KHOMEhomepage
Doop uw feniksveer in drakenbloed
Tais Tengs wijze raad aan toekomstige collega's

Dit zijn de columns die ik voor Pure Fantasy geschreven hebt en vrij bruikbaar voor beginnende fantasy-schrijvers




 
 
 
 
 
1.Magie, pentagrammen en ware namen
 
Jij wilt dus een fantasy-roman schrijven? Niks mis mee: je had ook voor het smokkelen van Equadoriaanse dwergalligators kunnen kiezen of persagent van Britney Spears kunnen worden.
Sommige van mijn beste vrienden zijn fantasy-schrijvers. Bij wijze van spreken dan.
Laat ik je om te beginnen een hart onder de riem steken: wat zure critici ook beweren zo’n tachtig procent van de mensheid zal jouw boeken niet als wereldvreemde verzinsels maar als fel realistische romans beschouwen. De meeste mensen weten namelijk heel zeker dat onder een ladder doorlopen op vrijdag de dertiende fataal is, dat er elfjes in hun achterhuis dansen en dat er in elke waterput een djinn huist. De zon is een brandende rots, of een wel erg grote gloeilamp die om de aarde draait, terwijl de aarde zelf overigens pas zesduizend jaar geleden door een man met een lange witte baard geschapen werd.
Vraag maar aan de president van de verenigde Staten (wie het ook is)  of meneer B. Laden. Je ziet het, je potentiële lezerspubliek is enorm.
In elke fantasy-roman komt magie voor.
Nu heeft magie raar genoeg vaste regels: rondzwaaien met je ebbenhouten staf en willekeurige woorden schreeuwen werkt niet. Al zijn dorpelingen van Putten tot Kabhul maar al te bereid je te stenigen als er een demon komt opdagen.
Bij Griezelgenootschap (alle griezel is trouwens fantasy zolang er niet al te veel kettingzagen en bloederige hakbijlen in voor komen) hadden we een duidelijke rolverdeling: Paul van Loon ging over vampiers en weerwolven, Ton van Reen over kollen en spookverschijningen uit de zuidelijker provincies terwijl ik mij specialiseerde in historische en buitenlandse magie. In wat voor hel belandde een eskimo die een zeehond in zijn eentje opvrat en niet met de rest van zijn dorp deelde? Hoe vervloekte een oplettende Romeinse burger zijn buurman? Hoe maakte je het uit met een spookvosmeisje zonder met een afgebeten strot op je tatami te eindigen?
Teng weet raad .
Laat ik het wat traditioneler brengen: 'Listen, son...' De magister blies een blauwe rookring uit die naar vermiljoen verschoot om als een zwerm gonzende horzels te eindigen . 'Listen son, er zijn twee soorten magie. Bij de eerste soort magie tover je niet zelf. Je hebt de hulp van een wezen nodig dat om te beginnen al magische is. Een engel,  een djinn, een duivel.
Bijna alle Christelijke en Islamitische magie berust op dit principe. De Lyonesse-trilogie van Jack Vance is hiervan een prachtig voorbeeld: daarin wordt alle magie geleend. Je kunt als heks beleefd en nederig om hulp vragen, kortom bidden. Je moet dan maar afwachten of dat enig resultaat oplevert.
Handiger is het om zo’n figuur op te roepen en hem te dwingen om je te helpen.
Deze magische wezens zijn zonder uitzondering levensgevaarlijk en waarschijnlijk aanzienlijk machtiger en intelligenter dan jij. Er is echter een basistruc: zodra jij Zijn ware naam te weten komt, krijg je macht over Hem. Absolute macht. Dit principe geldt trouwens ook in onze maatschappij: wie jouw pincode kent en dus jouw 'ware' naam kan je rekening plunderen.
Toch maar proberen. Je roept een demon op met Zijn ware naam, Hij verschijnt in je studentenkamer en scheurt je aan stukken .
Opes, pentagram vergeten…
Als je pech hebt, blijven al die stukjes doorleven. Tienduizend jaar. In een speciaal voor jou geschapen hel.
Ja, kinders, voor het oproepen van een demon is zijn ware naam genoeg, om hem te binden heb je veel meer nodig: je moet zijn voorouders opsommen als je pech hebt tot in het 666ste geslacht, al zijn attributen en heel precies vertellen wat je van Hem wenst.
Heel precies: vraag niet om een berg goud. Waarschijnlijk bezorgt Hij je die als een inslaande planetoïde met jou op ground zero.
Tovercirkels dienen om je de tijd te geven heel dat verhaal af te steken.
Het kunnen zeskantige sterren, pentagrammen of met maagdenvlies getrokken cirkels of desnoods een kring zwammen zijn. Vaak schrijf je op de hoekpunten onderdelen van Zijn ware naam. Wat ook helpt, is de naam van Zijn baas of zijn aller- grootste vijand op te schrijven. Als je geen spelfouten maakt, verschijnt de demon en kan Hij niet buiten de cirkel stappen.
'Gargamel ' galm je bijvoorbeeld 'zoon van de kol van Ruigoord en Antonio de Ketellapper, Plaag der Smurfen, katten- brokkenstrooier van Azrael, zorg dat het meisje (of de jongen) van de kamer boven mij verliefd op mij wordt of ik...'
Je begrijpt het principe. Deze vorm van magie berust volkomen op dwingen en bedreigen: in magisch opzicht heb je zelf geen enkel talent nodig en een toverboek is in dit geval niet veel meer dan een soort telefoonboek (net een lange lijst namen en mythologische roddels.
Bij de andere vorm van magie komt het op je eigen talent en kunde aan.
De Eerste Wet van Magie luidt: een deel blijft altijd met het oorspronkelijke geheel verbonden.
Als jij bijvoorbeeld een enkele haar van je rivale in handen weet te krijgen, heb je macht over heel haar lichaam. Je kunt een rattenvacht op haar benen laten groeien, alle krullen uit haar golvende tressen strijken. Hetzelfde geldt voor een huidschilver (magische eczeem en steenpuisten) of nog beter: een druppel bloed.
De Tweede wet luidt: de afbeelding is hetzelfde als het afgebeelde. Een portret of borstbeeld van iemand geeft je macht over hem.
Misschien begrijp je nu waarom die tapijtverkoper in Nairobi zo woedend werd toen je een foto van hem nam? Een afbeelding blijft altijd een deel van iemand: met je ‘klik’ stal je een stukje van zijn ziel en probeerde je hem tot je slaaf te maken .
Een mooi voorbeeld van het omgekeerde effect is The picture of Dorian Gray, waarin de hoofdpersoon een schilderij van zichzelf oud en verlopen laat worden, terwijl hij persoonlijk jong en knap blijft.
Een moderne magister zou waarschijnlijk met de DNA-code van zijn slachtoffer werken. Een betere afbeelding kan een zwarte magiër zich amperwensen.
De derde wet luidt:  iemands naam is identiek met de persoon zelf. Bij het oproepen van de demon hadden we al Zijn ware naam gebruikt, Zijn geheime magische naam.
Deze wet gaat iets verder: alle namen en beschrijvingen geven je macht over je slachtoffer. Dit principe geldt ook in onze eigen maatschappij: vervang 'naam’ door 'reputatie'. Roddel is niet anders dan zwarte magie waarbij je iemand een nieuwe, vernietigende naam geeft. Jaap de wanbetaler, Achmed de snelheidsduivel, Anneke de winkeldievegge.
Het hoeft niet eens een juiste beschrijving te zijn, zolang er maar genoeg mensen geloven dat het waar is. Goden hebben hetzelfde probleem: als genoeg aanbidders de god Hephaistos, Hephaistos Hinkepoot noemen, gaat hij vanzelf met zijn been slepen.
Laten we onze kennis eens toepassen op je buurman Bennie die vorige week nog met zijn pas gestolen Harley dwars door je kruidentuin met rozemarijn, thijm en dollekervel scheurde en om half drie is nachts cd's van André Hazes draait.
Met een voodoopoppetje kunnen we alle principes tegelijk toepassen. We maken een mooi leren jasje, kneden een poppetje van was en zetten dat op een plastic motortje van hetzelfde snerk (Wet 2: de afbeelding is hetzelfde als het afgebeelde). Op het hoofdje plakken we een haar en smeren
spuug op de buik. Handig toch dat hij zo vaak op je stoep fluimde? Een nagel wil ook wel lukken. Bennie knipt ze nooit, maar bijt ze af terwijl hij voor zijn huis naast een kratje pils zit te boeren. (Wet l : een deel blijft altijd met het oorspronkelijke geheel verbonden). Vervolgens schrijven we zijn naam met rode inkt op zijn blote buik plus wat toevoegsel als Benny de zuipschuit, de fluimer, de brulaap. (Wet 3: iemands naam is identiek niet de persoon zelf). Ons poppetje is klaar en het is in feite je buurman zelf geworden. Alles wat het poppige overkomt, zal hem overkomen.

Eens kijken: als je nu dat haartje eens uittrok, het poppetje vervolgens in de vriezer legt en daarna in de magnetron. Laten we het anders zeggen: als je geen fouten gemaakt hebt, zou het mij bijzonder verbazen als je ooit nog last van je buurman krijgt.
Een kleine waarschuwing: voer dit alleen onder deskundige begeleiding uit.


2. Wonderbaarlijke wereldkaarten en nog vreemdere volkeren

Vooral van de demonen kreeg ik complimenten over mijn vorige artikel waarin ik aandrong op een wat realistischer gebruik van zwarte magie. `Vooral die lekker eigenwijze fantasyschrijfsters smaken heerlijk!’ mailde er eentje met vurige letters op mijn behang.  `Alles meteen zelf proberen, maar je aanwijzingen goed doorlezen, ho maar! Ga zo door, Teng!’
Altijd leuk als lezers je waarderen.

Zoals de titel al doet vermoeden, wil ik het eerst over wonderbaarlijke wereldkaarten hebben.
Zonder kaart is een fantasyroman nogal onaf:  sterker nog, het is eigenlijk geen echte fantasyroman.  Je zou bijna denken dat de schrijver alles uit zijn duim gezogen had.
Veel fantasykaarten zien er helaas nogal hetzelfde uit.
Om te beginnen heb je de havenstad in de monding van de grootste rivier. Het mag ook een kasteel zijn, maar een stad is beter. De held of heldin komt uiteraard van het platteland, maar wie niet in een wereld met zo weinig steden?
(Tip 1: zet flink wat steden neer. Heerlijk decadente volkeren zijn veel interessanter dan edele ridders, boerenzonen en tovenaars met lange, witte baarden.)
Voor de kust liggen slierten eilanden: daar huizen over het algemeen piraten, maar het kan ook een verlicht  en wijs volk zijn,  in het bezit van magische gaven.
Uiterst noordelijk zitten de barbaren om hun turfvuurtjes te rillen terwijl ze op stokvis knagen: bedroevend vaak vikingklonen. Fafhrd kwam er vandaan en niks slechts over vikings, maar probeer alsjeblieft iets nieuws in de fjorden en tussen de ijsschotsen neer te zetten.
(Tip 2: Eskimo’s hadden een verdraaid ingewikkelde mythologie en minstens even veel goden als de Noormannen.)
Achter de stad stuit je al vlot op een bijzonder dicht oerbos. Hier wonen bijna zeker elfen. Alleen als ze uitermate gemeen, doortrapt en sluw zijn, minimaal van het Loki-Coyote,-Odysseus-kaliber is, vormt dat geen bezwaar.
Voorbij het bos rollen de steppen en toendra’s naar een schier oneindige en mistige horizon. Daar trekken de nomaden met hun kleine, maar taaie paarden door een oceaan van ruisend gras.
(In “De gunsteling van Sedna” hadden de nomaden hun eigen steden; tenten en koepels die uit tienduizenden paardenhuiden en mammoetvachten genaaid waren en zich op enorme, honderd wielige wagens door de toendra bewogen.)
Door het hart van de kaart slingeren zich bergketens: Andessen en Rocky Mountains op Alpen gestapeld, met hier en daar een rokende vulkaan. Op hun pieken en ijzige toppen besluipt de jager op groot wild trollen en draken, jagen barbaren op harige ijsadders.
In de betere fantasyromans ligt aan de andere zijde van de wereld nog een extra vasteland, met culturen die volkomen anders en vaak exotischer zijn dan die van held en heldin. Thuis eet je roggenbrood maar wat je van ver haalt, is toch lekkerder.

Het rare is dat het soms werkt, zo’n landschap dat al helemaal cliché is. Een van de allerbeste fantasy-reeksen,  “A song of ice and fire”, gebruikt juist dit soort landschappen, inclusief nomaden en getver, koningen en ridders. De boeken zijn alleen zo goed, zo realistisch en plastisch, geschreven, dat het er niets toe doet.
Ik krijg zelfs het idee dat de schrijver hier expres voor gekozen heeft, als een soort persoonlijke uitdaging.
Het kan dus goed gaan, zo’n standaardomgeving, maar, om met MTV te spreken, Don’t try this at home... In ieder geval niet voor je minstens even goed bent geworden als George R. R. Martin of Jack Vance.
`Hoe moet het dan wel, eh, eh, meneer Teng?’ vraagt de oplettende lezer terwijl hij met een klauw in mijn borstbeen port,  `vertel me dat dan eens even, zeurpiet?’
Prima, eerst  even een paar fantasy-omgevingen uit mijn eigen werk.  Ik vind het vaak interessanter om onze wereld als uitgangspunt te nemen, maar daar zaken radicaal aan te veranderen.
Mijn vreemdste kaart komt uit “Duizend eilanden ver”

Bij de eerste blik komt de kaart je vast vagelijk bekend voor, al zal het even duren voor je ziet waarom.
Dit is Nederland, maar een Nederland, waarin het al eeuwen absoluut taboe is om dijken te bouwen. Wat je ziet, is een immense waddenzee met letterlijk duizend eilanden.
Een van de leukste onderdelen was het verzinnen van namen: ze moesten Nederlands klinken, maar toch niet herkenbaar zijn.
Het hielp ook dat Friesland (Fryslan) in die wereld de belangrijkste provincie is. Mooie taal dat Fries.
Duizend eilanden is een volbloed fantasywereld: ze hebben een magie die van origami afgeleid is. Met de Japanse kunst van het vouwen kunnen ze letterlijk complete galjoenen uit een sigarettenvloeitje vouwen. Witte haaien hoeden kuddes zeekoeien, akelige religieuzen die schepen laten vergaan om hun hemelhoge toren van wrakhout te voltooien. Dat soort werk.
In de roman die ik op het ogenblik aan het schrijven ben, “De Grijns van de Djin”, overkomt onze ongelukkige wereldkaart iets nog ergers.
Het is de achtste eeuw en de god Loki heeft Karel de Grote de wereldboom om laten hakken.  (met koning Arthurs zwaard. Waar anders mee?’) De Ygdrassil, die hemel en aarde bij elkaar houdt is neergestort en ligt breeduit over de wereldkaart. Haar stronk is in Saksen, haar bladerkroon in Bagdad.
De wereldboom is onzichtbaar voor gewone mensen. Als je echter overstapt naar de Andere Wereld, is de stam bijzonder aanwezig: hoger dan de hoogste bergketens. Met bladluizen, spechten en eekhoorns van overeenkomstig formaat.
Op weg naar Bagdad moeten mijn hoofdpersonen de Middellandse Zee oversteken, die onbevaarbaar is, dankzij hordes Saraceense piraten. Een van de takken strekt zich echter van kust tot kust uit....
Op  zo’n kaart moet je dus twee werelden door elkaar afbeelden: onze eigen wereld scherp, de stam van de Ygdrassil als een schaduw. Omdat zo’n kaart ook Elfland weergeeft, heb je niet alleen steden als Paris, Samarkand, Bagdad, maar ook Avalon en Irem, de stad van de djins.
Een absoluut vreemde kaart levert “The Universe Of Tiers” op, van P. José Farmer. Daar zit een hele stapel landen, elk zo breed als een continent,  als stenen pizza’s vastgestoken op een spies.
Of neem de wereld van Holly Lisle. Uit alle kustlijnen zijn enorme cirkelvormige happen genomen. Overal ronde meren. Dan zie je het : kraters.
Magie was daar een paar duizend jaar eerder zo krachtig geworden, dat spreuken de kracht van waterstofbommen kregen. Toen brak er een oorlog uit.

