[ Homepage | Contact | Werk | Curriculum vitae | Publicaties | Stamboom | Sitemap ]

Vroege Van Deukerens

Inhoud

Zie ook:


Het spoor terug

Een serieuze stamboom van de Van Deukerens schijnt nog niet te bestaan. [noot 1] Maar de vroegste vermelding van de familienaam Van Deukeren, voorzover nu bekend, valt in het laatste kwart van de achttiende eeuw: in 1781 liet ene Gerrit van Deukeren in het Noord-Hollandse Monnickendam zijn eerste kind dopen als Claas van Deukeren.

1781   Den 25ste Maart Zondag [= doopdatum]
       de Vader Gerrit van Deukeren, de
       Moeder Annetje Bezem, het Kint
       Genaamt Claas van Deukeren
       de Getuyge Tryntje Bezem

Bron: doopregister Monnickendam; fotokopie Rijksarchief Noord-Holland

Gerrit Claasen draagt familienaam Van Deukeren, Monnickendam 1781
           Klaas Gerrits  x [huw. Elspeet 1742] Trijntje Harmens
(geb. ca.1715 Nijbroek?)  │
                          │
                   Gerrit Klaasen  x [huw. Monnickendam 1778] Annetje Bezem
                   / VAN DEUKEREN  │
              (geb. 1744 Elspeet)  │
                                   │
                           Claas VAN DEUKEREN
                        (geb. Monnickendam 1781)
                                   │
                                   │
                                ( ... )

Vader Gerrit was drie jaar eerder in Monnickendam getrouwd met Annetje Martens Besem (Bezem, Beesem), een Monnickendamse. Bij dat huwelijk werd nog niet Gerrits familienaam vermeld, maar wel zijn vadersnaam: hij heette er nog "Gerrit Klaasen". Verder staat bij dit huwelijk de nuttige informatie vermeld dat Gerrit niet afkomstig was uit Monnickendam, maar uit Elspeet, een dorp op de Veluwe halverwege tussen Harderwijk en Apeldoorn.

111*   den 11 July A[nn]o 1778 [= ondertrouwdatum]
       Gerrit Klaasen J.M. [Jongeman] Geboortig van
       Elspeet dog nu wonende alhier
                     ende
       Annetje Martens Beesem J[onge] D[ogter]
       wonende binnen deze stadt

       Getrouwt den 26 Julius 1778

* '111' (drie "vinkjes") markeren vermoedelijk de "Huwelijksproclamatiën", de drie verplichte openbare afkondigingen van het huwelijksvoornemen tijdens de ondertrouw.

Bron: huwelijksregister Monnickendam; fotokopie Rijksarchief Noord-Holland

huwelijk Gerrit Klaasen en Annetje Martens Beesem, Monnickendam 1778

Inderdaad blijkt Gerrit in 1744 in Elspeet te zijn geboren en gedoopt, als tweede kind van een Klaas Gerrits, die er in 1742 was getrouwd. Ook deze vader Klaas Gerrits was weer een migrant, want bij zijn huwelijk staat vermeld dat hij "van Nijbroek" was. Een plaatsje met die naam ligt 19 km oostelijk van Elspeet in de gemeente Voorst, 7 km ten westen van Deventer.

Ik werd op dit Monnickendamse en Veluwse spoor gezet door een oproep uit 2007 van de voorzitter van de Vereniging Veluwse Geslachten (V.V.G.): "Gevraagd: voorgeslacht en doop van Klaas Gerritsen", waarbij uitdrukkelijk de familienaam was opgegeven als Van Deukeren. De oproep is begrijpelijk, want hier houdt het spoor op. Een doopregistratie van deze Klaas Gerrits, die omstreeks 1715 geboren zou moeten zijn, blijkt in Nijbroek niet te vinden.
 

Wortels op de Veluwe: Elspeetse Klaas en Trijntje

huwelijk Claas Gerrits en Trijntjen Harmsen, Elspeet 1742
De vroegste sporen van de familie Van Deukeren betreffen dus een nogal vaak verhuizend Veluws geslacht, waarvan de oudste zonen afwisselend Klaas en Gerrit heetten (Klaas Gerritsen / van Deukeren en Gerrit Klaassen / van Deukeren). Uit deze familie trouwde op 3 mei 1742 een Klaas Gerrits (Claas Gerritsen) te Elspeet. Zijn vrouw heette Trijntjen (of Trientjen) Harmens (Herms, Harms, Hermens) [noot 2]:

(1742)   In Ondertrouw ingetekent               >>>>>
         Klaas Gerrits J.M.(*) van Nijbroek
         wonende in Elspeet
         En Trijntjen Harmens J.D.(*) in
         Elspeet op Den 6 April
         bevestigt op hemelvaartsdag den 3 Maij.

* j.m. = jongeman = niet eerder gehuwde man
  j.d. = jongedochter = niet eerder gehuwde vrouw

Bron:    Trouwregister Elspeet
         (fotokopie: Gelders Archief, Arnhem).

Deze Trijntje Harmens was een 21-jarige autochtone Elspeetse. Ze werd op 19 januari 1721 gedoopt - en zal dus begin 1721 (of eventueel eind 1720) zijn geboren. Haar ouders waren in Elspeet getrouwd, haar moeder was er ook geboren, en Trijntjes drie broers en vier zussen werden ook allemaal in Elspeet geboren.

De naam Van Deukeren schijnt in de Elspeetse archieven niet vermeld te worden. [noot 3] In de namen Klaas Gerrits en Trijntjen Harmens waren "Gerrits" en "Harmens" niet de achternaam, maar patroniemen (een verwijzing naar Klaas' en Trijntjes vaders die respectievelijk de voornaam Gerrit en Harmen droegen). Achternamen waren in de achttiende eeuw weinig gebruikelijk in Elspeet en omgeving. [noot 4] Maar Trijntjes broer Peter droeg later de achternaam Van Kampen; en op grond daarvan zouden we met terugwerkende kracht diezelfde achternaam ook kunnen toekennen aan Trijntjes vader en aan Trijntje zelf.
 

Nijbroek

kaart Veluwe, 1741
Kaart uit 1741 van de Noordelijke Veluwe, tussen Zutphen en Harderwijk.
Elspeet ('Eelspeet') ligt rechts onder Harderwijk, Nijbroek ('Nieubroek') links boven Deventer.
Mooi zijn op deze kaart de landroutes te zien, bijvoorbeeld vanuit Deventer, via Terwolde, Nijbroek en Vaassen óf via Twello en 't Loo, naar Elspeet en dan verder naar Harderwijk.
Opmerkelijk zijn ook de talrijke aangegeven beekjes op de Veluwe.
Uit: Joan de Lat, Nieuw en beknopt kaart-boekje, vertoonende de XVII. Nederlandse Provintien (overijsselinkaart.nl; alle kaarten).

De eerste plek waar je gaat zoeken naar voorouders van Klaas Gerritsen is natuurlijk Nijbroek, het dorp dat in Klaas' huwelijksregistratie vermeld staat als zijn plaats van herkomst. Maar hoewel de doopregistraties daar teruggaan tot 1694, is de geboorte van een Klaas Gerritsen (of een naam die daarop lijkt) er niet te vinden. De voornaam Klaas, of varianten daarvan, was in Nijbroek trouwens uitermate zeldzaam: tussen 1694 en 1730 werden er slechts twee jongetjes Klaas gedoopt - in 1714 een Klaas Jansen, en in 1719 een Klaas "extra matrimonio" (buiten het huwelijk), van wie de vader onbekend bleef. Bij de meisjes was er ook maar één Klaasjen (1708). Er werden ook nog twee kinderen gedoopt bij wie geen voornaam staat vermeld, maar in die beide gevallen heette de vader Jan, niet Gerrit (1697, 1729). [noot 5]

De voornaam Gerrit daarentegen kwam in deze streken wel vaak voor: tussen 1695 en 1725 waren er in Nijbroek zeventien huwelijken waarbij de man Gerrit heette. Maar geen daarvan lijkt een duidelijke kandidaat om de vader van Klaas te zijn. Lastig is trouwens dat in Nijbroek, net als in Elspeet, in de regel alleen patroniemen werden gebruikt, nauwelijks familienamen. Wel werd bijna altijd vermeld waar de echtgenoten vandaan kwamen: de vrouwen waren meestal autochtoon, maar de mannen kwamen in ongeveer de helft van de gevallen van elders - wel meestal uit een plaats in de buurt. [noot 6]

Ten slotte zijn er nog lidmatenregisters van de gereformeerde kerk van Nijbroek [noot 7], maar ook die maken geen melding van een Klaas Gerritsen. Theoretisch zou diens belijdenis of vertrek naar Elspeet vermeld kunnen zijn, maar dat is dus niet zo. Dat zegt trouwens weinig, want mannen schitterden in de lidmatenboeken over het algemeen door afwezigheid. Klaas Gerritsen was daarop geen uitzondering: ook in de lidmatenboeken van Elspeet ontbreekt hij. In Nijbroek schijnt Klaas Gerritsen dus helemaal geen sporen te hebben nagelaten.

Al met al is de vermelding dat Klaas "van Nijbroek" was, problematisch. Doorgaans betekent die formulering dat iemand in de genoemde plaats geboren was, maar misschien was in dit geval Klaas elders geboren en alleen maar via Nijbroek in Elspeet beland. Ook is het mogelijk dat hij simpelweg een verkeerde plaatsnaam heeft opgegeven - misschien een plaats in de buurt van zijn echte geboorteplaats. Zelfs veel later, in de tijd van de burgerlijke stand, kwam dat nog wel eens voor. [noot 8] Of misschien heeft de dominee die het huwelijk in het trouwboek noteerde, zich verschreven?
 

Oudere sporen

Waar dit spoor in Nijbroek dood lijkt te lopen, zou het kunnen zijn dat de later gekozen familienaam "Van Deukeren" aanknopingspunten biedt voor de herkomst van de familie. Als die familienaam niet pas in Monnickendam is bedacht maar al vóór die tijd in gebruik was, zijn in de regio Apeldoorn-Deventer misschien verwanten te vinden die een soortgelijke familienaam hanteerden. Je moet er dan wel op verdacht zijn dat hun naam enigszins anders gespeld kan zijn dan "Van Deukeren". Plausibele mogelijkheden zijn Van Duijkeren, Deuker, Duiker, en dergelijke. [ details ]

In de eerste plaats zou het kunnen zijn dat Klaas Gerrits verwant was aan een boerenfamilie Deuker die sinds de late zeventiende eeuw in Deventer en directe omgeving woonde (dus vlakbij Nijbroek). Voorlopig is dit de meest plausibele herkomst, want er is zelfs een Deventerse Deuker van wie expliciet vermeld wordt dat hij uit Nijbroek ( ! ) afkomstig was: Willem Berends Deuker. Hij ging op 31 maart 1708 in ondertrouw voor het Deventerse gerecht:

"1708 [...] Den 31 Meert zijn [...] ingeschreven [...] Willem Berends Deuker j.m. [jongeman, afkomstig] uit het Nieuwbroeck [wonend] aen den Bergh, met Gerritjen ten Bussche, j.d. [jongedochter] van Markel [wonend] in d'Assenstr. / Getrout den 22. April 1708.

Daaronder staat een ondertekening, blijkbaar in het handschrift van de echtelieden zelf:

Willem Beerents Deucker als brugom,
Gerritjen ten Bossche als bruit
" [bron]

Helaas bleek het niet (nog niet?) mogelijk om de families Deuker/Duiker en Van Deukeren op een soepele of overtuigende manier met elkaar te verbinden. Er is trouwens gesuggereerd dat deze Deukers uit Deventer zouden afstammen van doopsgezinde immigranten uit Münster (Duitsland). Dit moet wel zeer onwaarschijnlijk worden geacht, omdat doopsgezinden bekend staan om hun heftig weigeren van militaire dienst, terwijl de stamvader van de Deventerse Deukers nota bene een soldaat was. [ details ]

Een ander spoor dat ik heb verkend, is dat de vader van Klaas Gerrits een Katwijkenaar zou zijn, met de naam Gerrit Claase van Duijkeren. Die had een zoon Claes Gerritsz van Duijkeren, van wie de gegevens goed overlapten met die van de Elspeter Klaas Gerrits. De identificatie zou spectaculair zijn, omdat deze Claes/Klaas zowel in Katwijk als in Elspeet gelijktijdig een echtgenote had, hij zou dus een bigamist zijn. Helaas bleek uiteindelijk dat het toch om twee verschillende personen ging: de Elspeter overleed namelijk in 1764, zijn Katwijker naamgenoot tien jaar later. [ details ]

Ten slotte was er nog een derde spoor: in Delft dook de naam Van Deukeren in 1778 op. Maar ook dit bleek een dwaalspoor: het ging hier om leden van de familie Van Duijkeren, van wie de familienaam alternatief gespeld was. [ details ]

Ik heb dus een paar sporen gevolgd, maar die hebben nog niet tot een antwoord geleid op de vraag wie de voorouders waren van de Elspeter Klaas Gerrits [van Deukeren]. Het mooiste zou het natuurlijk zijn ergens een "smoking gun" te vinden in de vorm van bijvoorbeeld een doopregistratie van Klaas Gerrits.
 

Elspeet: Klaas, een kleine boer

Ik keer nu terug naar Klaas Gerrits zelf, in Elspeet. Wat was zijn beroep? Dit is te achterhalen via de pseudo-volkstelling op de Veluwe die in 1749 werd gehouden ("pseudo", want kinderen jonger dan vijf jaar werden niet meegeteld).

Deze telling, die werd gehouden om fiscale redenen, geeft voor bijna de hele Veluwe voor ieder huisadres, geordend naar dorp of stadsdeel, een reeks gegevens:

Voor de meeste Veluwse "schoutambten" worden de uitkomsten van de telling bewaard op het Gelders Archief; onder andere voor Nijbroek ("Nieuwbroek"). Als Klaas daar geboren was, zou je de namen van zijn ouderlijk gezin in de lijsten kunnen aantreffen. Echter, ik heb geen Gerrit aangetroffen waarvan aannemelijk is dat hij de vader van Klaas zou kunnen zijn. Dat bewijst niets - Klaas' vader zou vóór 1749 kunnen zijn overleden [noot 10] of weggetrokken - maar het suggereert wel opnieuw dat Klaas' herkomst "van Nijbroek" suspect is.

Helaas bleek bij mijn bezoek aan het Gelders Archief dat de lijst voor Elspeet daar ontbrak. De reden daarvan is dat het Veluwse schoutambt Barneveld (waaronder Elspeet viel), en ook Wageningen, hun lijsten nooit hebben ingestuurd naar het bevoegd gezag, de Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden. [noot 11] De gegevens van Elspeet zijn daardoor nog steeds aanwezig in Barneveld, waar ze op het Gemeentearchief beschikbaar zijn - zelfs in twee lijsten, een voorlopige (1748) en een definitieve (1749). De lijst uit 1749 is ook in zijn geheel gepubliceerd. [noot 12]

uit Veluwse telling 1748
Gegevens over Claas Gerritsen in de Veluwse telling van 1748.
"Claas Gerritsen: Een huijs / heeft een bouwerij [bouwland], Dogh geen Capitalist [hij is geen vermogend man] /
geen kinderen
[ouder dan 5 jaar] / geen knegt, geen meidt / 1 Heersteede [één haard] /
heeft geen kleijlant, maar besaait ½ morgen sandagtighlant /
is voor de 5 specien
[levensmiddelenbelasting] geaccordeert, of voor alle[s] geaccordeert /
heeft in 1747 daar voor betaalt 3 guld[en] / in 1748 niets, alsoo
[omdat] geen pachters sijn geweest /
is bij die accoort niet beswaart geweest
[heeft geen bezwaar gemaakt tegen zijn belastingaanslag]"
Bron: Gemeentearchief Barneveld, archief Ambtsbestuur 1617-1812, inv.nr. 93, gegevens Elspeet.

Door beide lijsten te combineren, blijkt dat Claas Gerritsen een "daghuurder" [boerenknecht] was, die ook zelf over een klein stukje land beschikte. Hij had namelijk een lapje "sandagtighlant" in gebruik [zandachtig bouwland] van slechts een halve morgen (0,4 hectare). Daarop zal hij wel rogge en boekweit hebben verbouwd, of wat groente. Personeel (knechts of meiden) had Klaas niet in dienst. De drie kinderen in zijn jonge gezin waren nog zo klein dat ze voor de belasting niet meetelden: in 1748 was hun oudste zoon Gerrit pas vier jaar oud, Hermen werd drie, en Peter één jaar. In 1747 betaalde Klaas een belastingaanslag voor de "vijf speciën" [basale levensmiddelen] van drie gulden. Het zijn allemaal heel bescheiden getallen, de meeste dorpsgenoten beschikten over meer land, hadden grotere gezinnen en meer personeel, en betaalden ook meer aan de belastingpachters. [noot 13]
 

Meer Gerritsens

Elspeet was maar een klein dorp - er woonden in 1749 slechts 75 gezinnen, dat wil zeggen ca. 350 mensen. Daarom is het opvallend dat in die korte Elspeetse lijst nog drie andere hoofden van huishoudens staan vermeld die het patroniem "Gerritsen" dragen: Cars Gerritsen (van beroep "snijder"), en Gerrit Gerritsen en Hendrik Gerritsen (beiden daghuurder). Mijn eerste indruk was dat het allemaal jonge gezinnen waren. Want al deze drie Gerritsens waren getrouwd, maar geen van hen had kinderen ouder dan vijf jaar, en ze woonden bescheiden in een "camer" (een "camer" kon een kamer met stookgelegenheid zijn, maar ook een verdieping, woonhuisje of pothuis [noot 14]). Bij Cars op zijn "camer" woonde dan ook nog eens diens vader in. Ook sociaal-economisch lijken de vier Gerritsens vergelijkbaar: zo beschikte Gerrit Gerritsen over een stukje land dat nóg kleiner was dan dat van Klaas (slechts een kwart morgen), en Cars en Hendrik hadden zelfs helemaal geen land. Hun belastingaanslagen in 1747 varieerden tussen anderhalf en vijf gulden, dus vergelijkbaar met die van Klaas.

Het zou dus kunnen zijn dat er onder die drie zojuist genoemde "Gerritsens" broers waren van Klaas. Misschien Cars, bij wie vader Gerrit inwoonde? In dat verband is interessant dat de vrij zeldzame naam Cars ook terugkeert bij een van de zonen van Klaas - die zoon zou dan naar zijn oom vernoemd kunnen zijn. Toch lijkt er geen sprake te zijn geweest van familieverwantschap, zoals valt af te leiden uit gegevens in de doop-, trouw-, begraaf- en lidmatenregisters van Elspeet.

