Ritmische moeilijkheden

De meest ergerlijke en storende fouten in de orkestmuziek hebben betrekking op het ritme. Het ritme is het framewerk van de muziek, waaraan de noten zijn opgehangen. Als dit framewerk teveel verstoord wordt raakt het gehele orkest op drift en weet niemand meer waar hij of zij aan toe is. Hieronder zal ik een aantal beruchte "lastige punten" behandelen die op het ritme betrekking hebben.

Onregelmatige maatsoorten (5/8,7/8 etc.)

Het lastige van maatsoorten als 5/8, 7/8, 5/4, 7/4 etc. is dat ze niet in gelijke delen kunnen worden verdeeld. Bij 2, 3, of 4 tellen per maat is het voor ons gevoel nog overzichtelijk. Een 6/8 maat ervaren we als 2 keer 3 tellen, een 9/8 als 3 keer 3. Maar bij 5 of 7 tellen per maat gaat het mis, doordat de muziek lijkt te "hinken" en de maten te lang zijn om alle tellen als gelijkwaardig te voelen. Deze maatsoorten zijn slecht "dansbaar". De 5/8 maat bijvoorbeeld kun je zien als een 3/8 plus een 2/8, of omgekeerd.


Bij de 7/8 maat zijn nog meer verdelingen mogelijk, b.v. 2+2+3, 3+2+2 of 2+3+2.



Aan het karakter van de muziek en aan de notatie (de groepering van de noten) kun je meestal zien welke verdeling op dat moment van toepassing is. Probeer deze onderverdeling te voelen; een goede dirigent zal dit ook in z'n slag laten zien. Denk in eenheden van 2 of 3 tellen; als je alle tellen als gelijkwaardig ziet raak je al snel de kluts kwijt. Tel dus niet als een robot van 1 tot 5 of tot 7. Een uitzondering kun je maken voor ritmisch zeer gecompliceerde muziek met zeer veel syncopen en overbindingen. Daar is het vaak handiger om van tel tot tel te leven, aangezien de groepering van de tellen in de maat dan toch niet meer te voelen is.
Een apart geval is de eendelige maatsoort, b.v. 1/4, 1/8 enz., die je wel eens tegenkomt bij moderne componisten zoals Strawinsky. Dit soort maten gaat zo snel voorbij dat het bijna onmogelijk is om ze apart te tellen; doe je het toch, dan zal je al snel het gevoel hebben te "struikelen". De beste oplossing is dan om de eendelige maat bij de voorgaande of de volgende maat te trekken, die er dan als het ware een extra tel bij krijgt.

Maatwisselingen

Eerste vereiste in het omgaan met maatwisselingen is het hoofd koel te houden. Veel mensen blijken in paniek te raken wanneer ze een maatwisseling zien aankomen. Blijf helder nadenken. Ritme is het meest rationele bestanddeel van de muziek. Voor een groot gedeelte is het alleen een kwestie van optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
In de eerste plaats moet je kijken wat de teleenheid in de verschillende maatsoorten is. Blijft de teleenheid gelijk, dan heb je geluk. De cadans, het tempo van de teleenheid verandert niet door de maatwisseling. Probeer deze teleenheid goed te blijven voelen. Het enige wat dan nog verandert is het aantal teleenheden per maat. Denk ook aan wat hierboven is gezegd over onregelmatige maatsoorten: denk in eenheden van 2 of 3 tellen, maar probeer nu ook de onderliggende teleenheid duidelijk te voelen. De basismoeilijkheid bij maatwisselingen is eigenlijk dat men te veel in een cadans zit van een bepaald aantal tellen per maat, met de bijbehorende cadans van maataccenten op de eerste tel van de maat. Om van maat te kunnen wisselen moet je je aandacht verschuiven van de maataccenten naar de teleenheden. Het meer gecompliceerde geval doet zich voor wanneer de teleenheid verandert, b.v. wanneer een 2/2 maat overgaat in een 3/4 maat, of een 4/4 in een 5/8.In dit geval moet je bij de maatwisseling de kleinste van de twee teleenheden als maatstaf gebruiken, bij een overgang van 4/4 naar 5/8 is dit de achtste tel. Ook hier verandert het tempo van de kleinste teleenheid niet over de maatstreep heen: een achtste tel duurt voor de maatwisseling even lang als erna. Je moet hierbij anticiperen op de komende maatwisseling door de grootste teleenheid voor je gevoel onder te verdelen. Een 4/4 maat tel je dan als een 8/8 (4 groepjes van 2 tellen).

Ga je andersom, dus van een kleinere naar een grotere teleenheid, b.v. van 5/8 naar 4/4, dan tel je de maat na de wisseling nog in de kleinste teleenheid, opnieuw in groepjes verdeeld, en vervolgens laat je in de volgende maat voor je gevoel de onderverdeling achterwege.