Prima, graag kaarten dus in jullie boeken, maar alsjeblieft kaarten waar ik eerst een tijdje met mijn ogen voor moet zitten te knipperen.

`En nog vreemdere volkeren’ was de rest van de titel.
Er is niks mis met elfen, dwergen en draken. Of eigenlijk wel, als je er niets origineels mee doet.
In “Gestolen Zielen” (Attentie uitgevers! Nog ongepubliceerde fantasyroman van T. Teng!) dacht ik eens na over dwergen. Ik vind dwergen erg saai, bijna even saai als hobbits. Dwergen zijn somber en bedachtzaam, leven minstens even lang als Galapagos-schildpadden en zijn waarschijnlijk even interessante gesprekspartners.
Er begon een alarmbel te rinkelen. In de hele natuur leven kleine dieren immers veel korter dan grote? Ook in een fantasywereld.
Elfen zijn onsterfelijk. Dat mag: ze zijn meestal een paar koppen groter dan mensen en nectar en morgendauw vormen vast een uitgebalanceerde voeding.
Mensen leven zo’n jaar of zeventig en in fantasy vaak een stuk korter. Dwergen zijn kleiner dan mensen en toch zouden ze langer leven?
Klets!
In “Gestolen Zielen” zijn ze niet groter dan ratten: ze leven daarom zelden langer dan een jaar of vijf en krijgen allemachtig veel kinderen. Somber en bedachtzaam kun je ook wel vergeten. Het zijn van die echte ADHD-mannetjes, opgewonden standjes die heen en weer stuiteren als rubberballen, met akelig snerpende piepstemmetjes.  Denk aan Tom & Jerry.
`Wij zullen jullie verdrinken in een zee van baby’s!’ is een van hun slogans. `Al jullie trotse torens neerhalen tot heel de wereld mijn en gang is! Steen en duister en nergens zon.’
 Dwergen zijn in evolutionair opzicht ouder dan wij en de elfen en daarom hebben ze nog staarten. Kale rattenstaarten.


 Op dezelfde manier zijn in mijn “Ondierentuin”-boeken eenhoorns zeldzaam bloeddorstige carnivoren en is hun hoorn voorzien van gemene weerhaken. Ze hebben overigens nog steeds een hekel aan mannen.

Misschien nog wat oefeningen om dit stuk te besluiten? Probeer de volgende zaken eens uit te werken en verzin er een verhaal bij.
1. Een wereld waarin magie werkt, verdraaid goed werkt, maar je raakt al je talenten kwijt zodra je begint te puberen.
2. Een wereld waar je niets aan je fantasykaart hebt. Het is een enorme oceaan waarop tienduizenden eilanden drijven.  Elk eiland is het dode rugschild  (zoals zeeschuim bij ons) van kilometers lange inktvissen.
3. Een middeleeuwse wereld. Er is net een vorm van magie ontdekt, die werkt, maar elke nieuwe spreuk krijgt pas kracht  als er genoeg mensen in geloven.  Starten magister reclameacties voor hun eigen spreuken? Spreek welluidend genoeg en je slangenolie geneest lepra inderdaad.

Heel veel van mijn landkaarten vind je op

http://www.granterre.nl

 


3. Hard fantasy

 

Op het Castelefest gaf ik twee workshops Fantasy-schrijven en dat was een bijzonder plezierige ervaring. Alle deelnemers konden heel behoorlijk tot verdraaid goed schrijven. Ze hadden meer dan genoeg fantasie en wisten ook wat plotten was.
Halle­luja, prijs Isis en Astarte!
De meesten waren bovendien jonger dan ik. Ja, jongens en meisjes, Nederland gaat een grootste fantasy toe­komst tegemoet.

Eigenlijk hadden deze collega's mijn goede raad amper nodig. Toch maar de derde aflevering van drakenbloed. Voor de stuk of zes fanta­sy­ schrijvende kleuters, die nog wel wat van me op kunnen steken.

 

Fantasy boeken horen berstensvol fantasie te zitten en op zijn minst verrassend te zijn: helaas schort het daar vaak nogal aan. Prinsen die edel zijn, wijze koningen, tovenaars met lange, witte baarden, dwergen met twee rechterhanden. Bah! is nog te zwak uitgedrukt.

Laat ik het eenvoudiger stellen: als de lezer kan raden wat er in het volgende hoofdstuk gaat gebeuren, dan heeft de fantasy-schrij­ver verlo­ren. Er bestaan talloze vormen van literatuur waarin juist de herkenbaarheid belangrijk is, het alledaagse. Fantasy hoort daar niet bij en mag niet op GTST lijken.

 

Bepaalde romans steken als zilveren vuurtorens boven met mythische landschap uit. DE GOUDEN EZEL van Appuleius, THE IRON DRAGON'S DAUGHTER van Mi­chael Swanwick, METROP­OLITAN en CITY ON FIRE van Walter Jon Williams, THE BUR­NING CITY van Larry Niven & Jerry Pour­nelle.

Voor briesende fans met hun goedendags gaan zwaaien: ik kan er zo nog een stuk of twintig opnoemen. LANARK, GHOR­MEN­GAST, GLORIANA, THE EYES OF THE OVERWORLD, THE BRIDGE OF BIRDS.

Ik stop, het bovenste rijtje is al lang genoeg.

Al deze boeken zijn wat ik hard fantasy noem, compromisloos origineel en als je slimme boerenzonen en zuchtende prinsessen verwacht, raak je de draad halverwege blad­zijde één al kwijt.

Er is steeds sprake van een bijna overweldigen­de  detaille­ring, een krachtig gevoel van plaats en tijd. Een verhaal speelt zich in die ene speciale kamer af, ja, die met de loodglazen vloer waaronder de lijken van schone zelfmoordena­ressen vredig langs dobberen, terwijl haarloze ratten je koelte toewui­ven met libellenvleugels. Zulk soort details, maar dan beter.

 

DE GOUDEN EZEL van Apuleius is nog steeds een van de vijf ­bes­te fantasy en horrorromans aller tijden. Het is een echte roman, proza, geen gedicht zoals de Ilias of het Gilgamesj epos. DE GOUDEN EZEL zit bomvol bloeddorstige en sexy heksen, wande­lende doden en behoorlijk wat humor.

In een van de eerste hoofd­stukken moet een jongen bij een lijk waken om te voorko­men dat de heksen lichaamsdelen stelen voor hun bezweringen.

De dorpelingen doen daar vrij nuchter over. `Onder onze vrou­wen en dochters zitten nogal wat heksen. We hebben liever niet dat ze stukken van lijken afsnijden.'

Hij verdedigt het lijk tegen de heksen die in allerlei vermommingen proberen binnen te dringen. Nadat een wezel hem echter vanaf de vensterbank doordringend heeft aangeke­ken, valt hij in een diepe slaap.

Hij schrikt wakker in het och­tendlicht en controleert meteen het lijk. Met een zucht van verlichting constateert hij dat alles nog aanwezig is: de ogen, de vingers, elke teen.

`Je bent in slaap gevallen,' beschuldigt een dorpeling hem.

De man ontkent dat heftig. `Alles zit er toch nog aan?"

De dorpeling kijkt hem meewarig aan. `Van het lijk bleven ze af. Je hebt ze echter geërgerd. Daarom beten ze jouw neus af, sneden je je oren van je hoofd.'

De man voelt aan zijn neus: hij houdt hem los in zijn hand. De heksen hebben een wassen neus tegen zijn gezicht geplakt.

Wat het boek zo vreemd maakt is dat het door een Romein ge­schreven is: alle emoties en overtuigingen zijn die van een andere tijd, een volkomen andere cultuur.

Een man helpt bij­voorbeeld een aan lager wal geraakte vriend en daarna overkomt hem niets dan rampspoed. Logisch want pech kreeg die vriend niet zomaar. Pech is de straf van de goden en als je daar tegenaan bemoeit...

Apuleius leefde in de tweede eeuw na Christus. Lees het boek en ontdek wat je nog in te halen hebt. (Ik lees het zelf minstens een keer per jaar en hij is nog steeds veel beter dan ik.)

 

TIP 1: gebruik de hoofdpersonen van Apuleius als graadmeter voor je eigen originaliteit: probeer je eigen hoofdpersonen even vreemd te maken, in overtuigingen, in gedrag.

 

THE IRON DRAGON'S DAUGHTER speelt in een fantasy-wereld waar net een massieve industriële revolutie overheen gewalst is. Hun draken zijn levende straaljagers die napalm uitwerpen boven de gouden torens van Avalon. De oeroude elvenbossen worden gekapt om plaats te maken voor rokende schoorstenen.

Het is een ongelooflijk rijk en genadeloos boek, vol verblin­dende geuren en onbeschrijflijke smaken.

Je volgt een mensen­meisje dat uit onze wereld ontvoerd is om drakenpi­loot te worden. Ze begint als kindslaaf in de fabrie­ken, belandt in een universiteitsstad waarin maar een op de tien studenten haar oplei­ding levend tot een goed einde brengt.

Swanwick is met een tweede roman in dezelfde wereld bezig. Aan de stukken te boordelen die al gelezen heb, wordt dat boek nog beter.

 

TIP 2: Swanwick is zeldzaam bedreven in het verzinnen van aansprekende details.  Lees er eens een hoofdstuk op na en noteer elk detail dat je als origineel treft. Ga dan terug naar een van je eigen hoofd­stuk­ken. Streep daar alles weg wat ook in andere fantasy-boeken staat of in onze wereld thuis­hoort en probeer daar Swanwickachtig details voor in de plaats te zetten.

Je hebt bijvoorbeeld een kerk met gebrandschilderde ramen. Niks mis mee maar het kan beter. Elk paneel wordt nu geen stuk kleurig glas meer, maar een plaat van het gestolde bloed van een martelaar of een mytholo­gisch vogel.

 

METROPOLITAN en CITY ON FIRE speelt in een wereld die één reus­achtige stad is. Zelfs de oceanen worden bedekt met drij­vende wijken. De aarde zelf zit gevangen in een reusachtige, ondoordringbare eierschaal, waarvan niemand weet wie hem heeft opgetrokken. Of wanneer.

Het is een oeroude beschaving. Hun geschiedenis gaat tiendui­zen­den jaren terug.

De stedelingen zijn technologisch even ver als wij, maar hun techniek is op Feng Shui gebaseerd en niet op elektriciteit. Feng shui is de Chinese leer van het harmonieus bouwen. Elk gebouw hoort in een bepaalde relatie tot andere gebouwen te staan: de plaats van de deur en de ramen is van groot belang, de vorm van het dak. Feng Shui­ dient om de stromen aardenergie in de juiste banen te lei­den. In deze wereld wordt die aarde­nergie welbe­wust opgewekt en opgeslagen. Alleen kan deze energie heel wat meer dan onze elektriciteit. Stel je een wereld voor met magie uit het stopcontact.

Het is een grotestads-roman en METROPOLITAN heeft eerder een sfeer die bij een hardboiled detective of thriller past dan bij high fantasy.

Net als in het Swanwickboek is er niets zweverig aan. Je vingertoppen strijken over ruw beton. Er is de geur van rot­tende vis, brak water, ozon.

Kijk op uit METROPOLITAN en je eigen wereld komt je schimmig en onaf voor.

 

TIP 3: Ik merkte dat veel van mijn favoriete hardfantasie boeken in een stedelij­ke omgeving afspelen. Als je zelf de neiging hebt al te veel in dorpen of kastelen rond te hangen, probeer dan een stad eens. Een grote. Met minstens een miljoen inwoners.

METROPOLITAN is een goed voorbeeld. Elke wijk is anders, elke bevolkingsgroep. Zet in je eigen stad minstens drie verschil­lende getto's neer. Maak het jezelf dan nog wat moeilijker: je hoofdpersoon is ook zijn eigen wijk van gevluchte inktvistem­mers een buitenbeetje die zingende goudvissen wil kweken.

 

THE BURNING CITY speelt net als de THE MAGIC GOES AWAY in een allemachtig ver verleden, lang voor onze tijdrekening begon. De cultuur is verbluffend hoog. De hele wereld is bekend en bereikbaar. Het is een magische wereld: een magister kan zijn paleis laten zweven, doden tot leven wekken, eeuwig jong blijven.

Alle magie is echter op mana gebaseerd, aan plaats gebonden magie, en die mana is aan het opraken. Magieloze plekken ont­staan, hele landen die niet langer door magische wezens te betreden zijn. Zodra een driehonderdjarige magister daar een stap zet, valt hij tot stof uiteen.

De draken verdwijnen en veranderen in fossiele dinosaurus­beenderen. Een weerwolf doet een afgrijselijke ontdekking: weerwolven zijn wolven die zich in mensen kunnen veranderen. Als de magie faalt, zullen ze voor eeuwig dieren blijven. Net als de dolfijnen, die dachten dat ze zeemensen waren.

Ook dit is een uitgebreid be­schreven wereld. Belangrijk is ook de op magie gebaseerde economie. Zelfs helden moeten een baan hebben en schaarste, of het nu om olie of magie gaat, bepaalt de loop van de geschie­denis.

 

TIP 4: Beide boeken hebben een aangenaam intelligent toontje. De hoofdpersonen voelen niet alleen, ze zijn ook voortdurend bezig met het begrijpen en manipuleren van hun omgeving. In deze boeken is er geen noodlot, zijn er geen wijze goden of lotsbe­stemmingen, maar slimme mensen die vast van plan zijn iets van hun leven te maken.

 Als je eigen hoofdpersonen iets te veel in de greep van een onwrikbare lotsbestemming zijn, geef ze dan wat geldzorgen of eenvoudige hebzucht. En `held' geldt niet als beroep.

 

Verzin ze en denk erom: vijftigeurobiljetten met de beeltenis van Oberon veranderen bij het eerste hanengekraai in dorre eikenbladeren.


 

 

4. Over nare huiskabouters in Ikea-kasten en andere vormen van inspiratie

 

Gewone mensen, je weet wel, van die rare lui die zelf nooit een verhaal schrijven, en ja, ze bestaan echt, zulke figuren dus, herken je al aan hun eerste vraag: `Waar haal je je inspiratie toch vandaan?'

Het klinkt een beetje beschuldigend vaak. Zo van: als ik zulke ideeën had, nou dan zou ik beslist veels betere boekies schrijffu as die meneer Tolkien of die Potter dame.

Aspirant-schrijvers stellen mij een heel andere vraag: Hoe moet ik een boek beginnen? En wat eigenlijk nog belangrijker is: hoe kom ik aan een einde?