Conclusie: geen van de drie andere Gerritsens die in 1748 gezinshoofd waren in Elspeet, lijkt een bloedverwant van Klaas. Maar ja, de naam "Gerrit" en het patroniem "Gerritsen" kwamen in Elspeet en omgeving erg vaak voor [noot 19]. Dus dat de vier hetzelfde patroniem voerden heeft niets te betekenen. Er waren trouwens in Elspeet omstreeks 1748 nog wel meer Gerritsens, onder wie een Jan Gerritsen die in 1748 trouwde, en een flink aantal dames: Aaltje (trouwde in 1739), Geertje (trouwde in 1746), Gerritje (overleden voor 1748), Grietje (trouwde in 1733), Hendrikje (trouwde in 1740), Janna (trouwde in 1748), en Jannetje (getrouwd in 1727).
 

Waar precies woonde Klaas?

Wáár precies in Elspeet heeft Klaas Gerritsen gewoond? Het is misschien mogelijk dat nader te bepalen. Bij een telling zoals in 1748/9 werd een dorp vaak van huis naar huis doorgelopen, en de volgorde van de namen in de lijst correspondeert dan dus met de volgorde van de huizen. Nu is het probleem dat er twee versies van de volkstellinglijst zijn (de voorlopige versie uit 1748, inventarisnummer 93, en de definitieve lijst uit 1749, inventarisnummer 94), en dat de volgorde van de namen in die beide lijsten zeer verschilt. Welke lijst geeft dan de geografische volgorde? Ik vermoed dat dit de voorlopige lijst uit 1748 is, op twee gronden. Ten eerste naar analogie met Barneveld. Voor Barneveld is een historisch kadaster samengesteld, en daar blijkt de volgorde van de namen in de voorlopige lijst wel, maar in de definitieve lijst niet te corresponderen met de kadastrale volgorde. [noot 20] In de tweede plaats staan in de voorlopige lijst van Elspeet personen bij elkaar die waarschijnlijk ook werkelijk in elkaars directe nabijheid woonden, zoals de dominee en de custos, of "camer"-bewoners en de bijbehorende verhuurder. De volgorde in de definitieve lijst is veel minder logisch. Zo staat daar Claas Gerritsen vermeld direct vóór dominee Martinius - maar is het waarschijnlijk dat een arme sloeber als Claas Gerritsen echt direct naast de dominee zou hebben gewoond? [noot 21]

Mijn veronderstelling wordt nog bevestigd door gegevens in het doopboek van Elspeet. Dominee Dithmar Martinius, die dit doopboek van 1728 tot 1763 bijhield, vermeldde bij de meeste dopen waar de ouders woonden: vaak "in 't Dorp" [in Elspeet zelf], maar ook in Uddel, in Veenhuizen, op de Hardenberg, te Vierhouten, enz. Koppelen we deze woongegevens aan de namen in de voorlopige belastinglijst, dan blijken de meeste personen op die lijst zoals verwacht "in 't dorp" te hebben gewoond. Maar diegenen die ergens anders woonden, staan vlak bij elkaar in de voorlopige lijst! De enigen die bijvoorbeeld in Veenhuizen woonden, waren de nummers 44, 48, 51 en 56 in de voorlopige lijst. Op de Hardenberg woonden alleen de nummers 52 tot en met 55. [noot 22]

Ik ga dus maar uit van de volgorde in de voorlopige lijst. Je zou dan misschien van een paar personen kunnen nagaan waar ze hebben gewoond (de dominee, de twee herbergiers). Vervolgens zou je ook bij anderen, door interpolatie, kunnen schatten waar ongeveer hun huis stond. Veel nauwkeuriger is een procedure die ook voor Barneveld is gevolgd, waarbij de opvolgende bewoners van alle huizen worden getraceerd tot het moment waarop het kadaster werd ingesteld. Dat lijkt een monnikenwerk, en het is vooralsnog niet duidelijk of daarvoor de benodigde bronnen beschikbaar zijn. Het schijnt echter dat het Gemeentearchief Barneveld hiervoor al een "Zoeksysteem geschiedenis panden en bewoners" beschikbaar heeft, ook voor Elspeet (Historisch kadaster: cedullen ambtslasten, deel 5). Ik ben daar zeer benieuwd naar!
 

Klaas' schoonfamilie: de Van Kampens

Wat weten we van de familie van Klaas' vrouw Trijntje? En kunnen er nog nazaten van Trijntjes broers en zussen in leven zijn?

   [ meer ]                                    Harmen Jacobsen  x (¹) [1720] Gerritje Gerrits (1698-1746)
                                                 [van Kampen?]  │ (²) [1748] Jannetje Gerrits
                                                 (c.1696-1771)  │            (zus van Gerritje, 1705- )
                                                                │
                                    ┌-------┬-------┬-------┬---┴---┬-------┬-------┬-------┐
                                    │       │       │       │       │       │       │       │
 CLAAS GERRITS  x [1742] TRIJNTJE HARMENS PETER    (vijf kinderen, geboren 1724-1738,    GERRIT
[VAN DEUKEREN]  │        [van Kampen?]   (1723-          allen jong overleden)           (1740-
(c.1715-1764?)  │        (1721-1776)     -1802)                                          -1779)
                │                           x                                               x
                │                        [1763]                                          [1767]
     (nazaten VAN DEUKEREN)         Hendrikje Hendriks                                Dirkje Karsen
                                            │                                               │
                               ┌------------┼------------┐                           ┌------┴------┐
                               │            │            │                           │             │
      Christina Meeuwis  x  GERRIT       Evertje       Aaltje                      Cars        Jannetje
                         │ (1767-1834) (1769-1779)  (1773-1779)                 (1768-1768)   (1768-1768)
                         │
            PETER van Kampen  x[1847]  Lubbertje van de Kamp
               (1809-1877)      │
                                │
                  GERRIT van Kampen  x[1877]  Aaltje Mulder
                      (1850-1884)       │
                                        │
                        vijf kinderen, allen jong gestorven

Uit de Elspeetse doop-, trouw- en begraafregisters blijkt dat Trijntje drie broers en vier zussen heeft gehad. Vijf van hen zijn al als kind overleden; bij de "volkstelling" van 1748/49 bleken alleen Peter (geboren in 1723) en Gerrit (geboren in 1740) nog in leven.

Hun moeder, Gerritje Gerritsen, was in maart 1746 overleden. Vader Harmen bleef toen dus achter met drie kinderen. De twee oudste, Trijntje en Peter, waren al volwassen, maar de jongste, Gerrit, was pas amper vijf en een half jaar oud. Wat doe je dan als vader? Dan zoek je een andere vrouw die voor je jonge kind wil zorgen. In dit geval schijnt daarvoor een uitgelezen kandidate te zijn geweest; Jannetje of Janna, de jongere, en ongetrouwde, zus van Harmens eerste vrouw Gerritje. In 1748 trouwde zij met vader Harmen.

Zoon Peter is pas kort voor zijn veertigste getrouwd, in 1763. Er werden uit dat huwelijk drie kinderen geboren: eerst een zoontje Gerrit, in 1767, en daarna twee dochters, Evertje en Aaltje, in 1769 en 1773. De beide dochters zijn in oktober 1779, twee dagen na elkaar, bezweken aan een dysenterie-epidemie ("de [rode] Loop") die toen in Elspeet woedde. Die epidemie had trouwens enkele dagen daarvoor ook al het leven gekost aan Peters broer Gerrit.

Peter lijkt niet alleen in zijn huwelijk, maar ook kerkelijk een laatbloeier. Pas in zijn tweeënveertigste levensjaar (in 1765) liet hij zich inschrijven als lidmaat van de kerk, samen met zijn jongere broer Gerrit. (Zus Trijntje had dat al in 1741 gedaan.) Toch lijkt deze trage start geen belemmering te zijn geweest voor een kerkelijke carrière, want toen Peter in 1802 overleed, werd aangetekend dat hij "kerkm[eester]" [koster of kerkvoogd, noot 24] was geweest.

Trijntjes jongste broer Gerrit (die was geboren in 1740) trouwde in 1767, met Dirkje Carssen. Een jaar later werd een tweeling geboren, Cars en Jannetje. Maar de levenskansen van tweelingen waren in de achttiende eeuw gering, en Gerrits kinderen vormden daarop geen uitzondering: de tweeling overleed nog voordat ze gedoopt konden worden. Twee dagen na de tweeling overleed bovendien ook de moeder. Gerrit zelf is in 1779 overleden, zoals gezegd bezweek hij tijdens een dysenterie-epidemie.

Trijntje zelf was drie jaar eerder overleden, in 1776. Daarmee was uit het kinderrijke gezin alleen Peter nog in leven. Hij zou pas in 1802 overlijden, bijna 80 jaar oud. Peters enige overlevende kind, zoon Gerrit, trouwde net als zijn vader laat en kreeg pas na zijn 40e een zoon, Peter. Ook deze Peter jr. (het verhaal wordt eentonig) trouwde laat en kreeg na zijn 40e een zoon, die hij Gerrit noemde. Deze Gerrit doorbrak op treurige wijze de familietraditie, door al vóór zijn 40e te overlijden. Hij is wel zeven jaar getrouwd geweest, en in die tijd werden er vijf kinderen geboren, maar geen daarvan heeft hun vader overleefd. - Daarmee lijkt het uiterst twijfelachtig of er thans nog nazaten van Trijntjes broers in leven zijn.

Ten slotte de familienaam "Van Kampen" die Peters nazaten droegen. De vroegste vermelding van die naam die ik heb gevonden, staat in de lijst van de naamsaannemingen in de gemeente Garderen (waaronder Elspeet viel), 4 november 1812, nr. 153: Peters zoon Gerrit liet toen noteren dat hij de familienaam Van Kampen zou dragen. Andere Van Kampens vermeldt de lijst niet. De eerstvolgende vermelding stamt uit juni 1813, toen diezelfde Gerrit ("Gerrit Petersen van Kampen") als getuige werd vermeld in een overlijdensakte. De naam Van Kampen staat ook zwart op wit in diens overlijdensakte (Ermelo, 1834). Gerrits vader wordt in die laatste akte aangeduid als "Peter Harmsen van Kampen" [noot 25], maar dat lijkt me een toeschrijving achteraf, ik betwijfel of Peter Harmsen (die in 1802 overleed) zich ooit zelf "Van Kampen" heeft genoemd. Ik vermoed dat de naam "Van Kampen" pas is ontstaan in 1812, kort nadat het (in 1811) wettelijk verplicht werd een vaste achternaam te voeren. Hoe is "Gerrit Petersen van Kampen" dan op die familienaam gekomen? Ik gok dat hij die ontleend heeft aan de herkomst van zijn grootvader Harmen Jacobs, van wie we - uit diens huwelijksregistratie (1720) - weten dat hij oorspronkelijk niet uit Elspeet afkomstig was. Als grootvader Harmen Jacobs in Kampen geboren zou zijn - en Gerrit zou dat ongetwijfeld van zijn vader, misschien zelfs ook van zijn opa zelf gehoord hebben - dan zou Gerrit een goede reden hebben gehad om zich "Van Kampen" te noemen. In Elspeet was het namelijk vrij gebruikelijk om mensen te identificeren met behulp van de plaats vanwaar zij, of hun familie, afkomstig waren. De hypothese dat Harmen Jacobs uit Kampen kwam, wordt nog extra plausibel omdat de Kampense doopboeken inderdaad precies in de juiste periode melding maken van een dopeling met de naam Harmen Jacobs: in oktober 1696. [noot 26]
 

Kindersterfte

In de jaren na hun trouwen werden er in het gezin van Elspeetse Klaas en Trijntje elf kinderen gedoopt. De meeste daarvan overleden jong. [noot 27] Maar het kindertal van het echtpaar was vermoedelijk nog groter dan elf, want de begraafregisters van Elspeet maken ook nog melding van één doodgeboren kind, en van het overlijden van twee kinderen van het echtpaar waarvan de doop niet staat aangetekend - kennelijk kinderen die al overleden voordat ze gedoopt konden worden. De eerste die overleefde, was Gerrit, geboren in augustus 1744.

Gerrit van Deukeren te Elspeet gedoopt, 1744

Hier is de hele lijst van kinderen, zoals die is te construeren uit doop- en begraafregister samen - je vraagt je af hoe de moeder al die zwangerschappen (twaalf, in negentien jaar tijds) overleefd heeft:

  naam geboren (ca.) gedoopt overleden begraven leeftijd opm.
  (e)     
1.Gerrit¹mei 174309-05-174325-08-174329-08-17433 maanden(a)
2.Gerrit²aug 174430-08-1744april 178522-04-178540 jaar(b)
3.Hermen / Harmen¹okt 174517-10-174505-11-175711-11-175712 jaar 
4.Peterapr 174709-04-174726-05-1787?30-05-1787(?)40 jaar 
5.Aalt¹dec 1750(niet gedoopt)19-12-175024-12-1750.. dagen(c)
6.Jandec 1750(niet gedoopt)28-01-175102-02-17511 maand?(c)
7.Aalt²okt 175124-10-175103-12-175108-12-17511 maand 
8.Gerhardus / Garhardus¹apr 175315-04-175322-02-175428-02-175410 maanden 
9.zoon, "doodt geboren"aug 1754(niet gedoopt)08-08-175410-08-17540 dagen 
10.Gerhardus / Garhardus²jul 175503-08-175504-04-175709-04-17571 jaar(d)
11.Gerritjenjun 175802-07-17581785 (?)10-02-1785(?)26 jaar(f)
12.Aaltjenjul 176020-07-176011-04-176616-04-17665 jaar 
13.Hermen / Harmen²aug 176208-08-176209-02-176415-02-17641 jaar(c)
14.Carsaug 176208-08-176214-04-176420-04-17641 jaar(c)

Opmerkingen:

  1. In het begraafregister wordt de voornaam van deze zoon niet vermeld; maar het moet Gerrit¹ zijn geweest, want andere kinderen had het echtpaar in 1743 nog niet. Bovendien werd de eerstvolgende zoon die na de dood van het kind werd geboren, opnieuw Gerrit genoemd.
  2. Gerrit² is de stamvader van de latere Van Deukerens. Hij is begraven te Monnickendam.
  3. Tweeling.
  4. De lezing "Gerharda" in VVG 163 (doop 3-8-1755) is klaarblijkelijk onjuist: de voornaam van de dopeling eindigt duidelijk op -us; zie afbeelding.
  5. De datum van geboorte is geschat uit de doopdatum. We weten dat de Elspeetse dominee Martinius zijn eigen kinderen (1736, 1738, 1741, 1743, 1748) in de regel doopte op de eerste zondag na de geboorte. Hetzelfde gold later in de eeuw, zoals blijkt uit het doopboek dat vanaf 1772 voor iedere dopeling zowel de geboorte- als de doopdatum vermeldde. Aangenomen is dat bij Klaas' kinderen een vergelijkbaar tijdsverschil van gemiddeld vier dagen tussen geboorte en doop gebruikelijk was. (Na 1800 schijnt in Elspeet de doop gemiddeld enkele dagen later plaats te vinden, maar nog steeds ruim binnen de twee weken.)
  6. Vermoedelijk was Gerritjen dezelfde als Gerretjen Klaassen, wonend te Leuvenum, die 10-2-1785 te Ermelo begraven werd [dtb Ermelo].

Bronnen:

  • VVG uitgavenreeks, deel 163: Gezinsboeken Elspeet 1670-1826, blz. 22 [noot 23];
  • Persoonsnamen Retroacta Burgerlijke Stand Nederduits-Gereformeerde Gemeente Elspeet, deel 1, A-H (Arnhem 1982) [Gelders Archief].

In het gezin werden in totaal veertien kinderen geboren, maar door de hoge kindersterfte bleven daarvan maar zelden meer dan vier tegelijk in leven. De grootste omvang, acht personen, bereikte het gezin in augustus 1762. Maar twee jaar later, na de dood van de vader en de twee jongste kinderen, was het gezin alweer geslonken tot vijf: moeder Trijntjen, de zoons Gerrit (20 jaar) en Peter (17), en de meisjes Gerritjen (6) en Aaltjen (4). Twee jaar later overleed ook Aaltjen.

Toen tien jaar daarna, in oktober 1776, ook de moeder overleed, hadden haar slechts drie kinderen overleefd. Van hen schijnt alleen zoon Peter in Elspeet te zijn blijven wonen. Zoon Gerrit vertrok naar Monnickendam, en dochter Gerritjen is hoogstwaarschijnlijk in Leuvenum gaan wonen, een dorpje onder Ermelo vier kilometer westelijk van Elspeet. Daar vinden we namelijk begin jaren '80 een Gerritjen Klaassen die tussen 1781 en 1784 drie kinderen baarde (alle gedoopt in Ermelo), en overleed in 1785. Het lijkt er sterk op dat de ouders van deze Leuvenumse Gerritjen de namen Klaas en Trijntjen droegen. De vadersnaam volgt uit Gerritjens patroniem, Klaassen, en de moedersnaam is af te leiden uit de naam van haar eerste kind. Dat was een meisje dat de naam Trijntjen kreeg. Nu werd een eerste dochter traditioneel vaak vernoemd naar de grootmoeder van moederskant, in dit geval dus Gerritjens moeder. Een vader Klaas en een moeder Trijntjen, dat is natuurlijk precies wat we zoeken. Gerritjens tweede kind kreeg de naam Gerrit, wat alweer bekend klinkt [noot 28].

Gerritjens broer Gerrit trouwde, zoals we zagen, in juli 1778 te Monnickendam. Hij zal dus enige tijd daarvoor uit Elspeet "geëmigreerd" zijn - misschien na het overlijden van zijn moeder eind 1776. Nu zou je verwachten, als vader Klaas in de landbouw werkzaam was geweest, dat de oudste zoon, dus Gerrit, zijn vader in dat beroep zou opvolgen en het bedrijfje van zijn vader zou overnemen. Maar kennelijk is dat niet gebeurd; vermoedelijk lagen Gerrits beroepsmatige interesses elders. We kennen zijn beroep niet, maar een plausibele hypothese is dat hij timmerman was geworden: zijn zoon Klaas koos later ook dat beroep, en het zou tevens kunnen verklaren waarom Gerrit vanuit de Veluwe juist naar een havenstad als Monnickendam vertrok, waar hij kon hopen op werk in de scheepsbouw.

