Over vroeger

Uw schrijver is zelf meer dan 55 jaar sportvisser in hart en nieren en heeft inmiddels 38 jaar wedstrijdervaring, maar is nog altijd nieuwsgierig naar verhalen en anekdotes van anderen. Het liefst van oudere hengelaars, want deze mensen hebben een nog grotere schat aan ervaring. Veel van deze mensen brachten (of brengen nog steeds) een groot deel van hun vrije tijd door aan of op het water om hun hobby uit te oefenen. Sommige heel fanatiek, andere louter en alleen voor de ontspanning, maar wel dikwijls met een knipoog naar het wedstrijdvissen. Als ik zulke mensen ontmoet dan knoop ik de interessante gesprekspunten in het hoofd of maak direct notities als het schrijfblokje bij de hand is. Thuis probeer ik er dan een verhaaltje van te breien, weer een andere tik van mij. Als het nodig is, bijvoorbeeld voor nadere uitleg of meer details, neem ik nog eens contact op met de persoon in kwestie. Uiteraard probeer ik ook mijn eigen ervaringen neer te pennen en - al dan niet vermengd met andere verhalen - te publiceren. Als er bij hengelaars die dit lezen een soort herkenning boven komt en/of zij het gevoel krijgen het verhaal als het ware zelf mee te maken, dan is de opzet geslaagd. Met deze activiteit ben ik nog niet zo lang geleden gestart, tot dusverre heb ik de hierna volgende verhalen gemaakt. Veel leesplezier.

Titels:

Ik pik ieder visje in (Ipivi)

Het witte spul

Vissen in de Gouwe anno 1930

Gar Blom, een meester met de lange slag

Wim Hoogerdijk, een pikeur in het vissen op aantal

 

Ik pik ieder visje in (IPIVI)

Eind jaren veertig in de vorige eeuw werd er in Gouda een hengelvereniging opgericht die de naam IPIVI kreeg. Hengelaars in die naoorlogse jaren waren zeer gretig, dit betrof niet alleen het eten van vis, maar ook het vangen van vis, liefst meer dan een ander. De naam Ipivi is dan ook toepasselijk voor het gebeuren in die dagen en betekent ‘ik pik ieder visje in’. Lid worden van Ipivi was geen eenvoudige zaak. Ten eerste moest je in Gouda wonen –  ‘buitenlanders’ werden in principe niet toegelaten – en ten tweede moest je geïntroduceerd worden door een reeds bestaand lid. Was dat eenmaal gebeurd dan volgde er nog een periode van één maand, waarin je onder balletage stond. Als die termijn verstreken was, kwam de commissie van wijze heren bijeen om te bepalen of je wel of niet lid mocht worden.

Toch werden er uitzonderingen gemaakt, bijvoorbeeld voor hengelaar Jan van Egdom uit Waddinxveen, hij was de enige visser uit de omgeving die de strenge regels mocht omzeilen. Hij viste, samen met Paul Stoppelenburg, wel eens in de sloten rondom de Sloeneplas in Reeuwijk, waar Ipivi dikwijls haar wedstrijden hield. Stoppelenburg was een collega van Jan's vrouw Daisy en zodoende kwamen zij bij elkaar over de vloer. Bij één van die visites ontmoetten zij Bram Meijer, de chef van Paul en Daisy bij de plateelfabriek in Gouda en eigenaar van eerder genoemd water in Reeuwijk. Via deze Bram Meijer werd Jan bij de vereniging geïntroduceerd. Die introductie viel kennelijk in goede aarde, want de commissie nam een positief besluit en creëerde zelfs voor Jan eigen priviléges. Omdat hij het jongste lid was, werd hij de benjamin van de club en hoefde bijvoorbeeld na een wedstrijd niet naar huis om zich om te kleden, alvorens naar het café te gaan voor de prijsuitreiking. Leden van een hengelvereniging in de stad Gouda – en zeker bij Ipivi – mochten in die tijd niet met viskleding aan naar de kroeg, maar moesten zich thuis eerst omkleden. Op die manier werd handig omzeild dat men vissers in verband kon brengen met kroeglopen. Tegenwoordig denkt men daar gelukkig iets anders over.

Prijsuitreikingen werden dikwijls gedaan in het café van Theo Damen aan de Wijdstraat in Gouda. De penningen voor Jan lagen dan al klaar, zodat hij alvast een consumptie kon nemen. Van lieverlee druppelden de vissers binnen, niet zelden in hun zondagse pak, waarna de prijsuitreiking kon beginnen. Onder het genot van een pils of borrel steeg de stemming en werden de prijswinnaars toegejuicht. De prijzen bestonden veelal uit huishoudelijke artikelen en door de leden, al dan niet met behulp van hun dames, zelf gemaakte cadeau’s. Zo waren er bijvoorbeeld met Pasen vooral opgemaakte manden met veel eieren. Als de prijsuitreiking ten einde liep en Jan aanstalten maakte om de thuisreis te aanvaarden werden de ouderen vaderlijk bezorgd. Hij werd van alle kanten aangeraden om onderweg toch vooral voorzichtig te zijn en rechtdoor naar huis te fietsen.

Feestavonden waren er ook legio in het café van Theo Damen, bijvoorbeeld op de avond nadat overdag het gekkenconcours was gehouden. Vóór de wedstrijd kwam het bestuur verkleed bij elkaar in restaurant Tergouw langs de Singel, waar vandaan werd vertrokken naar het wedstrijdwater. Vaak was er voor vervoer gezorgd, zeker voor degene die geen fiets of brommer ter beschikking had. Zo werd ouwe Jan Prang met zijn visspullen en al op een bakfiets geladen en met veel heisa naar de Breevaart gereden. Tijdens de wedstrijd werden door de controleurs de gekste beslissingen genomen, het voer van iemand werd afgekeurd omdat het teveel stonk, een mooie brasem was niet aan de maat en werd daarom weggegooid. Uiteraard werd dat soort maatregelen alleen maar uitgevoerd bij personen die daar weinig moeite mee hadden. Op de feestavond werd dan een prijs uitgereikt aan de jongste visser, de gekste visser, de lelijkste visser, noem maar op. Als de stemming op z’n hoogtepunt was, werd er gecollecteerd voor de verenigingskas. Een omgebouwde viskanis als collectebus, met daarop in grote letters ‘voor de zieke vis’, werd door Daisy of andere hengelaarsvrouwen rond gedragen. Ondanks dat de mensen het in die tijd niet breed hadden werd er gul gegeven. Benjamin Jan werd ontzien, van hem werd een passende bijdrage verwacht. Het kwam zelfs meermaals voor dat hij niets mocht geven. Hij kreeg dan 25 gulden in zijn hand geduwd en moest deze maar in de bus doen. Legendarisch waren ook de Sinterklaaswedstrijden en de daarop volgende prijsuitreiking. Sinterklaas en zijn knecht Piet, in één persoon verenigd, linkerzijde als Sint verkleed en rechts als Piet, reikten hoogst persoonlijk de prijzen uit.