Goed dat jullie het vragen.

Oom Tais leunt in zijn lederen fauteuil achteruit en vouwt zijn handen onder zijn kin.

Kijk, vrienden, inspiratie kan werkelijk overal vandaan komen. Een flard van een gesprek dat aan een mobieltje werd toevertrouwd en waarbij de halve wijk mocht meeluisteren. Ik citeer: `Nou en toen rende die griet als een gek rond en smeet overal euro's in de kasten.'

Zodra ik dat hoorde, startte er prompt een verhaal in mijn hoofd op.

`Die griet' was natuurlijk de vrouw van de man met de luide stem. Ze was vreemdgegaan, waarschijnlijk met de jongen bij de vleeswaren die altijd zo zachtjes sprak en zo lief verlegen tegen haar glimlachte.

Helaas woonde er een zeldzaam nare huiskabouter in de flat. Een akelige, inhalige geldwolf van een huiskabouter. Die haar prompt een mailtje zond met: `Ik zag jullie wel kussen en ik heb jullie gefotografeerd met mijn mobieltje! Deponeer terstond honderd euro op de plank van mijn kast of ik vertel het je man.  De euro's in gebruikte muntstukken graag.'

Ondertekend: De huiskabouter.

De vrouw in paniek natuurlijk. Het was niet veel verder dan die kus gekomen, maar haar man zat in zaken, van dat soort zaken tussen aanhalingstekens, met wel drie belwinkels en elke week een auto met een ander nummerbord voor de deur. Sjon zou zelfs een vriendschappelijke kus niet begrijpen.

De vrouw rende in paniek door het huis. Hun hele huis stond helaas vol kasten: Chippendale, Ikea, Lundia.

Wat was in vredesnaam de kast van de huiskabouter? Ten slotte smeet ze maar handenvol geld in elke kast die ze tegenkwam.

Achter haar klonk een kuch. `Uh, Annelies? Waar ben je in godsnaam mee bezig?'

 

Het kan ook een reclameopdracht zijn: ons meubelbedrijf bestaat honderd jaar en hier heb je honderd velletjes A4 met onze bedrijfsgeschiedenis. Zou jij daar een sprookje over kunnen schrijven? Met alle details uit die stapel papier graag, want daar zijn we best wel trots op.

Ik heb het gedaan en het was eigenlijk best een leuk verhaal. Toch is dit zo'n geval van `Don’t try this at home'. In ieder geval niet tot je heel wat meer schrijfervaring heb

 

Laat ik een mooi klassiek voorbeeld geven. Het soort antwoord dat non-schrijvers altijd zo graag willen horen.

Ik kreeg het idee voor mijn laatste boek, ANKERDAG,  in een nachtmerrie. Het begon zo kalm: een mooie zonnige dag op de kade van Noordwijk, vlak bij het casino. Ik slenterde daar wat rond met mijn vrouw en kinderen en ineens zat iedereen naar de zee te wijzen.

`Daar is hij! Het eiland! Eindelijk!'

Mensen vielen elkaar juichend in de armen en er was meteen zo'n blije lentesfeer. Ballonnen, kakelverse vogeltjes. Er begon zelfs een hoempapa-orgeltje te spelen.

Ik zocht de zee af. Er viel echter nergens een eiland te bekennen. Alleen een eenzaam dobberende zeemeeuw.

In dromen mag je gelukkig domme vragen stellen.

`Is die meeuw het eiland?' vroeg ik dus aan een man met een kale kop. Hij had een rode boerenzakdoek om zijn dikke nek geknoopt en op zijn wang stond een anker, dat echter duidelijk een plakplaatje was.

`Natuurlijk is de meeuw het eiland. Eens in de eeuw komt hij langs. Een witte zeemeeuw.'

En nu zag ik dat de meeuw niet klein en dichtbij was, maar helemaal op de horizon dobberde. Hij moest reusachtig zijn, kilometers lang. Bovendien stond er een zilveren zeil op. Een beetje knullig zodat de zin `Een klomp met een zeiltje' uit een oude schlager bij me opkwam.

Aan de rand van de kade begon een vrouw te gillen.

`Het is het verkeerde eiland. Het valse!' Iedereen draaide zich om en stoof halsoverkop weg.

Ik bleef alleen op de kade achter, letterlijk aan de grond genageld van angst, en zag hoe de meeuw razendsnel dichterbij dreef.

Ik werd badend in het zweet wakker, en met een angstig rochelend piepstemmetje. Iedereen die zich wel eens uit een nachtmerrie heeft wakker gegild, weet wat ik bedoel.

Ik lag sidderend op mijn kussen en dacht; `Wow! Wat een joekel van een nachtmerrie. Ik moet zorgen dat ik geen enkel detail vergeet.'

De rest van de dag liep ik een beetje vaag rond en tegen de tijd dat het weer nacht werd, zat bijna het hele boek in mijn hoofd. Ik hoefde het alleen nog maar uit te typen.  

 

De havenstad in mijn droom heette niet Noordwijk, maar Sandwijk, met een S. En een eeuw is een veel te rond getal. Elke drieënnegentig jaar dus legde daar een drijvend eiland aan, en die dag was de Ankerdag van de titel.  

Het drijvende eiland was de kerstman, Sinterklaas en het gouden kraslot in één: de dag dat de eilanders aan wal kwamen werden al je wensen vervuld. `Gouden skates en iedereen een zwembad,' zoals een kinderliedje uit het dorp belooft. Bovendien nemen ze de zielen mee van iedereen die de afgelopen eeuw gestorven is en die lieden worden regelrecht naar het paradijs gevoerd. Zelfs als ze zielig bibberende poedeltjes schopten en de frambozenlollies van dreumesen stalen.

Er is een `maar'. Het kan ook het verkeerde eiland zijn. Het drijvende eiland dat de vorm van een inktzwarte kraai heeft en door tweehonderd witte haaien getrokken wordt. Ook die eilanders vervullen al je wensen, maar steeds op de rottigste manier. Een ook zij nemen de zielen van gestorvenen mee. Linea recta naar de hel.

Prima. Mooi uitgangspunt. Nu nog de hoofdpersonen. Er zit magie in het verhaal, dus moet de hoofdpersoon zelf over magische krachten beschikken. Net als in Buffy the Vampireslayer wordt in dat dorp elke generatie een kind geboren dat magische krachten heeft en de wereld tegen het kwade moet beschermen. Hij heeft het tweede gezicht en kan dode zielen en onzichtbare eilanden zien. Dat soort kinderen moet de dorpelingen waarschuwen als het verkeerde eiland probeert aan te leggen. Makkelijk zat natuurlijk om het verschil te zien tussen een meeuw met een zeiltje en zwarte kraai die door tweehonderd haaien getrokken wordt.

In mijn droom kon iedereen het eiland zien. Voor het verhaal is het beter dat alleen het jongetje het kan. Dromen zijn ook maar dromen en ik ben een schrijver, geen profeet.

Eerst heeft Jaap alleen maar last van zijn gave. Hij krijgt ruzie met zijn buurmeisje als hij bij `ik zie, ik zie, wat jij niet ziet' op de geest van baron wijst.

Hij rijdt later zijn skelter inclusief beste vriend in de sloot om een spookhooiwagen te ontwijken, waarvan de paarden door een afhakt hoofd met de teugels tussen zijn tanden gemend word.

Het komt echter goed. Hij wordt herkent als uitverkoren kind.

Een van de eerste dingen die Jaap ontdekt, is dat roem helemaal niet leuk is. Beroemd van radio en tv is leuk, beroemd op je eigen school is voornamelijk lastig. Gelukkig lukt het hem om het buurmeisje ook geesten te leren zien.

Een oude man, meneer Robijn, is de enige die de vorige Ankerdag heeft meegemaakt en hij wordt hun mentor.

Het eiland duikt op, een glanzend witte meeuw die alleen Jaap en Lissa kunnen zien. De eilanders hebben de dezelfde handicap als de dorpelingen: zij kunnen juist het land en de haven van Sandwijk weer niet zien. Ze kunnen alleen aan land komen over een weg van licht: een spoor van dobberende mandflessen met kaarsen.

Lissa en Jaap leggen de weg van licht en te middernacht komen de eilanders over de golven aanrennen. Ze stuiven langs in een vlaag ijskoude graflucht en een moment later rijzen tweehonderd bleke haaienvinnen uit de zee op.

Oeps. Verkeerde eiland.

Hun leider is zo vriendelijk even bij hun bootje te pauzeren om de zaak uit  te leggen, uitleggen op zo'n valse, leedvermaak manier uiteraard. Ze hebben hun kraaieneiland helemaal wit gekalkt, een nepzeil neergezet en hun haaien onder de golven verborgen gehouden. En wat dachten Jaap en Lissa daaraan te doen? En nog bedankt voor alle zielen...

En dat is nog maar het begin van de ellende.

 

Een van de beste manieren om een verhaal spannend te houden is deze: geef je hoofdpersonen een probleem, laat ze vervolgens een fantastische en slimme oplossing vinden.  Een oplossing die niet werkt of nog veel ergere rampen veroorzaakt.

Lissa en Jaap weten bijvoorbeeld een heel geestenleger te organiseren, met verscheurende spookhonden en paarden met vurige ogen. De eilanders lokken ze echter een fles in met een geur waaraan geen spook weerstand kan bieden en sluiten het hele leger op.

De duister-eilanders vervullen elke wens en Lissa en Jaap proberen die wensen tegen hen te gebruiken. Natuurlijk komen ze elke wens dieper in de puree en zo hoort het ook.

 

Als het een kinderboek is, kun je het beste een duidelijke en goede afloop geven.

Bij werk voor volwassenen wordt een gelukkig einde je vaak niet in dank afgenomen. Het mag best heel erg mis gaan en zielig hoeft niet goed te komen. In DE GRIJNS VAN DE DJINN raakt een van mijn hoofdpersonen zijn linkerhand kwijt en pleegt uiteindelijk zelfmoord.

 

Nog even een laatste tip: als je een serie wilt schrijven, zorg dan dat in ieder geval één hoofdpersoon in leven blijft. Hoewel dat natuurlijk niet hoeft als het een vampierroman is...                     


5. Tips & Trucs

 

Echt goed schrijven kun je alleen jezelf leren. Je kent dat wel, doortypen tot de letters van je toetsenbord afgesleten zijn en zelfs je best verzonnen hoofdfiguur mag niet meer dan een one-night-stand zijn tot hij bewezen heeft dat hij het een heel boek kan volhouden. Toch kunnen andere schrijvers je vaak wel iets zinnigs vertellen. Noem het tips en trucs.

 Een paar zaken waar ik zelf wel wat aan heb gehad:

 

TIP 1: HOE BEGIN JE EEN ROMAN?

Uitgevers lezen vaak alleen de eerste bladzijde van een manuscript dat je ze ongevraagd hebt toegezonden. Als je pech hebt alleen de eerste zin. Zorg dus dat je allereerste zin meteen de aandacht trekt.

 Mijn allerbeste eerste zin komt uit mijn meest recente fantasy roman, DE JONGEN VAN SMARAGD:

  - Opaals grootmoeder woonde hoog op de berg, in de schedel van een versteende potvis. -

 

Deze zin is behoorlijk informatiedicht en ik heb hem wel een keer of vijf herschreven en veranderd voor ik er helemaal tevreden over was.

Opaals grootmoeder: Opaal is dus de hoofdfiguur van het boek, anders zou ik haar naam niet als eerste noemen.

Hoog op de berg. Het lidwoord `de’ betekent dat Opaal die berg goed kent, het is niet zomaar een berg en waarschijnlijk ligt hij bij haar in de buurt. De meeste grootmoeders wonen trouwens in flats of in lieve huisjes met rode dakpannen en geraniums op de vensterbank en niet in fossiele schedels. Je hebt dus een redelijke kans dat Opaals grootmoeder een heks is. 

Met een beetje geluk zie die grote schedel ook al voor je, op de top van een bergpiek, terwijl Opaals oma zich over de scherpe tanden van de onderkaak buigt en naar haar omhoogklimmende kleindochter wuift. De kans dat de rest van het verhaal een zielig Carry Slee-boek of een spannende thriller met gestolen atoombommen wordt, is nul komma nul: je hebt een fantasy roman voor je.

 

De allermooiste beginzin die ik ooit tegenkwam, komt uit een sf-roman van Stephen Baxter:

-         The girl from the future told me the sky is full of dying worlds. -

Probeer deze zin maar eens op dezelfde manier te ontleden als ik net gedaan heb en je zult merken hoe goed hij gekozen is, dat er in dat ene zinnetje al een heel verhaal zit.

De eerste zin moet je trouwens nooit als eerste zin in je boek schrijven en dan op de rest van het verhaal wachten. Vaak bedenk je pas halverwege wat de beste eerste zin is. Die zet dan vrolijk fluitend helemaal vooraan.

 Het hoeft trouwens niet de allereerste zin te zijn: de eerst alinea is ook goed. Meestal lezen uitgevers die in ieder geval wel uit.

 

TIP 2: HOE HOU JE VAART IN EEN VERHAAL?

Deze tip heb ik van de schrijver A.E. van Vogt van wie de beste boeken het tempo van een videoclip hadden, met op elke halve pagina een volkomen origineel idee. Zijn verhalen waren soms behoorlijk onbegrijpelijk maar zelden saai.

 Schrijf je boek in scènes van elk 800 woorden: 800 woorden is bij benadering vier pocketpagina’s.

 In elke scène  moet een nieuwe bijfiguur verschijnen, plus een probleem dat opgelost wordt en daarna overgaat in een nieuw probleem. Het liefst een erger. Bovendien moet het stuk zich op minstens twee verschillende plaatsen afspelen.

 Een flinke waslijst en als je je hele boek op deze manier schrijft, wordt de lezer doodmoe. Gebruik dit recept alleen als je het gevoel krijgt dat je verhaal vertraagt. Dat je hoofdpersonen een beetje uitgeluld zijn en dat weer een nieuwe draak of een horde orcs je verhaal niet kunnen redden.

 Als oefening kun je je laatste  vier bladzijden eens herschrijven volgens dit recept. Van één keer leer je trouwens niet veel: doe dat met een paar scènes en kijk of ze er beter van worden.

 

TIP 3: HOE MAAK JE JE VERHAAL VLOTTER?

Bijna elke getrainde fantasy schrijver zal je deze raad geven: streep elk tweede bijvoeglijke naamwoord weg. Heel veel beginnende schrijvers willen veel te veel vertellen: het is niet echt belangrijk of de prins een mantel van rood of mosgroen satijn droeg. Vooral niet als je ook al hebt verteld dat zijn kraag met zwarte parels en gelakte tanden van Zevoriaanse veelvraten versierd is.

Een extra tip: streep de rest van de bijvoeglijke naamwoorden ook weg. Die rare dingen hebben we maar zelden nodig.

 

TIP 4: HOE MAAK JE GELOOFWAARDIGE HOOFDPERSONEN?

 Je eerste boek mag je helemaal over jezelf, je familieleden, je vrienden en vriendinnen schrijven. Zelfs over je nare buurman. Dat is oké. Voor elk volgend boek zul je je hoofdpersonen helaas echt moeten verzinnen want anders blijf je je eerste boek eindeloos herschrijven.

