ZEIL HET DRAKENSCHIP
het lang verwachte vervolg op DE JONGEN VAN SMARAGD!

Wat eerder gebeurde:
Opaal en haar vrienden zijn op het sterreneiland Aries gestrand nadat een zeeslang hun schip doormidden beet. Het is geen eiland waar de bewoners dol op vreemdelingen zijn...

Klik hier voor de nieuwe aflevering van mei 2008

waarin Opaal woestijnrozen moet zoeken in de gruwelijk hete zoutwoestijnen van Taurus, belaagt door jachtspinnen en onbetrouwbare schoolmeesters en piraten...

Kiezel werd akelig vroeg wakker, nog uitgeputter dan voor ze ging slapen. Boven de zee was het ochtendlicht asgrauw: de kleur van ik-zie-het-niet-meer-zitten.
 `Het is niet eerlijk,’ mompelde Kiezel.
Oma Rithka opende haar ogen. `Wat is er precies niet eerlijk?’
`Alles! Opaal is zo speciaal. Ze maakt het ene avontuur na het andere mee. Ik bedoel, zelfs de goden kletsen met haar. Ze pikte de beste jongen van heel MiYu in en in het begin wilde ze hem niet eens! En ik? Ik ben kleine zusje. Ik mag hoogstens achter haar aan hobbelen.’
`Avonturen lijken een stuk minder leuk wanneer je er middenin zit,’ waarschuwde oma Rithka. `Wacht maar tot je echt hongerig wordt en rauwe zeeanemonen moet eten. Avonturen zijn voornamelijk erg oncomfortabel, geloof me.’ Rithka schudde Ysidores overmaatse waterdruppel uit haar schoudertas. `Maar wil best wel een blik op je toekomst werpen. Ik wed dat je toekomst bomvol avonturen zit.’
Ze tuurde in de wervelende diepte. `O jee, o jeetje mineetje...’ Ze klonk bijna als een gewone grootmoeder. Het soort oma’s dat bloemetjesjurken draagt en `O jeetje mineetje’ zegt. Daarom wist Kiezel zeker dat Rithka haar voor de gek hield.
`Wat zie je?’
`Bof jij even! Je gaat een geheimzinnige vreemdeling ontmoeten. Hij is lang en knap, hoewel hij het kledingsmaak van een blind trekpaard heeft. En ik zie ook nog een draak. Eentje met een zeil zelfs.’
`Laat zien!’
Rithka liet de lillende  waterdruppel in haar tas terugrollen. `Sorry. De uitzending is net voorbij.’
`Je zag helemaal geen mysterieuze vreemdeling! Je verzon maar wat.’
`Wacht maar af.’ Rithka gaapte en sloot haar ogen. `Ik denk dat ik toch nog maar even doortuk. Het is nog veel te vroeg om op te staan.’