In plaats van Gerrit lijkt diens jongere broer Peter na de dood van hun ouders als enige in Elspeet te zijn achtergebleven. Waarschijnlijk is hij daar in 1787, veertig jaar oud, overleden. Getrouwd schijnt Peter nooit te zijn geweest.

Alles bijeen genomen kregen Klaas en Trijntje legio kinderen en kleinkinderen, maar toch had het weinig gescheeld of ik was er nooit geweest. Van de veertien kinderen overleefden er maar drie. Een van hen, Peter, bleef vrijgezel, terwijl de twee anderen weliswaar samen zes kinderen kregen, maar vijf daarvan overleden als baby of jong kind. De enige die wel de volwassenheid bereikte, Klaas junior uit Monnickendam, vormt het dunne draadje dat mij met deze Veluwse familie verbindt.
 

Monnickendam: Gerrit en Annetje

In het gezin van Elspeetse Klaas en Trijntje werd, zoals gezegd, in augustus 1744, twee jaar na hun huwelijk, een tweede zoon geboren: Gerrit Klaassen (afbeelding doopregister). Deze Gerrit vestigde zich te Monnickendam, waar hij in 1778 trouwde met Annetje Martens Besem. [bron]

[ meer ]                CLAAS GERRITS  x[1742]  TRIJNTJE HARMENS
                      [van Deukeren?]     │     [van Kampen?]
                       (ca.1715-1764)     │     (1721-1776)
                                          │
                                          │
   ┌-----┬-----┬-----┬-----┬-----┬-----┬--┴--┬-----┬-----┬-----┬-----┬-----┬-----┐
   │     │     │     │     │     │     │     │     │     │     │     │     │     │
   │     │     │     │    ( veertien kinderen, onder wie: )    │     │     │     │
         │         Peter                                   Gerritjen
         │      (1747-1787)                               (1758-?1785)
         │
    GERRIT KLAASSEN VAN DEUKEREN  x¹[1778]  ANNETJE MARTENS BESEM  x²[1787]  Dirk Cornelis Nooy
                      (1744-1785)    │       (1752-1797)
                                     │
                     ┌---------------┼---------------┐
                     │               │               │
           KLAAS VAN DEUKEREN    Hendrikje        Trijntje
                (1781-1828)     (1783-1784)     (1785-1785)
                  x[1803]
           TRIJNTJE RIETSNIJDER
                (1780-1849)

Gerrit en Annetje kregen in Monnickendam al snel drie kinderen: eerst een zoon Klaas (geboren in 1781), en daarna twee dochters die als baby overleden: Hendrikje, die acht maanden oud werd (1783-1784), en Trijntje, die maar krap een week leefde (1785, gedoopt 3 april, begraven 16 april). Een week na de dood van dochter Trijntje overleed Gerrit zelf ook, 40 jaar oud. Hij werd net als zijn twee dochters begraven op het kerkhof van Monnickendam (22 april 1785). Zijn weduwe was op dat moment pas 32 jaar oud en hertrouwde twee jaar later met een Monnickendamse weduwnaar, Dirk Cornelisz Nooy.

Uit het begraafboek van Monnickendam, april 1785.

16 [april] een kint van gerrit van deukeren op kerkhoff [kosteloos]
22 [april] gerrit van deukeren op 't kerkhoff d[e] Roef [=doodskist] - 6 [6 stuivers]
Gerrit en zijn kinderen kregen de goedkoopst mogelijke begrafenis. Vergelijk de eerst begravene in deze maand, Alewijn Alewijntz, die een graf in de kerk kreeg (16 gulden 6 stuivers) en voor wie bovendien een uur de kerkklok werd geluid (12 gulden). [ alle tarieven; bron afbeelding: Waterlands archief ]

Dat Gerrit zijn eerste zoon Klaas noemde, weerspiegelt de familietraditie om de oudste zonen afwisselend Klaas en Gerrit te noemen. De achtergrond daarvan is dat ouders hun eerste zoon traditioneel vaak vernoemden naar diens grootvader van vaderskant. Stel dat vader A zijn oudste zoon B noemde, dan noemde B zijn oudste zoon weer A, naar de grootvader. Die zoon A noemde zijn oudste zoon weer B, en zo voort. Het gevolg was van generatie op generatie een namenketting van de vorm A - B - A - B - A, enz. Bij de Van Deukerens dus: Klaas - Gerrit - Klaas - Gerrit - Klaas, enz. (Als dan ook nog twee van die Klazen elk met een Trijntje trouwen - Trijntje Harmens en Trijntje Rietsnijder - wordt de verwarring nog groter.)


Monnickendam in 1866. Bron: Gemeente Atlas Jacob Kuyper 1865-1870 (voorheen www.kuijsten.de, nu atlas1868.nl).
 

Klaas en Trijntje in Monnickendam

De Klaas die werd geboren in 1781, vinden we één generatie later terug toen hij op 22 mei 1803 trouwde met Catharina Rietsnyder (ook genaamd: Catrijntje of Trijntje Rietsnijder). Zij kwam net als hij uit Monnickendam en was een half jaar ouder dan haar man [Dueker]. Geheel volgens familietraditie gaf Klaas zijn eerste zoon, die in 1810 werd geboren, de naam Gerrit. Daarvóór had het echtpaar al drie dochters gekregen, Annetje (geboren in 1803), Toontje (1805) en de als baby gestorven Klaasje (1807). Na Gerrit volgden nog twee meisjes en twee jongens: een tweede Klaasie (Klaasje, 1812), Jan (1815), Jacob (1817) en Neeltje (1821).

Uit de geboorteakten van Klaas' en Trijntjes kinderen blijkt dat Klaas van beroep timmerman was. Aanvankelijk timmermansknecht, of "garçon charpentier" zoals het in de Franstalige geboorteakte van dochter Klaasie staat (1812), maar vanaf ongeveer zijn dertigste jaar verdwijnt dat "knecht". Interessant is dat ook onder Klaas' nazaten uit de 20e en 21e eeuw het timmermans- en meubelmakersvirus nog steeds actief is. Zo gebruik ik nog steeds een houten salontafeltje dat mijn opa Herman van Deukeren ooit gemaakt heeft en dat ik van hem heb geërfd.

Klaas van Deukeren is ook de eerste in de familie van wie we een handtekening hebben - dit is de handtekening die hij in 1812 zette bij de geboorte van dochter Klaasie:

handtekening Klaas van Deukeren, 1812
Handtekening Klaas van Deukeren, 17 november 1812.
Bron: geboorteakten Monnickendam, afbeelding FamilySearch.

Die geboorteakte vermeldt ook het huisadres in Monnickendam waar het gezin Van Deukeren in 1812 woonde: Kerkstraat 88 (aan de zuidkant van de toenmalige stad).
 

De acht kinderen van Klaas en Trijntje

[ meer ]                      KLAAS VAN DEUKEREN x [1803] TRIJNTJE RIETSNIJDER
                                   (1781-1828)      │    (1780-1849)
                                                    │ 
                                                    │
    ┌----------┬----------┬---------------┬---------┴---------┬----------┬----------┬----------┐
    │          │          │               │                   │          │          │          │
 Annetje    Toontje    Klaasje¹        Gerrit              Klaasje²    Jan       JACOB     Neeltje
(1803-63)  (1805-55)  (1807-07)       (1810-81)           (1812-77)  (1815-16)  (1817-56)  (1820-93)
 x [1830]   x [1835]           [1833] (1.)x(2.) [1834]     x [1834]              x [1842]   x [1846]
Johannes   Cornelis             Elisabeth   Christina       Klaas                AALTJE      Pieter
 Veeger      Moen                 Pool       Maria         Stiemer                FRIS       Klein
(1806-62)  (1805-55)           (1812-33)    Brugman       (1806-85)             (1818-57) (1820-1901)
    │          │                   │       (1811-86)          │                     │          │
    │          │                   │           │              │                     │          │
  acht       drie              Elisabeth      zes            zes                   zes        acht
 kinderen   kinderen           (1833-34)    kinderen       kinderen              kinderen   kinderen

1. Annetje (1803-1863)

De oudste dochter Annetje trouwde in 1830 in Ilpendam met Johannes Veeger. Het paar vestigde zich te Purmerend, waar Johannes onderwijzer werd. In het dorp waren zij daarmee een soort semi-notabelen en het verbaast dus niet dat bij hun dood overlijdensadvertenties verschenen in het plaatselijke nieuwsblad.

overlijdensadvertentie Veeger 1862
overlijdensadvertentie Annetje van Deukeren 1863
Overlijdensadvertenties voor Johannes Veeger en Annetje van Deukeren.
Bron: Algemeen Weekblad (Purmerend), 24-12-1862 en 20-5-1863; digitaal beschikbaar via het Waterlands Archief.
De handgeschreven notities (advertentienummer, aantal regels, en prijs) zijn kennelijk aantekeningen van de uitgever van de krant.

Annetje en Johannes kregen acht kinderen. De twee oudste dochters, Neeltje en Catharina Veeger (geboren 1831 en 1832), trouwden eind 1853 - begin 1854 een paar maanden na elkaar allebei met een Lakeman, twee broers, die alletwee "landman" waren (boerenarbeider). Maar binnen een paar jaar waren zowel Neeltje als Catharina alweer weduwe; in 1859 hertrouwde Neeltje en het jaar daarop Catharina.
Ook van vier andere kinderen van Annetje en Johannes Veeger - Geertruida Anthonia (geboren 1834), Anthonia (1836), Klaas (de enig overlevende zoon, geboren 1838) en Klasina (1842) - is bekend dat ze de volwassenheid bereikten en trouwden. De twee andere kinderen zijn jong overleden: Alberta (1840-1856) en Lourens (1845-1846).

2. Toontje (1805-1855)

De tweede dochter van Klaas en Trijntje, Toontje, trouwde in 1835 met de (huis)schilder Cornelis Moen. Nadat in 1836 hun eerste kind dood geboren was, kregen zij twee zoons: in 1837 Klaas en in 1840 Hendrik. Zoon Klaas Moen werd in Monnickendam timmerman (net als zijn grootvader). Hij trouwde met Aaltje Walbrecht en bereikte de gezegende leeftijd van 86 jaar. [bron (Walbrecht)]

Met Toontje en Cornelis Moen zelf lijkt het minder goed afgelopen te zijn: beiden zijn op exact dezelfde dag overleden, 31 januari 1855. Uit hun overlijdensaktes bij de burgerlijke stand blijkt dat op die dag eerst Cornelis was overleden, 's ochtends om 5 uur, waarna veertien uur later ook Toontje overleed, 's avonds om 7 uur. De volgorde van overlijden blijkt op subtiele wijze ook uit de terminologie in de akten: Cornelis werd namelijk omschreven als "echtgenoot", Toontje als "weduwe". Beiden zijn volgens de akten thuis overleden, op Noordeinde 11 (wijk 3).

sterfte in Monnickendam
Sterfte in Monnickendam, 1850-1860
Aantallen overlijdensakten per maand (bron: FamilySearch).
Een sterfte van vier tot negen per maand kan als normaal gelden (middengrijs).
De sterfte was uitzonderlijk groot (donkergrijs) in 1855 en in de winter van 1857/58.
Aangegeven is wanneer er cholera-epidemieën waren. Die van 1853 en 1859 lieten in Monnickendam kennelijk geen merkbare sporen na.

Is hun samen een ongeluk overkomen? Zijn ze door de winterkou bevangen? De winter van 1855 was uitzonderlijk lang en streng - het Noord-Hollandsch Kanaal lag van december tot maart dichtgevroren. Op 31 januari, de dag dat Cornelis en Toontje overleden, was het ijskoud, met een snijdende oostenwind - 's avonds wakkerde de wind aan tot windkracht acht of negen bij een temperatuur van min tien. De "gevoelstemperatuur", die overdag rond de -20 graden had gelegen, liep 's avonds terug tot bij de -30. [noot 29] Of waren ze ziek? De cholera zal het niet geweest zijn, want die sloeg weliswaar toe in 1855, maar dan in het najaar (augustus-december). Als het een ongeluk was - bijvoorbeeld een brand - is dat misschien in oude kranten terug te vinden. [noot 30]

 
Weerrapporten van 31 januari 1855 te Halfweg (Zwanenburg).
`
tijdstip temperatuur wind luchtgesteldheid luchtdruk neerslag
31 jan 1855, 08:00 -9,3 °C NO, 6 Bft betrokken 1006 mbar (geen gegevens)
31 jan 1855, 13:00 -5,6 °C O, 6 Bft betrokken 1003 mbar (geen gegevens)
31 jan 1855, 22:00 -9,9 °C ONO, 8-9 Bft helder 998 mbar (geen gegevens)
Bron: KNMI (gegevens; toelichting, met name blz. 7-30).

3. Klaasje (1807-1807)

Dochter Klaasje werd geboren op 8 februari 1807, maar overleed al zeven weken later, op 28 maart. In het doopboek van Monnickendam is bij haar naam Klaasje achteraf (in andere inkt) een notitie toegevoegd, "gedoopt Claas van Deukeren". Een jongensnaam dus, in plaats van de meisjesnaam! Was Klaasje dan een jongetje, Klaas?

Vermoedelijk toch niet. De zaak zit waarschijnlijk zo. Uit verschillende andere notities in het doopboek blijkt dat er naast het officiële doopboek, van de kerk, nog een tweede "privé"-doopboek werd bijgehouden door de dominee. Jaarlijks werden beide lijsten, de privélijst van de dominee en de officiële lijst van de kerk, met elkaar vergeleken, de verschillen werden aangetekend en zo nodig gecorrigeerd. Kennelijk had in dit geval de dominee Klaasjes naam als "Claas" genoteerd.

Ten onrechte, want de juiste naam zal echt wel Klaasje zijn geweest (dus een meisje). Ook bij haar overlijden werd namelijk in het begraafboek de vrouwelijke vorm vermeld. Ze was vermoedelijk vernoemd naar Klaasje de Moes, haar grootmoeder van moederskant, die ook bij haar doop was opgetreden als de doopgetuige. Was Klaasje een jongetje geweest, dan zou ze de oudste zoon in het gezin zijn geweest. Als naam had dan niet "Klaas" maar "Gerrit" het meest voor de hand gelegen, een traditionele vernoeming naar haar grootvader van vaderskant. Nu kreeg pas het volgende kind, dat wel het eerste zoontje in het gezin was, die naam.

4. Gerrit (1810-1881)

Zie verderop.

5. Klaasie (1812-1877)

De vierde dochter kreeg dezelfde naam als haar eerder overleden oudere zus, Klaasje. In de doopakte werd de naam overigens gespeld Klaasie. Zij werd dienstbode en trouwde in 1834 met de slager Klaas Stiemer uit Purmerend. Een jaar later kregen Klaas en Klaasie hun eerste kind, dat ze, weinig origineel, Klaas noemden. "Klaas, Klaasie en kleine Klaas", zogezegd. Na kleine Klaas volgden tussen 1838 en 1846 nog vijf kinderen: Gerrit, Jannetje, Catharina, Dirk en Jacob. [bron: Stiemer(1) (in 2008: http://www.fkerkhoven.dyndns.org/genealogie/d0000/g0000029.html#I511), Stiemer(2)]

6. Jan (1815-1816)

Zoon Jan overleed al als baby in de zomer van 1816, vijftien maanden oud.

7. Jacob (1817-1856)

Zie verderop.

8. Neeltje (1820-1893)

De jongste dochter, Neeltje, trouwde in 1846 met de werkman (arbeider) Pieter Klein uit Purmerend. Al was de naam Klein, het gezin werd behoorlijk groot. Neeltje kreeg acht kinderen: Steffen (geboren in 1847), Klaas (1848), de tweeling Maria en Gerrit (1849), Jacob Cornelis (1852), Catharina (1854), Johannes (1857), en Pieter (1861). Op hun beurt waren ook de gezinnen van deze kinderen weer kinderrijk - toen Neeltje op 73-jarige leeftijd overleed, had ze al minstens vijftig kleinkinderen geboren zien worden (en er zouden er daarna nog een paar volgen) (lijst).

Een van de kleinzoons van Neeltje van Deukeren was Klaas Klein. Hij is geboren in 1884, en werd van beroep barbier [noot 31]. Op de ansichtkaart hieronder, een foto van het Noordeinde te Monnickendam uit het begin van de twintigste eeuw, is rechts zijn winkel te zien: "K. Klein, Coiffeur" (afbeelding rechts: uitvergroting van dat detail).

Bron: Beeldbank Noord-Hollands Archief.

K. Klein Coiffeur
Monnickendam Noordeinde

Over de twee andere zoons, Gerrit (die ik maar de "Amsterdamse Gerrit" zal noemen) en Jacob, zo dadelijk meer.

Alle kinderen van Klaas en Trijntje vestigden zich in de nabijheid van hun ouders: Toontje en Neeltje bleven in Monnickendam wonen, Annetje en Klaasje vertrokken naar Purmerend, Gerrit werd scheepstimmerman in Amsterdam, en Jacob broodbakker in Zaandam. Interessant is dat deze Jacob toch in Monnickendam aangifte deed van de geboorte van zijn oudste zoon Klaas: zou zijn vrouw zijn bevallen bij haar schoonouders?
 

"Amsterdamse" Gerrit en zijn kinderen

ELISABETH POOL [¹1833]x GERRIT VAN DEUKEREN x[²1834] CHRISTINA MARIA BRUGMAN              [ meer ]
   (1812-1833)      │       (1810-1881)       │        (1811-1886)
                    │                         │
                    │              ┌----------┼----------┬----------┬----------┬----------┐
                    │              │          │          │          │          │          │
                Elisabeth¹       Klaas¹   Elisabet²  Catarina     Klaas²   Johannes   Catharina
               (1833-1834)     (1835-35) (1836-1903) (1838-41)    (1842-    Jogchem  Christina Maria
                                              x                   -1925) (1843-c.1865)(1849-1907)
                                           [1869]                   x                  x[1874]
                                          Hermanus        [¹1869] A. van Vuurde        Derk Jan
                                          Walraven        [²1895] Cath.G. Zwart        Goedhart
                                                                                          │
                                       (geen kinderen)       (geen kinderen)        vijf kinderen

Klaas' en Trijntjes oudste zoon, Gerrit (geboren 1810, overleden 1881) werd, net als zijn vader, van beroep timmerman. Meer in het bijzonder scheepstimmerman, hetgeen verklaart dat hij in 1831 verhuisde naar de grote havenstad Amsterdam.

