (doodskist) (Teuntje Wouters) 2475  
18/S 1720 (!) 1731 Wouter Willemsen Gijsbert Woudenberg schuld (huishuur) (Cornelis Woudenberg) 2475 schuld is gemaakt door de eerste echtgenoot van Willemsens vrouw (!)
19/V apr 1732 1732 Dirk Maassen van Ede (Rhenenseveer), Willem Lijster (Amerongen)   mestrekken - 2476  
20/V okt 1732 1733 Jan Dirksen Woudenberg, Cobus Jansen Spijkhorst (Doorn)   vechterij - 2476  
21/S 1734 1734 Gijsbert Woudenbergh Jan Schouten (schaapherder) schuld (loon) - 2475 schaapherder
22/S 1735 1735 Cornelis van Leeuwen Jan Reynderts schuld (loon) - 2475 smidsknecht
23/S 1734 1736-37 Rijk Aartsen van Kooij Cornelis Versteegh schuld (borgtocht) - 2475  
24/S 1735 1736 Gijsbert Tonissen van Velthuysen Jacob Blootenburg (uit Woudenberg) schuld (plaggen) (Cornelis van Westbroek) 2475  
25/? ? 1736 Tonis Woudenberg? Annetje van Beusechom   (Christiaan Kirpesteyn) 2475  
26/L mrt 1739 1739 Tonis Dirksen Woudenberg Gerrit Pietersen Cruijff manslag (+ mestrekken) Gerrit Pietersen Cruyff, Cornelis van Westbroek, Poulus Aelbers, Jan van der Stroom, Errigje Jans, e.a.; (Jan Woudenberg) 2476, 2477 bij verstek ter dood veroordeeld
27/V# 1739-40 1739-40 Johan Cristoff Maus Jacomijntje van Ginkel molest Jacob Visee; (Dirk Aertsen, Ot ...) 2476, 2477 + minachting voor drost (!). Maus was chirurgijn op kasteel Broekhuizen
28/V okt 1739 1739 (Floris van der Weyde)   'geweld' (Huig Aartse den Dikkenboer) 2477  
29/L dec 1740 1740-41 Johanna Feltmans, (+ Maria Feltmans) (N.N.) kind gedood - 2476 aan kaak te pronk met pop boven 't hoofd; Duits; jur. advies
30/? ? 1742 Jan Gerritse, Jacob Wildeman, Jan van der Klift [allen Amerongen], Jan ... [sic]   ? - 2476  
31/D mrt 1742 1742 Jan Peters (een boer te Wijler bij Kranenburg) inbraak (Duitsland) Drijs Arnds 2477 (betreft verzoek om informatie)
32/V ca. 1742 1742 Erris Huijbertzen, Teunis Huijbertzen, Tonis Gerritsen   vechten (Huijbert Errisse, Gerrigje Cornelissen) 2476 Tonis geronseld?
33/X ? 1745 Cornelis van Westbroek   misbruik brouwersvat - 2476  
34/V ca. 1745/46 1746 Dirk Aertsen, Tonis Gerritsen   vechten (mes?) (Gerrigje Cornelissen) 2476  
35/V sept 1748 1748-49 (Wouter Kirpelsteijn), Gerrit Kirpelstein, Gerrit van Amerongen, (Evert van Ginkel), Jacob Arisse (Errisse) (Wouter Kirpelsteijn) mestrekken Jan Woudenberg, Evert Rijksen, Tijme Jansen, Jacob Evertsen, Wouter Everte; (Cornelis Westbroek) 2476, 2477 tijdens kermis
36/X ca. 1753 1753 Geertruij Brinker Abraham Brinker Erff smaad - 2475  
37/X ca. 1755 1755 Gerritje Steenbeek (vrouw van Jan Radstock)   vernielingen (gewas) - 2477 Gerritje is krankzinnig; haar man mag haar laten opsluiten
38/D# sept 1755 1755 Joseph Abrahamse, Gabriel Abrahamse Evert Dirkse (Remmerden) diefstal (2 kalveren) - 2475 joden (!); jur. advies
39/S 1747 1755 Wouter Willemse Gerrit van Geytenbeek (belastinginner) schuld (paardengeld) - 2475  
40/S 1747 1755 ... Schevickhoven Gerrit van Geytenbeek (belastinginner) schuld (paardengeld) - 2475  
41/S 1747 1755 Gerrit Cornelissen Gerrit van Geytenbeek (belastinginner) schuld (schapengeld) - 2475  