Kiezel beende nijdig langs de vloedlijn en stampte expres op de grootste en mooiste schelpen. Elk knars hielp een beetje, maar ze had nog steeds een rothumeur. Niemand neemt me ooit serieus.
Ze keek om. Ze had een duin overgestoken en de anderen waren niet langer zichtbaar. Iets van haar woede verdween. Het is een altijd minder leuk om boos rond te stampen als niemand je kan zien.
`Gmiep?’ Een of ander maf soort konijn hopste dichterbij en snuffelde aan haar sandalen. Het was een echt knuffelbeest, met witte en zwarte strepen en lange pluisoren. Zijn ogen waren groen, bijna dezelfde kleur als Kiezels eigen ogen.
`En wie hebben we daar?’ Ze knielde en stak haar hand uit om hem achter zijn oren te krabbelen.
`Kijk uit! Zebrahazen bijten!’
Kiezel rukte haar hand terug.
`Ze hebben meestal alleen maar verdroogd zeewier te eten. Een vinger zouden ze heerlijk sappig vinden.’ De jongen zat op een grote kei, met een staf van wrakhout in zijn hand. Kiezel had hem niet eerder opgemerkt omdat hij kleren in dezelfde kleur als de rots droeg: een smoezelig groengrijs. Hij stak zijn handen omhoog. `Daarom draag ik deze dikke leren handschoenen ook altijd.’ Hij leunde naar voren, fronste zijn wenkbrauwen. `Volgens mij ben je niet van hier.’
Kiezel was meteen of haar hoede. Als iemand op Leo `Jij bent niet van hier,’ tegen je zei dan was het zelden vriendelijk bedoeld. Je wist dan dat hij op ruzie uit was. `Hoezo ben ik niet van hier? Hoe weet je dat?’
 `Door je kleren,’ zei de jongen. `Ze zijn prachtig. De enige kleur die je op ons eiland mag dragen is overgeefsel-groen and niemand draagt ooit een ketting met juwelen.’ Hij raakte een kraal aan. `Hoe noem je deze kleur? Ik zie hem alleen waanneer de zon ondergaat.’
Kiezel trok de ketting over haar hoofd. `Oranje. En deze steen hier is geel, die ander turkoois.”
 `Iedereen moet grauwe kleren dragen en edelstenen zijn al helemaal verboden,’ zei hij. `Ons eiland is van smaragd gemaakt. Als buitenlanders dat ooit zouden ontdekken. Nou, dan zouden ze ons hele eiland willen stelen. Voor je weet zaten we tot over ons hoofd in de piraten en de schatgravers.’
`Volgens mij is dat kletskoek. Je kan geen eiland stelen. Bovendien, als er zoveel smaragd was zou het waardeloos worden. Even goedkoop als diamanten of bergkristal.’
`Vertel dat maar aan de Bewakers! Ze laten nooit iemand van het eiland vertrekken. Je moet minstens drieëndertig zijn voor je zelfs maar mag vissen.’ Hij balde zijn vuisten. `En dat is stokoud. Veel te bejaard om nog plezier te hebben.’
Hij is best wel lang, dacht Kiezel, minstens een kop groter dan ik and hij draagt nog beroerder kleren dan Tijgeroog. Misschien had oma toch gelijk. Je kunt lekker met hem praten en hij is absoluut niet zo verlegen als de jongens van mijn klas. Dat zijn zulke kleuters.
`De Bewakers hebben dus de pest aan vreemdelingen?’ zei ze. `Niet dat ik een vreemdeling ben.’
`Zelfs schipbreukelingen laten ze nooit meer van het eiland af. De Bewakers grijpen ze in de kraag en sturen ze naar de mijnen. Ze hakken leisteen en zwoegen van de vroege ochtend tot het te donker wordt om hun tenen te zien.’ Hij knikte. `Met hoeveel spoelden jullie aan?’
`Uh, nog vijf anderen. Nee, zes.’ Smarg was iemand die ze liever vergat.
`En niemand draagt groen? Ze zijn net zo kleurig als jij?’
`Ik ben bang van wel.’
`Dan moeten jullie zeggen dat je een rondreizend gezelschap bent. Circusartiesten. In het zuiden ligt een drijvende stad. Iedereen daar is knotsknettergek zeggen ze. Sommige kerels dragen zelfs blauwe petten. Ken je misschien een paar goede trucs?’
`Zoveel.’
 Hij stroopte een handschoenen af en stak zijn hand uit. `Ik heet trouwens Slimme Fruitvlieg.’
Het had erger gekund overwoog Kiezel. Hij had ook Wriggelende Oorwurm kunnen heten. `Mijn naam is Kiezel.’ Ze wapperde naar de oceaan. `Ligt er een stad aan de andere kant van de baai? Ik zag vannacht lichtjes.’
`Echt-Wel-Waardeloze Groensteen is een van onze grootste steden. We kunnen er heen gaan en een schip voor jullie stelen, goed? We zeilen over alle zeven zeeën! Of misschien worden we piraten!’
Kiezel haakte haar arm in de zijne en lachte. `Ik heb wel beroerder plannen gehoord.’

Ze wandelden terug naar de zandheuvel. Minstens vijftig zeewier kauwende, miepende zebrahazen huppelden achter hen aan