Voor zijn huwelijk keerde Gerrit toch even terug naar Monnickendam: daar trouwde hij op 4 augustus 1833 met Elisabeth Pool, afkomstig uit Edam. Elisabeth moet op dat moment hoogzwanger zijn geweest, want minder dan een maand later, op 29 augustus, beviel zij van een dochter, die eveneens de naam Elisabeth kreeg. De jonge moeder overleed diezelfde dag in het kraambed, nog vóór haar 21e verjaardag.

Kennelijk vanuit de behoefte om een vrouw bij zich te hebben die voor de baby kon zorgen, hertrouwde Gerrit al amper een half jaar later, met Christina Maria Brugman, een "dienstbaar" [dienstbode] afkomstig uit Mijdrecht. Desondanks zou baby Elisabeth het niet redden, ze overleed kort na haar eerste verjaardag. Het jaar daarop, in 1835, werd in het gezin van Gerrit en Christina het eerste van zes kinderen geboren.

  1. Het was een zoon, die naar zijn grootvader Klaas werd genoemd. Maar ook Klaas overleed jong, hij werd niet ouder dan twee maanden.
     
  2. Vervolgens werd in 1836 een dochter geboren, die Elisabet werd genoemd. Dat lijkt een vernoeming naar Gerrits eerste vrouw, maar dat was het waarschijnlijk niet. Want het meisje zal zijn vernoemd naar de moeder van Christina Brugman, die Elisabeth Kaasbergen heette. Gerrit en Christina volgden daarmee de gebruikelijke vernoemingsregels: een eerstgeboren zoon werd vernoemd naar zijn opa van vaderskant (hier: Klaas), de eerste dochter naar haar oma van moederskant. [noot 32]
    Elisabet trouwde in 1869 met de ijzergieter Hermanus Walraven. Sindsdien woonde het paar steeds vlak bij Elizabets ouders (Haarlemmer Houttuinen 149 resp. 151). Een tijdlang (tot 1876) woonde ook een elf jaar jongere broer van Hermanus, genaamd Johannes, bij het echtpaar in. In 1878 verhuisden ouders en dochter beide naar de Bickersgracht, waar Gerrit en zijn vrouw tot hun dood bij het gezin van dochter Elisabet hebben ingewoond.
     
  3. Na Elisabet werd dochter Catarina geboren, die als kind overleed (1838-1841).
     
  4. In memoriam Klaas van Deukeren 1925
    Zoon Klaas (1842-1925), die vervolgens werd geboren, noem ik voor mezelf altijd maar "Famous Klaas", omdat hij de enige Van Deukeren ooit is geweest die bij zijn overlijden is vereerd met een berichtje in het Algemeen Handelsblad.

    bericht Klaas van Deukeren in SPC 1895

    In memoriam voor Klaas van Deukeren, in Algemeen Handelsblad, 13-1-1925. Bron: KB krantenbank. 

    Klaas werd onderwijzer en bracht het tot Hoofd der School te Ouder-Amstel. Verder is hij te Mijdrecht gemeente-ontvanger geweest, en was hij decennialang secretaris en penningmeester van het waterschap Groot-Mijdrecht, zoals onder meer blijkt uit een bericht in Schuitemakers Purmerender Courant (20/02/1895, blz. 2) [hiernaast; bron Waterlands Archief].

    Na zijn pensionering verhuisde Klaas naar Haarlem, waar hij enige jaren penningmeester werd van de Koninklijke Letterlievende Vereeniging 'J.J. Cremer'. In die functie heeft hij nog in 1909 een boeket overhandigd aan de legendarische actrice Esther de Boer-van Rijk, toen die bij haar 35-jarig toneeljubileum in Haarlem een voorstelling gaf als Kniertje in 'Op hoop van zegen' [Het nieuws van den dag: kleine courant, 24-2-1909].

    Klaas trouwde twee maal. Eerst in 1869 met Antoinetta van Vuure, die begin 1894 overleed. Daarna in 1895 met Catharina Geertruida Zwart. Klaas schijnt geen kinderen te hebben gehad, maar hij en zijn eerste vrouw namen wel twaalf jaar lang de opvoeding op zich van een nichtje, Johanna Elisabeth Christina van Vuure.
     

  5. Gerrit en Christina's vijfde kind, Johannes Jogchem, moet jong zijn overleden, omstreeks zijn twintigste jaar. Bij de volkstelling van 1869 constateerden de tellers dat hij niet meer leefde. Als sterfjaar werd een vraagteken ingevuld. Misschien was zijn dood toen al zo lang geleden, dat zijn familie het precieze jaar van overlijden niet meer paraat had; maar waarschijnlijker is dat ze het domweg niet wisten omdat ze het contact met Johannes Jogchem hadden verloren. Hij schijnt op zee of in de West te zijn verdwenen: een Curaçaose krant meldde eind 1863 dat er post was gearriveerd voor "J.J. van Deukeren", en dat is het laatste wat er schijnbaar over hem bekend is.
     
  6. Gerrits dochter Catharina Christina Maria trouwde in 1874 in Hoorn met de kruidenier Derk Jan Goedhart. Zij kregen in Hoorn binnen vier jaar tijd vier kinderen. Daarna verhuisden ze naar Amsterdam waar negen jaar later nog een nakomertje geboren werd. Van de vijf kinderen zijn er vier als baby of peuter overleden. In 1904 leefden beide ouders nog. [noot 33] In dat jaar trouwde hun zoon Gerrit Goedhart (geboren in 1876). Kennelijk was Monnickendam blijven trekken, want dat was de plaats waar de bruid van deze Gerrit vandaan kwam en waar het jonge paar trouwde.

Magneet Amsterdam

Tot ver in de negentiende eeuw bleven er Van Deukerens in Amsterdam wonen. Dat waren echter niet Gerrits nazaten, want onder hen stierf op den duur de naam Van Deukeren uit. Drie van Gerrits zeven kinderen waren, zoals we zojuist zagen, al als baby of peuter overleden. Zoon Johannes Jogchem overleed vermoedelijk rond zijn twintigste, voordat hij kon trouwen en kinderen krijgen. Zoon Klaas leefde wel lang - ruim tachtig jaar - en hij trouwde ook twee maal, maar uit die huwelijken schijnen geen kinderen te zijn geboren. Dan waren er nog de twee dochters Elisabet en Catharina Christina Maria. Toen zij trouwden, gaven ze uiteraard de naam Van Deukeren op voor de achternaam van hun echtgenoot. Ook het huwelijk van Elisabet bleef trouwens, net als dat van haar broer Klaas, kinderloos. Slechts Catharina Christina Maria kreeg kinderen - vijf, waarvan vier in de eerste vier jaar van haar huwelijk.

De Van Deukerens die we tegen het eind van de eeuw in Amsterdam vinden, waren een nichtje en een achternichtje van Gerrit: Trijntje en Geesje van Deukeren, resp. dochter en kleindochter van Gerrits broer Jacob. Trijntje en Geesje kwamen beide als dienstbode naar Amsterdam en trouwden daar vervolgens. Dat was een heel gebruikelijk patroon. Amsterdam zoog als een magneet dienstbodes aan, en velen van hen trouwden met een Amsterdamse jongen. Zo'n meisje kreeg nog wel eens de rol van verkenner: als zij zich eenmaal in Amsterdam had gevestigd, migreerden wat later ook vaak broers of de ouders van het meisje naar Amsterdam.

Je ziet dit ook in de familie van mijn grootouders van moederskant, de Groenewegens van Wijk en de De Groots. Die woonden in Friesland (Harlingen en Ameland), traditioneel een gebied dat nauwe banden onderhield met Amsterdam. Bij de Groenewegens van Wijk, die toen nog simpeltjes Van Wijk heetten, was Catharina van Wijk de verkenner. Zij werd begin 1881 dienstbode in Amsterdam en trouwde het jaar erna. In 1891 en 1898 volgden twee van haar drie broers haar naar de stad. Alleen haar vierde en oudste broer zou tot zijn dood Harlingen trouw blijven. Bij de De Groots ging het ietsje anders: daar kwam het initiatief van vader Jan de Groot die in 1909 met zijn gezin naar Amsterdam vertrok. Als matroos had hij die reis vermoedelijk al vele malen eerder gemaakt. Traditioneel was wel weer dat zijn oudste dochter, Heintje (Henny), in Amsterdam de kost ging verdienen als dienstbode.
 

Jacob en zijn kinderen (1)

                   JACOB VAN DEUKEREN  x[1842]  AALTJE FRIS              [ meer ]
                        (1817-1856)      │      (1818-1857)
                                         │
      ┌-------------┬-------------┬------┴------┬-------------┬-------------┐
      │             │             │             │             │             │
  Trijntje      Lambertus       Klaas¹     doodgeboren      Klaas²        GERRIT
 (1843-1931)   (1844-1884)   (1845-1845)   zoon (1847)   (1849-1923)   (1853-1926)
      x                                                       x             x
    [1869]                                                 [1877]        [1887]
Johannes H.E.                                              Geertje   MARIA CATHARINA
   van Elst                                                Ploeger     BLAAUWIJKEL
      │                                                       │             │
vier kinderen                                         negen kinderen  twaalf kinderen

De jongste zoon van Klaas en Trijntje was, zoals gezegd, Jacob van Deukeren. Hij werd broodbakker en venter (broodventer?) te Zaandam en trouwde daar in 1842 met de winkeliersdochter Aaltje Fris.

Het echtpaar kreeg zes kinderen, van wie er één, Klaas, al na vijf weken overleed (1845), en een ander dood geboren werd (in 1847). De andere vier waren Trijntje (1843-1931), Lambertus (1844-1884), Klaas (1849-1923), en Gerrit (1853-1926).

In 1856/57 overleden Jacob en Aaltje kort na elkaar. Beiden werden nog geen veertig jaar oud. De kinderen Trijntje, Lambertus, Klaas en Gerrit bleven als wees achter, tussen de veertien (Trijntje) en vier jaar oud (Gerrit). Klaas, acht jaar oud, werd van zijn zus en broers gescheiden en kwam in juni 1858 in het Nederlands-Hervormde Weeshuis te Monnickendam terecht. De drie andere kinderen werden mogelijk in Zaandam in het Weeshuis opgenomen. De ouders dood, de kinderen uit elkaar gehaald - het moeten traumatische gebeurtenissen zijn geweest, die misschien een verklaring bieden voor hun opvallende familiezin in latere jaren: Trijntje en Klaas zouden vaak gastvrijheid verlenen aan familieleden en lieten verwanten langdurig bij zich inwonen. In Klaas' gezin was, zoals we nog zullen zien, de interne fixatie bijna obsessief te noemen.

De oudste dochter Trijntje trouwde in 1869 met een Amsterdamse bakker, Johannes Hermanus Everhardus van Elst. Het echtpaar ging in Amsterdam wonen en kreeg een dochter, Engelina Sophia (1870), en drie zoons, eerst Gerardus Johannes (1875) en daarna twee zoons die ze alletwee Johannes Hermanus Everardus noemden (geboren in 1877 en 1879). Trijntje moet een taaie zijn geweest: ze overleefde al haar broers en zussen. In 1918, toen ze 75 jaar oud was, overleed haar man, waarna Trijntje ging inwonen bij twee van haar kinderen - eerst bij haar dochter, daarna bij haar oudste zoon. Elf jaar later, inmiddels 86 jaar oud, verhuisde ze naar een bejaardentehuis met de bijbelvaste naam Eben Haëzer, in Amsterdam-West (Sloten), waar ze het laatste jaar van haar leven heeft doorgebracht. Ze overleed in januari 1931, een maand voor haar 88e verjaardag.

Zoals Trijntje later introk bij haar kinderen, zo hadden eerder twee broers van Trijntje tijdelijk bij háár ingewoond. Eerst arriveerde in november 1875 broer Lambertus uit Zaandam, die bijna drie jaar later weer vertrok, naar een adres elders in Amsterdam. Vervolgens kwam broer Gerrit, vanuit Harderwijk. Het jaar waarin Gerrit bij zijn zus introk, staat in het bevolkingsregister genoteerd als "1867", maar dat moet een verschrijving zijn: mutaties werden chronologisch genoteerd, en dan kan Gerrit alleen in 1875 (?) of 1876 gearriveerd zijn. Een bezwaar tegen het jaartal 1867 is ook dat Gerrit toen pas 14 jaar oud was; het is dan een raadsel wat hij daarvóór in Harderwijk deed, want zijn ouderlijk gezin woonde niet daar, maar in Zaandam (of directe omgeving). Het jaar 1876 (of 1875) is daarentegen wel plausibel: Gerrit volgde een carrière als beroepsmilitair, en dan is het aannemelijk dat hij als 23-jarige in de garnizoensstad Harderwijk gelegerd was. Overigens gaf Gerrit in Amsterdam op dat hij "arbeider" was, net als zijn broer Lambertus, maar gezien zijn korte verblijf in die stad (hij vertrok in december 1876 alweer, naar Landsmeer) is hij misschien bij het bevolkingsregister wat losjes omgegaan met de formaliteiten.

Trijntje en haar echtgenoot waren kennelijk gastvrije en sympathieke mensen: Gerrit zou later twee van zijn zoons vernoemen naar deze zwager.

Over Jacob en Aaltjes oudste zoon Lambertus is op dit moment nog weinig bekend. Hij was, zoals gezegd, in 1844 geboren, werd arbeider, en trok vanaf zijn 31e tot zijn 34e levensjaar in bij zijn oudere zus en zwager. Daarna vertrok hij naar een ander adres in Amsterdam. Hij overleed begin 1884 in het Amsterdamse Binnengasthuis. Hij was toen van beroep bakker, nog ongehuwd, en woonde Koningstraat 16 te Amsterdam.

Over de twee jongste zonen, Klaas en Gerrit, is veel meer bekend. Over hen gaan de twee volgende paragrafen.
 

Jacob en zijn kinderen (2): zoon Klaas

       JACOB VAN DEUKEREN  x[1842]  AALTJE FRIS              [ meer ]
             (1817-1856)      │      (1818-1857)
                              │
               ( zes kinderen, het vijfde is: )
                              │
                     KLAAS VAN DEUKEREN  x[1877]  Geertje Ploeger
                            (1849-1923)     │     (1850-1926)
                                            │
    ┌---------┬---------┬---------┬---------┼---------┬---------┬---------┬---------┐
    │         │         │         │         │         │         │         │         │
 Aaltje¹   Geesje     Jacob    Roelof¹   Roelof²   Aaltje²  Trijntje¹  Trijntje²  Antje
(1877-78)(1878-1921) (1880-   (1881-82)  (1882-   (1884-84) (1886-87)  (1890-    (1892-
              x      -1940)              -1910)                        -1956)    -1962)
           [1912]     x[1904]                                          x[1910]      x
          Cornelis   Jannetje                                     Gerrit de Wit  L.Ploeger
            Grim      Hartog                                        (1887-1963) (1895-1960)
                        │
            twee dood geboren dochters
                   (1905,1909)

Jacobs tweede zoon, Klaas, werd net als zijn vader bakker. Hij vestigde zich te Monnickendam, aan het Zuideinde. De manier waarop hij zijn nering beschreef, werd geleidelijk bescheidener: noemde hij zich in 1877 nog weids "koopman" en in 1878 "winkelier", in 1904 was dat "broodverkoper" geworden, en in 1910 "broodventer". Ook was hij enige tijd stoelenmatter. Dat klinkt alsof de zaken achteruit waren gegaan, maar misschien ging hij ook in de tijd dat hij zich nog koopman noemde, eigenlijk al met brood langs de deuren.

Klaas trouwde in 1877 te Monnickendam met Geertje Ploeger uit Broek in Waterland. Ze kregen negen kinderen. Vier daarvan overleden al op zeer jonge leeftijd: Aaltje¹ (1877-1878), Roelof¹ (1881-1882), Aaltje² (1884-1884) en Trijntje¹ (1886-1887). Vijf andere kinderen bereikten wel de volwassenheid:

  1. Geesje (1878-1921) werkte vanaf 1898 veertien jaar lang als dienstbode en later huishoudster, onder andere in Amsterdam aan de Keizersgracht, Vossiusstraat en P.C. Hooftstraat. De laatste plaats waar ze werkte was Nieuwendam, waar ze in 1912 trouwde met Cornelis Grim, een negentien jaar oudere dokwerker of "los werkman", weduwnaar en vader van een zoon. Trouwde ze met haar laatste werkgever?

    Kinderen kregen Cornelis en Geesje niet, maar wel verzorgde het paar een zoon uit een eerder huwelijk van Cornelis, Barend Grim (1894-1978). Zoon Barend trouwde in 1947, een huwelijksboekje en foto van hem en zijn vrouw zijn bewaard gebleven en ontving ik recent van een nazate van een werkgever van Barend.
     

  2. Jacob (1880-1940), werd net als zijn vader en grootvader een broodbakker. Hij trouwde in 1904 te Marken met Jannetje Hartog uit Zaandam. Van verbondenheid tussen broer en zus getuigt het feit dat Jacobs oudste zus Geesje in 1904, toen hij in Marken zou trouwen, met hem meereisde naar het eiland, kennelijk om daar samen zijn huwelijk voor te bereiden. Een maand later arriveerde Jacobs bruid, waarna ze gedrieën de zomer op het eiland doorbrachten. Het maakt wel een bizarre indruk om je tijdens je wittebroodsweken te laten chaperonneren door je eigen zus! Wat trouwens de reden voor hen was om speciaal in Marken te trouwen, is mij een raadsel.

    Jacobs vrouw Jannetje beviel tweemaal van een dochter, maar in beide gevallen overleed het kind bij de geboorte (1905, 1910).
     