42/S 1747 1755 Jan den Os Gerrit van Geytenbeek (belastinginner) schuld (schapengeld) - 2475  
43/S 1745, '46 1755 Aaltje Flooren Gerrit van Geytenbeek (belastinginner) schuld (paardengeld) - 2475  
44/L 1771 1773 Mie (Maria) Floren (N.N.) zuigelingmoord Geurt Ellisze Manne, Jacob Ederveen, Hannes van den Bogaard, Willem van den Bogaard, Maria Veenhoff, Evertje Jansze, Maurits Versteegh, Arriaantje Lokhorst, Jannetje van den Bogaard, Peter Franssen, Japikje Gijsbertse; (Arris Floren, Aart Gijsbertze, Hendrik Veenhoff) 2477  
45/D mrt 1773 1774 ? Willem van Doornik inbraak; textieldiefstal - 2477  
46/V aug 1773 1773 Reyer Joosten, (Jan Joosten), (Cornelis Joosten) Hendrik Harmse (knecht van Cornelis Peterse) vechten Dirk Wulfort, Bart Wouterse [Amerongen], Jan Willemse [Amerongen], Jan Tijmense; (Joost Rijertse, Geurt Brandse, Wijn Albertse) 2477 slachtoffer is Hendrik Harmse
47/V mrt 1774 1774 Willem van den Bogaert (Bogaart) Arij van Geeresteijn mestrekken Jan Geelhaar, Geurt Dirkse van Lunteren, Klaas van Geresteyn, Jacob Visee, Otto Hunselaar, Arij van Geeresteijn; (Hermannus [Harm] van den Bogaert, Hannis van den Bogaert, Teunis van den Bogaert) 2476, 2477 n.a.v. uittrekken scheidingshaag; boete betaald in termijnen (1774-1778)
48/D sept 1774 1774 ? Otto Huselaar inbraak Willem van Doornik 2477 inbreker werd gestoord, niets weggenomen
49/D sept 1777 1777 ? (drie joden???) Roelof van Velpen diefstal (zilver, kleding) Neeltje van Woudenberg, Cornelis Westbroek, Hendrik Willemze 2478  
50/X mei 1779 1779 Willem Achterberg   illegaal veulen - 2478 (periode van veepest)
51/V jan 1783 1783 Jan Speykhooven (Speykhoven), Huybert van Meerwijk (Meerweijk) Willemijntjen Jansen van Apeldoorn molest (Mevr. Swemmelaar, Dirk Aartse van de Geer, Jan van Vossesteijn, Anthny Speykhoven) 2475, 2476, 2478 verschil in strafmaat i.v.m. wel of niet verschijnen (HvM verbannen, JS boete, deels bestemd voor de armen)
52/?# ? 1783 Gerrit Dirkse, Arien van Geeresteijn   ? - 2476 verzoek te getuigen, in zaak Van Meerwijk? (nr. 51)
53/D feb 1783 1783 ? Dirk Aartsen van de Geer inbraak; diefstal (tabak) - 2475  
54/V jan 1785 1785 Albert van Hoff (of Veenhoff) (Amerongen), Gerrit Versteegh Aartssen (Albert van Hoff, uit Amerongen) vechten Dirk van den Broek; (wed. Willem Teunissen van Achterbergh) 2475, 2476 n.a.v. openbare verkoping; jur. advies (omdat beŽdigde verklaring is ingetrokken)
55/Z mrt 1788 1788 Dirkje Marees   hoererij - 2478 recidive
56/Z# 1787-1788 1788-89 Jan Lodder Ariaantje van der Lee (uit Overlangbroek) bezwangering (Cornelis van der Lee [Overlangbroek]) 2475 pro deo
57/D# nov 1789 1789 ? Anthony van Ginkel, Jan van deze [?] Verbeek (beide te Ginkel) 2 diefstallen (honing) - 2475  
58/Z 1791-1792 1792 Dirk van Vulpen Cornelia Oosterbeek bezwangering (Roelof van Vulpen) 2475 pro deo
59/V apr 1792 1792 Jan Blaauwendraat, Jan Helmertzen   mestrekken (P. Cornelissen Blauwendraat) 2476  