 Zelf geef ik een nieuwe hoofdpersoon vaak eigenschappen en smaken mee die ik zelf beslist niet heb. Ze houden van voetbal en spruitjes, ze verzamelen Japanse koekoeksklokken en springen joelend uit hun bed zodra de eerst haan kraait. Dat soort werk.

Maak een heel lijstje van hobby’s, afkeren en karaktereigenschappen en zorg vervolgens dat je hoofdpersoon zich ook echt zo gedraagt. Het maakt je verhaal een stuk levendiger en wie weet? misschien geef je die spruitjes toch nog een kans.

 Wat ook belangrijk is: geef je personen wat nare eigenschappen. Laat ze bijvoorbeeld gewoon voor de lol liegen of een keer een keffend poedeltje schoppen. Verhalen over  al te edelmoedige mensen, die elke vijand vergeven, wil niemand lezen. Al zou het wel aardig zijn als wat meer van die lui hadden…

Andersom geldt het ook: Zelfs de DARK LORD koopt misschien wel een keer een ijsje voor een weesmeisje of  helpt een grootmoeder bij een weggespoelde brug over een woest kolkende rivier.

De allermoeilijkste tip, maar waar je allemachtig veel van kunt leren: bedenk aan wie je echt een bloedhekel hebt, je ergste vijand, en maak hem of haar je hoofdpersoon.

 

TIP 5: BESCHRIJVINGEN

Je hebt iets fantastisch verzonnen: laten we zeggen, een tovenaarstoren van ivoor, ja? Die zo ontiegelijk ver omhoogsteekt dat hij elke maand een duizend mijl lange kras over de volle maan trekt. Tienduizend platina draken cirkelen er omheen  en hun zang klinkt zo zoet dat de tonen zich onmiddellijk in je hersens nestelen en er voor geen enkele andere gedachte meer plaats is. Elk aanstormend leger begint eerst mee te neuriën en blijft vervolgens meebrullen en woest op de maat dansen tot ze hun van uitputting sterven.

 Heel aardig, maar als je er langer dan een alinea over vertelt, verliest de lezer zijn aandacht. Het is alleen maar groot en wonderbaarlijk en er zit eigenlijk geen enkele emotie in.

 Maar nu laat je diezelfde toren eens niet door een held bekijken maar door een koopman.

 Wow! Die hele toren is van het beste sneeuwwitte ivoor dat minstens anderhalve goudstuk per ons doet! En als ik zo’n platina draak laat omsmelten, er broches van laat smeden…

Je hebt je supertoren nog steeds en al je draken, maar nu is de toren ineens een stuk interessanter geworden.

 Beschrijf als oefening zo’n toren eens, maar nu door de ogen van een fanatieke bergbeklimmer die alle bergen van het land al bedwongen heeft en ineens die toren uit nevels ziet oprijzen.

 

TIP 6: THE END

Je heb een allemachtig lang boek geschreven, wel zestig bladzijden, of driehonderd zestig , maar hoe moet je dat meesterwerk in vredesnaam laten aflopen? Je zit bovendien met negen hoofdpersonen, op vijf verschillende plaatsen en hoe krijg je die ooit bij elkaar? En dat levende zwaard slingert ook nog ergens rond op bladzijde honderd vijftig en shit! Waldemar hád al een vriendin, die thuis nog steeds op hem wacht, en nu kust hij met die bloedmooie, zwartharige heks. Of wacht eens, je laat zijn vriendinnen gewoon verliefd op elkaar worden en dan is dat in ieder geval opgelost. Al is het een beetje zielig voor Waldemar.

 Maar de rest is nog steeds net een kluwen kleurige draden, nee erger, een kluwen stug prikkeldraad, die je nooit meer kunt ontwarren.

Ik, eh, spreek hier overigens uit ervaring.

Je kunt twee dingen proberen: ga terug in je tekst en zoek het punt waar die kluwen begon. Nu klem je je kaken op elkaar en je wist alles vanaf dat punt uit.

Niet leuk, maar soms de enige oplossing.

De tweede manier is wat minder rigoureus. Het lukte je niet om alles in één einde samen te voegen. Prima, schrijf een paar verschillende eindes die elk een stukje van je chaos oplossen. Het levende zwaard  wordt door Waldemars eerste vriendin gevonden als ze het wachten beu wordt en naar hem op zoek gaat. Waldemar heeft  de duivel van de Ulbrichkloof zijn ziel belooft in ruil voor de vrije doorgang van zijn leger.De duivel zou het drie maanden later komen ophalen. Drie maanden die nu bijna voorbij zijn.

 De duivel grijpt Waldemars vriendin als ze langs zijn grot loopt en dat had hij beter niet kunnen doen. Ze heeft het levende zwaard, weet je nog? dat dol op demonen is.

Je begrijpt het. Schrijf minstens vijf eindes en ze moeten zo veel mogelijk van elkaar verschillen. Vaak kun je die eindes dan combineren.

Ik heb allebei de methodes gebruikt en ze werken allebei. Meestal. En soms, soms moet je gewoon helemaal opnieuw beginnen.  


6. Lang geleden, toen mensen nog op de maan wandelden

 

Lang geleden,  toen de mensen nog op de maan wandelden, schreef ik al mijn verhalen met de hand. Nog net niet met een ganzenveer, maar lekkende ballpoints zijn ook erg.

Ik begon gewoonlijk met blauwe ballpoint, verbeterde de tekst met een rode pen en wrong vervolgens met zwarte miniatuurletters een nog briljantere versie tussen de regels. Bij het nalezen merkte ik dan  helaas vaak dat de eerste, blauwe zin toch het beste was. En, eh, ik had dus ook nog een groene ballpoint...

Dat was nog maar het begin. Nu moest ik de tekst uittikken op een typemachine. Voor de mensen die met een computer opgegroeid zijn: een typemachine leek een beetje op een idioot dik toetsenbord en hij was niet eens elektrisch.

Als je hard op de toetsen ramde, kwam er een hamertje omhoog dat een zwarte inktletter op een vel papier zette. Zodra je te lang doortypte, werden de letters eerst steeds grijzer en tenslotte onzichtbaar. Omdat het in zo’n geval altijd zaterdagavond was, kon je ook niet naar een winkel om een nieuw inktlint te kopen.

Je moest vrij hard drukken: na een uurtje werken had je vaak lamme vingers. Een keer zelfs, toen was ik écht hard aan het werk, kreeg ik een bloedblaar op mijn rechterwijsvinger.

 Zo’n typmachine had totaal geen geheugen: als je een  fout maakte was dat jammer. Je moest dan met een kwastje witte inkt het woord wegverven en het opnieuw typen.

 Na een maandje of drie kreeg je, als je geluk had, de tekst terug van de uitgever. Die gierende okkeloen had steevast een allemachtig groot stel rode strepen onder al je overgebleven typefouten gezet, ook als je ze wel goed gespeld had. Bovendien wilde hij bepaalde stukken ingekort hebben en andere stukken langer. Voor de netheid moest ik dan de hele tekst opnieuw uittypen.

 En, o ja, kwam er een week later achteraan, Mariska was eigenlijk  niet zo’n mooie naam, meer iets voor Hongaarse goulash dan een elfenprinses, toch? Kon ik daar geen Amarilda-Jozeline van maken?

 Een uitgever spreek je niet tegen, zeker niet bij je eerste boeken. Ik maakte dus getypte plakkertjes met Amarilda-Jozeline en plakte ze tandenknarsend driehonderd keer over Mariska. (wat echt een veel mooiere naam was)

Gelukkig begon een vriend een drukkerij en daar hadden ze een hypermoderne elektronische typemachine. Dat fantastische science-fictionding onthield zowaar een complete regel. Je kon die regel naar hartenlust verbeteren.

Wow, Odin, patroon van alle skalden, zijgedankt! Tien zwarte hanen en een geit offeren, was nog het minste dat ik kon doen.

 Vervolgens schafte mijn vriend een machine aan die een halve bladzijde geheugen had, toen een bladzijde, toen drie en op dat ogenblik begonnen computers betaalbaar te worden.

Sindsdien heb ik wel een stuk of zeven verschillende tekstverwerkingsprogramma’s mogen gebruiken, elk volkomen anders, en je begrijpt dat ik niet meer blij word van weer een nieuwe versie van Word. Maar ja, elleck vordehl heb seh nadehl.

 Goed, uit het voorafgaande begrijp je dat schrijvers vroeger na zo’n zes keer overtypen absoluut geen puf meer hadden om nog iets in hun tekst te veranderen. Zo was het wel goed genoeg, dacht hij, zelfs als hij ten slotte een veel beter idee kreeg.

 Met de computer werkt dat anders. Je hoeft een verhaal niet minstens vijf keer van top tot teen te herschrijven. Een naam veranderen doe je met een eenvoudig  Zoek>Vervang.

Onder het schrijven gooi ik vrolijk fluitend hele hoofdstukken weg. Ik verander de hoofdpersonen van een dappere page in een beeldschone jonkvrouw en haar weer in een gemene heks. Ik delete vals grijnzend jammerende bijfiguren.

Sterker nog, het eerste hoofdstuk is vaak het laatste stuk dat ik schrijf. Tot een boek gedrukt is, hoort alle tekst ruwe tekst te blijven. Je moet er genadeloos in durven hakken. Ik heb al stelregel dat ik één vijfde van mijn tekst moet wegstrepen voor ik een verhaal mag opsturen. Dat helpt beslist: iedereen die te lang blijft doorzeuren, ziet zijn geneuzel weggekapt. Mensen komen ergens aan zonder eerst op te hoeven staan, door de kamer te lopen, de deurhendel neer te halen, de trap af te dalen en  bij de voordeur in de gebelde taxi naar het vliegveld te stappen.

Wham, met een regel wit reizen ze van Rotterdam-Oost naar Marakesh.

`Denk erom, geen oeroude Perzische tapijten van plastic kopen en niet met beeldschone Berbermeisjes trouwen,’ zei Adinda. `Eén vrouw vind ik wel genoeg in huis.’

(regel wit)

 Het regende op het vliegveld van Marakesh, naargeestig slierende  sluiers, wat wel het laatste was dat Jerom verwacht had.

 

Nu scroll ik de tekst door op zoek naar rode wriggelstreepjes onder woorden die helaas niet in het Nederlands bestaan, save hem en mail de tekst door naar Alex. Dank de computer voor alle stukken van boeken die je nu nooit meer hoeft te lezen.


7. The making of  Len Asdravith (God-is-dood)

 

De schepping van Len Asdravith begon wat ongebruikelijk: na het bezoeken van niet minder dan drie volstrekt waardeloze tentoonstellingen in de Rotterdamse Kunsthal troffen mijn vrouw en ik, als treurig dieptepunt, een hele horde kleuters en diverse brullende dinosaurussen in de kelder aan.

De dino’s werden als animatronics aangeprezen: robotbeesten die fanatiek rond hadden moeten springen, nekken doorbijtend en eieren graaiend. Je kent dat wel: versplinterende botten, rondvliegende poten en fonteinen van bloed.  Pure lol dus.

Erg veel brachten de dino’s daar helaas niet van terecht: een gepensioneerd trekpaard bewoog zich kwieker en de gemiddelde carnavalsdraak oogde een stuk angstaanjagender.

Bij de uitgang hing een bordje met uitleg. Volgens een aantal geleerden leefden de dinosaurussen zo’n zestig miljoen jaar geleden en stierven ze uit door de inslag van een reusachtige komeet.

Tot zo ver  weinig mee mis, maar de uitleg ging verder: volgens anderen leefden de dinosaurussen echter samen met de eerste mensen, zo’n zesduizend jaar geleden, in de tijd van de aartsvaderen en verdronken ze allemaal in de Zondvloed.

Ik staarde naar het bordje. Nog net niet met open mond.

Waren ze nu helemaal knotsknettergek geworden? Ik bedoel je, je mag van mij in twaalf-vleugelige aartsengelen geloven, de genezende kracht van blauwgeverfd bergkristal en eeuwige verdoemenis als je een karbonade eet, maar van dinosaurussen moeten de creationisten afblijven! Zelfs van deze treurige opwindbeestjes.

Hoe kun je ooit geloven dat dit immense universum vol zinderende sterren en fonkelende gaswolken pas een zielige zesduizend jaar oud was? Wat voor belachelijke god propte trouwens de complete aardkorst vol nepfossielen  en namaakschelpen? Hing de hemel vol melkwegen waarvan het licht miljarden jaren oud leek?

Dit soort gelovigen moest wel in een akelig beperkt mini-universumpje leven, met de aarde een kille stenen knikker en de zon  een oversized bouwlamp. Daaromheen hingen de sterren als een soort kerstboomlampjes, uitsluitend ter decoratie

Ik ben een schrijver: zelfs sissende ergernis kan mooie inspiratie opleveren.

Stel je voor dat je werkelijk op een geschapen wereld leefde?  Een waarin je overal de bewijzen voor die schepping zag?

Zodra ik thuis was, begon ik Len Asdravith te schetsen. Voor het workshopweekend van Pure Fantasy had ik een wereld nodig en waarom deze niet?

Neem een oceaanwereld die even groot als de Aarde is. De hele achterzijde is zee, duizenden kilometers ongehinderd doorrollende golven met daaronder peilloos diepe troggen.

Aan de andere zijde ligt in het noorden een massief continent, met een zoutmeer en een woestijn in het hart. Om de woestijn verrijst een ring van bergen  waarvan de toppen zo hoog zijn dat ze uit de atmosfeer steken. Onbeklimbaar dus. In het zuiden slingert zich een sliert eilanden van evenaar tot pool.

Zoom in op de eilanden: aha, ze vormen het skelet van een draak. In het oosten kun je de oogkassen in de reptielenschedel prima onderscheiden, plus een voorpoot . Aan het andere uiteinde de karakteristieke pijlstaart. Bovendien had mijn favoriete godenwereld ook een super slangendraak: de Midgartserpent van de Vikingen.

Toch kunnen die rare anti-creationisten van Len Asdravith  zelfs een versteende draak misschien nog wegredeneren:  de hele archipel kan natuurlijk zijn. Breuken in de aardkorst waaruit lava opwelde in een min of meer skeletvormig patroon. Dat soort onzin.

 Ik greep mijn fineliner en schetste in het noordoosten een  kromzwaard in de zee. Later bleek het eiland de grootte van Japan te hebben.

Laten ze daar maar eens omheen lullen!


En wacht: een wereld hoort een maan te hebben. Het soort maan dat bij een fantasiewereld past.

Een schedel. Ja, de Grauwe Schedelmaan, dat had meteen de juiste klank.

 

Behalve de kaart kregen de deelnemers aan de workshop deze uitleg:

Alleen een stekeblinde idioot kan op Len Asdravith atheïst zijn of de Schepping ontkennen. De bewijzen liggen immers over de hele wereld verspreid? In het noordwesten breekt de branding op de klippen van Asdraviths Kromzwaard, de hele Sin Straveri archipel is overduidelijk het skelet van een draak (of zeeslang). Len Asdravith betekent zoveel als God-is-Dood. De bewoners weten dat heel zeker. Ze hoeven maar naar de opkomende maan te kijken (als ze de god Asdravith aanbidden) of  naar de versteende ribben van de Sin Straveri Archipel (als ze de draak-zeeslang Sin aanbidden)

Dit verhaalt de mythologie van de mensen (en de Dochters van de Draak):
In den beginne was Len Asdravith van pool tot pool met water bedekt.