`Kunnen we hem wel vertrouwen?’ fluisterde Opaal. `Dat fruitvliegfiguur?’
`Hij is een hazenherder,’ zei Tijgeroog. `Ik heb met hem gepraat. Hij moet elke dag al hun keutels bij elkaar vegen voor de stadstuinen. Elke veertien dagen hoort hij ze ook nog helemaal te scheren om daarna van het haar grijze tapijten knopen. Ik kan mee geen vervelender rotklus bedenken. Hij heeft er alles voor over om van zijn eiland te ontsnappen.’
 Ze volgden een bijna onzichtbaar pad, een hazenpad. Het strand was nog steeds uitsluitend smaragd. Zoveel groen dat je bijna vergat dat er ook nog een andere kleur kon bestaan. Opaal smachtte naar een rode kiezel, een enkele vergeelde visgraat. Zelfs de hemel had een groene tint.
`Ik kan zeven mokerhamers tegelijk jongleren,’ schepte Ulrich op. `En als er eentje op mijn hoofd valt, nu, dat is gewoon lollig. Bovendien ben ik een dwerg. Meer heb je niet nodig om met een circus op te treden.’
`Ik heb een kristallen bol,’ zei oma Rithka. `Nu ja, kristallen, in ieder geval een soort van bol. En de toekomst voorspellen is een makkie. Gewoon wat kletsen over lange, geheimzinnige vreemdelingen.’
 `Ja, een circus,’ zei Smarg, `dat is precies waar jullie in thuishoren. Hoewel een dierentuin nog beter zou zijn. Als je denkt dat ik...’
 `We kunnen samen een komische act doen,’ stelde Vrouwe Barracuda voor, `Smarg en ik. Ik slinger hem keihard aan zijn enkels rond en als ik hem loslaat, plonst hij in een badkuip met tamme sidderalen. Hij zal zo grappig in het water ronddansen terwijl zijn haar rechtop staat en vonken sproeit!’
`Dat is best wel lachen,’ zei Morsige Eekhoorn. `Misschien kun je er ook nog wat kreeften bij doen, in de badkuip?’
De rest van de tocht gaf Smarg geen kik meer en bleef helemaal achteraan lopen, een flink eind van de rest vandaan.

Die nacht zagen ze de lampen glanzen aan de overzijde van de baai. Ze leken nog geen stap dichterbij en Opaal merkte voor de eerste keer op dat ze allemaal groen waren.

De volgende morgen werd hun hazenpad al breder en breder en ging tenslotte over in een straat die geplaveid was met grote platen gepolijst smaragd. Een drietal boeren ratelden langs, op wagens die getrokken werden door gigantische ooievaars.
`We zijn er bijna,’ zei Fruitvlieg. Hij was uitgelaten en wierp zijn staf in de lucht terwijl hij  luidkeels zong:
`Ik steel me een schip,
van je jodeli di,
en jodeli do!
Een groot gouden schip,
ja ja,
met wappervleugels zo wijd
en een joekel van een staart!
Weg, ja weg,
Dat zeilen wij
en we komen nooit meer terug!’
`Is het wel slim om zo luid te zingen?’ zei Kiezel. `Ik bedoel, over het stelen van een schip?’
 `Zie jij ergens een Bewaker? En dan nog, wie luistert er nu naar een hazenherder?’
 Ze wandelden door een poort van gebleekt drijfhout en plotseling lag de stad aan hun voeten.
Groenesteen was reusachtig, veel groter dan Opaals eigen stad. Alle huizen waren echter grauw en in de bloempotten groeien enkel zeedistels, stoffige brandnetels en cactussen.
`Waar liggen de schepen ergens?’ vroeg Opaal. Een pier reikte tot ver in de zee maar er viel geen schip te bekennen. `Zijn ze allemaal op zee aan het vissen?’
Fruitvlieg wees. `Zie je dat eiland daar? Dat is waar de schepen wonen. Je moet op een kinkhoornschelp blazen en dan komen ze meteen aanzeilen. Om je bij de pier op te pikken.’
`Wacht,’ zei Opaal. `Zijn jullie schepen dan levend?’
`Hoe konden ze anders zwemmen? De Bewakers nemen hun eieren en betoveren die. Wanneer de drakeneieren uitkomen, wordt de eerste mens die ze zien hun baas.’ Hij trok een wenkbrauw op. `Gebruiken de andere eilanden dan geen zeedraken als schepen?’
`Die, eh, zeedraakschepen,’ zei Morsige Eekhoorn, `eten ze hun passagiers nooit op?’
`Alleen verstekelingen denk ik. En natuurlijk elke piraat of smokkelaar die op hun eiland landt. De betovering is nogal sterk. Geen draak heeft hem ooit kunnen verbreken.’
`Ik snap het,’ zei vrouwe Barracuda. `We stelen een ei en zodra het uitkomt hebben we een schip.’
Het gebeurde razendsnel. De weg werd versperd door een wagen die geladen was met mansgrote manden. Een fluitje snerpte en plotseling vlogen alle deksels eraf. Ze rolden over de keien en half dozijn soldaten dook op. Ze grepen knuppels vast, stokken met leren lasso’s.
`Blijf staan! Verroer geen pink!’
Opaal keek om. Achter haar stapten nog meer soldaten uit een portiek.
Een gezette man stapte naar voren.
`Mijn naam is Horzel, inspecteur-bewaker Horzel. Een aantal mensen melden ons dat jullie een nogal raar liedje zonden. Over het stelen van een schip...’
 