  3. Roelof² (1882-1910) werd "varensgezel". Toen hij overleed, was hij niet ouder dan 27 jaar.
     
  4. Trijntje² (1890-1956) trouwde in 1910 met de timmerman Gerrit de Wit (1887-1963) uit Broek in Waterland. Beiden liggen ook in die plaats begraven. [bron]
     
  5. Bij jongste dochter Antje van Deukeren (1892-1962) constateren we opnieuw een meer dan gemiddelde gerichtheid op de eigen familie: zij trouwde met haar volle neef, Lubertus Ploeger (1895-1960). De vader van Lubertus, Roelof Ploeger, was namelijk een broer van Antjes moeder Geertje Ploeger. Antje en haar man zijn op de begraafplaats van Oud-Monnickendam begraven. [bron]

Zowel Geesje als Jacob gingen vóór hun twintigste het huis uit, maar opvallend is dat beiden daarna tot het moment dat ze trouwden nog regelmatig maandenlang terugkeerden naar het ouderlijk huis. Het is denkbaar dat dit een welkome noodoplossing was voor perioden waarin ze tijdelijk geen werk hadden. Maar gezien de tekenen van familiezin die ook elders in de familie zichtbaar zijn, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat deze "gezinsreünieën" door de betrokkenen ook als plezierig ervaren werden, niet in het minst door vader Klaas, die (zoals we zagen) in zijn jeugd op achtjarige leeftijd in het Weeshuis was beland, gescheiden van zijn eigen zus en broers.

Geesje en Jacob keerden tussen 1898 en 1910 elk nog vier of vijf keer voor langere tijd terug naar het ouderlijk huis.
Bron: bevolkingsregisters Waterland en Amsterdam.
 

Jacob en zijn kinderen (3): zoon Gerrit

De Van Deukerens die we tot nu toe tegenkwamen, leefden en werkten allemaal in (de zuidelijke helft van) Noord-Holland. Ze zwierven wel rond, vaak van werk naar werk, maar bleven desondanks hooguit vijftien kilometer - drie uur lopen - van Monnickendam vandaan. Ze waren dus allen erg honkvast.

Monnickendam en omgeving omstreeks 1850.
Basiskaart: Provinciekaart uit de Gemeente Atlas Jacob Kuyper 1865-1870 (voorheen www.kuijsten.de, nu atlas1868.nl),
aangepast aan de hand van de Grote Historische Atlas van Nederland 1:50000,
deel 1. West-Nederland 1839-1859
(Groningen: Wolters-Noordhoff, 1990).

Dat kan volstrekt niet gezegd worden van de jongste zoon van Jacob en Aaltje, Gerrit (1853-1926). Gerrit lijkt aanvankelijk moeite te hebben gehad om te kiezen wat hij wilde worden. Toen hij in 1873 werd opgeroepen voor de Nationale Militie, gaf hij als beroep op "olieslager". Na zijn dienstplicht, die een jaar of twee geduurd zal hebben, tot 1875, noemde hij zich werkman of arbeider en trok hij van hot naar her. Alleen al in het jaar 1876 woonde hij achtereenvolgens te Oostzaan, Monnickendam, Westzaan, Harderwijk, Amsterdam (waar hij een week logeerde bij zijn oudste zus Trijntje) en Landsmeer. In Landsmeer bleef hij een jaar lang om er te werken als timmermansknecht, waarna hij terugkeerde naar Oostzaan. In deze jaren moet Gerrit burger zijn geweest, maar in 1878 keerde hij terug naar het leger. Hij tekende toen een contract voor zes jaar. Het werd zijn definitieve bestemming.

Zijn carrière in het leger voerde hem van de ene vestingplaats naar de andere. Zijn keuze voor het leger hing ongetwijfeld samen met het feit dat hij op zijn vierde al wees was: eerst verloor hij, als kleuter van drie, zijn vader; ruim een jaar later overleed ook zijn moeder. Het lijkt een patroon: het komt vaker voor in de familie dat een kind op jonge leeftijd zijn beide ouders verliest en daarna, doorgaans via een kindertehuis, in het leger terechtkomt. Vergelijk bijvoorbeeld mijn betovergrootvader Wilhelmus Kooreman.

In 1879 werd hij bevorderd tot korporaal, twee jaar later tot sergeant. Dat was tevens de hoogste rang die hij zou bekleden.

Sinds 1878 voltrok zijn loopbaan zich bij de Militaire Geneeskundige Dienst, eerst in de 1e Compagnie Hospitaal Soldaten, sinds 1893 bij de 2e Compagnie Hospitaal Soldaten, en sinds 1904 bij de Militaire Hospitalen in Schoonhoven en (vanaf 1905) Arnhem. In 1887, ten tijde van zijn huwelijk, was hij gelegerd in het Militair Hospitaal te Den Haag. Daarvóór is hij vermoedelijk ook gelegerd geweest in Maastricht, waar hij zijn vrouw leerde kennen. In 1889 werd hij overgeplaatst naar Harderwijk, in 1893 naar Schoonhoven, in 1905 naar Arnhem. In Schoonhoven en Arnhem was hij eerst ziekenopzichter, later portier (in 1914 bevorderd tot "sergeant-officier").
 

Gerrits vrouw, Maria Catharina Blaauwijkel

In mei 1887 trad Gerrit in Maastricht in het huwelijk met de aldaar geboren Maria Catharina Blaauwijkel (1862-1944). Zij was de kleindochter van een uit Friesland (Drachten) afkomstige beroepsmilitair, de artillerist Simon Blaauwijkel (1802-1847), die in de tijd van de Belgische opstand (1830-1839) gelegerd was in de vestingsteden Maastricht, Luik en Venlo. Simons vrouw, Cornelia Lenaerts, was afkomstig uit Belgisch Limburg. Eind 1832 liep Simon over naar de Belgische kant ('desertie'), waarna hij enige jaren functies bekleedde binnen het Belgische leger, in Luik en Limburg. Toen de Belgische Opstand afliep, is hij aan lager wal geraakt. Simon werd "arbeider", daarna werkloos, en ten slotte werd hij op 30 december 1846 op heterdaad door een marechaussee betrapt toen hij in een herberg te Meerssen (bij Maastricht) bedelde om een aalmoes. Een veroordeling volgde: twee weken cel, gevolgd door opname in de bedelaarskolonie Ommerschans, een strafinstelling voor notoire landlopers en bedelaars, zeg maar de gesloten afdeling van het meer bekende Veenhuizen. Op 9 maart 1847 kwam Simon er aan. Een opname gold voor onbepaalde tijd, maar al na twee maanden is Simon in het gesticht overleden.

Curieus is dat Simon Blaauwijkel sinds de vroege jaren '30 door het leven ging als "Edmond Paul Leenarts", een naam die hij kennelijk gedeeltelijk had ontleend aan de familie van zijn vrouw - haar vader heette Paulus Lenaerts. Een geval van identiteitsfraude? [noot 34] In ieder geval zou zijn zoon er later nog een kluif aan hebben om aan te tonen dat Simon Blaauwijkel echt dezelfde was als de man die onder de onwaarschijnlijke naam "Egmundus Lenderts" [Edmond Leenarts] in 1847 in Ommerschans was overleden.

Maria Catharina's vader, Paulus Blaauwijkel (1831-1916), moet een wat muizige man zijn geweest - lengte nog geen 1.49 meter, smal gezicht - die wegens zijn geringe lengte voor de dienst werd afgekeurd. Je kunt je voorstellen dat het voor Maria Catharina, kleindochter van een beroepsmilitair en wonend in een garnizoensstad, een dagelijkse frustratie was dat haar vader zo'n weinig martiaal uiterlijk had meegekregen. Ze compenseerde dat door zelf met een militair te trouwen, sergeant Gerrit van Deukeren. Ook de dochters uit dat huwelijk zouden later steevast met sergeants of andere geüniformeerden trouwen.

Maria Catharina Blaauwijkel

Maria Catharina Blaauwijkel (1862-1944)
Foto in het familie-archief. De opname dateert waarschijnlijk uit omstreeks 1930.

Misschien kenden Maria Catharina en Gerrit elkaar al enige tijd vóór hun trouwen, want bij gelegenheid van het huwelijk werden twee kinderen geëcht: Maria Hubertina, geboren in 1883, en Mathilde Sophie, geboren in februari 1887 (drie maanden voor het huwelijk). Maria Hubertina zou in 1908 te Twisk trouwen met Germent Kee, conducteur bij de Nederlandsche Spoorwegen, waarmee voor het eerst een connectie optreedt tussen de Van Deukerens en het openbaar vervoer. Opmerkelijk is dat Gerrit, inmiddels een volwassen man van bijna 34 jaar, als beroepsmilitair toestemming van zijn commandant nodig had om te kunnen trouwen.

Hoe zag Gerrit er uit?


Handtekening van "sergeant" Gerrit in 1888.
Gerrit zette deze twee handtekeningen toen hij aangifte deed van de geboorte van de tweeling Paulus Gerardus en Hermanus Everardus Johannes.
Bron: Gemeentearchief Den Haag.

Omdat Gerrit beroepsmilitair was, is er een manier om daar achter te komen: via zijn inschrijving in het militair stamboek. Je moet dan eerst weten in welk regiment hij diende. Dat is te vinden in een "certificaat van militie", dat als bijlage is bijgevoegd bij zijn huwelijksakte. De huwelijksbijlagen van dat huwelijk staan inmiddels op internet (FamilySearch, zie huwelijken Maastricht 1887, nr. 73). Daaruit blijkt dat hij sergeant was bij de 1e Compagnie Hospitaal Soldaten, gelegerd in het Militair-Hospitaal te 's Gravenhage.

De volgende stap is dan het opvragen van dat militair stamboek (beschikbaar tot 1924, wat voor Gerrit ruimschoots voldoende is). Dat kan bij het Nationaal Archief of, op microfiche, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (beide in Den Haag). Via een namenklapper vind je eerst het stamboeknummer, 325, en vervolgens zijn signalement en zijn staat van dienst. (Vaak zit het militair signalement ook bij de huwelijksbijlagen, maar bij Gerrit is dat helaas niet het geval.)

Gerrits signalement blijkt als volgt te luiden:

militair signalement Gerrit Van DeukerenLengte
 
1.58,0 m
 
Aangezichtovaal
Voorhoofdhoog
Oogenblaauw
Neusgewoon
Mondgewoon
Kinrond
Haarbruin
Wenkbrauwenbruin
Merkbare teekenenaan het gezicht
Gehuwd 

Die "merkbare teekenen: aan het gezicht" zullen geen litteken zijn, want het wordt gespecificeerd als: "is behept met gezichtszwakte op het rechteroog, V.O.D. = 1/4". V.O.D. staat voor Visus oculi dextri, gezichtsscherpte van het rechter oog. Al in 1878 had hij deze kwaal, maar later werd het erger: in 1909 was de gezichtsscherpte afgenomen tot 1/6, en in 1916 bleek ook zijn goede linkeroog aangetast: gezichtsscherpte 1/2.

De oogzwakte stond zijn militaire functioneren als hospitaalsoldaat kennelijk niet in de weg, want Gerrits contract werd telkens weer verlengd, hij werd een paar maal bevorderd, kreeg in 1900 een zilveren en in 1912 zelfs een gouden medaille.

In 1916 werd een nieuwe kwaal genoteerd: een "dubbelzijdige hernia inguinalis", oftewel liesbreuk.

Mogelijk in verband met zijn afnemende gezondheid werd hij een paar maal overgeplaatst en kreeg hij nieuwe functies. Vanaf 1893 was hij gelegerd te Schoonhoven, eerst bij de 2e Compagnie Hospitaal Soldaten, en vanaf 1904 als ziekenopzichter bij het Militair Hospitaal. In 1905 verhuisde hij naar het Militair Hospitaal Arnhem, waar hij portier werd. Daar bleef hij tot zijn pensionering in 1919.

Militair Hospitaal te Arnhem, Hoofdingang aan Onder de Linden.
Links de portierswoning, Gerrit zal hier met zijn gezin gewoond hebben. Het gebouw uit 1905 [noot 35] staat er nog altijd, op de hoek van Lindenheuvel en Onder de Linden. Op de achtergrond het hoofdgebouw van het Hospitaal (thans een luxe appartementencomplex). De vier wandelaars dragen kenmerkende patiëntenkleding: witte broek, lange donkere overjas.

Bron: Historisch Klarendal > Foto's > Militair Hospitaal.

hoofdingang Militair Hospitaal Arnhem

Zie verder: Beroepsmilitairen in de familie.


 

De kinderen van Gerrit

       JACOB VAN DEUKEREN  x[1842]  AALTJE FRIS              [ meer ]
             (1817-1856)      │      (1818-1857)
                              │
               ( zes kinderen, het zesde is: )
                              │
                        GERRIT VAN DEUKEREN  x[1887]  MARIA CATHARINA BLAAUWIJKEL
                               (1853-1926)      │      (1862-1944)
                                                │
    ┌-------┬-------┬-------┬-------┬-------┬---┴---┬-------┬-------┬-------┬-------┬-------┐
    │       │       │       │       │       │       │       │       │       │       │       │
    │  Mathilde  Paulus   Hermanus  │   Mechtildis  │   Hermanus    │     Jacob     │       │   < (alle zes
    │   Sophie  Gerardus  Everardus │    Sophie     │  Everhardus   │   (1896-96)   │       │      als baby
    │ (1887-87) (1888-89) Johannes  │   Catharina   │   Johannes    │               │       │    overleden)
    │                    (1888-89)  │   (1891-93)   │   (1893-93)   │               │       │
    │                               │               │               │               │       │
  Maria                           Alida         Gerardus         Sophia           Maria  HERMANUS
Hubertina                  Catharina Josephina    Jacob         Mathilde       Catharina  JACOB
(1883-  )                      (1889-1920)     (1892-1966)     (1895-1977)     (1898-  ) (1901-1984)
    x                               x               x               x               x       x
 [1908]                          [1912]          [1917]          [1918]          [1919]   [1924]
 Germent                          Klaas         Jacomina     Willem Frederik      Arie  WILHELMINA G.M.
   Kee                         Oosterhuis     Kraaijenbrink       Reule          Moreau  KOOREMAN
                                    │               │               │                  (1904-1961)
                                    │               │               │                       │
                             twee kinderen       Gerrit         H.W. Reule            vier kinderen
[ meer ]                                        (1918-  )

Maria Hubertina
Maria Hubertina ("tante Kee"), vermoedelijk ca. 1910/20.   > 

De beide meisjes Maria Hubertina en Mathilde Sophie waren de eerste van een lange rij kinderen van het echtpaar: in totaal werden er twaalf kinderen geboren. Slechts de helft daarvan bereikte de volwassenheid; deze zes trouwden ook alle. De zes andere kinderen overleden echter al op jonge leeftijd. Mathilde Sophie was het eerste kind dat overleed: in november 1887, nog geen negen maanden oud.

Interessant is dat Gerrit Nederlands-Hervormd was, en zijn Maastrichtse vrouw rooms-katholiek. In zulke gemengd-godsdienstige gezinnen werden de kinderen meestal opgevoed in de godsdienst van de moeder, en dat was ook hier zo. Althans, de godsdienst van de eerste vier kinderen werd bij de bevolkingsregisters aangetekend als "RC" (rooms-katholiek). Of ook de latere kinderen katholiek zijn opgevoed, heb ik nog niet kunnen controleren.

Oranjekazerne Den Haag, bron: Het geheugen van Nederland
Direct na hun huwelijk waren Gerrit en Maria Catharina met hun twee dochters in Den Haag gaan wonen. Gerrit was vóór zijn huwelijk in die plaats gelegerd in de Oranjekazerne, en de afstand tot zijn aanstaande in Maastricht was dus wel groot geweest. In Den Haag ging het paar wonen op de Nieuwe Havenstraat nummer 148g.

In 1888 werd daar een tweeling geboren: Paulus Gerardus en Hermanus Everardus Johannes. Gerrit nam, als militair, twee korporaals als getuigen mee naar de Burgerlijke stand toen hij aangifte deed van de geboortes.

Interessant is dat bij Hermanus Everardus Johannes voor het eerst (voorzover nu bekend) de voornaam Herman(us) opduikt, die ook daarna door menig lid van de familie gedragen werd. Het jongetje was kennelijk vernoemd naar zijn oom, Johannes Hermanus Everhardus van Elst, de echtgenoot van Gerrits zus Trijntje.

Militair Hospitaal Harderwijk, bron: http://www.harderwijkonline.nl/canon/HarderwijkGaveStad.pdf
In mei 1889 keerde Gerrit terug naar Harderwijk, vermoedelijk naar het Militair Hospitaal, aan de Kaatsbaan aldaar. Zijn jonge gezin ging mee. Al enkele maanden na hun aankomst in Harderwijk overleden daar, nauwelijks een jaar oud, de twee zoontjes: Hermanus op 28 september 1889, Paulus enkele weken later op 15 oktober. Van de vier kinderen uit het gezin was er nu nog maar één in leven, maar weldra werden kort na elkaar nog drie kinderen geboren: Alida Catharina Josephina (1889-1920), de jong overleden Mechtildis Sophie Catharina (1891-1893) en Gerardus Jacob (1892-1966).

Alida Catharina Josephina vertrok in 1910 naar Amsterdam, waar ze winkeljuffrouw (en dienstbode?) werd, vermoedelijk bij een firma Boon aan de Leliegracht 14. Ze trouwde twee jaar later met ene Klaas Oosterhuis, een vijftien jaar oudere sergeant bij de militaire geneeskundige dienst, die Alida misschien heeft leren kennen in het Arnhemse Militair Hospitaal waar haar vader werkte.

Direct na de bruiloft vertrok het echtpaar naar "Villa Reehorst" in Klaas' woonplaats Ede. Acht jaar later vinden we hen terug in Utrecht, waar Alida op tragische wijze in het kraambed zou overlijden. Op 6 december 1920 bracht zij er een tweeling ter wereld. Maar een van die twee kinderen werd dood geboren, en twee dagen later overleed ook moeder Alida zelf. Vader Klaas Oosterhuis bleef alleen achter met de andere baby, die de naam Gerrit Hendrik had gekregen. Een onhoudbare situatie, waarvoor als oplossing werd gekozen dat Gerrit Hendrik werd opgenomen in het gezin van zijn grootouders, dat wil zeggen bij Gerrit van Deukeren (die inmiddels 67 jaar oud en gepensioneerd was) en Maria Catharina Blaauwijkel. Pleegouder Gerrit zal daarbij ongetwijfeld hebben teruggedacht aan zijn eigen jeugd: zelf was hij immers wees geworden als kleuter van vier, en hij is toen misschien opgevangen door zijn oma.