Je moet dus oefenen in het voor jezelf onderverdelen van tellen, en in het weglaten van de onderverdeling en het teruggaan naar een grotere teleenheid. Na voldoende oefening zal dit op een gegeven moment als vanzelf gaan.

Boogjes, rusten en syncopen

Door de sterke menselijke neiging om óp de tel te spelen, die nog eens wordt versterkt door een stortvloed van muziek met een sterke "beat" die we dagelijks over ons heen krijgen, is het spelen van syncopen voor velen lastig. We kunnen hier verschillende categorieën onderscheiden: boogjes, rusten en verschoven accenten.
Problemen met het spelen van overgeboogde noten kun je oplossen door in eerste instantie de boogjes niet te spelen. De noot die aan het einde van het boogje staat is een noot die wel afzonderlijk gedacht, maar niet afzonderlijk gespeeld wordt. Door die noot in eerste instantie wel te spelen krijg je een idee van het juiste ritme van het vervolg van de melodie. Bovendien versterkt het het bewustzijn van het afzonderlijk bestaan van die noot.

Wanneer je je zeker genoeg voelt speel je het boogje wel, maar probeer je bewust te blijven van het afzonderlijke bestaan van de overgeboogde noot.

Een soortgelijk probleem doet zich voor met rusten. Een rust is een "virtuele noot", die wel geteld wordt maar niet gespeeld mag worden. Je moet de rust "inwendig spelen" door b.v. in jezelf te spreken, b.v. een lettergreep als "pa" of "hum", net alsof de rusten een ritmisch uit te spreken tekst waren. De inwendig gesproken klanken wisselen dus af met de klanken die je via je instrument produceert. Deze techniek is ook toepasbaar op het bovenstaande probleem van de overgeboogde noten.

Bij rusten die langer duren wil het nog wel eens gebeuren dat ze niet goed uitgeteld worden. Mensen proberen die langere rusten "op gevoel" te spelen, het lijkt wel of ze tijdens de rust ook hun bewustzijn in de "ruststand" zetten. Daardoor worden deze rusten te lang of te kort gespeeld. Meestal te kort: mensen zijn van nature ongeduldig om verder te gaan.
Een derde geval zijn de noten die ten opzichte van de teleenheid verschoven zijn. Dit zijn de eigenlijke syncopen. De tel valt a.h.w. tijdens die noot. Dit probleem kun je aanpakken door te bedenken dat zo'n noot in feite uit twee delen bestaat: een deel voor en een deel na de tel, die door een overbinding verbonden kunnen worden gedacht. Wat over overbindingen is gezegd geldt vervolgens ook voor dit geval.

is gelijk aan

Berucht zijn langdurig aangehouden verschuivingen ten opzichte van de tel. Deze noten hebben op den duur altijd de neiging om naar de tel toe te kruipen. Een mogelijke oplossing is dat men de tel duidelijker moet voelen en de te spelen noot minder nadruk moet geven. Bij veel mensen gaat het spelen van de noten gepaard met min of meer heftige lichaamsbewegingen op het moment dat ze de noten spelen: de rest van hun lichaam gaat hun tong of hun strijkende arm achterna. Probeer dit zoveel mogelijk te beperken, want op de een of andere manier ziet de psyche zo'n beweging aan voor een "beat", dat wil zeggen een tel. Dit verzwakt het besef dat de tel in feite niet samenvalt met de noten die je speelt. Als je al iets doet met je lichaam, doe dit dan op de tel. Ik ken ook musici - en niet de minste - die bij wijze van expressie langzame "roerende" bewegingen te maken tijdens het spelen, maar dat gaat dan veel langzamer dan het tempo van de tellen. Dit is okee, ook al doe ik het zelf niet.
Studeer de passage eerst langzamer dan hij behoort te klinken, zodat de structuur van het ritme goed duidelijk wordt, en voer daarna het tempo op. Studeer ook eerst zonder instrument, maar spreek, zing of tik met een pen alleen het ritme, zodat je niet hoeft te letten op de juiste toonhoogte.

Antimetrische figuren (duolen, triolen etc.)

De meeste ritmische problemen zijn langs rationele, analytische weg aan te pakken. Dit geldt helaas niet voor de meeste antimetrische figuren. Hier komt het vooral op gevoel aan. Een overzicht.
Triolen. De meest voorkomende figuur, en ook de gemakkelijkste. Het meest gebruikelijk is de triool die binnen één teleenheid gespeeld moet worden, deze levert doorgaans geen problemen op. Lastiger is de triool binnen twee teleenheden, b.v. de kwartentriool in maatsoorten waarin de kwart de teleenheid is. Er zijn twee oplossingen: overgaan op de halve tel als teleenheid en proberen de triool daarin te passen, of de kwartentriool beschouwen als twee achtstentriolen, met twee aan twee overgebonden noten.

is gelijk aan

Duolen en kwartolen. Deze figuren moeten passen in drie teleenheden. In principe is dit probleem analytisch op te lossen - een duool is twee noten van anderhalve tel, een kwartool vier van driekwart - maar vooral voor de kwartool is dit in de praktijk lastig.