Onder de vissers heerste een kameraadschappelijke sfeer en natuurlijk werden er veel geintjes uitgehaald. Arie van Leeuwen, een collega van enkele vissers, wilde wel eens een maaltje vis hebben. ‘Jullie vangen toch altijd vis?’, zo had hij zich eens neerbuigend uitgelaten, ‘ik wil wel eens vis eten’. We zullen kijken of we er wat aan kunnen doen, was de reactie. De vissers gniffelden bij voorkeur al toen het plannetje werd gesmeed. Het volgende weekend, na de wedstrijd, werd een stevig maal vis bij elkaar geraapt. Eén man zou de vis afleveren, niet aan de voordeur maar in de teil met waswater die, zoals bekend was, in de achtertuin stond. Of de vis gesmaakt heeft vertelt het verhaal niet, maar een bedankje is er zeker nooit gekomen.

Met het verstrijken der jaren ontvielen steeds meer oudere leden de club, soms stapten leden over naar andere Goudse hengelverenigingen. Het aantal leden van de vereniging liep daarom langzaam terug. Halverwege de jaren negentig is Ipivi als hengelvereniging bij gebrek aan leden opgeheven.

Naar boven

Het witte spul

Eind zeventig begin tachtiger jaren van de vorige eeuw werd veel oppervlakte water vervuild door de lozing van afvalstoffen. Eén van die stoffen was fosfaat, dat in wasmiddelen werd opgenomen als waterontharder. In die tijd was er nog geen verbod op het gebruik van fosfaten; kennelijk had men nog niet voldoende besef van de slechte invloed die het had op het oppervlaktewater. Fosfaten bevorderen namelijk de groei van algen, die op hun beurt weer zuurstof aan het water onttrekken. Doordat algen in zekere zin weer voedsel was voor vele vissoorten, leefde bij enkele pientere vissers de gedachte dat dit spul, door je visvoer gemengd, wel eens veel vis zou kunnen aantrekken. Zo kon het gebeuren dat uw schrijver als deelnemer aan een Nederlands kampioenschap ergens in het zuiden van het land vóór de wedstrijd aan de praat raakte met een Hagenaar die hoge verwachtingen had van zijn vangst. De man vertelde speciaal spul door zijn voer te mengen en was er heilig van overtuigd dat juist die mengeling hem eerder al in twee wedstrijden goede diensten had bewezen. Op de vraag wat dat dan voor goedje was, wilde hij geen direct antwoord geven. Meer als tegenwoordig werd er toen geheimzinnig gedaan over het voer, het enige dat hij kwijt wilde was dat het om ‘wit spul’ ging dat onder andere in wasmiddelen werd verwerkt. Het maakte mij – en inmiddels aangeschoven andere hengelaars – uitermate nieuwsgierig. De Hagenaar werd die dag natuurlijk heel goed in de gaten gehouden. Het witte spul was hem die dag echter niet gunstig gestemd, hij ving slechts een drietal voorns. Op zich niet slecht, want de meeste deelnemers kwamen die dag niet of nauwelijks boven dat aantal uit.

Het zal een maand of twee later geweest zijn toen ik voor aanvang van een wedstrijd bij toeval hengelaars hoorde praten over ‘het witte spul’. Ook zij hadden er over gehoord en eentje wist met zekerheid te vertellen dat het alleen in België verkrijgbaar was. Bij de enige hengelsportzaak in een klein dorpje niet ver van Antwerpen was het te koop. Maar niemand wist hoe het spul heette en hoe duur het was. Ik knoopte de naam van dat plaatsje goed in mijn oren, je weet maar nooit.

Maanden nadien naderde ik, op de terugweg van een vakantie met vrouw en kinderen in Frankrijk, de stad Antwerpen. Hoewel de stemming in de auto na de lange terugrit niet opperbest was, stelde ik toch voor om een paar kilometer om te rijden via het Belgische platte land. Heb je daar ook hengelsportzaken, vroeg mijn vrouw. Ze kende haar pappenheimers wel!

De winkel werd snel gevonden, hij stond in de Hoofdstraat en die was niet bijster lang. In de vitrine onder de toonbank lagen handgemaakte brasemdobbers die afweken van de modellen die wij normaliter in Holland gebruiken. Op mijn vraag wat het speciale van die dobbers was, je moet tenslotte een ingang hebben, riep de eigenaar van de zaak zijn zoon uit de achterkamer. Deze vertelde niet zonder trots dat hij die dobbers maakte en er bij hengelwedstrijden van de club in de plaatselijke visvijver veel succes mee had. Ik vertelde dat ik ook dobbers maakte, maar deze modellen nog nooit had gezien. Ik moest er maar eens twee kopen. Toen hij de dobbers in een zakje deed, vroeg ik langs mijn neus weg of ze nog van dat witte spul verkochten dat wedstrijdvissers door hun voer mengen. De man keek mij een ogenblik vragend aan, maar begreep vrij snel waar het om ging. Met veel omhaal vertelde hij dat het spul officieel niet mocht worden verkocht, maar dat hij het ‘onder de toonbank’ verhandelde. Na een weinig aandringen kreeg ik twee kilo mee, tegen betaling van 500 Belgische franken als ik me niet vergis.

Enerzijds blij met m’n zak fosfaat, want zo heette dat spul, en anderzijds een tikje bezwaard, het was tenslotte toch milieubelastend, reed ik met het gezin via de kortste weg naar huis.