AFLEVERING APRIL:

Fruitvlieg verbleekte. Zijn herdersstaf glipte uit zijn vingers en kletterde op de groenglazen kinderhoofdjes. De hazen drukten zich jammerend tegen zijn enkels. Ze voelden zijn angst. ‘Ik,’  stotterde hij, `wij…’ Grootmoeder Ritka schuifelde naar voren. Dit was de allereerste keer dat Opaal haar had zich schuifelen of met een rug zo krom als een hoepel.
`Ah, mijn beste jongen,’ zei ze, `we waren gewoon aan het repeteren.’
`Jullie waren een misdaad aan het repeteren?’
`Welnee, welnee, beste jongen. Het is een voorstelling. Een komische voorstelling. We zijn toneelspelers uit het zuiden. Je weet wel, de drijvende stad? Ja?’ Ze greep Smarg in zijn kraag en tilde hem zonder enige inspanning op. `Hij speelt de buitenlander die een schip probeert te stelen.’
`Met een ruim tjokvol diamanten,’ vulde Opaal aan.
`Daarom zong hij dat liedje ook. Buitenlanders zijn zo oliedom!’
`Ik ben niet…,’ protesteerde Smarg maar Rithka schudden hem doorelkaar tot zijn tanden ratelden en hij was zo verstandig verder te zwijgen.
`Maar het drakenschip geeft hem een zwiep met zijn staart en hij plonst in het water.’
`Pardoes in een school sidderalen,’ voegde Vrouwe Barracuda met een brede grijns toe.
De wachter grijnsde terug. ‘Dat klinkt verdraaid geinig. Die rare buitenlanders, eh? Wanneer geven jullie de voorstelling?’
`Morgenavond.’ Rithka pakt zijn hand vast. `Ik ben de befaamde Madame Rithka en ik kan je toekomst in de lijnen van je hand lezen.’ Ze floot tussen haar tanden. `Wat een prachtige toekomst zie ik daar. Een of ander feest. Een groot feest en met een medaille ook nog!’
De wachter leunde naar voren. `Ik wordt tot  brigadier bevorderd? Eindelijk!’
`Bovendien zie ik een beeldschone dame. Ze kust je.’
`Mijn vrouw is moddervet en ze heeft het gezicht van een buldog.’
`Dan is dit beslist je vrouw niet,’ zei grootmoeder Rithka. ‘Maar ze kust je nog steeds. Met groot enthousiasme..’
`Heeft ze rood haar? Krullend rood haar, als de mooiste zonsondergang die je ooit gezien hebt?’
Rithka tuurde in zijn handpalm. `Klopt. Zoveel krullen als een  man maar kan wensen.’
De man straalde. Hij zag er niet langer als een norse smeris uit maar leek bijna knap. `Dansende Mot gaat me kussen,’ fluisterde hij. `Mij…’
Morsige Eekhoorn zette een krabbel en scheurde een blaadje uit zijn bonnenboekje. `Dit is voor jou. Een vrijkaartje voor jou en je vriendin. Zorg dat je vrouw het niet ziet.’
De wachter draaide zich naar zijn soldaten. `Trek die wagen meteen van de weg! Deze mensen hier, het zijn wereldberoemde artiesten.’ Hij salueerde. `Ik zal jullie de weg naar een goede herberg wijzen.’
 Vrouwe Barracuda kwam naast hem lopen. `Dat eiland van de zeedraken? Ik neem aan dat het zwaar bewaakt is?’
`Uiteraard.’
`En de draken komen alleen als je ze roept.’ Ze klakte met haar tong. `Ay. Ik zit nog eens over onze opvoering te denken. Hoe komt die walgelijke buitenlanders eigenlijk op het eiland? We willen natuurlijk dat ons stuk zo realistisch mogelijk is.’
`Misschien steelt hij een blaasschelp?’
`Goed idee, hij toetert op zijn schelp en draak kom eraan peddelen.’
`Ja, en verslindt hem. Dat wordt echt puur lachen. De draak verschijnt zodra je op je kinkhoorn blaast maar hij gehoorzaamt je niet. Je hebt een geheim woord nodig, een wachtwoord, zodat hij weet dat je ook werkelijk zijn eigenaar bent.’
`Heb je zelf een boot?’
`Een schip. Wij zeelieden noemen onze boot een schip.’
`Zou ik je kinkhoorn mogen lenen? Om het morgenavond echter te laten lijken? Je krijgt hem meteen na de voorstelling terug.’
`Maar natuurlijk!’ Hij haakte een verguld slakkenhuis van zijn koppelriem. Het was een van die zeldzaam ingewikkelde slakkenhuizen, vol zwierige stekels en knobbels. `Je blaast er drie keer op en hij komt. Zo werkt het.’

