logo  
Metal Detector finds!  
line decor
  HOME  ::  
line decor
   
 
A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M-N-O-P-Q-R-S-T-U-V-W-X-Y-Z


Bellen.
Bellen hebben een geschiedenis. Reeds in de Romeinse tijd werd het belletje (tintunabulum) toegepast om kwade geesten te weren, een gebruik dat ook daarna nog geruime tijd werd voortgezet. De bel heeft, door zijn vele toepassingsmogelijkheden, de geschiedenis met glans doorstaan en is, vandaag de dag niet weg te denken uit onze samenleving. We onderscheiden twee typen: het gesloten bolvormige type, waarin een kogeltje is opgesloten en het half open type, waarbij het geluid wordt voortgebracht door middel van een klepeltje. Uit dit laatste type ontwikkelt zich een klokvormige bel.Bellen hebben, door het indringende geluid, de eigenschap om aandacht te trekken. Zelfs het geluid van het kleinste belletje blijft niet onopgemerkt. Hoewel iedereen wel een toepassing weet is het minder bekend dat belletjes ook hebben behoord tot kledingaccessoires.  Het zijn o.a. pelgrims, priesters en artiesten geweest die de bel, als onderdeel van een kostuum, in het midden van de 14e eeuw in de mode brachten. Bekend is dat de koning van Engeland, Richard  de 2e, onstreeks 1392 twee gouden belletjes liet maken en deze aan een gordel droeg. Een afbeelding op een wandkleed uit Duitsland uit 1385 laat zien dat beide typen gelijktijdig worden gedragen.

Bandeliersluitingen. 1 - 2 - 3 - 4 - 5
Bandeliersluitingen maken onderdeel uit van smalle, vaak laaghangende gordels op het wambuis. Een complete sluiting bestaat uit twee( geornamenteerde ) beslagplaatjes die, d.m.v. platte klemplaatjes en stiftjes aan de uiteinde van de gordel worden bevestigd. Het middenornament waaraan beide beslagplaatjes gehaakt worden, komt in een aantal variaties voor. Soms betreft het een driepas, al dan niet voorzien van een lelie, of een s-vormig slangetje. Bandeliersluitingen in deze vorm komen met zekerheid vanaf de laatste kwart van de 16e eeuw voor en blijven tot ver in de 17e eeuw in de mode. Tijdens de Napoleontische periode grijpt men voor de militaire gordelsluitingen terug op dit systeem. De beslagplaten zijn dan vaak beugels geworden, maar de slang blijft als middenornament aanwezig.

Beslag. 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10
Vrijwel vanaf het moment dat men de gordel ontdekte heeft men de behoefte gehad om deze, om praktische of decoratieve redenen, te verfraaien met beslagstukken. Reeds in de Romeinse tijd zien we meerdere beslagplaatjes aan de gordel, al dan niet met draagringen. Helaas is niet altijd duidelijk vast te stellen of bepaalde beslagstukken hebben gediend aan de gordel of dat ze zijn gebruikt voor het beslaan van b.v. paardetuig. Het beslag kan op verschillende manieren zijn aangebracht. Zo zijn er Romeinse beslagstukken bekend die om de gordel werden geschoven en daarna met één nagel vastgeklonken. Gedurende de Vroege Middeleeuwen ziet men meer plaatvormige beslagstukken die aan de buitenkant van de gordel worden aangebracht en vastgeklonken met twee of meer nagels. In de Late Middeleeuwen wordt het beslag doorgaans kleiner en kent het een diversiteit aan vormen en versieringen. Bronzen beslagstukken uit die periode bezitten vaak nog resten van goudvergulding. Massief zilveren beslagstukken uit die periode zijn ook wel bekend, maar blijven schaars. Vanaf ongeveer de 15e eeuw worden de bevestigingspinnen, op de achterzijde van de beslagstukken, gelijktijdig meegegoten. De pinnen worden dan door het leer geprikt en aan de achterzijde, naar elkaar toe omgeslagen. Gedurende de 16e en 18e eeuw blijft men dit toepassen. Vanaf het einde van de 18e eeuw zien we steeds meer  meegegoten of gelaste oogjes op de achterzijde verschijnen. In het leer worden dan gaatjes gemaakt , en het oogje er doorheen gehaald. Het voordeel van deze constructie is dat men het beslag eenvoudig kan verwisselen. Ook het paardebeslag volgt deze ontwikkeling.

Bestek.

Bikkels. 1 - 2 - 3 - 4 - 5
Het bikkelspel is een behendigheidsspel dat tot in de 16e eeuw hoofdzakelijk door volwassenen werd gespeeld. De bikkels werden vervaardigd uit slachtafval (hielbeenderen van schapen en geiten). Later worden ze ook van metaal gemaakt, maar ze behouden hun traditionele vorm. Een bikkel kent vier zijden en elke zijde heeft en specifiek kenmerk waaraan de benaming is ontleend. De zijde waarin een kuiltje zit noemt men "keerke of kuiltje", de enige gladde zijde wordt "stonderke of staander" genoemd. De bolle kant heeft de benaming "rugge of stoofke" en de zijde met de s-vorm erin noemt men "eske of essel"De meeste bikkels zijn gemaakt van messing of tin, maar komen ook wel in brons of lood voor. Omdat het bikkelspel nog in het begin van de 20e eeuw werd gespeeld , is het moeilijk deze vondsten te dateren.