Hoe vaak ik het witte spul door mijn voer gemengd heb weet ik niet meer. Of het positieve invloed had op mijn vangsten kan ik mij evenmin herinneren. Wat ik wel weet is, dat ik de zak met ruim de helft van de inhoud na een jaar weer zag staan op de plank achter mijn visvoeders en deze toen terstond heb gedumpt. De geachte dat het slecht was voor het milieu won het in ieder geval van de verwachte spectaculaire vangsten die waarschijnlijk toch nooit zouden komen.

Fosfaten vormen thans 30 tot 50% van een machinevaatwasmiddel en worden gebruikt als waterontharder. Ze werden lang niet gebruikt vanwege de eerder genoemde milieubelastende invloed op het oppervlaktewater. Tegenwoordig wordt 75% van het fosfaat in de zuiveringsinstallaties uit het water gehaald. Er zijn ook fosfaatvrije machinevaatwasmiddelen verkrijgbaar. In deze producten zijn de fosfaten vervangen door fosfonaten of acrylaten. Fosfonaten zijn veel slechter afbreekbaar en de afbraakproducten zijn giftig voor waterdieren.

Naar boven

Vissen in de Gouwe anno 1930

Aan de Zuidkade ter hoogte van de Victorkerk zit een wat oudere man in de Gouwe te vissen. Ik herken hem, het is Roel de Graaf (november 2011 overleden), heeft net als ik achter de kerk een moestuin. Hij vist op snoekbaars, heeft er de afgelopen dagen al drie gevangen, de grootste was 75 cm. Wat doe je ermee Roel? Ik laat ze weer zwemmen, maar als ze er erg gezond uitzien wil ik er wel eens één fileren en invriezen. Snoekbaars van 75 cm uit de GouweLekker joh, zo’n gefileerd stukje in de koekenpan en dan met gebakken aardappels en een wat sla uit eigen tuin, heerlijk! Het is vandaag nog niet veel, wel een paar tikkies gehad, maar geen echte aanbeet. Hij had dat nog niet gezegd of de top van de werphengel bibberde iets. Slaan, nee even wachten, het lijkt me geen snoekbaars. Weer een tikje, en nog één, rustig pakt Roel de hengel op en draait de molen strak. Ik zit vast, verdraaid, zal je altijd zien. Toch komt er beweging in de nylon lijn van 30/00, die langzaam van links naar rechts gaat. Roel vist vlak onder de kant – heb je weinig last van de boten – en heeft daardoor redelijk controle over de hengel. Ik ben er haast zeker van dat het geen snoekbaars is, het lijkt mij meer een grote paling. Vijf minuten later, de vis heeft nog geen centimeter toegegeven, heeft Roel zoiets van: nu moet er toch iets gebeuren. Langzaam gaat hij druk op de lijn zetten, de vis geeft iets toe. Nog meer druk, de lijn kan het makkelijk hebben, de top begint te schokken. Centimeter voor centimeter komt de vis naar boven. Roel had wel gelijk, een monsterachtig grote paling komt aan de oppervlakte. Wilt slaat de paling om zich heen, maakt een geluid dat op blazen lijkt en kronkelt zich om de lijn. Gauw het schepnet eronder, net op tijd want op dat moment worstelt de paling zich los. Roel is niet snel onder de indruk, maar nu moet hij toch even zuchten, een paling zo dik als mijn pols. Hij hangt de vis aan de handweegschaal en deze geeft op de kop af 1.500 gram aan. Ik vis al heel wat jaren hier, maar zo,n joekel heb ik nog nooit gevangen.

Zit je hier vaak Roel? Ik woon hier ruim 70 jaar – eerst een paar huizen terug – en ik vis hier ook al 70 jaar. In het begin was de Gouwe veel breder en de Zuidkade dus veel smaller. Vanaf de huizen lag er maar een straatje van 2,20 cm, op de foto hiernaast goed te zien. Zuidkade van vóór 1930Alleen bode Sol kon met zijn vrachtwagentje de Zuidkade af tot aan verffabriek Boonstoppel. Na afleveren van goederen was het keren en dezelfde weg weer terug. Alles bij elkaar deed hij daar wel anderhalf uur over. Langs de Gouwe lag een strook gras, met in het midden een pad. Daar liepen we dagelijks naar en van school aan de Kerkweg in Waddinxveen. Het pad werd ook gebruikt door schippers of door het paard om de trekschuit te trekken. Langs de kant had je om de paar huizen een stoep. Daar deden de huisvrouwen op maandag altijd de was of zij schepten water voor de was. Weet je waarom op maandag? Omdat het water dan helder was, want op zondag voeren er bijna geen boten. Sommige mensen hadden achter hun huis een put, die via een geul verbonden was met de Gouwe. Zuidkade met houtzaagmolen rond 1830Als het water dan hoger stond als normaal, lieten zij de put vol lopen en konden zodoende weer dagen vooruit met de voorraad water.

Vissen deed ik als 8 jarig jongetje al in de brede sloten achter de Burg. Trooststraat, daar heb ik ook nog enkele jaren gewoond. Vaak ging ik vóór schooltijd nog een emmer visjes vangen. Moeder was dan vaak ongerust omdat ze niet wist waar ik uithing en zo lang weg bleef. Die vis werd schoongemaakt en ’s avonds hadden we bij het eten een gebakken visje. In de Gouwe visten we met een bamboehengel uit één stuk. Je had ze van 3 en 4 meter en kostte naar ik meen een kwartje. Nylon bestond nog niet, daarom werd gevist met katoen, daaraan werd een haak geknoopt van 1-2 cm. Soms werd er met een eigen gemaakte dobber gevist, maar meestal gebruikten we schuiflood om op de brasem te vissen. Dat lood was 20-30 gram zwaar, want soms stroomde het heel behoorlijk. Zeker één keer per week, want dan werden de singels in Gouda doorgespoeld. De Mallegatsluis werd dan open gezet en omdat de Julianasluis er nog niet was stroomde het vuile, soms bruine water de Gouwe in. Soms zelfs voorbij Waddinxveen, zodat we pas in Boskoop in schoon/helder water konden vissen. Gouwe rond 1950Als het hard stroomde gebruikten we kaas als aas, dat bleef namelijk makkelijk op de haak zitten. Voor een dubbeltje kon je een dikke plak kaas kopen bij de melkboer en daar kon je zeker een paar dagen mee vooruit. Natuurlijk visten we ook met brood, daar kon je een prachtige pluim van maken, of met een worm uit de tuin. Voeren werd in die tijd weinig gedaan, mensen gooiden dagelijks etensresten in het water, dit was een mooi basisvoer waar de vis altijd op af kwam. Behalve brasem werd er ook veel voorn gevangen, die er allemaal heel gezond uit zagen. Voorn werd in die tijd uit de Gouwe daarom veel en probleemloos gegeten. Het water was niet vuil en grote industrieën in de omgeving was er nauwelijks. Het waterverkeer bestond hooguit uit een turfschip, een zandschip, al dan niet getrokken, of enkele keren per dag de passagiersboot van de lijndienst Gouda-Leiden.