Oud is Gerrit Hendrik niet geworden: hij is aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, op 1 februari 1945, om het leven gekomen in "Kainsch, Duitsland" (het tegenwoordige Kęszyca in Polen, tussen Frankfurt a/d Oder en Poznań) [Genlias: overlijdensakte Zutphen d.d. 24-6-1950]. Kęszyca was een centraal punt in de Ostwall van de nazi's, een gordel van militaire verdedigingswerken, bedoeld om het oprukkende Rode Leger tegen te houden. In 1944 werd die Ostwall zwaar versterkt, en het vermoeden ligt voor de hand dat Gerrit Hendrik, die van beroep automonteur was, daar als dwangarbeider (Arbeidsinzet) bij betrokken is geweest. Zijn sterfdatum valt samen met het moment waarop het Rode Leger met ongekende snelheid in slechts enkele dagen west-Polen dóórtrok richting Berlijn - zo snel naar het schijnt, dat de Russen de Ostwall al hadden veroverd voordat de Duitse verdedigingstroepen - deels "kindsoldaten" van de Hitler Jugend - daar op sterkte konden worden gebracht. De Russen openden hun aanval op de linies bij Kęszyca op 28 januari. Drie dagen later viel de Ostwall, en nog een dag later is Gerrit Hendrik overleden. Hij staat vermeld in het Slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting (OGS).

Gerardus Jacob werd later kok en zou in 1917 te Zutphen trouwen met Jacomina Kraaijenbrink uit Arnhem. In 1918 kregen zij een zoon, die ze de naam Gerrit gaven. Deze Gerrit was in 1951 journalist te Zutphen. Hij trouwde met J.J. Janssen, die als medium bekend werd onder de naam "Mevrouw Jade" (is Jade een door haar echtgenoot bedachte samentrekking van Janssen en Deukeren? [noot 36]). Het paar kreeg twee dochters, die mooie en naar het schijnt programmatische namen ontvingen: Yoka ("de verbindende" - zij werd later eveneens medium), en Lucia ("de lichtende").
 

Schoonhoven

In 1893 verhuisden sergeant Gerrit en zijn gezin opnieuw, en wel naar Schoonhoven. Daar werden drie zoons en twee dochters geboren.

Eerst een zoontje dat (vrijwel) dezelfde naam kreeg als een vier jaar eerder overleden broertje, namelijk Hermanus Everhardus Johannes. Het jongetje overleed echter nog vóór zijn eerste verjaardag (1893).

Twee jaar later werd Sophia Mathilde geboren ("tante Fie", 1895-1977), die in 1918 trouwde met de militair Willem Frederik Reule (1891-1948) en met hem begraven ligt te Medemblik. [bron]

Maria Catharina
Vervolgens werd weer een jongetje geboren, Jacob. Ook deze zoon overleed nog voor zijn eerste verjaardag (1896).

Maria Catharina ("tante Truus uit Ede"), ca. 1958.   > 

Daarna werd Maria Catharina ('Truus') geboren, in 1898. In 1919 trouwde zij met Arie Moreau die, net als haar eigen vader, sergeant was. De vader van Arie, Jules Arthur Emile Gustave Moreau, was van beroep tramconducteur. Het is opvallend dat alle vier de dochters van Gerrit die de volwassenheid bereikten, trouwden met een militair of conducteur: kennelijk hadden zij van hun vader (of van hun moeder) een zwak voor uniformen en blinkende knopen meegekregen.

Ten slotte is Schoonhoven ook de geboorteplaats van het twaalfde en laatste kind, Herman (Hermanus Jacob) van Deukeren (1901-1984) ("opa uit Zutphen"), en daarmee hebben we de link naar de Van Deukerens van nu.
 

Opa uit Zutphen

Gezinskaart Van Deukeren Zutphen
"Gezinskaart" van het gezin Van Deukeren uit Zutphen, waarop de geboorte van de drie zoons en één dochter staan aangetekend.
(Bron: Regionaal Archief Zutphen)

examen 1923
In 1923 deed opa examen Krankzinnigenverpleging II. >
[Bron: De Gelderlander, 19 juni 1923, blz. 2; twee jaar later volgde het "derde gedeelte (oud)" van het examen, blijkens een bericht in De Maasbode ed. R'dam, 7-11-1925 Ochtendblad, Eerste blad p. 2 (Delpher)].
Mijn vader ging als jongen, in de jaren '30, wel eens met opa mee naar diens werk.
Later vertelde hij dat opa een groot talent had om met psychiatrische patiënten om te gaan en ze te kalmeren.
"Er was daar een bóóm van een vent. Niemand kon hem aan, maar mijn vader kreeg hem rustig."

In 1924 trouwde opa Herman met Wilhelmina Gerritdina Maria Kooreman uit Zutphen ("oma uit Zutphen"). Zij hebben elkaar vermoedelijk leren kennen op het werk: oma was in 1922 dienstbode en later hoofd van de strijkafdeling in het Oude en Nieuwe Gasthuis, opa was daar verpleger en (sinds 1924) tuinman.

Voordat ze trouwden woonden ze al minstens een jaar of twee op hetzelfde adres: eerst alletwee in de Gasthuisstraat A.18, daarna op de Lievenheersteeg D.111. Nu was Lievenheersteeg D.111 precies het adres waar het gezin van Hendrikus Antonius Kooreman woonde - oma's vader; dus kennelijk was het paar gaan inwonen bij haar ouders. Hun eerdere adres in de Gasthuissteeg was het adres van het Oude en Nieuwe Gasthuis, misschien een broeder- en zusterhuis waar ze intern woonden. Naar het schijnt was de Gasthuisstraat of -steeg een deel van het terrein van het Oude en Nieuwe Gasthuis, dat door een monumentale poort werd afgesloten aan de kant van de Nieuwstad [voor een foto, gedateerd 1914, zie: J. Harenberg, Zutphen in oude ansichten, deel 2 (Zaltbommel: Europese Bibliotheek, 4e druk, 1996 = 1977) foto 77].

Opa en oma
Opa en oma Van Deukeren, studiofoto. Vermoedelijk eind jaren '50.

Het samenwonen van het paar leverde kennelijk administratief een probleem op voor het bevolkingsregister; want op de "gezinskaarten" woonden er tot 1924 dríé "gezinnen" op precies hetzelfde adres Lievenheersteeg D.111: het eerste dat alleen uit opa bestond, een tweede gezin dat alleen uit oma bestond, en een derde dat bestond uit de familie Kooreman (vader, moeder en zeven kinderen).

Oma was het derde van de acht kinderen van Hendrikus Antonius Kooreman en Petronella Aleida Willemsen. Zij kwam dus net als opa uit een groot gezin, en net als opa was ze al op jonge leeftijd, vóór haar achttiende jaar, uit huis gegaan. In juli 1924, toen oma in verwachting was geraakt, trouwde het paar. Twee maanden later werd mijn vader geboren, Gerrit. Tussen 1930 en 1934 kreeg het echtpaar nog twee zoons en een dochter: Hendrikus Antonius (Henk), Hermanus Jacob (Herman) en Maria Catharina (Rie).

Opa tussen zijn vier kinderen
Opa tussen zijn kinderen, (van links naar rechts) Herman, Rie, Henk en Gerrit. Ca. 1980.

De kinderen werden onmiskenbaar vernoemd. Gerrit werd vernoemd naar zijn opa van vaderskant, sergeant Gerrit. Henk naar zijn opa van moederskant, Hendrikus Antonius Kooreman. Herman kreeg dezelfde voornamen als zijn vader. En Rie, Maria Catharina, droeg de voornamen van haar oma, de vrouw van sergeant Gerrit.

De oudste zoon Gerrit trouwde kort na de oorlog met Dirkje (Dittie) Groenewegen van Wijk, en zij kregen vier zoons: Hans (dat ben ik dus), Gert, Jan Willem en Peter.
 

Gerrits laatste jaren

In zijn latere jaren is sergeant Gerrit weer naar het oosten verhuisd. Als sluitstuk van zijn militaire carrière kwam hij omstreeks 1905 in Arnhem terecht, waar hij portier werd in het Militair Hospitaal, gelegen aan Onder de Linden (beschrijving). Het was de plek vanwaar in 1910 zijn dochter Alida naar Amsterdam vertrok en vanwaar zes jaar later zoon Gerardus Jacob naar Zutphen vertrok, waar hij aan de slag ging als kok in het Krankzinnigengesticht van het Oude en Nieuwe Gasthuis. Na het vertrek van Alida en Gerardus bleef alleen Gerrits jongste zoon Herman, mijn opa, in het ouderlijk gezin over. Met een vader die in het Militair Hospitaal werkte en een broer die kok was in een Krankzinnigengesticht, kun je vermoeden waar Herman de inspiratie opdeed om later zelf in een ziekenhuis te gaan werken als krankzinnigenverpleger.

In juni 1919, op zijn 66e, ging sergeant Gerrit met pensioen. (Ik dacht dat militairen vroeg met pensioen gingen, maar dat gold voor hem dus niet). Gerrit moest vanwege die pensionering uit de kazerne vertrekken en trok in bij het gezin van zoon Gerardus Jacob, de kok, in Zutphen, Bornhovestraat 37. De Bornhovestraat, gelegen aan de Zutphense stadsmuur ( ! ), was voor een oud-militair wel een heel passende plek.

Zutphen, Bornhovestraat (tek. Herman de Wit)
Ook Gerrits jongste zoon Herman (mijn opa) is later met zijn gezin gaan wonen aan de Bornhovestraat, en wel op nummer 31b. Ze woonden daar vanaf 1935 bijna een kwart eeuw. Op deze tekening is de achterkant van het huis afgebeeld, waar een tuintje was. Goed is te zien dat de woning (waar ik in 1952 geboren ben) oorspronkelijk deel uitmaakte van de stadsmuur.
De tekening werd gemaakt door opa's kleinzoon Herman de Wit (pen en aquarelpotlood; meer werk).

Na een jaar inwonen betrokken Gerrit en zijn vrouw een eigen woning, maar wel vlakbij hun zoon (eerst op de Halvemaanstraat, later in de Bornhovestraat 1a). Toen zoon Gerardus Jacob in 1922 verhuisde naar Gorssel (onder Deventer), volgde vader Gerrit hem en ging opnieuw bij hem inwonen. Een jaar later vertrokken Gerrit en zijn vrouw naar Nijmegen, waar ze de rest van hun leven gebleven zijn.

Gerrit overleed in 1926 in Nijmegen. De Memorie van Successie, waarin de verdeling van zijn erfenis werd geregeld, is op internet te vinden [noot 37]. Het is een merkwaardig stuk. Dat ligt niet aan de grootte van de erfenis (ter waarde van f761,11 minus ca. 200 gulden aan openstaande "lasten en schulden", netto een vrij aanzienlijk bedrag in die tijd), maar aan de verdeling. De Memorie zegt namelijk dat er van Gerrits kinderen in 1926 nog maar drie in leven waren: "uit welk huwelyk zyn geboren en nog in leven zyn 3 kinderen", te weten Maria Hubertina, Gerardus Jacob en Sophia Mathilde. In feite waren er natuurlijk nóg twee kinderen in leven, de twee jongsten, Maria Catharina (Truus) en Herman. Maar die deelden dus niet mee in de erfenis. Het lijkt erop dat Gerrit hen had onterfd, want de Memorie beroept zich op een testament dat Gerrit in 1922 bij een Zutphense notaris had laten opmaken. In de marge van de Memorie staat een handgeschreven aantekening "vijf kinderen / van geen belang". Cryptisch, maar het lijkt te betekenen dat de notaris die de Memorie opstelde, ervan op de hoogte was dat er nog twee kinderen waren, maar dat hij dat voor de erfenis irrelevant achtte op grond van het testament. [noot 38] Als deze interpretatie klopt, vraag je je wel af wat in vredesnaam voor Gerrit de reden kan zijn geweest om zijn twee jongste kinderen te onterven?

Gerrits weduwe, Maria Catharina Blaauwijkel, overleefde haar man achttien jaar. In 1944 overleed ze in Nijmegen. Volgens de website Oorlogsdoden Nijmegen 1940-1945 is zij als burgerslachtoffer "omgekomen", wat wil zeggen dat haar overlijden verband zou houden met de oorlogshandelingen die toen nabij de frontstad Nijmegen plaatsvonden. In een oorlogsdagboek dat mijn opa in 1944-'45 bijhield, schreef hij dat ze volgens informatie van het Rode Kruis was overleden aan de gevolgen van een val van een keldertrap. Is ze tijdens een luchtalarm gevallen bij het afdalen in een schuilkelder?

Overigens woonde er in de jaren '50 nog een "opoe" in Zutphen, maar dat was niet oma Blaauwijkel maar oma Kooreman, de schoonmoeder van mijn opa Herman. Haar meisjesnaam was Petronella Aleida Willemsen, en ze leefde van 1880 tot 1957. Mijn tante Rie omschreef haar als "een echte opoe", iemand die "gehuld in zwart en grijs de hele dag bewegingloos achter een raam naar buiten zat te kijken".
 

Karel de Grote

Stammen de Van Deukerens af van Karel de Grote? Of van een adellijk geslacht? Je zou het bijna gaan geloven als je de "exclusieve aanbieding" mocht geloven die boekhandel / antiquariaat "De Heraut" een jaar of tien geleden in "gelimiteerde persoonlijke oplage" aanbood: het "gecertificeerde fraaie boekwerk" Het geslacht "Van Deukeren", samen met een familiewapen [noot 39], ("uitgevoerd op perkament, is een sieraad aan de wand") en een toelichting ("Wat betekenen de symbolen op familiewapens, wat is de betekenis van de kleuren op wapens"). Als extra was ook nog een "Persoonlijke Wandstamboom" ("50x70cm") verkrijgbaar, alsmede een "mooie massiefhouten lijst" voor het familiewapen.

Kort daarna "ontdekte" iemand anders dat de naam Van Deukeren een verbastering zou zijn van "ducere" (latijn: leiden, aanvoeren) of van "Dux" (laat-latijn voor hertog), en dat wij dus wel zouden afstammen van Limburgse (of Kleefse) hertogen uit omstreeks 1200. Over de ca. achttien generaties tussen 1740 en 1200 werd helaas nauwelijks of geen verifieerbare informatie beschikbaar gesteld. Dus via welke schakels die afstamming dan concreet verlopen was, bleef enigszins duister. (Vergelijk Forum historie Sittard)

Toch had laatstgenoemde onderzoeker vermoedelijk wel gelijk, want alle hedendaagse Nederlanders stammen statistisch gezien van Limburgse hertogen uit 1200 af. En ook van Karel de Grote (een aantoonbare afstamming van Karel de Grote schijnt de heilige graal te zijn van alle genealogen). [noot 40]

Grafiek aantal directe voorouders
Reken maar mee, ik neem mezelf als voorbeeld (zie ook het overzicht van mijn directe voorouders tot zes generaties geleden). Net als iedereen heb ik

Iedere generatie verdubbelt het aantal voorouders. Over de generatie van mijn betbetbetovergrootouders (of oudgrootouders, geboren ca. 1760-1790) en over de generaties daarvóór zijn mijn gegevens niet compleet, maar als je ervan uitgaat dat een generatie gemiddeld dertig jaar beslaat, kun je de berekening onbeperkt voortzetten en dan ontstaat de figuur hiernaast: de groene balken geven aan hoeveel directe voorouders ik had in iedere generatie sinds het jaar 800 (de tijd van Karel de Grote).

Rond 1350 zijn dat er één miljoen, ongeveer evenveel als de totale toenmalige bevolking in het gebied dat nu Nederland heet. Omstreeks 1100 komt het aantal directe voorouders uit op de hele toenmalige wereldbevolking. En rond het jaar 800 zou ik duizend keer zoveel directe voorouders hebben gehad als er toen mensen rondliepen op deze aarde. [noot 42]

De oplossing van deze paradox is natuurlijk dat als je maar ver genoeg teruggaat, je voorouders bloedverwanten van elkaar zijn. Oftewel, dat je via verschillende geslachtslijnen bij dezelfde persoon terechtkomt. [noot 43]

Statistisch gezien stamt dus iedereen die nu in Nederland leeft van Karel de Grote af. [noot 44] Sterker, dat was zelfs al zo rond het jaar 1500. Maar Karels bloed is natuurlijk inmiddels wel heel erg verdund - tot minder dan één miljoenste. (Na al die eeuwen van bloedvermenging wordt statistisch gezien het aandeel waarmee je nazaat bent van elk van de ca. 200 miljoen toenmalige aardbewoners voor iedereen steeds meer gelijk, dus uiteindelijk 1 op 200.000.000).

Blijft nog de vraag waarop boekhandel "De Heraut" zijn geslachtsbeschrijving ("U wordt hierin ook vermeld !!") heeft gebaseerd: een stamboom die teruggaat tot het midden van de achttiende eeuw is toch wat mager. Vermoedelijk zijn in de stamboom ook verwante familienamen verwerkt.

De Nederlandse Familienamen Databank geeft als verwante achternamen Van Duijkeren, Van Duijker en Van Duikeren, die in 1947 in Nederland respectievelijk 144x, 59x en 52x voorkwamen. In 2007 waren er, volgens dezelfde bron, 17 Van Deukerens, 216 Van Duijkerens, 6 Van Duykerens, 25 Van Duijkers, en 54 Van Duikerens.
Vervolgens zijn er ook nog de "varianten van varianten" en vormen die (taalkundig) vergelijkbaar zijn, zoals

Via de weg van deze variante achternamen is de stamboom vermoedelijk uit te breiden. Maar dan moet er toch eerst een aantoonbaar knooppunt met die andere achternamen vastgesteld worden, vóór 1811, toen de Burgerlijke Stand werd ingesteld en de achternamen in principe gefixeerd werden.
 

Legpuzzel

Toen ik begin 2008 voor het eerst via Google probeerde of er op internet informatie te vinden was over mijn voorouders, schreef ik:

"Als je de stukjes informatie die er nu liggen aan elkaar past, krijg je een aardig beeld hoe de koppeling kan worden gelegd tussen de vroege Van Deukerens en de huidige.

Via de Burgerlijke Stand en de bevolkingsregisters is de stamboom natuurlijk zonder veel problemen verder te completeren vanaf het moment dat de Burgerlijke Stand landelijk werd ingesteld, in 1811. Mondelinge navraag binnen de familie kan ook helderheid scheppen over familieleden uit het begin van de twintigste eeuw. En er bestaat vast wel fotomateriaal over vroegere familieleden, of herinneringen, verhalen; misschien ook documenten, brieven?