Daarom kun je de kwartool beter op het gevoel spelen. Ga in gedachten over op een grotere teleenheid die uit drie kleinere teleenheden bestaat en probeer de vier noten daarin te laten passen. Het is de kunst om het geheel te laten passen en bovendien alle noten even lang te krijgen.
Kwintolen, septolen en nog hogere -olen. Deze kunnen alleen op het gevoel gespeeld worden. Gelukkig bestaan er trucjes voor, zoals het inwendig uitspreken van woorden met vijf, zeven etc. even lange lettergrepen. Voorbeelden voor kwintolen: Lolobrigida, RimskiKorsakov. Voor de hogere -olen geldt het voordeel dat ze doorgaans de vorm van een versiering hebben en zo snel gaan dat niemand het merkt als het niet perfect ritmisch is. De begin- en eindnoten moeten uiteraard wel op het juiste moment komen.

Tempowisselingen

Als een ensemble of orkest groot genoeg is om een dirigent te hebben is de dirigent de baas over de tempowisselingen. Het is van belang om te weten waar je tempowisselingen kunt verwachten, zodat je erop kunt anticiperen (b.v. door het oog op de dirigent te richten). Vaak staat dit in de gedrukte muziek aangegeven, maar de dirigent kan zelf nog allerlei dingen erbij en eraf willen hebben. Schrijf dit bij in je partij, met tekens die voor jou te begrijpen zijn! Probeer tijdens het repeteren ook te onthouden wat het tempo op verschillende plaatsen moet zijn. Zing thuis gedeeltes uit de partij in ongeveer het juiste tempo, zodat dit in je geheugen wordt ingeprent. Ook het onthouden van de noten zelf werkt positief op het kunnen volgen van tempowisselingen: hoe meer je uit het hoofd kunt spelen, des te beter kun je op de dirigent letten.
Over het algemeen geldt dat je beter wat trager kunt zijn dan de slag van de dirigent dan sneller. Aan dit laatste hebben dirigenten een uitgesproken hekel, omdat dit veel minder gemakkelijk te corrigeren valt. Als je te traag bent zullen ze je met heftige gebaren (eventueel aangevuld met een boze blik) tot spoed manen. Ook voor spelers geldt dat het gemakkelijker is om naar iets toe te spelen dan om te moeten afremmen.
Het is in een orkest te allen tijde, behalve in sommige solo's, ongeoorloofd om zonder naar anderen te kijken en te luisteren een eigen tempo te kiezen. Dit mag een open deur lijken, maar het komt vaak genoeg voor. Vooral als spelers gefixeerd zijn op moeilijke noten, die ze koste wat kost allemaal willen spelen, schiet de aandacht voor het samenspel er bij in. De moeilijke noten zullen er misschien allemaal uitkomen, maar niet op het juiste tijdstip. In een orkest gaat het erom dat de noten onder elkaar staan: al het andere (de juiste noten, toonkwaliteit, zuiverheid, expressie) is daaraan ondergeschikt. Je kunt beter noten weglaten dan dat er ritmische verstoringen optreden, waardoor alles begint te schuiven en het stuk in het honderd loopt. Wen jezelf eraan om zeer regelmatig - hoe vaker hoe beter, één keer per maat zit dichter bij het ideaal dan eens per minuut - even bij jezelf te checken of je nog gelijk loopt met je collega's. Zorg ervoor dat dit een tweede natuur wordt! Bij het onderwerp "Perifeer luisteren" zal ik er nog op terug komen.
Je moet erop bedacht wezen dat een dirigent soms zonder waarschuwing vooraf twee keer zo langzaam of twee keer zo snel gaat slaan. Als er geen plotselinge tempowisseling in je partij staat aangegeven betekent dit dat de dirigent een andere teleenheid gaat nemen,. Hij gaat bijvoorbeeld over van halve noten naar kwartnoten. De teleenheid die de dirigent slaat hoeft niet overeen te komen met de teleenheid die van nature bij de maatsoort hoort. Hij kan b.v. een vierkwartsmaat in tweeën slaan, afhankelijk van het tempo van de muziek. Verandering van slag gebeurt meestal bij vertragingen en versnellingen, omdat op die manier de tempoverandering beter kan worden gecontroleerd. Je kan dus anticiperen op een mogelijke slagwisseling. Maak niet de fout te denken dat het tempo van de muziek plotseling halveert of verdubbelt: als je je muzikale intelligentie laat spreken besef je dat dit onlogisch is.
Tenslotte: het is sowieso zeer aan te bevelen om je partij aan te tekenen in welke teleenheid de dirigent slaat, tenzij dat voor de hand ligt, zoals kwarten in 3/4 maten, achtsten in 3/8 etc.. Een 4/4 maat in halve noten slaan ligt niet voor de hand, net zo min als een 2/2 maat in kwarten. Een 6/8 maat kan zowel in tweeën als in zessen geslagen worden.