In latere tijd ging ik ook wel met mijn vrouw een dagje vissen op het Wije (’t Weegje) tussen Waddinxveen en Gouda. Vissen aan de tuin in de RingvaartWe huurden dan een bootje voor een paar dubbeltjes en bivakkeerden een hele dag op het water. Dikwijls viste ik dan op karper, er zaten grote knapen. Rozendaal, de eigenaar van het Weegje toen, zei altijd: als je zo’n knaap aan de haak krijgt en in de problemen komt, gooi je de hengel gewoon in het water, het achtereind komt toch boven drijven. Vervolgens schreeuw je naar de kant en ik kom je helpen. Op een dag had ik zo’n 24-ponder er aan en ik deed wat hij had gezegd. Na mijn roep om hulp kwam hij direct met de roeiboot het water op en ging op zoek naar de hengel. Deze dreef met een eindje prachtig nog boven water en kon daarom makkelijk worden gevonden. De karper was door het sleuren aan de stok aan het einde van zijn latijn en kon eenvoudig worden geschept, dat deed de slimme Rozendaal met een rieten mand. Als jij hem niet wil hebben neem ik hem mee, stelde hij voor. Later bleek de bedoeling daarvan. Hij deed de vis in een grote bun en als de mensen dat wilden, konden ze het beest voor een dubbeltje bekijken. En als iedereen uitgekeken was, werd het beest aan de visboer verkocht, dat is nog eens handel drijven.

Wedstrijdvissen zoals je nu veel ziet, allemaal op een rijtje, had je toen nog niet. Dat kwam pas na de oorlog in de vijftiger jaren toen mensen, al dan niet gedwongen, meer vrije tijd kregen. Wel werd vooral in de zomer ’s avonds veel door de bewo7 kilo, gevangen in Gouwe op 07-07-07ners voor hun huizen gevist. Zoals gezegd was dat dikwijls om vis te vangen voor de consumptie. Behalve aan de Gouwe vis ik bij mooi weer nu dagelijks ook nog enkele uurtjes op mijn tuin aan de Ringvaart. Daar vis ik nog met een werphengel die ik in 1950 heb gekocht. Eerst vang ik er een paar voorntjes aan en als de snoek aan het jagen is wil ik daar nog wel op vissen. Vorig najaar had ik hier nog een snoek van 90 cm. En wat te denken van deze snoekbaars van 85 cm, gevangen in de Gouwe aan de loswal nabij de Kouwe Hoek op zaterdagmiddag 7 juli 2007 met als aas een dood visje. Lood + aas had ik zo'n beetje in het midden gegooid en na een kwartier kreeg ik een geweldige beet, de hengel werd bijkans van de kant gerukt. Na veel sleur- en trekwerk kreeg ik hem na 20 minuten aan de kant. Gelukkig zat er nog een buurtgenoot (die de foto maakte) te vissen en kon deze het monster scheppen. Dat had ik zelf nooit voor elkaar gekregen want de vis woog op de kop af 7 kilo. Die zelfde middag ving ik nog een snoekbaars, die woog 3 kilo. Met 10 kilo vis had ik een leuke middag, volgens mij zijn er wedstrijdvissers die dat niet iedere wedstrijd vangen!!??

Naar boven

Gar Blom, een meester met de lange slag

Nog wat gevangen vanmorgen? Matig, ruim 4 kilo. We zijn met de ouderenclub van HSV Moordrecht naar het Lage Bergsche Bos geweest. Anders vang ik ze daar altijd met pieren, nu moesten ze persé maden hebben. Wel veel regen gehad, maar mijn spullen zijn gelukkig weer droog. Vanaf de oprichting in september 1961 vis ik al met de Moordrechtse hengelvereniging mee. Ik was één van de drie oprichters. Aan het woord is Gar Blom, bij hem thuis praten we samen over zijn hengelleven, onder het genot van een kop thee-met-wat-lekkers. Gar is direct ‘los’, getuige het antwoord op mijn eerste vraag.

Wat zijn je herinneringen aan die beginjaren van de vereniging? Dat het niet eenvoudig was om een wedstrijd te winnen. We visten toen op de zaterdagmiddag (’s morgens viste ik competitie bij de VWP in Gouda) en alle wedstrijden werden gehouden in het zogenaamde Balkengat aan de IJssel. De eerste drie competities werden gewonnen door één en dezelfde persoon, deze was op dat water moeilijk te verslaan. Er werd toen nog vrij gevist, hetgeen betekent dat iedereen kon gaan zitten waar hij wilde. Op zekere zaterdag – we hadden weer een wedstrijd in het Balkengat – maakte één van de schaarse bewoners uit die buurt een wandeling langs het parcours. Hij stopte bij mij om te vragen of ik nog wat gevangen had. Weinig, was mijn antwoord, waarop de man zei dat de persoon die 50 meter verderop zat wel goed ving, veel beter dan vanmorgen…..!? Daar kwam de aap uit de mouw. De man die onverslaanbaar was aan het Balkengat ging ’s morgens altijd vóórvissen en voerde op een drietal plaatsen, zodat hij ’s middags altijd op een voorbereide visstek zat. Je begrijpt dat de vrije wedstrijden aan het Balkengat heel gauw verleden tijd waren.