Boeksluiting.
Om kostbare boeken te beschermen werden ze voorzien van boekbanden, waardoor ook de boeksluiting en het boekbeslag zijn intrede deden. Het beslag diende er ter bescherming van de hoeken van de boekbanden en had tevens een decoratieve functie. De sluiting werd gebruikt, om het vormen van stofconcentraties tussen de pagina’s zo veel mogelijk tegen te gaan. Het meest voorkomende model van de slothaak en de muiter is een rechthoek. De slothaak was aan de ene zijde voorzien van een haak en vormde aan de andere zijde een verbreding. Dit was een soort van vissenstaart met daaraan een bevestigingstong, die dan weer werd vastgeklonken aan een leertje van de boekband. De haak van de slothaak werd bij het sluiten van het boek om de uiteinde van de muiter geklemd. Voor zowel de slothaken, muiters, hoekbeschermers en het centraal-stuk geldt dat deze gegoten of handmatig (geknipt) gemaakt kunnen zijn. De boeksluitingen en beslagstukken die zijn gemaakt van koper / messing dateren vanaf ongeveer 1450. De meeste dateren na 1500 en zijn bijna altijd versierd met simpele lineaire graveringen en/of concentrische cirkels, veren, vierkantjes, ruitpatroon e.d.

Fibulae. ( Mantelspeld )
De fibula of mantelspeld is een tweedelig bronzen gebruiksvoorwerp, met gaatje en pen. Ze was handig om mantels en andere kledingstukken op de schouder te bevestigen. Romeinse vrouwen droegen een stola boven hun tunica. Deze stola werd vastgebonden met een fibula. Het is dus de voorloper van de sluitspeld of knoop. Het eenvoudigste kledingstuk was de rechte lap die om de middel werd gewikkeld. Later ging men een tweede lap om de schouders draperen. Zo ontstond de kleding van de Egyptenaren, Sumeriërs, Assyriërs, Grieken en Romeinen, waarbij de siergesp of fibula de lappen aan elkaar hield. Zij zagen gedrapeerde kleding als een kenmerk van de beschaving. In verschillende gebieden van Europa zijn fibulae gevonden; de oudste dateren uit 800 voor Christus.

Fluitjes. 1 - 2 - 3 - 4 - 5
In het algemeen rangschikt men de fluitjes onder kinderspeelgoed. De eerste fluitjes werden gemaakt van pijpbotjes van de wat grotere vogels, zoals ganzen en eenden. Dit materiaal leent zich prima, vanwege vorm en stevigheid voor dit doel. Hout natuurlijk ook. Het metalen fluitje komt met zekerheid al in de 14e eeuw voor. Waarschijnlijk volgen ze de uit klei gebakken fluitjes uit de 13e en 14e eeuw op. Het meest gebruikte materiaal is dan tin. In de late 14e eeuw komen bijzonder mooie tinnen vogelfluitjes voor. Sommige zijn zelfs met vleugeltjes uitgevoerd. Vogelfluitjes werden destijds gebruikt om vogels mee te lokken. In de 15e en 16e eeuw komen ook zilveren voor. De loden fluitjes zijn van een latere datum. Ze zijn eenvoudig te maken door een loden pijpje aan de ene kant dicht te slaan  en er een gaatje in te maken. Vanaf de 19e en 20e eeuw komen de fabrieksmatige fluitjes in omloop, maar zijn doorgaans slecht afgewerkt. Ze zijn voorzien van een meegegoten draadoogje.