LANIA de zon verlichtte haar en zweefde samen met haar enige planeet in een immense luchtbel, die al achttien miljard jaar in de Oneindige Oceaan aan het opstijgen was.
Het Eerste Ei dobberde op de wereldzee en werd door de zon uitgebroed.
Zodra de god ASDRAVITH het eerste hartslag uit de eierschaal hoorde opgalmen, dook hij naar de wereld omlaag en trok zijn kromzwaard. Als de draak (of zeeslang) SIN ooit werkelijk geboren werd en zijn vleugels (of vinnen) uitsloeg, dan verging het universum. De draak zou de Oneindige Oceaan opslurpen tot de laatste druppel en met de Oceaan alle andere levende wezens.
De eerste drie tikken met de scherpe eihoorn op de snuit van Sin galmden over de hele wereld. Vier tikken, vijf, en de schaal spleet open. De resten van de dooier stolden tot land, de eierschaal veranderde in bergketens.

Zodra de draak ( of zeeslang) naar buiten kronkelde, sloeg Asdravith toe. Hij had een miljoen jaar over die slag kunnen nadenken en hij trof dan ook doel. De drakenkop plofte in de oceaan en zijn lijf werd de Sin Straveri Archipel
Asdravith hief triomfantelijk zijn kromzwaard en dat had hij beter niet kunnen doen. Met een laatste zwiep van zijn staart hakte de draak Asdraviths hoofd af en het tolde weg in de ruimte om de Grauwe Schedelmaan te worden.

Asdraviths zwaard smakte in zee.

Het bloed van de draak (of zeeslang) stroomde uit in de oceaan. De witte bloedlichaampjes veranderden in het zeevolk, de wezens die zich de Dochters van de Draak (of zeeslang) noemen. De rode bloedlichaampjes spoelden aan op de kusten van het gloednieuwe continent en werden de mensen en dieren.

Zeg nu zelf, dat is toch minstens even belachelijk als de meeste scheppingsverhalen en een stuk duidelijker?

 

Behalve door mensen wordt Len Asdravith door een keur aan wonderbaarlijke wezens bewoond. De Dochters van de Draak zijn het belangrijkst besloten we met ons team. Deze vraatzuchtige zeewezens hadden niet minder dan drie levensstadia en in hun uiteindelijke vorm werden ze zo goed als onsterfelijk.

Een overzicht:

De zeewezens beginnen als vraatzuchtige Larvath van zo’n halve meter lengte. Probeer niet met ze te praten: ze hebben minder verstand dan een oester.

Vooraan de kop zitten de landogen op steeltjes al en de veel wijdere waterogen waarmee ze in de diepzee gluren. De twee haakarmen zijn nog een soort schorpioenscharen en de netarmen lijken verdacht veel op vinnen. Ze zwermen schril fluitend door de hele oceaan en verslinden alles op hun pad: kwallen, garnalen, zeeslangen, andere Larvath. De enige wezens die ze met rust laten zijn de verpopte Fièrath en de Anémeth in hun diepe oceaantroggen. Hun scholen bestaan vaak uit zo’n tienduizend Larvath die het zeeoppervlak over vierkante kilometers laat bruisen als een bubbelbad.

Larvathtanden bijten dwars door stalen scheepswanden heen en maken de zeevaart zo goed als onmogelijk. De mens had vast nooit leren zeilen als zoet water niet dodelijk voor de Fièrath geweest was. Net als de oudere Fièrath zijn de Larvath volkomen immuun voor mensenmagie. Als een mens een spreuk tegen een Dochter gebruikt keert de magie zich meteen tegen hem. Een doodsvervloeking verandert zijn eigen botten in slijm, een  zwevend rotsblok stort prompt op zijn eigen hoofd neer. Het voordeel is wel dat de Fièrath zelf geen magie kunnen gebruiken.

 Om veilig van het ene eiland naar het andere over te kunnen steken, hebben de eilanders de hulp van de Fièrath nodig. Alleen met een escorte van Fièrath laten de Larvath een boot met rust en de Fièrath vragen een hoge prijs.

De Pop: Nadat een Larvath zich tot barstens toe heeft volgegeten, wikkelt het zich in een net van giftig zeewier en verpopt. Twee maanden later wrikt zich een Fièrath naar buiten.

De Fièrath: De vrouwtjes  zijn zo’n meter of drie, de mannetjes halen amper twee meter.  Hun landogen zijn volkomen ontwikkeld en ze kunnen hun prooi op kilometers afstand ontdekken. Hun voorpoten zijn intussen van lange weerhalen voorzien en hun net-armen zijn volledig functioneel. De vinnen langs het achterlijf lopen nu rondom, net een bij een zeekat en ook hun achterlijf doet aan dat van een inktvis denken.

Deze wezens zijn minstens even intelligent als mensen en waarschijnlijk een stuk sluwer. Bovendien beschouwen ze mensenvlees als een delicatesse. Zodra ze een vermetele hengelaar of verdwaalde kleuter ontdekken, nemen ze onderwater een aanloop en kunnen net als een orka wel een meter of zes het strand op schuiven. Als hun haakarmen de prooi missen, slingeren zij hun netten uit met  het volgende paar. Hun netten halen met gemak een meter of vijftien.

Het is mogelijk met de Fièrath handel te drijven. Zorg eenvoudig dat ze met een volle maag naar je voorstellen luisteren. Schurkenstaten als Reliné drijven een groep slaven of verdwaalde toeristen naar de vloedlijn. Zodra de Fièrath zich volgegeten hebben, doen de mensen hun voorstellen.  Met lijken of huisdieren hoef je overigens niet aan te komen: de Fièrath eisen vers mensenvlees.

Beschaafdere staten moeten het omzichtiger aanpakken. De Fièrath gebruiken onderling vaak gebarentaal of ingewikkelde danspatronen, net als mieren en bijen. Je kunt deze gebaren imiteren en ze zullen belangstellend toezien. Een verkeerde draai van je duim, een onjuiste kanteling van je heup echter en je bent hun diner. Mocht je geen fouten gemaakt hebben, dan is het nu de tijd om te spreken. Zet een kwallenschelp aan je mond en zing hen toe.

Zoals meestal zal het om zout gaan, het witte goud van Len Asdravith. Fièrath staan geen mens toe dat ooit zelf uit de zee te winnen. Soms ook voor de veilige doortocht van een oorlogsvloot om een rivaal uit volkomen onverwachte richting aan te vallen.

De Fièrath paren maar één keer, daarna zetten de zwangere vrouwtjes koers naar de Dromende Troggen aan de andere kant van de wereld.      De mannetjes zijn min of meer overbodig geworden: nors trekken zij zich terug in hun onderzeese steden op de rand van het continentale plat. De vrouwtjes dalen af in de troggen en verankeren zich op de diepzeebodem. Daar veranderen ze  in Anémeth met tentakels en een keur van graaiarmen.

De Anémeth: Na een maand of twee stoten de  Anémeth  wolken microscopisch kleine Larvath uit, elk zo’n half miljoen. De Larvath stijgen prompt op en zwemmen naar de andere kant van de wereld waar hun een waar feestmaal wacht. In de lichtloze dieptes zingen de  Anémeth  over zaken die mensen wel nooit zullen begrijpen. Hun gedichten beslaan soms een miljard regels en hun IQ is onmeetbaar groot. Zij zijn de werkelijke leiders van de Dochters van de Draak. Voor elk belangrijk probleem zullen de Fièrath een afgezant naar de troggen sturen die op zijn vroegst een jaar later  met het juiste antwoord terugkeert. Vooral bij vergaderingen van de Koepel kan dat nogal lastig zijn. Zodra een afgezant antwoordt  met: `Dat moeten we de Moeders even vragen,’ weet je dat je die vraag beter niet had kunnen stellen. Vooral omdat dan meteen de hele delegatie Fièrath  vertrekt.

De Koningskwallen zijn na de Fiérath de opvallendste zeebewoners. Ze kunnen vaak een meter of twintig breed worden wat hun naam afdoende verklaart. Hun tentakels hangen zo’n honderd meter omlaag als een dodelijk gordijn. Vanaf de veilige  kust zijn een visioen om het hart tot vervoering te brengen: als immense parels glanzen ze in de zon, alsof heel de oceaan een schatkamer geworden is.  Tijdens de paring voegen zich samen tot enorme snoeren die wel honderden kilometers lang kunnen worden. De uiteinden verankeren zich tussen twee eilanden van de Sin Straveri  Archipel en de kwallen verrknopen hun tentakels tot een reusachtig net. De getijden vullen dit net tot barstensvol.

Een dappere, of uitzonderlijk hebzuchtige, reiziger kan over de ruggen van de kwallen van het ene eiland naar het andere wandelen zonder de Fièrath een houten stuiver te betalen. De kwallenbruggen zijn ook bijzonder welkom als mensen op de vlucht moeten voor de  zevenendertigjarige Plaag.

Na de paring zakken de kwallen omlaag en verdichten zich tot hun vlees bijna even hard als diamant wordt. Hun tentakels veranderen in zeesterarmen waarmee ze over de boden kunnen lopen. Op hun rug vormt zich een doorzichtige slakkenhuis, waarin de eieren uitkomen. De larven zijn bijna even vraatzuchtig als die van de Fièrath: ze vreten zich een weg door hun moeder heen en drijven, aldus gesterkt, de wijde oceaan in. Kwallenschelpen zijn uitzonderlijk kostbaar: het jaarloon van magister van de hoogste klasse. Voor een gesprek met een Dochter zijn ze onontbeerlijk.

Dit soort schelpen spoelt nooit aan en een dag na het verlaten van de laatste larf vallen ze al tot kristalzand uiteen. Alleen schuimbekkende dwazen of jongens die net hartelijk zijn uitgelachen door het mooiste meisje van het dorp, duiken zulke schelpen op. (Als het me lukt, ben ik schatrijk en moet Ysolaine wel van me houden. En als ik doodga heeft ze in ieder geval spijt: een duidelijke win-win situatie) Helaas kan zelfs een schijnbaar lege schelp nog steeds een hongerige kwallenlarf bevatten en wordt elke kwallenschelp duur betaald.

Al heel snel werd Len Asdravith bijna even ingewikkeld als onze eigen wereld. Tientallen landen, die elk een eigen karakter had. Van republieken als ons Nederland in de Gouden Eeuw tot schurkenstaten waarvan de leiders Mugabe een lief jongetje laten lijken.

Het is een tijd van crisis. Elke zevenendertig jaar trekt een plaag van verscheurende monsters over de hele archipel, de jammerende inwoners voor zich uit jagend (maar alleen de rijksten kunnen de overtocht van het ene eiland naar het andere betalen) en de zevenendertig jaar zijn al bijna voorbij.

 Bovendien werden er kort geleden twee wereldoorlogen gevoerd. De achtergrondmagie is zo sterk geworden dat een enkele spreuk de realiteit al kan laten omslaan. De draak zal opnieuw levend worden  en in het sluitende ei terugkruipen. Tijdens de laatste veldslag kropen de bergen al naar elkaar toe en begon er ruwe huid op de uitgedroogde schedelmaan te groeien.

De Koepel is een soort Verenigde Naties van mensen en Dochters die het roekeloos gebruik van magie moet stoppen voor het te laat. Ze zijn ongeveer even succesvol als onze eigen VN...

Len Asdravith heeft een eigen website vol kaarten, beschrijvingen en verhalen: http://purefantasywereld.atspace.com. Alex de Jong en ik zijn er al verhalen op begonnen en Gerard van den Akker is het van plan.

Alex wil bovendien op het Pure Fantasy forum een online-worksop beginnen en ik heb al beloofd iedereen daar met raad en daad bij te staan. Het lijkt me leuk om de verhalen  daarvoor op Len Asdravith te laten spelen en die wereld ook verder uit bouwen. Uiteindelijk zal er dan een speciaal Len Asdravith katern in Pure Fantasy komen met de beste verhalen: Onder de schedelmaan Van mijzelf loopt er al een tijd een Len Adravith-vervolgverhaal: De zee heeft tienduizend muilen. Uiteindelijk ga ik hier een roman van maken.


8. Microverhaaltjes en nog korter

 

Na een smakelijke berenbout, een kroes hete bisschopswijn met pepers en bontlaarzen warm genoeg om je tenen voor afvriezen te behoeden, is niets zo belangrijk als een goed verhaal. Vertellen is misschien zelfs nog belangrijker dan seks, maar misschien ga ik nu te ver? Hoewel, een geliefde in je armen die nog aandachtig naar je luistert ook...

Ik moet in de loop van de jaren duizenden verhalen verzonnen hebben: het was heerlijk om te ontdekken dat er nog een hele categorie verhalen bestond waar ik me nooit mee bezig had gehouden.

 

Het begon met een verzoek van Wonderwaan, het onvolprezen zustertijdschrift van PF: of we korte stukjes wilde typen, met reisbeschrijvingen van onbestaanbare steden, rustieke trollengrotten met een tapijt van gevlochten maagdenhaar en zetels van berserkerbotten. Dat soort werk.

Ik wist meteen wat ze bedoelden. Vooral Jack Vance was een meester in neerpennen van korte reisgidsfragmenten boven een hoofdstuk.

Ik zette mij aan het werk en toen ik weer opdook om een hap lucht te nemen had ik er meer dan honderd twintig geschreven. Tijd voor een korte advertentie: ze zullen ergens volgend jaar bij Verschijnsel gedrukt worden als STEDEN VAN ZILVER EN LEISTEEN.

Oefening baart kunst en ik vermoed dat ik intussen een redelijk bedreven microverhalenschrijver ben. Laat ik een paar voorbeeldjes geven:

 

HET WOUD VAN ARDEN

 

Je kunt het Woud van Arden enkel zien in de ochtend na de nacht dat ze het met een SMSje heeft uitgemaakt. Je ogen zijn rood en opgezwollen maar natuurlijk heb je niet gehuild, want wie zou er nu om zo’n trut, om zo’n hoer als Marijke Vesseling gaan janken? Zelfs als  je haar in de armen van je beste vriend betrapt hebt en zij en Erik alleen maar zo stom zaten te grijnzen.

Goed, je trekt je gordijn open en daar liggen niet langer de grauwe schoorstenen van de oude fietsfabriek maar een magnifiek bos. Elke eik moet zo’n duizend jaar oud zijn en ieder blad is stralend, onwaarschijnlijk groen. Het opwindende metallic groen van een keverschild of  van de flits die de gezonken zon nog net even boven de horizon uitslingert.

Vogels zwermen  boven de takken, machtige wielen en kolken en je weet dat het roofvogels zijn, zo oeroud en trots dat ze nog op de drakenleren handschoenen van elfenkoningen hebben gezeten.

Je schuift het raam open en hoort het ruisen van dat eindeloze woud, ruikt een geur die je alle Marijkes van de wereld doet vergeten. Het is de geur van bodemloze poelen waarin wijze snoeken zweven met ogen als ingevangen sterren, van kruidige paddenstoelen die kloppen als bleke harten, van juweelmos waarin Adams voetsporen nog afgedrukt staan...

Maar dan toetert een vrachtwagen, trekt een Honda brullend op. Er zijn geen alwijze snoeken meer, geen ruisende bomen, alleen grauwe schoorstenen en Marijke heeft het definitief uitgemaakt, met een SMSje...