Eigenlijk ben ik met vissen groot gebracht. Mijn vader was ‘s morgens melkboer en ’s middags beroepsvisser. Dan ging ik met hem mee om met de zegen te vissen of om de fuiken te lichten. ’s Avonds stuurde hij me dan met de vangst naar de visboer. Ik vergeet nooit dat ik met 50 kilo zeelt naar vishandel Burger in Bergambacht zeulde om daar 20 cent per kilo voor terug te krijgen. Daar was ik dan ook nog eens de heleVis- en loopvergunning uit 1949 avond aan kwijt. Na de oorlog ontdekte ik pas het echte plezier in het sportvissen, maar ook voor de oorlog viste ik al. Je mocht toen vrij vissen in de Ringvaart, in Moordrecht beter bekend als ‘het kanaal’. De meeste jongens kochten een bamboe hengel van 4 meter uit één stuk, die kostte een kwartje. Mijn hengel was een krijgertje van een familielid die toch nooit meer viste. We visten nog met brood, daar kon je een mooie vlok van maken of een prachtige pluim van draaien. Ook maakten we altijd deeg en toen al deden we daar een geurtje door. Soms zochten we naar wormen in de tuin om bijvoorbeeld op paling te vissen. In 1949 mocht ik ook vissen in de toenmalige polder aan het Westeinde, waar nu de Ambonezenwijk is. Dat gebied behoorde bij een boerderij waarvan de twee dames Tom eigenaar waren. Van één van hen kreeg ik keurig op een kwart velletje A-4 papier geschreven een vergunning (zie hiernaast) om in haar water te vissen en te snoeken met een hengel en om haar land te betreden.

Wedstrijdvissen deed ik voordat de HSV Moordrecht werd opgericht al bij de VWP in Gouda. Deze vereniging hield haar wedstrijden in de singels, in het kanaal en in de Breevaart. Ook daarbij waren dikwijls toestanden die de toets der sportiviteit niet konden doorstaan. Zo was er iemand die altijd de lootjes voor de kantnummers maakte en merkwaardig veel op kop zat. Het briefje met nummer 1 deed hij opgevouwen tussen zijn ring, draaide zijn vuist met bravoure in de emmer en haalde dan het kopnummer er uit. Het verhaal dat soms al werd gevoerd bij het uitzetten van de kantnummers zal niemand vreemd in de oren klinken. Bij de VWP werd nogal eens de avond voor de wedstrijd geloot en uitgezet. De uitzetter kon het niet laten om op ‘zijn’ nummer vast wat voer te droppen. Niet zelden was er de andere morgen gerechtigheid als er vanwege het vele kroos van parcours moest worden veranderd.

In die jaren werden in de omgeving van Gouda en ook over de Lek veel grote wedstrijden gehouden. De wedstrijden van Ipivi in de Breevaart bijvoorbeeld waren bekend bij hengelaars uit het hele land, doch het waren vooral de cracks uit de eigen regio die hier dikwijls hoge ogen gooiden. Zelf heb ik drie keer een wedstrijd van Ipivi gewonnen. De concurrentie onder de vissers uit de streek was altijd groot en er was natuurlijk veel rivaliteit. Met allerlei trucs probeerde men elkaar de loef af te steken. Zo had je indertijd Gerrit van Eijk die zijn tijd al ver vooruit was door met een extra lange hengel en ook nog een lange slag ver over iedereen heen te vissen. De man had handen als kolenschoppen en hanteerde zodoende die zware bamboe- en later glashengel als een kort stokje. Door op verre afstand zwaar op de bodem te vissen wist hij dikwijls als enige brasem te vangen en de wedstrijd te winnen. Maar ook andere Gouwenaars als Gerrit de Jong, de gebroeders Van Reeden en Leen van Erkel stonden hun mannetje. Zelf ben ik eens hoog geëindigd door veel alvers te vangen op half water. Wat de concurrentie ook probeerde, het lukte hun niet om ze ook te vangen. Tot het moment dat zij mijn truc ontdekten. Ik had namelijk een korst brood aan een stuk touw gebonden en dat, verzwaard met een bonk lood, op mijn visstek gegooid. Die korst zweefde dan ca. 40 cm onder de oppervlakte en trok veel alvers aan. Berucht was ook de ‘vete’ die er was tussen Evert Heij en mijn persoon, hij viste met een voor die tijd lange hengel en een korte slag en ik met een iets kortere hengel en een lange slag. De keren dat we naast elkaar lootten werd er strijd geleverd op het scherpst van de snede. Maar dikwijls trok ik met de lange slag toch aan het langste eind, hetgeen natuurlijk weer een reactie van Evert uitlokte.

Gar's dierbaarste trofeeOoit deed ik ook eens mee in een grote wedstrijd van de HSV Alphen in de Gouwe tussen Boskoop en Alphen. Door omstandigheden was ik wat aan de late kant. Ik parkeerde mijn auto aan de B-weg die aan de andere kant van de hoofdweg lag en trok daar mijn blauwe overal aan. Mijn twee buren, die dachten een slaapnummer naast zich te hebben, hoorde ik tegen elkaar roepen: ‘we krijgen vandaag een boertje naast ons, een makkie’! Nog net voor de fluit kon ik mijn spulletjes installeren en ik ging van start zoals altijd …. met de lange slag. Ik heb ze die morgen niet meer gehoord, mijn buren. Bij de prijsuitreiking zag ik ze zitten. Toen ik mijn prijs in ontvangst had genomen (1e in het vak en 3e in totaal) liep ik via de ander kant van de zaal, waar de mannen zaten, terug. Ik kon het niet nalaten om te vragen of ze ook al wat hadden uitgekozen.

Dat vissen met de lange slag heb ik mij door de jaren heen eigen gemaakt, het maakte niet uit of het stroomde of niet. Later toen de hengels 11 meter en langer werden, viste ik bijvoorbeeld nog steeds met een 8 meter hengel en een slag van 4 meter,Serie GAR-dobbers zodat ik nog even ver viste als de rest. De dobber stelde ik af met een opgerold stukje bladlood en slechts één piepklein stukje lood als verklikker. Dat loodje peilde ik altijd af op de bodem, zodat ik bijna altijd startte met de onderlijn op de bodem. De dobbers die ik gebruikte maakte ik zelf, hier neem een paar van die juweeltjes mee, kan je ze eens uitproberen. Uiteraard kan je ze niet vergelijken met de hedendaagse dobbers-van-de-kampioenen, maar het maken van die dobbers, dat vooral in wintertijd gebeurde, was toch een mooi verlengstuk van je hobby.