Gespen. 1 - 2 - 3 - 4 - 5
Metalen gespen komen in Nederland sedert de Romeinse tijd voor. Er zijn Romeinse gespen bekend die vrijwel niet te onderscheiden zijn van exemplaren uit de 16e eeuw. Dit betekent dat functionele vormen lange tijd ongewijzigd bleven. In de 14e eeuw treffen we hoofdzakelijk gespen aan met een vierkante, ronde  of een D-vormige beugel zonder tussenstijl. De angel loopt hierbij over de gehele breedte. In de 15e eeuw doet  de tussenstijl zijn intrede en zal daarna lange tijd het beeld blijven bepalen. Aanvankelijk zien we de tussenstijl eerst bij de vierkante en ronde beugels verschijnen waarna, in het midden van de 15e eeuw, een nieuwe vorm, de dubbel ovaal opgang maakt. De ronde beugel met tussenstijl raakt dan snel uit de mode. De beide andere vormen blijven, met kleine nuances, tot het einde van de 17e eeuw in gebruik. Als de gesp vanaf de 17e eeuw een vast modieus onderdeel gaat uitmaken van schoeisel worden talloze variaties op de bekende vormen vervaardigd. Het meest gebruikte metaal is dan messing. Hoewel we in deze periode ook tinnen gespen aantreffen, zal de produktie hiervan pas echt opgang komen als de losse tussenstijl wordt geïntroduceerd. De zeer aan slijtage onderhevige tussenstijl wordt dan van ijzer vervaardigd. Aan het einde van de 17e eeuwtot in het laatste kwart van de 18e eeuw, zien we overwegend grote, fraai geornamenteerde gespen. Daarna komen de kleinere typen weer in zwang. Ook komt dan de schoenveter in de mode. Gespen worden doorgaans gerangschikt onder kleding-accessoires. Zij vinden hun toepassing behalve aan de gordel echter ook op ruitersporen, schoeisel, beurstassen,wapenuitrustingen en paardetuig.De vele toepassingsmogelijkheden maken een determinatie erg moeilijk en zeker als de gespen niet compleet zijn,
wat bij vondstexemplaren meestal het geval is. Gespen komen in vrijwel elke metaalsoort voor: ijzer, lood, nikkel, tin, messing, brons, zilver en goud. Soms werd een combinatie van metaalsoorten gebruikt. Verder zijn er gespen van been en hout bekend. Een gesp bestaat uit minstens twee onderdelen, een beugel en een angel. Vaak komt daar nog een tussenstijl of een beslagplaat bij. Bij schoengespen treffen we vaak een scharnierende beugel met haakpunten of vleugels aan. In een aantal gevallen is op de beugel een angelrust herkenbaar. Sommige gespen hebben een cilindervormige huls om de beugel. Deze dient om het aantrekken van de riem te vergemakkelijken

Gewichten.
In de loop der eeuwen zijn er tal van gewichten vervaardigd, die tegenwoordig door het gebruik van de metaaldetector vaak worden terug gevonden.  Veel gevonden gewichten zijn, loden blokgewichten, knopgewichten, pijlgewichten en muntgewichten. 

Blokgewichten.
De oudste gewichten zijn voornamelijk van lood gemaakt. Lood is gemakkelijk te smelten en in een vorm te gieten; het aanbrengen van merken vergt niet zoveel moeite. Tijdens het gebruik heeft lood de neiging om op te krullen; het materiaal is meegaand. Slijtage is niet uitgesloten maar lood werd dan ook vooral gebruikt door 'de gewone man' voor het wegen op een evenaar. Vanaf 1820 zijn gewichten, die geheel van lood zijn gemaakt, in Nederland verboden. 

Pijl of Sluitgewicht.
Een pijl of sluitgewicht bestaat uit een aantal in elkaar passende koperen of messing bakjes. Ieder bakje weegt precies de helft als het bakje waar het in past en deze passen precies in elkaar. Van elk pijlgewicht is er dus maar één. Pijlgewichten werden in de middeleeuwen gebruikt om munten te wegen. Ze kunnen verschillende afmetingen hebben, afhankelijk van de hoeveelheid bakjes en waar ze voor gebruikt werden. Door verschillende bakjes met elkaar te combineren kan men nagenoeg elke massa bereiken. Elk onderdeel is voorzien van een watermerk. Neurenberg is lange tijd toonaangevend geweest voor de produktie van pijlgewichten.

Knopgewichten.
Na de invoering van het metrieke stelsel werd de knopvorm voor messing gewichten verplicht gesteld. Ook de verdere vormgeving is beperkt gebleven tot enkele typen. Gewichten kregen een recht-cylindrische vorm, waarbij de diameter gelijk was aan de hoogte. Deze vorm werd in 1912 verplicht gesteld. Vroege knopgewichten werden op willekeurige plaatsen gejusteerd. De vormvoorbeelden van 1870 lieten in het grondvlak een centrale justeerholte zien. De gewichtsaanduiding op knopgewichten werd in het begin aangegeven met Korrel (= 0,1 g), NW (= gram, Ned. Wichtje), NL, Ned. Lood (= 10 g), Ned. Ons, Ned. Once (= 100 g), Ned. Pond, Ned. Pond Kil (= 1 kg) . In 1836 werden in het onafhankelijke geworden België de benamingen kilogram, hectogram, decagram en gram ingevoerd. Nederland volgde deze benamingen in 1870. In 1912 mocht in Nederland op een gewicht van 100 gram, de naam 'ons' worden aangegeven. In 1941 dienden alle gewichtsaanduidingen in grammen of kilogrammen te worden vermeld.

Gordelsluiting.
Nauw verwant aan de bandeliersluiting is de gordelsluiting. Behalve d.m.v. gespen kon men de gordel ook sluiten met riemtongen, die voorzien waren van haken. De riemtongen werden in een middenornament, , dat meestal drie gaten bezit, vastgehaakt. Aan het grootste gat kon men bovendien nog een beugeltas of iets dergelijks bevestigen.