Vrouwe Barracuda schudde haar hoofd toen hij hen bij de herberg afzette en met een vrolijke armzwaai vertrok. `Ik snapt niks van die drooglanders. Waarom gaf hij me in vredesnaam zijn schelp? Waarom vertrouwde hij me?’
`Je hebt krullen,’ zei Rithka. `Een boel krullen. Ook al zijn ze niet rood.’
 
Ze aten een heerlijk maal van witvis met geschaafde amandelen. De hazen sliepen buiten: ze hingen ondersteboven aan de takken van een boom.
`Die zeedraken,’ vroeg Opaal aan Fruitvlieg, `spugen ze eigenlijk vuur?’
`Dat doen alle draken toch? Als ze je raken, verander je in steen. Maar ik denk niet dat een draak de moeite neemt vuur te spugen als je hem irriteert. Hij bijt gewoon je hoofd eraf.’ Hij reikte in zijn overhemd en liet haar een kiezel aan een touwtje zien. `Dit is mijn geheime steen, rode Jasper. Het maakt je immuun voor vuur. Zelfs magisch vuur.’
`Kun je aan meer van die steentjes komen?’
`Het is nogal prijzig.’
`We hebben nog steeds een hele lading parels,’ zei Kiezel. `Ulrich sleepte ze mee om soep van te koken.’