Gar, het was een publiek geheim in die tijd dat jouw lokvoer gebaseerd was op geweekt oud bruin brood gemengd met notenmeel. Dat klopt en ik maakte er een gewoonte van om er een flinke scheut melasse door te gooien. Die melasse haalde ik hier bij een boer, had ik voor een paar kwartjes een vat vol. In de viswinkel betaalde je al gauw een knaak voor een liter. De meelsoorten die ik gebruikte kocht ik bij een maalderij in Bodegraven – met zo’n baal deed ik soms wel twee jaar – en koekjes- en wafelmeel haalde ik bij de bakker. Ik mengde alles zelf, eigenlijk heb ik nooit kant en klaar voer gebruikt. Alleen in het allereerste begin gebruikte ik Justus, maar dit was een soort gemeen goed, half vissend Nederland voerde ermee. De kwaliteit van Justus was in die tijd zo goed dat je het bijna zelf kon eten.

In de beginjaren visten we in de verenigingswedstrijden nog met bloedworm. Die kochten we niet hoor, dat was veel te duur, we gingen ze zelf zoeken en weet je waar? In de (nieuw gegraven) singels in Waddinxveen. Natuurlijk visten we veel met een deegje en vooral met maden. Later toen het vissen met casters in zwang kwam ben ik dáár mee aan de gang gegaan. De casters maakte ik doordeweeks zelf. Ik vind de Oude Rijn bijvoorbeeld een heel goed casterwater.

Bij iedere vereniging is er wel een mannetje die je van alles wijs kan maken, zeker als het over voersamenstellingen gaat. Zo was er bij de VWP één die heel nieuwsgierig was naar waar wij zoal mee voerden. Gemalen pinda’s was ons advies, lekker vet en het werkt goed. Dat het maar 5% van de totale hoeveelheid voer moest zijn, vertelden we natuurlijk niet. Goede raad was duur, dus de volgende wedstrijd had de man een lekker voertje gemaakt van ….. gemalen pinda’s. De hele wedstrijd lag er een olievlek op zijn stek en vis heeft hij die morgen nooit gezien.

Ondergetekende schuift Gar een aantal oude uitslagenlijsten van de Federatie Randstad uit 1979, 80 en 83 onder de neus. Op twee lijsten staan we beide bij de eerste 25 (10% van totaal deelnemers), waardoor deelname aan het NK een feit was. Eén van die wedstrijden won Gar Gar's prijzenkastzelfs. Op de derde lijst staan we gebroederlijk onder elkaar als 26e en 27e, hier vielen we dus net buiten de boot. Gar is 2x geplaatst voor het NK en 1x voor de nacompetitie. Hier doet uw schrijver niet voor onder: 7x NK en 1x nacomp. Met plezier denkt Gar terug aan die wedstrijden, zo ook aan de Ring Zevenhuizen. Ook bij deze wedstrijden zaten we dikwijls in elkanders vaarwater, beide werden we minimaal 1 keer winnaar.

Bij HSV Moordrecht is Gar 17x kampioen geworden, een goede reeks te meer omdat er jaarlijks maar één competitie is. Door de jaren heen is er altijd veel concurrentie geweest, denk maar aan Nic Blom, Gerard Vos en John van Uunen. De laatste jaren is er een nieuwe lichting opgestaan. Jongens als Erik Faas en Ron Hofland vissen veel meer en zijn zeer allround, kijk alleen maar eens naar hun spullen. Ik mocht een keer met Erik meerijden naar de wedstrijd van de Besturendag van de Federatie. Op de achterbank was nog net een plaatsje vrij, al moest ik de heen- en terugrit wel met een viskoffer en een emmer op mijn schoot zitten. Het was wel de laatste keer dat ik een verre wedstrijd deed.

Zoals gezegd vis ik tegenwoordig mijn wedstrijdjes nog met het ouderenclubje. Gezellig joh, elke wedstrijd een paar eurootjes lappen en een ieder heeft jaarlijks minstens één keer prijs. Blijf hier van genieten Gar en bedankt voor het gesprek.

Naar boven

Wim Hoogerdijk, een pikeur in het vissen op aantal

Wanneer heb je voor het laatst gevist Wim? Nou, dat zal afgelopen december geweest zijn op snoekbaars in het Stroomgemaal bij Gouda. Een prachtig stuk water dat gepacht wordt door de Zuid Hollandse Hengelaarsvereniging en dat bewaakt wordt door de milieupolitie. Ik had die morgen één mooie snoekbaars en nog een kleintje. Witvissen doe ik tegenwoordig nog sporadisch, maar heb ik vroeger heel veel gedaan. Behalve snoekbaarzen vis ik nu ook regelmatig op zee op kabeljauw, veelal in de zomer in Denemarken bij mijn jongens op de camping.

Uw schrijver is te gast bij de familie Hoogerdijk, waar de vrouw des huizes de fotoboeken al heeft klaar gelegd. Onder het genot van een kop koffie halen we oude koeien uit de sloot. Wim is inmiddels 74 jaar en blijkt een hartstochtelijke verteller. In de jaren 60/70 was hij een verwoed wedstrijdhengelaar die menig prijsje inpikte. Was jij ook betrokken bij de oprichting van de Waddinxveense Hengelvereniging op 27-8-62? Nee, maar mijn broer Ries wel, hij was de eerste voorzitter. Ben zelf in 1965 lid geworden, omdat ik toen pas de smaak van het in verenigingsverband vissen te pakken kreeg door de wedstrijdjes van Kempkes, het bedrijf waar ik toen werkte. Maar ik viste al veel eerder hoor.

Op mijn 5e verjaardag kreeg ik van mijn moeder een hengel, dat was een stok van een meter of vier uit één stuk, gekocht bij boekwinkelBrasems voor de maaltijd Noteboom, deze zaak verkocht ook hengelspulletjes. We woonden toen aan de Gouwe ter hoogte van de vroegere Houtwerf en –handel Zwarts en Verzijden en ik kon voor het huis vissen. Omdat mijn moeder wel wat anders te doen had dan de hele dag mij nalopen, ik was de jongste van 8 broers en 3 zusters, bond ze me met een touw vast aan de stoep op een manier dat mocht ik vallen ik net niet in het water kon komen. Mijn broers visten ook allemaal, dus je begrijpt wel dat er op die manier altijd brood=vis op de plank was. Er werd net voor en na de oorlog veel zelf gevangen vis gegeten, er was ook altijd vis voorhanden. Gevangen snoeken bijvoorbeeld werden met een touw door de kieuwen vastgelegd aan een spijker in de stoep. Op die manier bleven ze maanden in leven. Het kon zo maar gebeuren dat een buurvrouw voor de avondmaaltijd om een visje kwam vragen, ‘het hoefde geen grote te zijn hoor’!