Hondenpenning.

Horlogesleuteltjes.
Horlogesleuteltjes werden niet alleen gebruikt voor het opwinden van het uurwerk, maar ook voor het verzetten van de wijzers. Het zijn soms kunstzinnig vervaardigde hulpmiddelen. De oorspronkelijke sleuteltjes, die bij een uurwerk geleverd werden, vertonen vaak de zelfde karakteristieken als de kast van een uurwerk. Vaak is het oorspronkelijke sleuteltje verloren gegaan of onbruikbaar geworden door slijtage. In zo'n geval kon men een nieuw standaard sleuteltje bij de horloge maker of juwelier kopen. Tot de oude sleuteltjes behoren de zwengelsleuteltjes, ze hebben de vorm van een miniatuur boorzwengel. Ze komen waarschijnlijk al in de late 16e eeuw voor en blijven tot het midden van de 18e eeuw in gebruik. Sleuteltjes met een muntvormig handgreepje zijn te dateren rond 1700. Tegen het einde van de 18e eeuw zien we overwegend sleuteltjes met een rechtvormig blad, vaak versierd met mythologische voorstellingen. Interessant zijn ook de stervormige  universeelsleuteltjes, ook wel horlogemakersleuteltje genoemd. Zij hebben vier tot zeven verschillende openingen en passen daardoor vrijwel op elke horloge. Zij vinden hun hoogtepunt waarschijnlijk tussen 1750 en 1850. Horlogesleuteltjes zijn vrijwel altijd gegoten en meestal van messing of koper. Ook komen wel zilveren en in mindere mate gouden sleuteltjes voor.

Kledinghaken
1
- 2 - 3 - 4 - 5- 6 - 7 - 8
Kleding en mantelhaken vinden hun toepassing voornamelijk in de 16e en 17e eeuw en zijn gemaakt van messing of koper. Het haakje werd door de stof heen geprikt waardoor je kleding gesloten was. Kledinghaken zijn meestal gegoten en op de voorzijde zijn verschillende ornamenten aangebracht. De eenvoudigste kledinghaakjes zijn gewoon van koperdraad en komen al vanaf de 15e eeuw voor.

Kleipijpen.
In Nederland begon men in de vroege 17e eeuw kleipijpen te vervaardigen.Aanvangkelijk werd dit gedaan door de in Nederland wonende vluchtelingen uit Engeland. De eerste kleipijpen werden gebakken in pottenbakkersovens, soms zien we op kleipijpen nog resten lekglazuur afkomstig van de oorspronkelijke ovenvulling. Kleipijpen werden gebakken van rood of witbakkende klei bij een temperatuur van 1000 graden. De pijp wordt gemaakt in een mal van ijzer of messing, deze wordt volgestopt met klei, waarna de ketel en het rookkanaal worden vrijgemaakt. Nadat de pijp uit de mal is gehaald, wordt deze voor het bakken nog eerst gedroogd. Elk deel van de pijp heeft een benaming. De pijpenindustrie heeft verdeeld over heel Nederland plaatsgevonden. In verschillende steden werden speciale gilden opgericht. Gorinchem had als eerste een Gilde, dat was in 1656. Hoewel Gouda al in 1641 had geprobeerd een gilde op te richten werd dit pas in 1660 gerealiseerd. Schoonhoven sluit de rij met een gilde uit 1767. Deze heeft echter maar kort bestaan. In de Franse tijd zijn alle gilden afgeschaft en veel archieven verbrand. Dit is jammer want daardoor is er veel informatie verloren gegaan, en kunnen veel pijpemakers niet meer achterhaald worden.