 

Dit soort microverhalen moet altijd een emotie bevatten en vol vreemde, surrealistische beelden zitten. Neem deze, met de kalme horror van een iele winterzon en het geklak van hoeven:

 

NUE FINGERSTEIN

 

Het is een monumentale stad aan de Donau, met vergulde straatlantaarns en op elke hoek een chocolaterie. Beenderwitte schimmels trekken klikklakkend koetsen met uitbundig zwaaiende boerenmeisjes over de kinderhoofdjes.

Het had Wenen kunnen zijn of Salzburg, met die machtige bruggen of dat centrale kasteel en de tandradbaan. Maar dan zie je dat de koetsiers knarsende marionetten zijn van gewreven ijzerhout en er mos in hun oogkassen groeit. Dat de paarden flarden uit Die Rozenkavalier en Don Mariotto neuriën, is ook minder gebruikelijk.

Als achtjarige logeerde Mussolini hier  twee weken bij zijn oudtante en zelfs kleuters kunnen je de plaats aanwijzen waar de golem hem aansprak.

  

Een duikvakantie tussendoor in Egypte leverde ook een hele trits verhalen op. Het mooie van het schrijversbestaan is dat elke ergernis, elke opdringerige verkoper automatisch een tot een nieuw verhaal stolt.

 

DE STEEG DER DROMEN

 

Dieper in kasba, voorbij de Straat van de Koperslagers en links van het Selim Asdarplein, vind je de Steeg der Dromen. Het is schermerachtig daar en uit de werkplaatsen schijnt slechts gedempt maanlicht. In hun ateliers die amper groter dan een telefooncel lijken, naaien de droomwevers vergeelde nachtmerries aan bruidsjaponnen, vullen ze de huiden van sissende ratten met fonkelende smaragden en robijnen. Hun naalden zijn van glas en ze laten de oudere dromen weken in troggen met zee-asterbloed en fenegriek.

Het is een heerlijk rustige plaats, misschien wel de enige in heel Caïro en niemand zal je aanspreken, je ongewenste bidkleedjes of Made in China waterpijpen opdringen.

Het was mij  volkomen duidelijk waarom Hassan juist hier de drugsdeal wilde afsluiten.

 

Misschien ken je de klassieke fantasy-verhaaltjes van Frederik Brown of Roald Dahl die altijd met een laatste zin eindigden die alles op zijn kop zetten? Een microverhaal is daar bij uitstek geschikt voor:

 

DE TORENS VAN ELFLAND

 

 De torens van Elfland rijzen fier uit de golven, glanzend als ivoren zonnestralen. Vrouwen wuiven vanaf de balkons en steken hun borsten vooruit.

Zulke beeldschone vrouwen! En de daken, de daken zijn bedekt met gouden drakenschubben en in heel je leven zul je niets mooiers zien. Dat weet je heel zeker omdat je armen nu zwaarder dan lood voelen en je adem giert en je bij de volgende golf beslist kopje-onder zult gaan.

 

Of deze, met een wat onverwachte, troostrijke conclusie:

 

DE LAATSTE DEUR

 

Het is een ijzeren deur, versierd met loden braamtakken en de sleutel steekt uitnodigend in het slot. De letters van het devies in de deurpost zijn van Myceens brons en even glanzend alsof ze gisteren nog opgewreven werden. De tekst laat aan duidelijkheid weinig te wensen over: WIE HIER BINNENTREEDT, ZAL SNEL EN ZEKER GRUWELIJK STERVEN.

Het is verrassend hoeveel vermoeide vampiers, aartsengelen en onkwetsbare helden die sleutel omdraaien en opgelucht over de drempel stappen.

 

 Geluk is, in tegenstelling tot angst en gruwel, iets heel vluchtigs. Je kunt het hoogstens even aantikken:

 

De WATERVALLEN VAN RANDORÉE

 

In het voorportaal loop je op blote voeten over geglazuurde tegels terwijl kleurige visjes aan je teennagels knabbelen. Overal  dansen fonteinen en het water staat nooit lager dan  je enkels. Je hoort kinderen lachen, het snateren van eenden.

Boven alles uit klinkt het donderen van de Watervallen van Randorée. Het doet de grond trillen en het is alsof die trilling je omarmt, tot in je botten doorsiddert.

Sluit je ogen en voel haar hand in de jouwe. Was je ooit gelukkiger?

 

Bizar en onbegrijpelijk, dat toch heel wat lijkt te betekenen, werkt ook. Ik ben dolblij met verhalen die ik na negen keer lezen nog steeds niet werkelijk snap. Al werkt dat alleen als ze uitzonderlijk goed geschreven zijn.

Vooral Gene Wolfe is daar een meester in. Het is alsof je in een boek voor elfen of een stel homo superiors uit de verre toekomst bladert. Als je maar twintig IQ-punten meer had, dan zou je het meteen begrijpen...

Dit is mijn bijdrage:

 

GISHOLMS MIDDELVINGER

 

De zuil steekt pardoes uit de grijze oceaan. Duizend kilometer in de omtrek valt geen eiland of zelfs maar klip te bekennen. Op zuil zit een stenen teddybeer met maar één oog die een notitieblok ophoudt. Daarop staat in kapitale, rijk versierde letters: MIJN HAAT IS GROOT. Aan zijn voeten ligt een globe die met een bijlslag gekliefd werd en nu roodmarmeren bloed lekt.

Waarom de zuil Gisholms Middelvinger heet, kan elke makreelvisser je vertellen. Daarna zullen ze een kruis slaan en je vragen of je nog Japanse porno in het geheugen van je mobieltje hebt staan?

 

In dezelfde tijd was ik SCHADUWSCHEPEN aan het schrijven en de Gran Terre is een oord waar iedereen verhalen vertellen absoluut serieus neemt. Een verteller heeft daar een hogere status dan een popster of een Gooise homo en het voordeel is dat zijn groupies met volle aandacht naar hem luisteren.

Door het boek lopen een heel stel andere verhaaltjes. Soms schraapt een verteller zijn keel en begint:

‘Het is zo vreemd, mijn liefste,’  zei Julia. ‘Hoe meer twijgen ik op het vuur gooi, hoe kouder de grot wordt.’

Romeo boog zich over de takkenbos.

‘Grote galopperende zeekoeien! Dit zijn helemaal geen takken, maar...’

En dan wordt de verteller helaas gestoord, misschien door het intrappen van de herbergdeur of een vuurgeest die krijsend in de open haard opduikt. Het is aan de lezer om het verhaal zelf af te maken. Het is grappig hoe goed dat werkt: de lezer verzint waarschijnlijk een beter verhaal dan de schrijver in gedachten had.

Het kan nog korter:

‘Vertel nog eens hoe Björn de ijzeren sandalen van de Grijsaard-die-giechelt wilde stelen?’ vroeg Senni. ‘En wat de dwergen toen met hem deden?’

Op de een of andere manier krijg je de indruk dat dit verhaal niet bijster goed gaat aflopen...

 

In zijn uiterste vorm  bestaat het microverhaal niet eens, enkel bij implicatie. Zo heb ik de omslag en de flaptekst gemaakt voor LORDS OF THE SEVAGRAM. Het  is het derde Weapon Shops boek van A. E. van Vogt, mijn all-time favoriete schrijver. Het is helaas ook een boek dat hij nooit geschreven heeft.

Je kunt het, samen met twee bladzijden tekst, bekijken op
 http://taisteng.atspace.com/fantoramas.html.

Honderd dertig microverhaaltjes zijn, samen met een heleboel illustraties uitgegeven als STEDEN VAN ZILVER EN LEISTEEN door uitgeverij VERSCHIJNSEL.


Te bestellen bij http//:www.verschijnsel.com



 

Schrijf ze en hou het voor de verandering eens kort. 

 

9) Een horizon vol eilanden en hoe je die verkoopt

Een van de vragen die elke workshop opduikt, is: hoe bied ik een boek bij een uitgever aan? Vooral als ik dat boek nog niet geschreven heb?
Ik zet hieronder mijn voorstel voor mijn nieuwste boek, dat overigens net af is en waarvoor ik druk aan het illustreren ben.
De Milieufederatie vroeg of ik een toekomstroman kon schrijven over de Nederlandse kust en wat ons voor interessants aan broeikasrampen te wachten stond. Graag met een nadruk op alternatieve energie.
De tekst hieronder was mijn voorstel. Ze namen het aan, dus ik moet iets goed gedaan hebben…

Voorstel voor Een horizon vol eilanden:

Het project bestaat uit een boek voor de oudere jeugd met een groot aantal illustraties. In het boek staan ook landkaarten van toekomstig Nederland en al haar kunstmatige eilanden. Het verhaal speelt zo’n vijftig jaar verder, in de gloednieuwe en wonderbaarlijke broeikaswereld waar flamingo’s in de Wassenaarse zoutmeren rondstappen en nijlpaarden in de bloedwarme Rijn doezelen.

Bij het project hoort ook een interactieve website, laten we zeggen www.horizonvoleilanden.nl. Op de website kun je op de kaarten inzoomen op de manier van Google Earth. In de hoogste stand kun je de individuele huizen op de eilanden onderscheiden.
Ik heb een voorbeeld van een eiland uit een eerder boek bijgesloten.
(Dat was uit de Jongen van Smaragd.)

Elke maand komt er op de website een kort verhaal bij dat in dezelfde tijd speelt. Uit ervaring weet ik dat een website regelmatig aangevuld en veranderd hoort te worden om interessant te blijven. Daarom lijken zaken als een gastenboek en een forum mij ook nuttig.
Op de website worden de achtergronden van het broeikaseffect, kustverdediging en de toekomstige veranderingen van het milieu verder uitgediept. Je vindt er bovendien links naar de betrokken organisaties. Deze kunnen trouwens zelf ook materiaal op de site zetten.
Zelf ben ik sterk geïnteresseerd in het soort praktische techniek als zonneovens, intelligente waterfilters, valmeren en zaadbanken.

Vanaf de site zijn alle kaarten en illustraties in hoge resolutie te downloaden, inclusief een stel posters. Deze zijn allemaal rechtenvrij: iedereen kan ze gebruiken en verspreiden zolang ze maar naar de site verwijzen.
Voor de liefhebber komen er een stel eenvoudige minigames.
Het project krijgt een eigen, goed herkenbaar logo.

HET BOEK:
De omslag is het uithangbord van je boek en moet eigenlijk al zijn eigen verhaal vertellen. De kleurenomslag loopt door over de voor- en achterkant.
De zon gaat onder op het Scheveningse strand: een jongen en meisje kijken, samen met hun tamme zeekoe, vol verlangen naar de silhouetten van de eilanden.
Elk eiland heeft zijn eigen, unieke oplossing voor het stijgende water gevonden.
Het eerste is een reusachtige Saint-Michel kathedraal van wrakhout. Dit is het Jutterseiland en de inwoners gebruiken alles wat de zee aanspoelt. De plastic flessen, gympies en olievaten, soms zo antiek dat ze nog uit de twintigste eeuw stammen, vormen hun bouwstenen en handelswaar. Ze sturen robotachtige strandbeesten uit, die zichzelf verder uitbouwen tot ze groot genoeg zijn. Dan zwemmen ze terug naar het Jutterseiland.
Het tweede eiland, Floriant, is van de Kwekers, bedreven genetici die er niet bang voor zijn om hun uitvindingen op hun eigen lijf uit te testen. Hun opgevoerde mangroves en zoutwaterwilgen groeien tot kilometers in de zee. Ze wortelen diep in het zand en het slib en verankeren het eiland. Buitengaats dempen ze de aanstormende vloedgolven en de droom van de Florianten is dat ze uiteindelijk in een lange boog langs de hele kust zullen groeien.
De bewoners hebben hun huizen in de vorken van de bomen gebouwd en ze kweken garnalen, smakelijke wolhandkrabben en oogsten velden van eetbaar zeewier. Het is een brandingseconomie.
Op het derde eiland, Windhoeck, lijken machtige redwoods op te rijzen, ware woudreuzen. Pas als je dichterbijkomt begrijp je dat het enorme, vertakte masten zijn, met duizenden woest snorrende windmolentjes in plaats van bladeren. Hier wordt elke verdwaalde zonnestraal, iedere windvlaag in schone energie omgezet.
Soutenlande, vlak onder Texel, is een onderzeese stad. De bewoners hebben het vasteland opgegeven en wonen in bellen van titanium en pantserglas. Ze hoeden reusachtige spinkrabben en houden kwallen voor hun gif dat de basis is van hun biochemische industrie. Enorme riffen van afgedankte auto’s en boorplatforms reiken ver de zee in.
Voor de kust van Zeeland ligt Jahsnaam. Daar schrijven de gelovigen Gods ware naam in de zee met immense letters van diamant. Als de naam voltooid is, zullen de aartsengelen uit de hemel neerdalen en alle stormen stilleggen en de poolkappen weer aan laten groeien.

Alles bij elkaar liggen er een stuk of acht eilanden voor de Hollandse kust, elk uniek.
Nederland bezit niet langer een centrale regering: de zandmotoren die de eilanden geschapen hebben, zijn voorgoed stilgevallen. De eilanden zullen nu op eigen kracht moeten overleven.
Voor de Nederlanders van die tijd zijn ze het Wilde Westen, het land van de ongekende mogelijkheden en ieder kind droomt ervan daar eens te wonen.

Helemaal rechts in het beeld loopt een zestig meter hoge dijk. Hier en daar zie je gapingen en verzakkingen waar tsunami’s de dijk kapot gebeukt hebben. Dit zijn overblijfselen van het megalomane en gruwelijk mislukte Dijk Europa project. Aanstormende golven moet je dempen in mangrove wortels, liefdevol wegleiden met ingenieuze zandbanken en afbuigen: als je enkel een muur bouwt, zal die vroeg of laat bezwijken.

DE ACHTERGROND VAN HET VERHAAL:
Deze toekomst is uiterst milieubewust. Een van hun kreten is: laat je (ecologische) voetafdruk niet groter dan je eigen voet zijn! (Maak ik nog een poster van.)
Veel keus hebben de Nederlanders ook niet: hele landen zijn al onder de golven verdwenen en in plaatsen als New York en Amsterdam wonen nu alleen nog maar haringen en zeemeeuwen.
Het smeltende poolijs heeft de golfstroom stilgezet en Nederland zou nu even strenge winters als Moskou moeten hebben. Uit de smeltende clathraten onder de pool en de permafrost van Siberië is echter een immense wolk methaan vrijgekomen, een heel wat krachtiger broeikasgas dan CO2 en het is hier heter dan ooit.