60/V# apr 1793 1793-94 Maurits Versteegh, Hendrikus Versteegh, Maurits Versteegh jr. Hendrik van Geeresteyn, Pieter Brouwer [Darthuizen], Gerrigje Verhage, Jan Spijkhoven schieten op mensen Tijmen van Alewijk, Everijntje van Barneveld, Gerrigje van Barneveld, Willem van den Bogaerdt, Willem van Doornik, Klaas van Geeresteijn, Jan van Heeteren, Jorden Kees..., Sander van Maanen, Hendrikje Mores, Hendrik Schuylenbergh, Cornelis Spijkhoven, Jorden Steenbeek, Hendrik Takken, Cornelis Verleun, Gijsje van Woudenberg; (wed. Aalwijk, Willem Boelhouwer, Mozes Elbertse, Dr. Gobius, Willem van Laar, Cornelis Steenbeek, Gt. Versteegh) 2475, 2478 provocatie? (politieke achtergrond); Versteegh in 1795 (onder Frans gezag) in zijn functies hersteld
61/D# aug 1793 1793 Lammert Lagerweij jr., Jan van Es (of Nas) Hendrik de Kruyf (de Kruijf) diefstal (peren) - 2475  
62/S v.a. 1785 1793 Johannes Budding Reyer Hannisse (Scherpenzeel); Johannes Brinkhuijsen en J. Kronenberg (Deventer) schulden (turf; obligatie; geld) - 2475  
63/Z# ca. 1791-93 1793-94 (Jan) Willem van Doornik   sodomie Anthonij Aalwijk, Cornelis van den Broek, Tijmen van Gendt, Jan van Heederen, Hendrik Kamphuizen, Johannes Koedam [Zoelmond], Jacob van Laar, Sander van Maanen, Gozina Schaay [Zoelmond], Aart Spijkhoven, Jacob Vlastuyn, Dirk van Vulpen, Geertruy de Waal [echtg. Klaas van Geresteyn]; (Ielis van Amerongen, Mr. P.J. de Bie, Jannigje van den Boogaard, Willempje de Kruyf [wed. Evert Brouwer], Maria van Lunteren, Mr. Jan Sluyterman, Antje Versteegh, Maurits Versteegh, Roelof van Vulpen, Toon van Weel, Teunis Woudenberg) 2475, 2478 politieke intrige?; curieus request; jur. advies (de juristen verschijnen in persoon!)
64/X mrt 1794 1794 Lammert Lagerweij Maurits Versteegh nalatigheid contract - 2475 nasleep van de zaak Versteegh (zie nr. 60)
65/Z feb 1795 1795 Hendrickje van Marees   hoererij Elisabeth Veenhoff [wed. Jan van Veenendaal], Wouter Cornelissen Oosterbeek, Hugay [Amerongen, luitenant Franse troepen]; (Klaas van Os [Amerongen], Jaap Broek, Wouter Oosterbeeder, Hannes Willemsen) 2475 gearresteerd in Frans legerkamp Amerongen
66/X mrt 1795 1795 Laurens Jansen   Oranjeliedjes gezongen (Frans Sanderze) 2475 politiek delict
67/V mrt 1795 1795 Klaas Cornelisse (Renswoude), Roelof van Barneveld   mestrekken (Frans Sandersen [Ginkel]) 2475 n.a.v. openbare verkoping
68/D jun 1796 1796 Jan Lodder ? diefstal (bos tenen) - 2475 boete bestemd voor armen
69/X ? 1796 Dirk van den Broeck Maurits Versteegh(?) overpad - 2475  
70/? ? 1804 A. Gobius   ? Geertruij van Appeldoorn, Jacob Budding, Sander van Manen, Maria van Gerestein, Willem van Laar, Anth. Spijkhoven, F. Jacobsen van Maarveld 2475 ('gesuspendeerd predikant')

Toelichting op de betekenis van de kolommen

volgnummer en (na de schuine streep) soort delict:
vindplaats:
verwijst naar: Streekarchief Wijk bij Duurstede, archief Dorpsgerechten, inventarisnrs. 2475-2478.
getuigen; (overige betrokkenen):
namen die tussen haakjes staan, betreffen personen die in de stukken genoemd worden, maar geen verklaring hebben afgelegd. Vaak zijn ze ook niet feitelijk bij de zaak betrokken. Het gaat bijv. om vermeldingen dat een feit plaats vond "voor het huis van X". De spelling van eigennamen varieert sterk.

[ terug naar het begin ]

(30 mei 2006; laatste wijziging: 22 juli 2017)