Knopen. 1 - 2 - 3
De knoop is de meest gebruikte kledingsluiting. Aanvankelijk werden de knopen gemaakt door de knopenmaker. Een eerste vermelding hiervan komen we rond 1250 tegen. Terwijl kledingstukken nog met banden, koorden, riemen, haken en spelden bij elkaar werden gehouden kwamen op hetzelfde kostuum ook knopen voor. Zij hadden echter allen een decoratieve functie. De knoop droeg, hoe gek het nu misschien ook klinkt, bij tot de status van de drager. In het begin werd het de lagere beroepsbevolking zelfs verboden om metalen knopen te dragen. De eerste knopen met een functionelebetekenis zien we op de wambuis verschijnen. In veel gevallen gaat het dan om, uit een plak bot, gedraaide knopen. Er wordt nog vrij regelmatig knopenmakersafval gevonden in de vorm van plakjes bot, waaruit knopen zijn gedraaid. De gedraaide schijfjes bot konden als knoop dienen, of slechts als de kern van een knoop. In het laaste geval werd er om de kern draad gevlochten, al dan niet in een bepaald patroon.
In de loop van de 15e eeuw zien we steeds vaker metalen knopen verschijnen. Vaak zijn deze van tin of messing, maar ook komt nikkel in gebruik. De tinnen en messing knopen zijn doorgaans half bol-of schotelvormig en dragen Gotische letters, portretten of diervormen. Ook komen wel bolvormige typen met uiteenlopende versieringen voor. De nikkelen knopen zijn overwegend diamantvormig. In de derde kwart van de 16e eeuw komen grotere knopen in de mode. De platte bovenkant, zoals we die bij eerdere types aantroffen, verplaatst zich nu naar de onderzijde, waardoor we eigenlijk de omgekeerde vormen zien. De versieringen lopen zeer uiteen: blad, bloem, ranken, raster, dambord en pseudo-garentypes. Ook komen, in mindere mate, leeuwenkoppen, portretten en dierenfiguren voor. De bevestigingoogjes, aan de onderzijde, variëren van doorboorde platte staafjes tot secundair aangebrachte draadoogjes. Ook komen knopen van glas voor. Vanaf ca. 1625 verdwijnt het staafoog en maakt plaats voor meegegoten ronde oogjes. Het draadoog blijft, vooral op tinnen knopen, voortbestaan. In deze periode worden de knoopjes, onder invloed van de mode, in het algemeen wat kleiner. Ze worden soms in twee rijen op de kleding gedragen, waarbij het decoratieve karakter opnieuw opgang doet. De versiering op de knopen is soms onderhevig aan plotselinge veranderingen. Zo zien we op de knopen uit de vroege 17e eeuw opeens tulpen verschijnen. Dit was een geliefd motief in die periode, waarin de tulp bijzonder hoog in aanzien stond en vrijwel iedereen bezighield vanwege de gigantische die daarmee gemoeid gingen.In de 18e eeuw worden knopen langzamerhand weer wat groter. Er komt tevens verandering in de produktie. Vanaf het midden van de 18e eeuw werden ze m.b.v. een kortstelige hamer en m.b.v. stempels geslagen. Deze knopen werden aanvankelijk nog van een houten of benen kern voorzien. Ook komen er massief gegoten, muntvormige knopen voor die vaak kunstig zijn gegraveerd. In de 19e eeuw bestaat de knoop meestal uit twee samengeperste delen, een methode die we ook nu nog aantreffen. Als men uiteindelijk kunststof ontdekt wordt de metalen knoop voor civiel gebruik al snel verdrongen. Voor uniformknopen blijft men overwegend metaal gebruiken.

Kogels.
Er gaat bijna geen zoekdag voorbij of er bevindt zich wel een musket kogel onder de vondsten.De term Musketkogel moet echter meestal gezien worden als een algemene aanduiding voor een loden kogelvormig projectiel. Ondanks dat deze loden proppen in zulke grote aantallen gevonden worden komen ze helaas maar weinig voor in verzamelingen, ze belanden meestal direct in de afvalbak. Toch horen ze, al was het maar om de grote variëteit, in elke vitrinekast. Voor het gebruik van handvuurwapens werden kogels vrijwel altijd van lood gemaakt. Kogels van ijzer en graniet kunnen vrijwel altijd aan artilleriewapens, zoals kanonnen worden toegeschreven. Hieronder verstaan we ook het huiskanon, dat door veel adelijke families  als verdedigingswapen werd gebruikt. In een aantal gevallen zien we dat er ook ander materiaal aan het lood werd toegevoegd, zoals schrootijzer. Ook zijn enke kogels bekend van steen bekleed met lood. 

Voor determinatie van loden kogels moeten we echter naar het kaliber kijken, en kunnen we spreken van een licht of zwaar geweer. Lichte geweren rekenen we alle ronde kogels met een kaliber tussen 13 mm en 15 mm. Voor zware geweren , zoals musketten, werd een groter kaliber gebruikt. Maar ook hier bestaat veel variatie in. Alle kogels met een kaliber van 17 tot 20 mm  rekenen we tot de musketkogels. Het licht voor de hand om te veronderstellen dat er altijd strijd moet zijn geleverd op plaatsen waar we dergelijke kogels vinden, maar is niet altijd waar! Vroeger was het bezit van vuurwapens heel gewoon. Ongetwijfeld heeft toen menigeen zich bekwaamd in het schieten door veel te oefenen. Overal kende men schutterijen. Er werden ook vuurwapens voor de jacht gebruikt. Bij grotere vondsten van zwaar kaliber kogels, zou men strijd geleverd kunnen hebben.

Kneppel-of Stangkogel:
Dit zijn twee kogels die doormiddel van een stangetje aan elkaar verbonden zijn. Na het afvuren raakte dit projectiel uit balans en baande zich al tollende een weg naar zijn doel, waar het extra vernietigend zijn werk doet. Er zijn ook kanonkogels van dit principe gemaakt. De vroegste vermelding hiervan dateert uit 1588.