Het water bedreigt Nederland van twee kanten: de stijgende zee en de grote rivieren die door de toegenomen regenval voortdurend buiten hun oevers treden. De rivieren hebben daarom al hun oude meanders en dode armen teruggekregen om het extra water op te vangen. Waar het water niet te keren valt, staan de huizen op palen of drijven ze. Voor Amsterdam was het te laat: toen een worm de tienduizend palen waar Amsterdam op balanceerde opvrat, zonk de hele stad onder de golven.
Het weer is extreem: orkanen worden afgewisseld door hagelbuien met stenen zo groot als ganzeneieren, in de zomer brandt de zon het vel van je vlees.
De natuur heeft zich hersteld hoewel alle soorten een flink eind naar het noorden opgeschoven zijn. Kanaries nestelen in de dennenbossen en in de warme Waddenzee zwemmen maanvissen. Op de slikken en schorren groeien zeekraal en lamsoor plus een honderdtal genetisch gemanipuleerde soorten die juist dol op verzilte grond zijn.
De wereldbevolking heeft een plateau bereikt en begint te krimpen.
De nieuwste golf emigranten komt van de verdronken elanden van de Stille Zuidzee en vooral de jongerentaal zit vol met Maori-leenwoorden. Deze nieuwe rijksgenoten vervangen de anderhalf miljoen Nederlanders die bij de eerste dijkdoorbraken naar Zuid-Frankrijk gevlucht zijn. In gebieden als de Dordogne hoor je amper nog Frans en de bewoners noemen het al Klein Holland.
Nederland is een lappendeken van culturen: je heb de immense arcology Belle van Zuylen. Deze kilometer hoge hightech wolkenkrabber heeft anderhalf miljoen bewoners.
Het Groene Hart heeft zich op slow food en biologisch boeren geworpen: net als de Amish zullen ze niets gebruiken dan van na de negentiende eeuw stamt (tenzij het echt nodig is).
Grote gebieden zijn een uiterst vruchtbaar moeras geworden waar je bessen en knollen het hele jaar door van de lage dijken kunt oogsten.
Om het Groene Hart ligt een Escheriaans doolhof van klompenpaden waarin elke vreemdeling onverbiddelijk zal verdwalen.
In Noord-Holland heeft de dijkdoorbraak van 2036 de Grote Slufter opgeleverd, een gloednieuwe Biesbosch en een van de befaamdste natuurgebieden van Europa.
Snelwegen en persoonlijke voertuigen bestaan niet langer: ze zijn veel te verspillend. Bijna alle goederen worden over de brede rivieren vervoerd, in reusachtige containerschepen.
Alle methodes worden gebruikt om in de broeikaswereld te overleven: het bijvoeren van plankton met ijzervijlsel, elektriciteit uit osmotische membranen, golfgenerators, zelfgebouwde zonneovens. Kernfusie en de waterstofeconomie liggen, zoals gebruikelijk, nog steeds tien jaar in de toekomst.

Dit boek moet over oplossingen gaan, over overleven met verve en geen klaagzang over alle dingen die we verkeerd met de wereld hebben gedaan. Elke verandering schept zijn eigen nieuwe mogelijkheden.

OUTLINE VAN HET VERHAAL:
Sephira Verbrugge woont in de Belle van Zuylen. Als iemand haar identiteit steelt, moet ze de toren verlaten om niet van honger en dorst om te komen. Ze is letterlijk een nonpersoon geworden, iemand die volkomen onzichtbaar is in deze hightech omgeving. Geen automaat zal haar een kom pap geven, elke kraan zal haar vingerafdruk weigeren.

Haar droom wordt de eilanden te bereiken, de plaats waar je zelfs zonder avatar een persoon kunt zijn, maar daar liggen de ondoordringbare wouden van het Groene Hart tussen, de rivierkapiteins die geen vreemdelingen op hun water dulden.
Voor ze de eilanden bereikt, zal ze door heel Nederland moeten trekken, van de hoge terpen van Fryslan tot de rieten drijfhutten van de Amsterdamse palingvissers. En dan de eilanden, de eilanden die eindeloos veel vreemder blijken te zijn dan ze ooit gedacht had…

VOORBEELDPAGINA:

Sephira Verbrugge wist precies wie ze was en ze had zesduizend uur video en anderhalf miljoen facebook-vrienden om dat te bewijzen.
De ochtend dat iemand haar naam en haar leven stal, stond ze op het balkon van de hoogste toren van Nederland. De Belle van Zuylen stak dwars door de wolken: een kleurige totempaal met meer balkons en glinsterende windmolens dan ze ooit kon tellen.
Ze kon het oude Utrecht aan de voet zien liggen, een dubbele cirkel van grachten die op de zilveren slinger van de Vecht geprikt zat.
In het westen schemerde het mysterieuze Groene Hart, met zijn steels murmelende beekjes en eindeloze eikenwouden.
Een beweging in haar ooghoek trok haar aandacht en haar contactlenzen zoomden automatisch in. Flamingo’s, minstens een dozijn. Ik heb ze nog nooit zo hoog zien vliegen.
‘Vastleggen,’ beval ze en haar lenzen sprongen in de opnamestand en stuurden de beelden meteen door naar de exotischevogelvriendensite.belzu van het internet. Een vogelliefhebber die naar haar filmpje keek, hoefde niet meer dan een microkrediet te betalen, maar als het er tienduizend waren, had Sephira de prijs al van een uur muziek naar eigen keuze, of een bord gestoomde kwartels met walnoten.
Ze zocht de horizon langs. Was er nog iets anders verkoopbaars? Maar nee, flarden grijze mist dreven aan en ze realiseerde zich dat ze hier al een half uur stond en verkleumd was tot op het bot.
Sephira reikte naar kruk van de balkondeur en een venijnige vonk sprong naar haar vingers over. Ze rukte haar hand terug.
`Hé, wat is dit voor ongein?’ Haar tweede poging leverde een nog gemenere schok op.
Was het huis soms op een anti-inbraakstand gesprongen? Ze zette haar handen in haar zij en zei: `Trammelant204.’ Het was de noodcode die alle sloten van haar huis ontgrendelde. Hoorde te ontgrendelen: de glazen deur maakte geen enkele aanstalten om opzij te schuiven.
‘Ik heb de ordedienst gewaarschuwd,’ kwam de stem van het huis.`Dat er een insluiper op het balkon staat.’
‘Insluiper? riep Sephira. ‘Ik woon hier verdorie! Ik ben het, Sephira Verbrugge,’ en voor de zekerheid herhaalde ze de ontgrendelingscode.
‘Sephira Verbrugge past op dit ogenblik een grijze linkerlaars in Leather & Lace, op het Ludwinaplein 56.’
‘Laat je nakijken! Ik ben hier.’
Een zacht gepruttel en er gleden ruisstrepen door het veld van haar contactlenzen. Sephira had nog nooit een computersysteem zien aarzelen.
‘Druk je vingertoppen tegen het glas,’ zei het huis ten slotte. ‘Dan kan ik je afdrukken controleren.’
 
Een paar zaken liepen wat anders: Sephira haalde de terpen van Fryslan nooit en ze kreeg ook de dijkgraaf, de machtigste man van Europa,  achter zich aan. Ik wilde het haar niet te makkelijk maken…

10. De kus van een Suffragette onder een hemel vol Zeppelins
of een korte inleiding betreffende
het schrijven van Steampunk

Ik ben dol op steampunk. Het is zo'n heerlijk bizar mengsel van fantasy en sciencefiction. In feite gaat het over een technologische wereld die even ver geavanceerd is als de onze maar nog steeds begrijpelijk blijft. Als je daar een apparaat openschroeft, vind je draaiende radertjes of in het ergste geval zoemende radiobuizen.
Je kunt zo'n machine begrijpen en zelf repareren, zelfs als het een ruimteschip of tijdmachine is. Dit in schrille tegenstelling tot onze eigen computers en auto's met drieëntwintig kilometer ingebouwde bedrading en een aansturing die zelfs voor automonteurs op zijn zachts gezegd raadselachtig is.
Steampunk is het soort retrowereld waar H. G. Wells en Jules Verne van droomden, waar je een maanraket of robot in je tuinschuurtje bouwt. De schurken zijn hyperintelligent, 'Napoleons of Crime' zoals Sherlock Holmes dat zo mooi noemde en ze willen de wereld veroveren, niet enkel een zwaar onverdiende bonus bij elkaar graaien.

Laat ik eerst wat regels voor het gemiddelde steampunk verhaal neerzetten. Zodra je die kent, kun je ze natuurlijk naar hartenlust breken, maar er zijn conventies, zaken die een lezer verwacht. Gebruik die als achtergrond: het is niet nodig het raderwerk iedere keer weer opnieuw uit te vinden.
Log om te beginnen op internet in. Steampunk is een bijzonder visueel genre en het helpt als je video's en plaatsje ziet.

1. De hemel is gevuld met zeppelins.
Bijna alle luchtschepen zijn lichter dan lucht, aandreven door propellers en opgeheven door heliumballonnen. Als er zwaarder-dan-lucht voertuigen zijn, dan gaat het om ornithopters, tuigen die vliegen door met hun vleugels te slaan als vogels of vleermuizen (bij de kwade genieën).
De film Sky Captain and the World of Tomorrow geeft prachtige voorbeelden van zo'n hemel vol retromachines.
Ik droom nog steeds over de luchthaven in de wolken die opgetild wordt door een woud van woest draaiende propellers. Het luchtschip van Robur de Veroveraar in Jules Verne's boek is een prachtig klipperschip dat propellers draagt in plaats van zeilen. In de nacht worden bewegende reclames op de wolken geprojecteerd.
2. De stoomachine heeft het gewonnen van de benzinemotor.
In  onze eigen tijdslijn gebeurde dat bijna ook: de meeste automobielen werden in het begin door stoom of elektromotoren aangedreven, met helemaal achteraan onze volmaakt belachelijke en inefficiënte explosiemotor. Alleen het vinden van enorme olievoorraden liet de benzinemotor de strijd winnen.
Steampunk machines draaien op verpoederde kool, niet op aardolie. Verpoederde kool is verrassend energierijk per gewicht.
3. Tesla was de befaamdste uitvinder, niet Edison.
Denk bij Tesla aan enorme spoelen met bolbliksems. Nikola Tesla wilde elektriciteit niet door lelijke koperdraden distribueren maar rechtstreeks door de lucht, draadloos.
Tesla was het prototype van de autistische genie; hij was veel slechter dan Edison in staat om met geldschieters en het publiek te communiceren en bovendien een levenslange vrijgezel. Geef hem een geliefde (mannelijk of vrouwelijk want over zijn seksuele instelling is weinig bekend) die dit wel kan en je krijgt een volkomen andere wereld. Een wereld waar je al je energie met een curieus gevlochten antenne uit het ether pikt en kanonnen zinderen stralen groen plasma spuwen. 's Nachts licht de hele hemel op als een gigantische neonbuis.
4. Het Britse Imperium beheerst de wereld.
Waarschijnlijk was er nooit een Amerikaanse vrijheidsoorlog en maken de Verenigde Staten nog steeds deel uit van Engeland.
Frankrijk is traditioneel de grote rivaal, met haar eigen koloniën en vaak afwijkende technologie. Bekijk op YouTube 'A Gentlemen's Duel' en je begrijpt precies wat ik bedoel.
Een tweede vijand vormt China, met haar warlords in gepantserde luchtschepen die niet op eerlijke Britse wetenschap gebaseerd zijn maar op esoterische krachtbronnen uit Tibet of  de onderzeese ruïnes van Mu en Atlantis.
De Britse helden kijken over het algemeen absoluut niet neer op hun tegenstanders, of het nu 'frogs' of spleetogen zijn. O ja, Rusland is uiteraard Tsaristisch en China een keizerrijk. Dit is een wereld zonder communisten. De bommen gooiende anarchisten zijn de terroristen van deze wereld, er op uit om alles dat zuiver en verheven en Brits is te vernietigen.
5. Er is geen vrouwenkiesrecht.
De gemiddelde steampunk heldin is een suffragette en behoorlijk vrijgevochten. Om in deze mannenwereld op te klimmen, zal zij zich vaak als jongeman vermomd hebben. Even vaak als heldin zal zij aan de andere kant van de wet staan. Het laatste dat zij wenst is een 'respectabel' leven leiden.
Het Britse Imperium is een klassenmaatschappij en hyperkapitalistisch, vergelijkbaar met het huidige Rusland. Bijna al het kapitaal is in handen van de adel en de Captains of Industry. Nog ver onder de arbeiders bungelen de inboorlingen van alle veroverde landen en dominions. Gekleurd en vrouw  is de beroerdste positie waarin je kan verkeren.
6. De computer revolutie begon al halverwege de negentiende eeuw.
Babbage ontwierp omstreeks 1820 een mechanische computer die op schijven en duizenden radertjes gebaseerd was. Die computer werd nooit voltooid door geldgebrek. Ada Lovelace was de computergenie die in dezelfde tijd de grondslag legde voor het programmeren, in onze wereld helaas zonder de bijbehorende computer.
Babbages eerste ontwerp zou vijftien ton gewogen hebben en deze machines zullen in een steampunkwereld altijd wel groter blijven dan onze chips aangedreven PCs. Hoewel,  als je nu een mechanische computer met nanotech combineert, radertjes van een miljoenste centimeter, dan kom je toch een aardig eind...
Babbages tweede ontwerp werd uiteindelijk in deze eeuw door het Londense Science Museum nagebouwd en hij werkte perfect.
De klassieke steampunkroman over deze tijdslijn is The Difference Engine van William Gibson en Bruce Sterling.
7. De steampunkwereld blinkt uit door gigantische ingenieursprojecten, het liefst in eerlijk staal.
Zo is er de Gibraltarbrug, de kunstmatige eilanden in de Atlantische oceaan om luchtvaart te vergemakkelijken, het verslepen van ijsbergen om de Sahara te bevloeien.
De machtigste onderneming wordt in de roman A Transatlantic tunnel, hurray! van Harry Harrison beschreven. Een waanzinnig lange tunnel die van Engeland tot Amerika loopt met bijzonder overtuigende details. Ik herinner mij dat boek vooral omdat ik cover voorde Nederlandse vertaling schilderde.
8. Hoge hoeden en korsetten.
Steampunk heeft zijn eigen mode en accessoires gegenereerd. Het internet staat er vol mee en ze vormen een belangrijk onderdeel van de look van de steampunk omgeving. Alle zeppelin-vliegeniers dragen uiteraard het soort vliegeniersbrillen  (goggles) dat uit de Eerste Wereldoorlog stamt.

Je kunt steampunk ook eerder laten beginnen, veel eerder. Per slot van rekening stamt de stoomachine al uit de eerste eeuw voor Christus. Deze stroming wordt Clockpunk genoemd, naar het raderwerk met gewichten en veren dat in de late middeleeuwen uitgevonden werd.
Uit die tijd stammen ook talloze robotontwerpen, schaakmachines en porseleinen kikkers die kwakend door de troonzaal sprongen. Het lijkt kinderspeelgoied maar ze waren te programmeren en hadden tot echte robots kunnen leiden.
In de clockpunkwereld wordt de industriële revolutie meestal op gang gezet door de uitvinder der uitvinders Leonarda da Vinci. Hij bouwt alle machines, alle helikopters en pantsertanks, die in onze tijdstroom alleen in zijn aantekenboeken stonden.
In zo'n clockpunkwereld wandelen de astronauten waarschijnlijk al in de zeventiende eeuw op de maan.
Pasquale's Angel van Paul J. Mcauley is een mooi voorbeeld van clockpunk, met Macchiavelli in de rol van journalist en detective.
Het wonderbaarlijkste voorbeeld vormt  Jay Lake's Mainspring Universe met de drie boeken: Mainspring, Escapement en Pinion. Hier is het zonnestelsel zo'n ouderwets planetarium waar de planeten zich met raderwerk langs de hemelkoepel bewegen en de aarde aangedreven wordt door een immense opwindveer in haar hart. Een veer die haar kracht driegt te verliezen en uiteindelijk de hele aarde zal stilzetten.
 