Inmiddels is het bijna vijf jaar later. Het globale beeld van de stamboom dat ik toen reconstrueerde, is in principe correct gebleken. Het is wel veel vollediger en gedetailleerder geworden, al is de frase dat dat "zonder veel problemen" zou gaan, rijkelijk optimistisch gebleken. Hele gezinnen zijn voor mij tot leven gekomen, er zijn onverwachte vondsten gedaan zoals een oplichter die als bedelaar in een strafkamp eindigde, heel veel beroepsmilitairen, waaronder één die bij Waterloo tegen Napoleon gevochten heeft, doopsgezinde schippers op Ameland, een predikant die een "bekeer u!"-beweging ontketende. Maar nog steeds blijven er ook veel duistere plekken. Zoals de simpele vraag naar de herkomst van de Elspeetse voorouders.

Aanvullingen en correcties blijven daarom nog steeds van harte welkom! (op e-mailadres h.vandeukeren [apenstaart] casema.nl)

Zie ook:


Noten

1. In E.A. van Beresteyn, Genealogisch repertorium (1972), en de tot nog toe verschenen supplementen daarop (1970-1984 t/m 1995-1999) staan geen publicaties vermeld over de familienaam Van Deukeren. [ ^ terug ]

2. De spelling wisselt. In de elf huwelijks- en geboorteregistraties (1742-1762) die ik persoonlijk heb gezien, wordt Klaas' voornaam na zijn huwelijk (in 1742) steeds Claas gespeld; zijn achternaam (patroniem) blijft eerst Gerrits, maar wordt vanaf 1747 geschreven als Gerritsen (eenmaal Gerittsen, 1751). De voornaam van zijn vrouw wordt eerst consequent met een "ij" geschreven, maar vanaf 1751 steevast met een "ie": Trijntjen (1742-47), Thrientjen (1751), Trientjen (1753-1762). Haar achternaam (patroniem) wisselt minder voorspelbaar: Harmens in 1742 en 1751, Hermens (1743), Herms (1744-47 en 1758-62) of Harms (1753, 1755). [ ^ terug ]

3. André van Duijkeren (Spijkenisse) heeft mij nog een alternatieve mogelijkheid gesuggereerd voor de herkomst van de familienaam. Het is namelijk mogelijk dat Veluwse Klaas en Gerrit in de achttiende eeuw helemaal nog geen familienaam droegen. Gerrit Klaasen zou zich dan pas in Monnickendam om de een of andere reden een familienaam hebben aangemeten, die hij dan vermoedelijk ontleende aan kennissen of vrienden van hem die Duiker, Duycker, of iets dergelijks heetten. Die woonden daar wel in de omgeving. [ ^ terug ]

4. Vergelijk bijvoorbeeld het registre civique uit Ermelo uit 1811, waar minder dan een derde van de mannen een achternaam opgeeft. [ ^ terug ]

5. Kopieën van de doopboeken van Nijbroek: Gelders Archief, Arnhem, nrs. 1556.1-1557 (Nederduits gereformeerd, 1694-1811) en nrs. 1581-1584 (rooms-katholiek, 1675-1811; gegevens zijn opgenomen onder Twello (Voorst)). Transcriptie in Publicatiereeks V.V.G., deel 249, en op de website van de Oudheidkundige kring Voorst te Twello (kies Collectie > Documentatie).
Ik heb ook gekeken of er misschien een Klaas Gerritsen in een van de buurdorpen van Nijbroek gedoopt is. Dopen in naburige dorpen vonden regelmatig plaats, zeker als in het eigen dorp tijdelijk geen dominee beschikbaar was. In Nijbroek was dat het geval tussen mei 1713 en december 1714. Met name Twello zou een goede uitwijkmogelijkheid hebben geboden, het ligt maar een paar kilometer van Nijbroek vandaan. In maart 1709 werd weliswaar een Claes Gerridsen in Twello gedoopt, maar hij lijkt niet de gezochte: zijn vader was Gerrid Cornelissen, zodat je de voornaam Cornelis zou verwachten bij Claes' nakomelingen; de naam Cornelis ontbreekt echter volledig bij de Elspeetse Van Deukerens. [ ^ terug ]

6. Kopieën van de trouwboeken van Nijbroek: Gelders Archief, Arnhem, nrs. 1556.2, 1557.1-2 (Nederduits gereformeerd, 1695-1811), nrs. 1581-1584 (rooms-katholiek, 1675-1811; gegevens zijn opgenomen onder Twello (Voorst)), en 1560-1562 (BG, 1796-1811). Transcriptie in Publicatiereeks V.V.G., deel 74, en op de website van de Oudheidkundige kring Voorst te Twello (kies Collectie > Documentatie). [ ^ terug ]

7. Kopieën van de lidmatenboeken van Nijbroek: Gelders Archief, Arnhem, nrs. 1556.2, 1557.1, 1557.3-4 (Nederduits gereformeerd, 1698-1860). [ ^ terug ]

8. Een voorbeeld uit de familie is Christina Maria Brugman, de tweede echtgenote van Gerrit van Deukeren. Zij is volgens haar geboorteakte in 1811 geboren in Mijdrecht, maar in het Amsterdamse bevolkingsregister en in haar overlijdensakte staat als geboorteplaats steeds Uithoorn vermeld. Mijdrecht en Uithoorn zijn naburige gemeenten, gescheiden door de niet over het hoofd te ziene rivieren Drecht en Amstel. [ ^ terug ]

9. Gelders Archief, Archief Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden (toegang nr. 0008), nrs. 249-277, "Lijsten van huizen, inwoners, beroepen en bezittingen" (oude inventarisnummering 285-312; op studiezaal beschikbaar op filmcassette nrs. 1130-1133). Nijbroek (Nieuwbroek) is hierin inv.nr. 269 (oude nummering 312; filmcassette 1133, 6e "boek"). -
Een toelichting op de bron in: H.K. Roessingh, 'Het Veluwse inwonertal, 1526-1947', in: A.A.G. Bijdragen 11 (1964), blz. 79-150; aldaar bijlage 9, blz. 147-150 ('Kort overzicht van de Generale middelen van consumptie en het hoofd- en haardstedegeld in het Kwartier van de Veluwe').
De lijsten zijn door Roessingh geanalyseerd in 'Het Veluwse inwonertal', en ook in 'Beroep en bedrijf op de Veluwe in het midden van de achttiende eeuw' in: A.A.G. Bijdragen 13 (1965), blz. 181-274. De resultaten voor de bevolkingsgroottes in de beide artikelen lopen licht uiteen, maar Elspeet telde in 1749 ca. 75 gezinnen (350 inwoners), Nijbroek 102 gezinnen (480 inwoners). Roessingh geeft totaalcijfers voor de beroepsstructuur in Elspeet, maar niet voor Nijbroek ('Beroep en bedrijf', blz. 266-267 (nrs. 12 en 38)). [ ^ terug ]

10. De begraafboeken van Nijbroek kunnen hierover geen uitsluitsel geven, omdat ze pas aanvangen in 1749: kopieën ervan op Gelders Archief, Arnhem, nrs. 1557.5, 1558, 1559 (Nederduits gereformeerd, 1749-1811; tevens grafsteden 1677, 1810). Transcriptie op de website van de Oudheidkundige kring Voorst te Twello (kies Collectie > Documentatie). [ ^ terug ]

11. Gerjan Crebolder en Dick Veldhuizen, Kohier hoofd- en haardstedegeld 1749 voor het ambt Barneveld (Serie: Bijdragen tot de geschiedenis van Barneveld, 13) (Barneveld, 1989; ISBN 90-72981-14-6) blz. ii. - Dit boek biedt een volledige transcriptie van het betreffende kohier, aangevuld met een summiere inleiding. Voor Elspeet zie blz. 60-64. Bij vergelijking met het originele kohier (Gemeentearchief Barneveld, archief Ambtsbestuur 1617-1812, inv.nr. 94; aldaar blad 44-47) bleek de transcriptie betrouwbaar, maar wel lijken in enkele gevallen de aantekeningen in de linkermarge aan de verkeerde regel te zijn gekoppeld (bijv. blz. 61 "in de camer van...": de puntjes wijzen naar Gerrit Gerritsen; blz. 63 "in aart Eyberts camer" hoort bij Jan Dirksen). Ook schijnen enkele doorhalingen niet te zijn opgemerkt, bijvoorbeeld de '1' voor "Pieter Beerts weduwe" (blz. 64) en misschien (onduidelijk) "en vrouw" na "Wigman Helmertsen" (blz. 61). - Het boek is nog steeds (2010) te koop op het Gemeentearchief Barneveld. [ nadere omschrijving (volg de link, aldaar onder nr. 13) ].
[ ^ terug ]

12. Gemeentearchief Barneveld, archief Ambtsbestuur 1617-1812, inv.nr. 93-94 (vgl. ook nrs. 92, 95-98, die ik nog niet heb ingezien) [voor inventaris zie Gemeentearchief Barneveld > Archievenoverzicht > 1. Algemeen bestuur en administratie > Ambtsbestuur 1617-1812: inv.nrs. 1 t/m 257]. - Inv.nr. 93 bevat voorlopige lijsten uit 1748, die de belastingbedragen over 1747 vermelden, met telkens de mededeling dat "in 1748 niet [is betaalt] alsoo [=omdat] geen pachters sijn geweest". Uit correspondentie in dezelfde map blijkt dat de lijst voor Elspeet ongewijzigd door de toeziende commissie uit de Veluwse Staten "geaccordeert" werd. Inv.nr. 94 zal uit 1749 dateren, want die bevat ook de vastgestelde pacht over het jaar 1748, die in inv.nr. 93 nog ontbreekt. De pacht over 1748 werd overigens consequent vastgesteld als 75% van het bedrag over 1747.
Ik kwam op het spoor van deze bron via Roessingh, 'Het Veluwse inwonertal', die zijn gegevens voor Barneveld, Voorthuizen, Kootwijk, Garderen en Elspeet putte uit een aanvullende bron die hij omschrijft als "Gemeentearchief Barneveld: Oud-archief der gemeente Barneveld, niet geïnventariseerd" [a.w., blz. 261, 266; ook: H.K. Roessingh, 'Het Veluwse inwonertal, 1526-1947', in: A.A.G. Bijdragen 11 (1964), blz. 79-150: 142-145]. -
Om eventuele latere familie in Elspeet te kunnen opsporen, is het van belang te weten dat in de 19e eeuw Elspeet niet meer onder Barneveld viel, maar eerst onder de gemeente Garderen (1 jan 1812-1 jan 1818) en daarna onder Ermelo (Garderen zelf kwam per 1.1.1818 onder Barneveld).
[ ^ terug ]

13. Gemeentearchief Barneveld, archief Ambtsbestuur 1617-1812, inv.nr. 93-94. Voor "rogge en boekweit", zie: J.L. van Zanden, De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw, 1800-1914 (Utrecht: Hes, 1985) blz. 168.
[ ^ terug ]

14. Historisch kadaster van Barneveld dorp, Inleiding, verwijzend naar Verdam, Middelnederlands Handwoordenboek (Den Haag, 1932). Minder gespecificeerd zijn het Woordenboek der Nederlandsche Taal ('kamer': o.a. Ï-3. "Een huurkamer [...]", I-14. "Klein huisje, woninkje van één verdieping en dat in hoofdzaak [...] slechts uit één vertrek bestaat."), en het Middelnederlandsch Woordenboek ('camere': "[...] 2) Kamer, vertrek, bepaaldelijk een vertrek met eene stookplaats [...]"). De beide laatste woordenboeken zijn online beschikbaar via het INL.
[ ^ terug ]

15. Er was nog een tweede Kars Gerritsen in Elspeet, namelijk een in 1714 geboren zoon van Gerrit Karssen en Elbertje Beerts. Maar die lijkt te jong om al in 1729 als lidmaat van de kerk te zijn toegelaten.
[ ^ terug ]

16. In totaal vermelden de doopboeken van Elspeet (1670-1811) zeven geboortes van een Hendrik Gerritsen: in 1713, 1720, 1730, 1755, 1786, 1788 en 1810. Alleen de eerste twee komen in aanmerking om dezelfde te zijn als de Hendrik Gerritsen die in 1748 bij de "volkstelling" werd genoemd. Hendrikken Gerritsen die in de decennia vóór 1748 trouwden, waren er in 1715, 1721 en 1727. Als vader komt de naam Hendrik Gerritsen in de doopboeken alleen voor in de jaren 1685-1705 en daarna pas weer vanaf 1756.
[ ^ terug ]

17. In het doopboek is er een lacune tussen februari 1673 en mei 1674, zoals de dominee zelf aangeeft: "Hier moeten nogh tuessen beijden koomen eenige kinderties die in het verloop [tussentijd] geboren ende van mij gedo[o]pt sijn, dogh niet aengeteijcken[t]". - In de periode 1672-1675 is overal in midden-Nederland sprake van administratieve chaos, de nasleep van het rampjaar 1672, toen een coalitie van Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen de Republiek aanviel. Ook in de nabijheid van Elspeet opereerden de troepen: Arnhem gaf zich in juni 1672 over aan de Franse koning, Kampen en Zwolle in diezelfde maand aan de bisschop van Münster.
[
^ terug ]

18. Mogelijk is hij dezelfde als de Gerrit Kersenberg die op 25.08.1715 samen met zijn tweelingbroer Henrik werd gedoopt in de Nederduits Gereformeerde Gemeente Lochem (doopboek; zie ook de index). Het patroniem klopt dan weliswaar niet, want de vader staat vermeld als Herman Kersenberg, maar er schijnt bij deze doop enige verwarring te zijn geweest tussen de namen Gerrit en Herman - de transcriptie noteert althans "[er stond 'Herman en Henrik', doch de naam 'Herman' werd doorgestreept en vervangen door 'Gerrit']".
[ ^ terug ]

19. Het register in Crebolder & Veldhuizen, Kohier hoofd- en haardstedegeld 1749 voor het ambt Barneveld (blz. 68-69) verwijst naar 43 personen met een patroniem "Gerrits(en)", wat betekent dat ongeveer 5% van de 822 huishoudens in het scholtambt Barneveld deze naam droeg. Hierbij zijn nog niet meegerekend de tien personen met het verwante patroniem "Geurts(en)". - De naam "Klaas" was aanzienlijk zeldzamer: hetzelfde register in Crebolder & Veldhuizen, Kohier, vermeldt tien personen "Claas(sen)" en één "Klaasen". Onder anderen woonde in Garderen een Gerrit Claasen (ibidem, blz. 46) en in Garderbroek een Gerrit Klaasen (zie blz. 49; het register verwijst ten onrechte naar paginanummer 48).
[ ^ terug ]

20. Zo zijn de eerste zes personen op de voorlopige lijst van het dorp Barneveld (inv.nr. 93): weduwe Jacob Jansen, Hendrik Jansen, Evert Lansel, Willem Prins, Jacob Hendrikse, en Bessel Jansen. Deze namen zijn in het historisch kadaster dorp Barneveld terug te vinden op resp. fiche 3, 1, 4, 11, 12 en 13. (Bij de ontbrekende fichenummers was er geen bewoner in 1748/9).
Er is daarnaast nog een derde volgorde voor de namen, namelijk in het register van de belastingpachters ("Op Welk blad of Pagina dit accoord in des Pagters boek te vinden is"; staat in de definitieve lijst vermeld in de laatste kolom). Deze volgorde wijkt op zijn beurt weer sterk af van de twee andere lijsten.
[ ^ terug ]

21. Ik wil binnenkort de beide Elspeetse namenlijsten, in hun onderlinge samenhang, en aangevuld met gezinsgegevens, op een aparte webpagina publiceren. - Welk ordeningsprincipe is toegepast voor de definitieve lijst, is mij niet duidelijk. - Bij drie Barneveldse buurschappen (Esveld, Glinde en Kallenbroek) wordt bij de meeste gezinnen de naam vermeld van de boerderij waar ze woonden. Dat is helemaal een prachtig hulpmiddel om gezinnen te localiseren, maar helaas hebben de opstellers van de tellinglijsten voor Elspeet deze informatie achterwege gelaten...
[ ^ terug ]

22. De nummering is van mij. Tussen de nummers 44 (Otte Jans' weduwe) t/m 56 (Beerent Hannissen) staan slechts twee huishoudens - op nr. 49 en 50 - die dominee Martinius localiseerde "in 't dorp". Nr. 49 betreft Wouter Aertsen; maar diens "adresgegevens" stammen uit 1738, dus hij kan sindsdien verhuisd zijn. Nr. 50 is Otte Maassen, de molenaar van het dorp.
Naast "Veenhuizen" en "de Hardenberg" (die ik nog niet heb kunnen identificeren) staan in de lijst slechts twee andere adressen "buiten" het dorp. Ten eerste "in de Nagtegaal": daar localiseert de dominee in 1742 en '43 het huishouden van timmerman Beert Jansen (nr. 42). Het kan de naam van een boerderij zijn geweest in Veenhuizen (in 1738 wordt Veenhuizen expliciet als Beert Jansens adres vermeld). Beert Jansen kan overigens in 1748 inmiddels in 't dorp zijn gaan wonen, want zijn vrouw was twee jaar eerder overleden. Het andere adres buiten het dorp is "Kijkover", ruim 3 kilometer zuidwestelijk van Elspeet. Dit adres wordt in 1747 en 1749 vermeld bij Jan Jansen, nr. 2 op de lijst, in 1749 opmerkelijk genoeg in combinatie met "in 't dorp".
[ ^ terug ]

23. De V.V.G. heeft in haar reeks Uitgaven de volgende bronbewerkingen over Elspeet gepubliceerd (online afbeeldingen):
- deel 92: huwelijken Elspeet 1670-1795;
- deel 137 en 145: dopen 1670-1771 resp. 1772-1826;
- deel 161: overlijdens en begrafenissen 1742-1811, en lidmatenboeken kerk 1670-1740 [de bron loopt tot 1771];
- deel 163: gezinsboeken 1670-1826.
Voor al deze bronnen zijn ook registers (indices) beschikbaar. [ ^ terug ]

24. Zie het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). [ ^ terug ]

25. Garderen, naamsaannemingen 1812, aldaar nr. 153 [beschikbaar in FamilySearch]; Garderen, overlijdensakte Derkje Mulder [ongenummerd] d.d. 15-6-1813 [FamilySearch]; Ermelo, overlijdensakte 1834 nr. 45 d.d. 10-10-1834. [ ^ terug ]