Hoewel de ronde loden kogel nog tot aan het begin van de 19e eeuw in gebruik bleef, zocht men doorlopend naar verbeteringen. In de 19e eeuw neemt het aantal pistolen en geweren onder de burgerbevolking snel af. Toch zien we vanaf dat moment steeds meer nieuwe vormen verschijnen die nog steeds voor voorladers waren. Het zijn aanvangkelijk afgeplatte loden cilinders met twee of drie ribben, daardoor was het eenvoudiger om de loodprop  stevig en goed sluitend in de loop te stampen. Een andere categorie loden kogels is aan de achterzijde  voorzien van een holte, hetgeen zou kunnen betekenen dat ze voor achterladers bestemd waren. Ze hebben een afgeronde en spits toelopende punt. De lange smalle kogel heeft een lengte van 21mm(kaliber 8mm). Bij de laatste loden kogel moet opgemerkt worden dat deze is voorzien van een koperen kop. De datering van deze laatste modellen zal in de late 19e en vroege 20e eeuw zijn.

Koppelpassanten. 1 - 2 - 3 - 4 - 5
Om het riemeinde strak tegen de gordel te houden maakte men gebruik van koppelpassanten. De vorm van deze koppelpassanten loopt sterk uiteen en kan variëren van een eenvoudig rechthoekig gebogen plaatje metaal tot een gespvormige beugel met aanhechtingsoog. De koppelpassant kan eenvoudig op de gordel worden geschoven en is, ook na bevestiging, vrij over de gordel te verschuiven. Het aanhechtingsoog dient voor de bevestiging van allerlei zaken, zoals bijvoorbeeld dolken en degens. Voor de bevestiging van beugeltassen, sleutelhangers werden ook wel speciale riemhangers gebrtuikt.

Kranen en Tappen.
Het gebruik van kranen en tappen gaat ver terug in de geschiedenis. Hoewel in een publicatie over Romeinse vondsten reeds een kraan met tap uit brons wordt afgebeeld zal dit, mits juist gedetermineerd, toch een uitzondering blijven. Tot in de vijftiende eeuw vinden we doorgaans tappen en kranen van hout. De samengestelde kraan met tap diende oorspronkelijk voor het tappen van in vaten opgeslagen drank, zoals bier en wijn. Later vinden zij, in kleinere uitvoering ook hun toepassing  op kraantjeskannen voor koffie en thee. De handgrepen van de messing en bronzen kranen zijn meestal versierd. De vroeg achttiende eeuwse kranen zijn vaak voorzien van een dierenornamentiek, b.v. vogels en dolfijnen. Kranen laat 18e en 19e eeuws tonen tal van andere versieringen.Ook de tap is geleidelijk aan veranderingen onderhevig. Exemplaren uit de 16e en vroege 17e eeuw bezitten meestal een sterk gestileerde dierenkop. Langzamerhand krijgt deze kop meer vorm om dan uiteindelijk, vanaf ongeveer het midden van de 18e eeuw, plaats te maken voor een onversierde en meer gebogen vorm. De schacht voor de kraan wordt vanaf het einde van 17e eeuw voorzien van een opstaand schotje. Als het stiftje van de kraan tegen dit schotje vastloopt, is de kraan afgesloten.

Lakenlood.
Wanneer het lakenlood zijn intrede doet is nog niet bekend. Het oudst in Nederland gevonden lakenlood dateert uit de 15e eeuw. Uit Engeland zijn stempels bekend uit de late 13e of 14e eeuw, die gebruikt zijn voor het zegelen van kledingstof. Het loden van textiel was een serieuze aangelegenheid. Om de, voor de handel zo belangrijke kwaliteit te waarborgen, werd door waardijns, die jaarlijks uit de drapeniers werden gekozen, controle op de gehele produktieproces uitgeoefend. De keuringen begonnen reeds bij het scheiden van de geïnporteerde wol. Daarna werd gedurende het hele produktieproces, na elke bewerking, opnieuw een keuring verricht. Als bewijs van zo'n keuring werd ook telkens een lood aangebracht totdat uiteindelijk het "eindlood" werd bevestigd. Vanaf de late 16e eeuw werden vaak meerdere eindloden aangebracht. Behalve een controlefunctie hadden de loden ook een betekenisvolle handelsfunctie. Een lakenkoper ontwierp als eerste de verzameling lakenloden aan een inspectie, waardoor hij zich een goed beeld kon vormen van de kwaliteit. Een lakenverkoper zorgde ervoor dat de korte zijde van een laken, waaraan de loden hingen, tot het laatst bewaard bleef. Zo kon hij de laatste koper ervan overtuigen m.b.t. de kwaliteit. De wever bracht als eerste een lakenlood aan. Het gaat hier om een zogenaamd pijplood,  een langwerpig loodje dat om een paar draden werd geklemd, terwijl het laken nog op het getouw stond. De prenter, een knecht van de waardijns, brachtdan met een tang een prentersmerk aan. Daarna werd het geweven laken ter keuring naar de looijhal gebracht. Hierbij werden de merktekens van de wever en de drapenier dichtgeknoopt, waardoor een onpartijdig oordeel werd gegarandeerd. De waardijs brachten na de keuring een lood aan , vaak voorzien van een stadswapen, waarin met losse kloppen soms opmerkingen werden geslagen. Ook de lengte werden naukeurig gemeten en op het lood aangegeven. Daarna verliet het laken de looijhal weer voor een verdere bewerking door de deelbewerkers, zoals noppers, ververs, vollers, ruwers en scheerders, die telkens hun eigen lood op het op het laken aanbrachten. Het merendeel van de lakenloden bestaat uit twee platte schijven lood, verbonden d.m.v. een lipje. Één schijf bezit een pin die door de stof gedrukt wordt en tijdens het buigen in het pinnegat van de contra-schijf valt, waarna het wordt samengeperst. Dit type lood treffen we de gehele periode aan. Latere typen, waarschijnlijk gebruikt vanaf de late 16e eeuw kunnen vier schijven bezitten.