Ik heb zelf nogal wat affiniteit met steampunk. In de Gran Terre Saga komt een immense stad in een magisch land. Haar beschermende muren houden magie tegen zodat ze techniek moeten gebruiken. Het is steampunk techniek omdat er nog genoeg magie doorsijpelt om computers en mobiletejs totaal te ontregelen.
In Archimedes' petekind begon ik nog eerder in de geschiedenis. Daar barst de industriële revolutie los tijdens de Tweede Punische Oorlog, waar de Carthagers de Romeinse vloot tot zinken brengen met door stoom aangedreven torpedo's.  

Als laatste een lijstje met mijn favoriete Steampunk films en video's:
Brazil van Terry Gilliam
The Wild, Wild West
The Golden Compass
Jasper Morello
Sherlock Holmes (2009)
Sky Captain and the World of Tomorrow
Howl's Moving Castle
Castle in the Sky
A Gentlemen's Duel




11) Morgen gebeurt het, over sciencefiction en media-sf.


Toen ik een jaar of zeven, acht was, wist ik precies hoe de toekomst er uit ging zien: gigantische wolkenkrabbers met zwierende loopbruggen. Om de gebouwen zwermden honderden helikopters en alle auto's waren druppels van gestroomlijnd pantserglas. Het mooiste vond ik nog de twintigbaansweg die zich dwars door een woontoren boorde.
Ik had mijn kennis uit de Donald Duck. Midden in het tijdschrift stond een plaatje van het jaar 2000 en iedereen wist dat de toekomst pas in 2000 werkelijk zou beginnen. Als ik naar dat plaatje keek, voelde ik een diep verlangen naar de tijd die nog moest komen. Het was heerlijk om te weten dat die toekomst met een snelheid van een uur / per uur op me af stormde.

Een paar maanden geleden stond ik op het dak van Den Haag CS om de zaak eens te controleren.Wat was er eigenlijk van die toekomst terechtgekomen?
De  superwolkenkrabbers vielen niet tegen: ze waren zelfs van zwart glas, wat ze een prachtig coole maffia-uitstraling gaf. De loopbruggen klopten ook en als je de stad binnenreed, schoot je inderdaad onder een gebouw door dat beslist als aandrijving van een sterrenschip diende. Goed, geen personenhelikopters of vliegende auto's, maar je kunt niet alles hebben. Bovendien konden we ze best maken: vliegende auto's en minihelikopters staan elke eenvoudige miljardair ter beschikking. Het viel me wel een beetje tegen dat je 's nacht de lichten van de maansteden niet zag opgloeien.
Aan de andere kant: in de binnenzak van mijn jas stak een USB-stick waarop alle boeken die ik ooit geschreven had (en nog zal schrijven) passen. Met mijn grafische pen kon ik elk potlood, iedere penseel of etsnaald nabootsen. Ik mocht uit twintig miljoen kleuren kiezen en dat waren er heel wat meer dan er in de modale kleurdoos zitten. Vanaf de NASA-site kon ik zo goed als live over de ringen van Saturnus scheren. De bevroren meren van Mars lagen maar één muisklik ver, of ik kon, dichterbij, de straatlantaarns van Moermansk zien aanknippen zodra de zon onderging.
Volgens de Donald Ducktoekomst hadden dit soort computers zo groot als flatgebouwen moeten zijn, met wachtlijsten van minstens een jaar. Boeken op de heilige megacomputers schrijven of haaimuizen schilderen, was ondenkbaar.
Dit heden is helemaal geen onaardige toekomst, concludeerde ik, zelfs zonder koepelsteden op de maan. Zelfs met een ruimtestation dat uit weinig meer dan wat overmaatse bierblikjes bestond.
En over vreemd en exotisch gesproken: moskeeën in Rotterdam? Smeltende poolkappen en superorkanen die een complete Amerikaanse stad wegvagen? Tibetaanse restaurants langs de gracht en 's winters kwetterende parkieten in de populieren? Welke sf-schrijver had onze wereld ooit durven bedenken?

Die andere, intussen achterhaalde, toekomst bestaat nog steeds in de media-sciencefiction, in de films, de tv-series, de computerspelletjes. In Star Wars worden de cocktails door robots geserveerd en vind je vliegende auto's zat. Overal buitenaardse wezens terwijl we nog niet eens een microbe op Mars gevonden hebben. Straalpistolen, koepelsteden op de maan.
Het is een beeld dat nog verder teruggaat dan mijn Donald Duckplaatje. Het stamt uit de zwart-wit film Metropolis van Fritz Lang uit 1927.
Media-sf is een rijk en barok geheel, maar vooral visueel interessant. Hun toekomstige werelden doen akelig Amerikaans en een beetje vijftiger jaren aan.
De meeste mensen kennen alleen de media-sf.
Och ja, zeggen ze, sciencefiction: robots, ruimteschepen en vooral erg veel ontploffingen toch? Voor Hollywood mag sf vooral niet al te vreemd of origineel zijn. Stel je voor dat de kijker moet nadenken! Hun media-sf hoort tussen de westerns, de comedies en de thrillers thuis. Dat er ook sciencefictionromans bestaan, komt bij de meeste mensen niet op.
De geschreven sf heeft een ander doel. Een schrijver probeert een gevoel van intense verwondering op te wekken, van dat verlangen naar onbekende oorden, wonderbaarlijke culturen. Wat gebeurt er honderd jaar nadat ik gecremeerd ben en mijn laatste boek tot houtpulp verkruimeld is? Melancholie en intense verwondering eerder dan spanning en sensatie.

Sommige critici willen de sf al in de klassieke Griekse tijd laten starten, waarin een reis naar de maan en de zon werd beschreven. Later bereikten anderen onze maan in een boot die door zwanen getrokken werd. (Iedereen weet immers dat zwanen op de maan overwinteren?)
Ik vind zulke claims een beetje hebberig. Zonder befaamde voorouders valt best te leven en bovendien waren dat meestal meer een soort baron Van Münchhausenverhalen dan serieuze beschrijvingen van een ruimtereis.
De sciencefiction begon in 1816 met de roman Frankenstein van Mary Shelley.
Het was een van de vreemdste tijden uit de geschiedenis: in 1815 had de vulkaan Tambora zichzelf opgeblazen met de kracht van een dozijn atoombommen. Een dichte nevel van stof en as breidde zich over de hele wereld uit en de temperatuur dook omlaag. Het werd het Jaar zonder Zomer, waarin overal ter wereld de oogsten mislukten.
Mary Shelley bivakkeerde samen met de beroemde dichter Lord Byron en zijn arts aan het Meer van Genève. Elke zonsondergang was een wonder: gouden stromers in een hemel van keverschildgroen, overdag hing de zon als een bleke maan boven de bergen. Omdat de striemende regen en de lage temperatuur hen binnenhielden, besloten ze alledrie een spookverhaal te schrijven, iets wat bij de vreemde, dreigende sfeer paste.
Mary Shelley schreef  Frankenstein of een Hedendaagse Prometheus. Prometheus was de held die het vuur van de goden stal en Victor Frankenstein besloot iets nog veel heldhaftigers te doen: het leven van God zelf stelen. Hij was een geleerde, een medicus. In die tijd was elektriciteit nog een gloednieuwe ontdekking. Een Italiaan had pas ontdekt dat een al drie dagen dode kikker met zijn poten sloeg als je hem een stroomstoot toediende. Dezelfde reactie trad op bij menselijke kadavers. Hun ogen sprongen open, hun vingers krampten. Elektriciteit was duidelijk de levensenergie, het Elan Vital. Het was alleen jammer dat zo'n tot leven gewekte figuur meteen weer stierf en een zinnig woord viel er niet met hem te wisselen.
Baron Frankenstein besloot het strikt wetenschappelijk aan te pakken: vind precies de juiste spanning, vul het lijk met vers bloed. Bovendien was tot leven wekken niet genoeg, hij wilde een beter mens bouwen, de eerste superman. Dat was de reden dat het ‘Monster van Frankenstein’ uit zoveel verschillende lijken in elkaar gezet werd: alleen het beste was goed genoeg.
Het verhaal speelt zich af in een laboratorium. Mary Shelley gebruikte de nieuwste wetenschappelijke inzichten en er kwam geen toverspreuk aan te pas. Een sciencefictionverhaal dus, geen griezelverhaal. Later heeft Hollywood er de uitspraak van ‘There are things man was not meant to know’ aan vastgeplakt. Daar dacht Mary Shelley heel anders over: het was juist iets magnifieks wat Frankenstein ondernam. Dat het zo gruwelijk misliep, was de schuld van de geleerde zelf: nadat hij zijn nieuwe supermens gebouwd had keerde hij zich vol walging van hem af. Hij had een engel verwacht, maar zag een trol.
Om afgewezen te worden door je vader is treurig. Toen Victor ook nog weigerde een vrouw voor zijn schepping te bouwen, sloegen bij het ‘monster’ alle stoppen door.
De zonde, het absoluut verkeerde, was niet het maken van leven maar het weigeren verantwoording te dragen voor je schepping.

Wells en Jules Verne introduceerden de fantastische techniek, de wonderreizen en het vooruitgangsgeloof in de sf. De toekomst zou eindeloos veel beter worden dan het heden, techniek zou alles maakbaar maken, ook de mens zelf.
Wij zouden in witte toga's rondlopen door een wereldwijd park en prachtige poëtische gedachten denken.
Uit die tijd stammen ook de ingenieursdromen: de kunstmatige eilanden, de tunnels door het centrum van de aarde, de gietijzeren reuzenbrug over de Straat van Gibraltar, het ruimteschip naar de maan dat door een kilometerslang kanon werd afgeschoten.
Bijna al die dromen kwamen uit.
Alleen de mens zelf bleek een stuk minder maakbaar. Hoewel we nu al aan iemands hersengolven kunnen zien of hij naar de kleur groen kijkt, blijkt het stoppen van oorlogen nog verdraaid moeilijk.
De Amerikanen namen de sf van de Engelsen en Fransen over. De eerdere boeken waren duidelijk literair geweest, met befaamde auteurs: nu, met bladen als Amazing en Astounding, kwam de nadruk op het avontuur te liggen, de plot. Deze sf was enorm visueel en muteerde uiteindelijk tot de media-sf.
Later slopen zaken als een geloofwaardig dialoog, emotionele ontwikkelingen en mooi schrijfwerk weer terug. De Amerikaanse pulpperiode had echter een groot voordeel gehad: sf-schrijvers wisten nu dat ze in ieder geval een boeiend verhaal moesten vertellen. Met alleen een dichterlijke stijl kom je niet ver.
Soms duiken ‘literaire’ schrijvers in de sf met het idee van ‘Dat doe ik wel even’. O-zone van Paul Theroux en de volkomen onleesbare planetenreeks van Doris Lessing zijn daar afschrikwekkende voorbeelden van. Het is even arrogant en dom als westerns schrijven terwijl je niet weet wat een Colt of een postkoets is.

De moderne sf-schrijvers gebruiken allerlei manieren om in de toekomst te kijken. Om er een paar op te noemen:
- Als dit zo doorgaat...
Je pakt een trend die net begonnen is en bedenkt wat de meest wilde en vooral interessante eindvorm zou zijn. Laten we zeggen een extreme make-over die zo modieus wordt dat mensen zich adelaarsvleugels of staartvinnen aan laten meten. Of desnoods hun hersens maar in een compleet nieuw lijf laten zetten.
- Wat zijn de gevolgen van een nieuwe technologische ontwikkeling?
Ga er vanuit dat elke uitvinding zo kortzichtig mogelijk gebruikt zal worden en je maakt een redelijke kans dat je goed gokt. Op deze wijze wist de sf-schrijver John Brunner ons heden met zijn terrorisme-voor-de-gein en volkomen vervuilde oceanen overtuigend neer te zetten. Je kunt natuurlijk ook een toekomst verzinnen waarin onze smeltende poolkappen en rondrazende superorkanen wel opgelost worden.
In de vorige eeuw lag de nadruk op natuurkunde en techniek, zeg maar atoombommen en ruimteschepen. In deze gloednieuwe eeuw is het de opbloeiende biotechnologie met haar gekloonde schapen, supergewassen, smart drugs en cool hunters.
- Hoe is het op werkelijk vreemde plaatsen?
Dat zijn de oude Jules Verneachtige wonderreizen, maar sinds zijn tijd hebben we heel wat wonderbaarlijker oorden gevonden. Zweef bijvoorbeeld in een zeppelin tussen de gouden wolken van Jupiter, waar de bliksemschichten kronkelen die even lang zijn als de hele Rocky Mountains. Of beklim de Olympus Mons, de Marsvulkaan waarvan de top in de ruimte steekt.
Er zijn gigantische gasplaneten die zo dicht om hun ster draaien dat ze dwars door de zonnevlammen scheren. Of daal af in de diepzee, met haar zestien meter lange pijlinktvissen, haar inktzwarte bronnen met kokend water en blinde vissen.
- Maar sf hoeft niet over de toekomst te gaan: neem de alternatieve tijdstroom nu.
Stel je voor dat de geschiedenis anders verlopen was? Julius Caesar sterft op zijn vierde aan een bloedvergiftiging nadat hij door een Egyptische tempelkat gebeten is. Charles Babbage bouwt zijn allereerste mechanische computer dit keer wel af en je hebt een werkend internet in 1870.
Je eindigt met een onherkenbaar nu, met een door Vikings bewoond Noord-Amerika of een christelijk China. Dit soort verhalen is sterk met de historische roman verwant. Begin er als schrijver niet aan zonder je historische huiswerk gedaan te hebben.
- Het tijdreisverhaal kan zich in elke eeuw afspelen. Vaak is er een tijdpatrouille, een soort VN-vredesmacht die zorgt dat er niet al te erg met de tijd geknoeid wordt. Of zorgt dat de Aarde niet voortijdig vergaat.
Zodra je met sciencefictionogen naar onze eigen tijd kijkt, zie je hoe druk de tijdpatrouille het de afgelopen decennia gehad heeft. De Sovjet-Unie had bij haar instorting de Derde Wereldoorlog moeten beginnen, en al onze supersteden hadden kraters van zwart glas moeten zijn onder een hemel van stuivend as. Bovendien is het intussen al eeuwen te laat voor een nieuwe ijstijd. In de zeventiger jaren waren de meeste geleerden het daar wel over eens en een paar zagen het eerste begin al. De hele Industriële Revolutie is uiteraard door de tijdpatrouille in gang gezet, in een wanhopige poging om de nieuwe ijstijd te voorkomen. Of het heet genoeg wordt om de gletsjers te stoppen? Laten we hopen van wel.

De klassieke sf-schrijvers geloofden in het veroveren van de ruimte, de New Frontier, met steden op de maan en een hemel vol ruimtestations. De moderne sf-schrijvers hebben een ander geloof. Wij wachten op de Singularity, de post-humane tijd. Ergens in de toekomst ligt de Singularity: het moment van de totale verandering. Technologie en cultuur raken in een immense stroomversnelling. Heel de wereld, onze cultuur, wordt zo vreemd dat we niet langer mensen zijn. Onze technologie valt amper van magie te onderscheiden. Misschien ontstaan er door genetische manipulatie honderden mensenrassen die evenveel van elkaar verschillen als goudvissen van muskusossen.
Je kunt eigenlijk geen sf-verhalen voorbij dat punt schrijven omdat de mens zelf veranderd zal zijn. Zijn emoties en gedachten worden even onbegrijpelijk als onze roddels over een nachtmot.
De oude toekomst is nu, overal om mij heen, maar ik kijk nog steeds vol gretige verwachting vooruit. Wat er ook gebeurt, ik weet zeker dat ik mij niet zal vervelen.