26. Voor uitvoeriger toelichting, zie elders. [ ^ terug ]

27. Een ander, wel heel navrant voorbeeld van kindersterfte betreft het gezin van Maria Alida Catharina Groenewegen van Wijk en Johannes Glebbeek (Maria was een nichtje van mijn overgrootvader). In hun gezin overleden eind 1879 binnen een tijdsbestek van twee weken alle vier de kinderen, die toen vijf, drie, twee en één jaar oud waren. Moeder Maria was op dat moment zwanger; in mei 1880 en december 1881 werden nog twee kinderen geboren, die wel de volwassenheid bereikten. Nadat moeder Maria in september 1884 zelf overleed, 31 jaar oud, hertrouwde de vader snel (binnen een jaar) zodat de zorg voor de overgebleven twee kinderen verzekerd was. [ ^ terug ]

28. Het patroniem Klaassen was zeldzaam en al helemaal in combinatie met de voornaam Gerritje. Het zal echter verstandig zijn te verifiëren of er in Ermelo en directe omgeving rond 1760 meer Gerritjes Klaassen geboren zijn. Met dank aan Peter J.R. Vermaat voor zijn transcripties van de dtb-boeken van Ermelo. [ ^ terug ]

29. Een vuistregel is dat de gevoelstemperatuur gelijk is aan de thermometertemperatuur minus 2 × de windkracht in Beaufort. [ ^ terug ]

30. Noord-Holland was in 1855 de provincie die het zwaarst werd getroffen door de cholera, met 1312 doden (op een landelijk totaal van 2980): P.D. 't Hart, Utrecht en de cholera 1832-1910 (Stichtse Historische Reeks, 15) ([Zutphen]: Walburg Pers / [Utrecht]: Stichtse Historische Reeks, 1990) blz. 303. Cholera, waarvan de ziektekiemen hoofdzakelijk via het drinkwater worden verspreid, maakte weliswaar vooral slachtoffers in de zomer en het najaar [ibidem, blz. 58, 302], maar kon ook toeslaan bij langdurige kou [ibidem, blz. 21], bijvoorbeeld op de Russische permafrost [ibidem, blz. 36]. In Monnickendam lijkt hier echter geen sprake van; de sterfte in de winter van 1854/55 was niet buitensporig groot. In de tweede helft van 1855 waren de sterftecijfers in Monnickendam wel uitzonderlijk hoog [FamilySearch overlijdensakten].
Op zoek naar oude kranten die opheldering zouden kunnen geven over de dood van Toontje en haar man, kwam ik terecht bij het Waterlands Archief te Purmerend. Daar worden regionale kranten bewaard, waarvan er slechts één teruggaat tot 1855: het Algemeen Weekblad, dat van 1854 tot 1863 werd uitgegeven te Purmerend. Het is gedigitaliseerd en te raadplegen via internet. Ik heb de nummers van januari t/m maart 1855 doorgenomen, maar daarin geen relevante informatie aangetroffen, anders dan berichten over de strenge winter. Bijvoorbeeld "[D]e buitengewone en langdurige koude heeft ook hier aanleiding gegeven tot werken der barmhartigheid en liefde, die tot navolging openlijk mogen vermeld worden", waaronder een collecte in Purmerland [21-2-1855, blz. 3].
Eind februari, begin maart lag er nog volop ijs: Men deelt ons mede dat maandag j.l. [5 maart?, 26 februari??] een man, met een geladen slede van Wormerveer komende, nabij Amsterdam door het ijs geraakt en verdronken is." [7-3-1855, blz. 3] Het Noord-Hollandsch kanaal was door het ijs bijna drie maanden onbevaarbaar. [28-3-1855, blz. 3]
In maart veroorzaakte kruiend ijs op de Rijn, Maas, Waal en IJssel dijkdoorbraken en ernstige overstromingen: "Amsterdam, 5 Maart. Volgens de laatste berigten uit Arnhem is het rivier-ijs nabij die stad huizen hoog boven den dijk opgekruid en stroomt het water daar met geweld over heen. Voor de bewoners der Betuwe ziet het er zorgwekkend uit. Men moet met kistingen en verbazende inspanning het water keeren. Te Wageningen staat de dijk op het punt van door te breken; ieder is op vlugten bedacht. Te Rhenen is het water 1½ voet boven den dijk gerezen." [7-3-1855, blz. 3] Veenendaal moest worden geëvacueerd.
"Te Dreumel en Lith zijn meer dan 100 huizen weggespoeld en vele menschen verdronken; akelig is het om te zien hoe vrouwen en kinderen door de gaten in de daken der huizen zich moeten redden en te vergeefs naar hulp uitzien. Het land is een veld van water en schotsen ijs. Het ongeluk van Maas en Waal is niet te overzien." Overal hield men collectes voor de slachtoffers. De beroemde Zweedse zangeres Jenny Lind gaf zelfs op 14 maart een benefietconcert te Amsterdam "ten behoeve van onze ongelukkige landgenooten, die door den watersnood van alles beroofd zijn. De kunstenaresse, die zooveel harten betoovert, kon voorzeker geen waardiger gebruik maken van het heerlijk talent dat haar geschonken werd." [14-3-1855, blz. 2-3; 21-3-1855, blz. 2-3] [ ^ terug ]

31. In deze periode zijn vier personen "K. Klein" in Monnickendam bekend:
1. Klaas Klein, geboren 1848, zoon van Neeltje van Deukeren, beroep werkman, grondwerker;
2. Klaas Klein, geboren 1876, zoon van Steffen Klein, beroep timmerman;
3. Klaas Klein, geboren 1884, zoon van Klaas Klein nr. 1, beroep: barbier;
4. Klaas Klein, geboren c.1890, zoon van Gerrit Klein, beroep: visroker.
Het is duidelijk dat de derde Klaas de "coiffeur" moet zijn geweest. [ ^ terug ]

32. J.A. Huisman, 'Nederlandse verwantschapstermen en hun betekenisveranderingen', in: Pieter Stokvis (red.), Geschiedenis van het privéleven. Bronnen en benaderingen (Amsterdam: SUN, 2007) blz. 33-48: aldaar 45. - Huisman geeft nog de volgende details: "de grootvader werd geacht herboren te worden in de (oudste) kleinzoon, die dan ook meestal naar hem werd vernoemd. Evenzo kreeg de oudste kleindochter in de regel de naam van de grootmoeder van moeders kant. Dit oeroude gebruik wordt nog steeds in ere gehouden door de helft van de autochtone Nederlanders." Dat laatste lijkt me een aanvechtbare bewering. Vergis ik mij wanneer ik hier en in het woord 'oeroud" een zweem van romantische wishful thinking proef bij een emeritus hoogleraar Oudgermaanse taal- en letterkunde? [o.c., blz. 506]. [ ^ terug ]

33. Dat de ouders in Amsterdam woonden, staat vermeld in de huwelijksakte van zoon Gerrit Goedhart (Monnickendam 1904); de beide ouders waren bij dat huwelijk persoonlijk aanwezig. Drie jaar later overleed Catharina Christina Maria in Haarlem. In het Amsterdamse Stadsarchief is geen Gezinskaart te vinden op naam van D.J. (of D.) Goedhart; hun gegevens zullen vanwege een verhuizing naar Haarlem zijn overgebracht naar de "Overgenomen Delen" van de Burgerlijke Stand, die momenteel geïndexeerd worden. De huwelijksakte van 1904 bevat trouwens een onzorgvuldigheid: getuige Pieter Klaver was een zwager niet van de bruidegom, maar van de bruid: hij was getrouwd met Neeltje Trapman. [ ^ terug ]

34. Je kunt je zelfs afvragen of Simon zijn naam niet al eens eerder had veranderd, want in het gezin van zijn ouders in Ureterp bij Drachten is geen geboorte van een "Simon" te vinden. Wel werd er in 1802 een Folkert geboren [bron: Tresoar], van wie daarna niets meer wordt vernomen. Was Folkert dezelfde als Simon? Qua leeftijd zou het kloppen, want Simon gaf in 1831 op dat hij toen 28 jaar oud was. [ ^ terug ]

35. Volgens Historisch Klarendal [zie aldaar: Uitgelicht > Militair Hospitaal] werden de twee gebouwen aan weerskanten van de ingangspoort allebei in 1905 gebouwd. Maar J.H. Wingelaar [Ned. Mil. Geneesk. Ts. 66 (2013), blz. 100-104, 131-139: blz. 133-134 (pdf)] vermeldt dat de bouw van het woonhuis rechts pas eind december 1906 werd aanbesteed, dus op zijn vroegst in 1907 werd opgeleverd. Dat de portierswoning werd gebouwd vóór het woonhuis, blijkt ook uit een plattegrond van het Hospitaalterrein (afgebeeld op de genoemde webpagina van Historisch Klarendal): een portierswoning staat daarop al wel, het woonhuis nog niet aangegeven. Merk nog op dat het portiersgebouw qua uiterlijke versieringen (zoals witte stenen banden) aansluit bij het Hoofdgebouw, in tegenstelling tot het woonhuis rechts, dat zulke versieringen mist. Dat suggereert dat portierswoning en woonhuis niet samen zijn gebouwd. Het woonhuis stond geheel binnen het ijzeren hek rond het ziekenhuisterrein, en was dus vermoedelijk, net als de portierswoning, bedoeld voor bepaald hospitaalpersoneel. [ ^ terug ]

36. Met dank aan Jan Willem van Deukeren voor deze suggestie. [ ^ terug ]

37. Gelders Archief > kantoor Nijmegen 1818-1927, toegangnummer. 0034 > inventaris > [+] 1. Register IV [...] > [+] Akten (10/3642 - 10/5977). 1924-1926 > 249. 10/5110 - 10/5789, 1926 > klik op een van de scannetjes die dan verschijnt > de viewer verschijnt; linksboven staat het nummer van de scan op deze film "(xxx / 962)". Je kunt daar het gevraagde scannummer intypen: 393 t/m 397 betreffen Gerrit van Deukeren. [ ^ terug ]

38. De Memorie van Successie verwijst naar een testament van Gerrit, dat op 29 april 1922 was verleden voor notaris Goddard te Zutphen. Behalve voor de drie oudste kinderen van Gerrit, was er ook nog een kindsdeel voor het zoontje van Gerrits overleden dochter Alida. - Het testament zelf heb ik nog niet gezien. [ ^ terug ]

39. Vermoedelijk het familiewapen van Dückher von Hasslau (afbeelding), waarvan ook een fotokopie en (gedeeltelijke) beschrijving waren opgenomen in het pakket papieren dat ik in 2004 anoniem ontving (vergelijk noot). [ ^ terug ]

40. Er bestaan webpagina's met lijsten van vermeende, uiteraarde beroemde, afstammelingen van Karel de Grote, bijvoorbeeld deze (met o.a. (schilder) Peter Paul Rubens, Sir Winston Churchill, ir. Frits Philips, Che Guevara, Remco Campert, tal van Amerikaanse presidenten waaronder George Washington, Jimmy Carter en George Bush (sr. en jr.), prinses Máxima, Edwin de Roy van Zuydewijn, en "de opsteller van deze lijst, Henk Reinders" [met foto!]). Ach ja, ieder zijn lolletje.
Nog curieuzer is de website van Johan Carel van der Lippe. Daarop traceert Van der Lippe zijn voorouders niet alleen tot Karel de Grote (aldaar volgnummer [34.20], in de 34e generatie), maar nog verder, tot de Romeinse keizer Claudius (Tiberius Claudius I Drusus Nero Germanicus Caesar, nummer [60.4]) en diens grootvader de triumvir [62.4] Marcus Antonius (ook bekend als minnaar van Cleopatra), en dan zelfs nog verder tot, in de honderdenderde (sic!) generatie, de bijbelse (???) [103.2] Zedekia en diens dochter [102.3] Tamar (die ca. 1000 v.Chr. geleefd moeten hebben). Verder herbergt Van der Lippe's kwartierstaat natuurlijk ook nog een keur aan andere Keltische, Gotische, Angelsaksische, Lotharingse en andere vorsten. De Katwijker Claes Gerritsz van Duijkeren (geboren rond 1655, hierboven genoemd) is te vinden onder het nummer [1332].
Tip: Linksonder op Van der Lippe's webpagina kun je op naam zoeken ("Duijker(en)"), rechtsonder op generatie (de jongste generaties staan bovenaan en dragen de gebruikelijke nummers in een kwartierstaat: 1, 2-3, 4-7, 8-15, 16-31, 32-63 enz.; vroegere generaties, vanaf de 32ste, hebben nummers van de vorm "n.m", met n het generatienummer en m een volgnummer). Als je in het vak rechtsonder op een naam klikt zie je bovenin een grafische voorstelling van het betreffende stuk stamboom.
Technisch heel fraai, maar zou de informatie echt kloppen? Op het eerste gezicht maakt het een weinig geloofwaardige indruk dat bijvoorbeeld [53.12] Brond van Walland, geboren in 271, trouwde met een vrouw [53.13] die 93 jaar jonger was - en dat schijnt geen typfout te zijn, want haar vader, [48.10] Alaric I van de Westgoten, leefde van 344 tot 410.
En als we het toch over biologische wonderen hebben, even wonderbaarlijk is het dat [61.4] Nero Claudius Germanicus Drusus in het jaar 5, toen hij nog in de luiers lag, want hij was hooguit een paar maanden oud, trouwde met de tienjarige [61.5] Antonia Minor, en dat de pasgehuwden in hetzelfde jaar nog een kind kregen, [60.4] de latere keizer Claudius. [ ^ terug ]

41. Een complicatie is dat er in deze generatie twee vaders onbekend zijn (er waren twee ongehuwde moeders in deze generatie). Het geboortejaar van die vaders is per definitie onbekend. Bij de overige veertien koppels in deze generatie was de man gemiddeld één jaar ouder dan de vrouw. Dit leeftijdverschil is ook aangenomen voor de twee gevallen waar de vader onbekend was. Mochten de vaders aanzienlijk jonger of ouder zijn geweest, dan heeft dat toch nauwelijks invloed op het gemiddelde geboortejaar in deze generatie. Indien bijvoorbeeld beide onbekende vaders gemiddeld zestien jaar ouder waren dan verondersteld, dan wordt het gemiddelde geboortejaar voor deze generatie slechts één jaar vroeger, dus 1799 in plaats van 1800. [ ^ terug ]

42. Historische bevolkingscijfers zijn ontleend aan de volgende bronnen: Colin McEvedy & Richard Jones, Atlas of World Population History (Harmondsworth: Penguin, 1978) met name blz. 18 (Europa), 65 (Nederland), 342 (wereld); U.S. Census Bureau (bevolkingscijfers per land vanaf 1950); B.H. Slicher van Bath, 'De demografische ontwikkeling tijdens de Republiek', in: G.A.M. Beekelaar e.a. (red.), Vaderlands Verleden in Veelvoud (Den Haag: Nijhoff, 1975) blz. 312-336: aldaar blz. 317 (Nederland 1500-1795); Centraal Bureau voor de Statistiek, o.a. de uitgave Tweehonderd jaar statistiek in tijdreeksen 1800-1999 (Voorburg/Heerlen: CBS, 2001) blz. 13-17; E.W. Hofstee, De demografische ontwikkeling van Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw (NIDI/Van Loghum Slaterus, 1978), blz. 190-1 (met name als alternatief voor de CBS-gegevens over 1835-1840, die hoogst onaannemelijk ogen met een bevolkingsdaling van niet minder dan 20% van 1839 op 1840). [ ^ terug ]

43. Drie concrete voorbeelden zijn aanwijsbaar bij mijn voorouders. Bij mijn voorouders De Groot gaan twee afstammingslijnen vermoedelijk terug op dezelfde Dirk de Groot (Ameland, ca.1750). Op een eiland - Ameland - is dat trouwens niet zo verwonderlijk. En in de familie Groenewegen van Wijk komen twee lijnen samen bij ene Wouter Hanegraaff (Werkendam, ca.1580). Maar het meest duidelijke en meest nabije voorbeeld is dat in Monnickendam omstreeks 1750 Jan Lammertsz Rietsnijder en zijn vrouw Trijntje Anthonis van den Bosch de overgrootouders waren van zowel mijn betovergrootvader Jacob van Deukeren (1817-1856) als van diens echtgenote Aaltje Fris (1818-1857). [ ^ terug ]

44. De historicus James Kennedy heeft gezegd dat "ongeveer een op de twee Europeanen een nakomeling van Karel de Grote was" (in het televisieprogramma 'Nederland zingt op zondag' van de Evangelische Omroep; bron: VPRO Gids, 2008/nr.51-52 (20 dec 2008 - 2 jan 2009) blz. 23). Ik weet niet hoe Kennedy aan dat cijfer komt - geschat of door berekening - noch wat hij onder 'Europa' verstaat, maar het verraste mij dat het aandeel niet dichter bij de 99% ligt. In Nederland zal het getal zeker veel hoger zijn. Mogelijk heeft Kennedy geredeneerd dat de helft van de Europeanen in West-Europa woont, waar iedereen van Karel de Grote afstamt, en de andere helft in Oost-Europa, waar men andere voorouders heeft (daar stamt vermoedelijk iedereen af van Wladimir van Kiëv). [ ^ terug ]
 


Opmerkingen

Meer gegevens

  1. Zie ook de alfabetische personenlijst van de Van Deukerens en hun directe familie, met gedetailleerder gegevens en volledige bronvermeldingen.
  2. Geboortejaren zijn in veel gevallen afgeleid uit de leeftijd die aan de Burgerlijke Stand werd opgegeven bij een huwelijk. Dat betekent dat deze jaartallen vaak "circa" zijn, de betreffende persoon kan namelijk ook een jaar eerder geboren zijn.

Bronnen

Welke informatie over vroege leden van de familie Van Deukeren is al op internet beschikbaar? Een middagje zoeken met Google naar "deukeren" leidde binnen een paar uren al tot heel wat resultaten. Bovendien is inmiddels veel informatie uit de bevolkingsregisters digitaal beschikbaar via Genlias (een gulden tip van Peter van Deukeren) en Digitale Bronbewerkingen Nederland en België.
Genlias biedt ook een handige handleiding genealogie voor beginners.

  1. Genlias
  2. Digitale Bronbewerkingen Nederland en België
  3. FamilySearch Record Search
  4. Regionaal Archief Zutphen
  5. Digitale Stamboom
  6. Oude kranten
  7. Google

Aanvullingen en correcties zijn van harte welkom! (op e-mailadres h.vandeukeren [apenstaart] casema.nl)

Zie ook:


Weblinks

Stamboom Gids Logo Stamboom Gids.

(24 februari 2008; laatste wijziging: 25 december 2014)