Mantelhaken.
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14

Mantelspeld. (Fibulae)
De fibula of mantelspeld is een tweedelig bronzen gebruiksvoorwerp, met gaatje en pen. Ze was handig om mantels en andere kledingstukken op de schouder te bevestigen. Romeinse vrouwen droegen een stola boven hun tunica. Deze stola werd vastgebonden met een fibula. Het is dus de voorloper van de sluitspeld of knoop. Het eenvoudigste kledingstuk was de rechte lap die om de middel werd gewikkeld. Later ging men een tweede lap om de schouders draperen. Zo ontstond de kleding van de Egyptenaren, Sumeriërs, Assyriërs, Grieken en Romeinen, waarbij de siergesp of fibula de lappen aan elkaar hield. Zij zagen gedrapeerde kleding als een kenmerk van de beschaving. In verschillende gebieden van Europa zijn fibulae gevonden; de oudste dateren uit 800 voor Christus.

Mondharp.
De mondharp is, hoewel eenvoudig en klein, toch een echt muziekinstrument. In Nederland werd het instrument tot in deze eeuw “tromp” genoemd. Een mondharp bestaat uit een stevige metalen beugel (een oog met twee tanden) met, in het midden, een dun flexibel trilijzer (tongetje, haak, veertje of krul). Het trilijzer wordt aan de boog gelast. Het wordt bespeeld door de benen van de mondharp evenwijdig aan de lippen op de tanden te drukken, zodanig dat het trilijzer vrij kan bewegen. Door met de vinger het trilijzer te beroeren, ontstaat er een grondtoon. De mondholte fungeert daarbij als klankkast. Verandering van de vorm van de mondholte, door deze te verkleinen of te vergroten, leidt tot toonverandering.

Munten.
Munten worden het meest gevonden met de metaaldetector. Ze worden vooral op akkers en maisveldjes gevonden. Het gaat hierbij om vooral oude koperen munten, duiten en centen maar soms ook wel een zilver muntje. Een Romeinse munt behoort natuurlijk ook tot de mogelijkheden. De kwaliteit van deze munten is vaak erg slecht en sterk afhankelijk van de grondsoort waarin ze gevonden worden. Duiten die in zand of kleigrond gevonden worden zijn vaak van een betere kwaliteit dan duiten die uit andere grond komen, afhankelijk van de hoeveelheid mest die de boer gebruikt op zijn land. De zuren tasten de koperen munten n.l. erg aan. De eerste duiten dateren uit de 16e eeuw en de laatste duiten werden gemaakt eind 18e eeuw.

Muntgewichten.
Het wegen van munten was heel gebruikelijk. Anders dan tegenwoordig het geval is, kon men vroeger ook gewoon met buitenlands geld betalen. Vergelijkbaar met de Euro nu. De waarde van de munt werd immers bepaald door de massa van het edelmetaal. Met een soort tariefboekje kon men de waarde van de verschillende munten aflezen. Munten werden vroeger uit een plaatje metaal geknipt en op het voorgeschreven gewicht gebracht. Daarna werd het stukje metaal van een muntstempel voorzien. Het is duidelijk dat daardoor niet alle munten even rond werden. Slimme lieden hadden ontdekt dat je er eenvoudig een strookje eraf kon snijden en de munt daarna gewoon weer in omloop kon brengen. Dit was moeilijk te zien, vooral als het om buitenlandse munten ging, die sommige handelaren slechts van een plaatje uit het tariefboekje kenden. Op deze wijze had je, als je dat bij veel munten deed, een aardige 'bijverdienste' door alle gesneden stukjes tot een bonkje edelmetaal om te smelten en te verkopen. Muntgewichtjes zijn doorgaans kleine vierkante blokjes messing, voorzien van een gestempelde afbeelding waarvan men kan zien voor welke munt het gewichtje is bedoeld. Vroege Nederlandse muntgewichtjes kunnen ook rond van vorm zijn. Op de keerzijde van de meeste muntgewichtjes staat een merkteken van de maker. Handelaren droegen de verschillende gewichtjes bij zich in een houten kistje. Hierin was ook het balansje opgeborgen.