Van 1965 tot 1977 heb ik aan de wedstrijden van de HSW meegedaan, in die periode ben ik een keer of 5 kampioen geweest. Als kampioen mocht je aan de Federatie wedstrijden meedoen, op die manier heb ik mij 3x voor het NK weten te klasseren. Naselectie wedstrijden o.i.d. waren bij mij nooit aan de orde, ik had ze trouwens toch niet meegevist omdat je destijds maar 15 gulden (reis)vergoeding kreeg. Tel daar nog eens het verhaal ‘bloedworm’ bij op en de demotivatie is compleet. Een liter bloedworm kostte in die tijd ook 15 gulden en daarom viste ik er nooit mee, maar je was natuurlijk wel altijd wel in het nadeel. Heb ooit in een wedstrijd eens tussen Rein van Rutten en Arie den Iseger gezeten. Behalve goede vissers waren dat ook zakenlui die zich gemakkelijk een paar liter bloedworm konden permitteren. Nou ik heb die morgen geen schub gevangen.

Op het erepodiumUit betrouwbare bron heb ik vernomen dat je een pikeur was in het vissen op aantal. Won je daar ook de competities mee? Er was in die tijd in de vereniging maar één zomercompetitie, die op punten werd gevist, de wintercompetitie kwam veel later. Het was in feite een ‘alle maten’ competitie. Maar door grote aantallen kleine vis te vangen had je meeste kans op de overwinning. Er werd toen veel meer voorn gevangen dan brasem en door jezelf toe te leggen op het vangen van dat kleine spul kon je wel eens een klapper maken. Ooit heb ik er eens 275 stuks in één wedstrijd gevangen. Omdat anderen er ook een houtje van konden, ik noem mijn broer Ries, Ben van As en Jan van Egdom, was je altijd actief bezig om de concurrentie achter je te houden en dat zorgde weer voor een gezonde spanning aan de waterkant. Natuurlijk werd er ook wel eens gedold en soms werd de koploper ook wel uitgedaagd. Op een laatste wedstrijd van één van de competities aan de Otweg nam Ben van As, die toen tweede stond, een fles drank mee. ‘Op dit water pak ik je en om je te troosten krijg jij dan die fles’, zei Ben. Maar helaas voor hem won ik die wedstrijd en dus ook de competitie. Naar die fles kon ik natuurlijk fluiten, uit nijd heeft Ben de inhoud zelf maar op gedronken.

Op de jaarlijkse herfstdagwedstrijd deden soms meer dan 45 hengelaars mee. In de pauze werd er dan afgefloten en in een nabij gelegen café of restaurant werd dan op koffie getrakteerd. De hengelspullen werden simpelweg aan de waterkant achtergelaten, toen kon dat nog. Omdat iedereen prijs had waren dit meer gezelligheidswedstrijden waar het spanningselement op een lager pitje stond. Persoonlijk voelde ik meer voor de spanning en de strijd van de competitiewedstrijden.

Had je een bepaald voerrecept en maakte je het voer nog op een bepaalde manier aan? Mijn (basis)voer bestond uit broodmeel. Ik verzamelde oud brood en liet dat drogen. Daarna rolde ik het met een fles plat, waarna ik het in een gehaktmolen tot meel maalde. De enige toevoegingen die ik gebruikte waren leem, voor als het water stroomde en melkpoeder met een druppeltje anijs als het om torren pikken ging. Ik voerde meestal op 3 plekken, dicht onder de kant met luchtig voertje, iets steviger op 3 meter en een paar balletjes wat verder weg tot maximaal 7-8 meter. Ooit heb ik me eens – maar nooit meer – laten verleiden door een zak bloedmeel te kopen. Aan de waterkant vermengdeConcentratie, heel belangrijk ik dat dan met het voer en volgens menig visser zou dat succes moeten brengen. Nou het werd helemaal niets, alleen maar één grote stinkzooi en een vliegen, nee verschrikkelijk.

We visten altijd met de lange slag waardoor je makkelijk met deeg of met een broodvlok kon vissen. In een later stadium gingen we kleine maden gebruiken voor de kleine vis. Het vangen van maatvis kon je beïnvloeden door met een vlok te vissen en in de winter visten we ook veel met smeerkaas. Een dotje Rubiver in die tijd deed ook wonderen. Ik viste voor die tijd al erg dun, altijd met 10/00 nylon van Extra Strong en met een klein haakje als het om de kleine vis ging. Omdat je met een lange slag viste hoefde je niet af te steken, trouwens van de manier waarop lange hengels tegenwoordig worden afgestoken hadden we toen nog nooit gehoord.

Op zondagmorgen gingen Jan, Ries en ik samen weg om te vissen, dat was vaste prik. Als vervoermiddel gebruikten we eerst de (brom)fiets en later gingen we met het autootje, bijvoorbeeld naar de Drecht. Onderweg net voorbij Rijnsaterswoude wisten we een mooie boerensloot, waar je dikwijls hele mooie voorns kon vangen. Hier stopten we dan en maakten een kort hengeltje klaar, Ries was daarin altijd het snelst. Met de auto naar een grote wedstrijdBinnen 5 minuten na amper te hebben gepeild gooide die de dobber al in, nadat hij een paar grepen voer verspreid op het water had gekletterd. Dit ritueel herhaalde hij telkens 10 meter verder als de vorige plek geen vis opleverde. Jan en ik peilden op ons gemak de dobber uit en gooiden van tijd tot tijd een klein balletje luchtig voer. Na enige tijd geduldig wachten kwam er dan wel een schooltje voorn op het voer en daar zaten hele mooie exemplaren tussen. Om beurten vingen we vis en riepen dan tegen elkaar ‘daar komt weer zo’n knoerd’, waarna Ries als een haas naar één van zijn eerdere stekken rende om daar (tevergeefs) zijn geluk te beproeven. Soms vingen wij óók niets maar spetterden gewoon op het water net of we weer een zo’n knijter hadden en daar kwam Ries weer aangevlogen. Ook in de Drecht kon je destijds van die grote voorns vangen. Als er dan wrakhout in het water dreef, haalden we zo’n plank er uit en zetten deze schuin voor ons in het water, waardoor je de grote voorns heel gemakkelijk tegen de plank op kon trekken zonder ze te hoeven scheppen.