Reutelaar.

Religieuze beeldjes.
1 - 2

Riemhanger.
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10

Riembeslag.
1 - 2 - 3 - 4 - 5

Gordelclip.
1 - 2 - 3 - 4 - 5

Riemtong.
Een riemtong is het metalen beslag, dat dikwijls aan het eind van een leren gordel is aangebracht. Om het einde van de riem tegen uitrafelen te beschermen en om een gemakkelijke doorvoer van de riem door de gespbeugel te bevorderen, werd vaak een riemtong aangebracht op het uiteinde van het leer. Het leer werd tussen de riemtong geklemd en met een klinknageltje of een stiftje aan het leer bevestigd. Gedurende de gehele middeleeuwen zijn riemtongen in gebruik geweest. De variatie in vorm, grootte en versiering is enorm. Samen met gesp en (eventuele) beslagplaatjes, behoort de riemtong tot de modegevoelige, decoratieve elementen van een gordelgarnituur, waarbij, zeker bij luxere varianten, representativiteit belangrijk is. Deze ontwikkeling bereikte een hoogtepunt in de tweede helft van de 14e eeuw, toen deze elementen steeds smaller en langer werden en rijker waren versierd.

Rijwielbelastingplaatjes.

Sleutels.

Sleutelhanger.

Snorrebot.
Het gevonden snorrebot is als kinderspeelgoed te beschouwen en bestaat uit een rond stukje lood dat een doorsnede heeft van 3,4 cm en slechts enkele millimeters dik is. Het loden schijfje, dat grof is afgewerkt, heeft een gekartelde rand en is voorzien van twee centraal aangebrachte gaatjes. Het snorrebot wordt op een touw geregen en tussen beide handen gespannen en rondgedraaid, waardoor het touw zichzelf twijnt. Door regelmatig uittrekken van het touw gaat het snorrebot snel om en om ronddraaien. De aangebrachte karteltjes aan de rand van het snorrebot zorgen voor een sterk zoemend en snorrend geluid.

Tapkranen.

Vingerhoed en Naairing.
In bijna ieder gezin werden vroeger vingerhoeden gebruikt om de vingers bij het naaien tegen de druk van de naald te beschermen. In de zeventiende en achttiende eeuw werden ze in grote hoeveelheden in ons land gemaakt voor binnenlands gebruik, als voor export. Vingerhoeden worden veel gevonden door de detectoramateurs.We kunnen vingerhoeden in twee soorten verdelen. De ene heeft een gesloten top, de gewone vingerhoed, de andere is van boven open en wordt daarom naairing, soms ook wel duimring genoemd. Naairingen werden vooral door kleermakers gebruikt, maar ook door leerbewerkers, stoffeerders, schoenmakers en zadelmakers. Je raad het al, voor zwaar werk dus!   De oudst gevonden vingerhoeden dateren uit begin veertiende eeuw. Deze werden gegoten en waren vrij zwaar. Gegoten vingerhoeden zijn veel gevonden in Nederland, België, Duitsland Frankrijk en Engeland.Gehamerde vingerhoeden komen halverwege de vijftiende eeuw voor tot 1550. Deze waren lichter dan dan de gegoten exemplaren. Bij het hameren ging men uit van een dun rond koper plaatje.Door het bijvoorbeeld tegen een richel aan te houden en op de juiste plaatsen te kloppen werd de rand geleidelijk omgebogen. Dit vervormen moest stapsgewijs gebeuren anders kon het materiaal scheuren.Als de uiteindelijke vingerhoedvorm klaar was, werd overtollig materiaal weggeknipt en konden daarna de putjes worden aangebracht. In die periode ging dit nog allemaal met de hand..In de zeventiende en achttiende eeuw werd d.m.v. een wielstempel de vingerhoeden voorzien van putjes, een hele verbetering.Vingerhoeden komen in allerlei sierlijke vormen en materialen voor. De mooiste vinden we in de 19e eeuw, er worden zelfs gouden en zilveren gemaakt.

Zegelstempels.
Vanaf de vroege dertiende eeuw zijn zegelstempels in gebruik ter bekrachtiging van o.a. oorkonden, keuren en overeenkomsten in de particuliere sfeer. In een latere periode komen daar ook zegelringen bij. Diverse groepen uit de laatmiddeleeuwse samenleving en ook daarna gebruikten deze voorwerpen. Het gebruik ervan, aanvankelijk voorbehouden aan de hoogste elite, daalde af via de lagere adel, stedelijke en kerkelijke overheden naar de burgers. Nadat de eigenaar overleden was werd het stempel vernietigd en weggegooid en zo kwamen er vele in de bodem terecht. Soms zijn de voorwerpen opzettelijk beschadigd, maar andere zijn soms gaaf weggeworpen. Vele honderden van deze zegelstempels zijn de laatste decennia via metaaldetectie teruggevonden. Deze vondsten bevinden zich overwegend in particuliere collecties.