Op onze vistochten deden we soms ook de Dordtse Kil aan. Om de beste stekken te bereiken moest je voorbij Dordrecht over een wirwar van landweggetjes naar de westzijde van het water rijden. ’s-Morgens in de vroegte kon je daar geen hand voor ogen zien, laat staan op mistige dagen. Als het echt potdicht zat is het wel voor gekomen dat Jan vóór de auto uit moest lopen vanwege het gevaar om via de berm in de sloot te belanden. Aan de Kil visten we op de keien met een 6 meter stok en een even lange lijn, de dobber schoven we na het peilen 60 cm omhoog. Als je dan in dan aan het eind van de drift afremde kwam het aas omhoog, waarna dikwijls de beet volgde. Met de broodvlok of met smeerkaas hebben we daar menig dikke voorn op de kant geslingerd. Eigenlijk gek dat je toen weinig brasem ving.

Aan de Kil visten we nog wel eens een wedstrijdje en het was ook daar dat we geconfronteerd werden met een poging om met de vangst te frauderen. Na afloop van de wedstrijd werd aan de waterkant de vis van elke deelnemer met het kantnummer in een aparte plastiek zak gedaan en dicht gebonden. De hele vangst werd vervolgens opgehaald en in het gebouw waar de prijsuitreiking was gewogen. Toen we later bij de prijsuitreiking de diverse zakken met vis nog eens aan een nadere controle onderwierpen zagen we dat er in sommige zakken wel verdacht veel grind zat!! Dit zijn praktijken die tegenwoordig natuurlijk niet meer kunnen, evenals het meten van kleine vis die gedurende de wedstrijdtijd in een emmer verbleef. Het spoor van dode visjes dat na het meten achterbleef was slechte reclame voor de hengelsport. Frauderen is overigens van alle tijden, meer malen heb ik een poging daartoe aan de waterkant aanschouwd. Zo was er ooit eens een deelnemer aan een wedstrijd in de Gouwe aan het Lege End die drie brasems ter weging aanbood. Op zichzelf natuurlijk niet vreemd, ware het niet dat het water daar zo smerig was, het stonk helemaal, dat er geen vis te vangen was. Slechts het vangen van een enkel klein visje behoorde tot de mogelijkheden. Toen bleek dat die brasems zo stijf als een plank waren, viel de deelnemer natuurlijk wel door de mand. Ook heb ik meerdere malen bemerkt dat vissers vis bij elkaar in het net gooiden om zodoende de vangst van een vriend of familielid op te krikken. Met dit soort praktijken daalde het animo om aan wedstrijden mee te doen.

Tegenwoordig vis ik zoals gezegd veel op de paling of op snoekbaars en net als bij het witvissen bepaalt hier de afmetingen van het aas de grootte van de vangst. Grote paling vang je altijd aan een groot visje en grote snoekbaars vang je ook dikwijls met groot (kunst)aas. In Denemarken hechten we bovendien veel geloof aan het vissen met rood kunstaas. Naar mijn mening leidt het gebruik ervan naar betere vangsten. Als er weer eens een rode kunstvis wordt verspeeld, dan gaat veelal mijn vrouw naar de plaatselijke Deense hengelsportzaak om onze voorraad kunstaas op peil te brengen. Wat dit artikel betreft hebben we die winkel al aardig leeg geplunderd.

Zo op het scheiden van de markt schiet me nog een aardig voorval te binnen. Begin jaren 60 wilde mijn zwager uit Amsterdam eens een keer met mij gaan snoeken. We ontmoeten elkaar de bewuste morgen ergens aan de Ringvaart en reden samen verder richting Aalsmeer. In de Nieuwe Meer, een plas gelegen aan de Ringvaart, huisden enorme snoeken en dat kwam goed uit want we hadden enkel maar maatvoorns als aasvis bij ons. We huurden een bootje en lieten ons langzaam door de wind vooruit dobberen. Na enkele uren zonder enige beet werd ineens de lijn strak getrokken. Ik tikte aan en aan de andere kant van de lijn hield een groot gevaarte de zaak aan de grond. Heel voorzichtig begon ik de lijn binnen te draaien, maar het beest was zo sterk dat hij zonder pardon de andere kant uit zwom en ons met boot en al mee trok. We keken elkaar eens aan en wisten op zeker dat dit geen snoek was, zelfs geen één boven de meter. We dachten eerder aan een monster die misschien al jaren op deze plas rondzwierf. Mijn zwager had een plan. Als jij de lijn nou weer langzaam binnen draait, zal ik dat beest met een mes proberen kalm te krijgen. Zo goed en kwaad als het ging draaide ik weer binnen en wond de laatste meters lijn om mijn hand om meer kracht te zetten. En ineens was er die ontzettend grote muil boven water, mijn zwager bedacht zich geen moment en hakte met het mes richting monster. Maar in plaats dat hij het beest raakte sneed hij de lijn door en weg was ons monster. Met knikkende knieën zaten we elkaar verschrikt aan te kijken, geen van beide had nog zin om door te vissen. Toen we een uur later bij de bootverhuurder ons verhaal deden, nam hij ons mee naar een schuurtje waar enkele tafels en stoelen stonden, zodat de vissers daar na afloop nog een kop koffie konden drinken. Aan de wand hingen een aantal foto’s, hij wees er één aan en vroeg: ‘lijkt dat beest hierop?’. Ja dat was‘m precies. Nou dan hebben jullie een meerval aan de haak gehad, er zwemmen hele grote in dit meer. Wij hadden nog nooit van deze vissoort gehoord, maar wisten vanaf dat moment zeker dat we hier geen angst meer hoeven te hebben voor eventuele monsters.

Wim, heel hartelijk bedankt voor je mooie verhalen en voor het gesprek, het was heel gezellig. Blijf van het vissen genieten.

Naar boven