 Het was middernacht en aardedonker. Geen spoor van een maan. Ze slopen naar het eind van de pier. Tijgeroog liep vooraan terwijl hij zijn reusachtige robijn over de planken rolde.  De robijn betekende het leven van zijn ouders en hij ging nergens heen zonder zijn edelsteen.
`Iedereen weet wat ze te doen staat, ja?’ vroeg Kiezel.
Haar zus was aardig bazig geworden, vond Opaal, sinds ze met die Fruitvliegjongen ging. `Vrouwe Barracuda blaast op de hoorn en ze hebben allemaal een stukje jaspis.’
`Ik niet!’ piepte Smarg.
`Nu ja, iedereen die er toe doet dan. De draak kan ons dus niets maken.’
`Dat is niet helemaal juist,’ zei vrouwe Barracuda. `Hij kan onze kop nog steeds afbijten. Of ons zo plat als hibiscusblad meppen met een klap van  zijn vleugels.’
`Daarom heeft oma ook een spreuk in aanslag. Ze kent…’
Drie luide toeters onderbroken Kiezel.
`Ik heb net op de hoorn geblazen,’ deelde vrouwe Barracuda mee en ze stak het slakkenhuis terug in haar krullen.
Uit de verte klonk een gedempt geloei. Een tweede toeter volgde, deze keer alarmerend dichtbij. Het schip gleed de haven binnen, stil als een maanschaduw. De twee opgestoken drakenvleugels fungeerden als zeilen en rijen zwempoten roeiden het schip vooruit. Een woeste drakenkop op een soepele slangennek vormde de boeg van schip.
 Twee ogen als gloeiende lantaarns draaiden zich in hun richting en verlichtten de aanlegsteiger met een griezelig groene onderwatergloed.
`Wat spiedt mijn oog? Zeven smakelijk buitenlanders.’
`Bijna goed. Zes smakelijke buitenlanders en een heks.’ Grootmoeders Rithka’s stem zakte een octaaf en klonk ineens precies als inspecteur Horzel. `Ik ben je meester! Gehoorzaam mij!’
`Je klinkt beslist als mijn meester, maar toch ben ik niet helemaal zeker. Nu hebben ze,  juist voor dit soort situaties, een beetje extra zekerheid ingebouwd. Te weten een wachtwoord. Je hoeft me maar een ding te vertellen, het antwoord op een eenvoudige vraag.’
`Laat die vraag maar. Het antwoord is `rode krullen’.’
`Hah! je hebt het precies goed.’ Hij sloeg zijn vleugels tegen elkaar en bulderde van de lach. `Nu, steel me dan maar! Beroof dat pompeuze biervat die zichzelf mijn meester durfde noemen!’
`Ik ben blij dat je het zo opvat,’ zei grootmoeder Rithka.
`Och, jullie hoofden afbijten was ook best grappig geweest.’
 `Stop! Verzet geen voet!’
Fakkels vlamden op en de wachter kwam de pier afrennen, gevolgd door een dozijn soldaten.
`Jij vunzige bedriegster!’ brulde hij. `Je kunt de toekomst helemaal niet voorspellen! Dansende Mot gaf me een klap in mijn gezicht toen ik haar vroeg om met me mee naar het circus te gaan!’
`We kunnen misschien maar beter vertrekken?’ zei grootmoeder Rithka.
`Maar we hebben nog niets ingeladen!’ protesteerde Ulrich. `Niks geen proviand, nog geen slok water.’
`Verroer geen pink, beval ik!’
Opaal telde negen soldaten die op de aanlegsteiger knielden. Ze hadden kruisbogen  en op minder dan vijftien passen ver konden ze onmogelijk missen.
`Ik kan ze een goeie stoot vuur geven, mevrouw de kapitein,’ bood de draak aan. `Ze in stenen beelden veranderen.’
`Dat gaat niet snel genoeg,’ zei Rithka. `Getver, wat heb ik hier de pest in!  Het was ons bijna gelukt.’
Slimme Fruitvlieg wandelde op de soldaten af. Hij stak zijn armen omhoog. `Jullie moeten mij hebben. Niet hen. Ik organiseerde alles. Zij zijn gewoon schlemielen. Door mij gehuurd.’
`Geen stap dichterbij!’ zei de wachter. `Ik schiet! Ik schiet echt!’ Hij klonk een beetje hysterisch.
Slimme Fruitvlieg knipte met zijn vingers. `Een vos! Grijp hem!’
En plotseling was de duisternis vol razendsnelle bewegingen. De soldaten struikelden, sloegen om zich heen met hun kruisbogen. Fakkels tuimelden sissend in het water. Elke soldaat was van kruin tot laarspunt overdekt met zebrahazen die hen in de hielen hapten, de boogpezen doorbeten en in hun ogen pisten.
`En nu vertrekken we,’ grijnsde Slimme Fruitvlieg.

De wind sloeg in de zeilen en bolde ze, een dozijn zwempoten lieten het water opspatten en de aanlegsteiger glipte weg, werd opgeslokt door de duisternis.
`Ik was jaren bezig ze af te richten,’ legde Fruitvlieg uit. `Wat viel er anders verder te beleven? En het is ook een hinderlijk feit dat vossen dol zijn op een lekkere donzige haas. Maar een hele horde zebrahazen die hem in zijn neus bijten en hem tegen de ribben schoppen, tja, dat is een heel andere zaak.’ Zijn grijns werd breder. `Zodra een vos mijn hazen hoort miepen rent hij heel hard weg, met zijn staart tussen zijn poten.’
`Ik snap nu hoe je aan je naam komt,’ zei grootmoeder Rithka.
 `Nu we toch over slim hebben,’ zei Fruitvlieg, `hoe wist je dat je de stem van de wachter moest gebruiken?’
`Ze logen tegen jullie, de drakentemmers. Draakjes worden blind geboren en het duurt een week voor ze iets kunnen zien. Hun eigenaar is dus de eerste mens die ze horen wanneer ze uit het ei kruipen net de eerste mens die ze zien. Het moet de stem van hun meester zijn die de bezwering bezegelt.’

Ze voeren het Zeedrakeneiland in het eerste licht van de ochtend voorbij. Honderden drakenschepen lagen voor anker en hun geaderde zeilen glommen in alle kleuren van de regenboog. Het eiland zelf was een steile piek die abrupt uit de golven rees.
 Fruitvlieg wees naar een zilveren koepel. `Daar broeden ze de eieren uit. De jongste scheepjes zwemmen rond in een grote vijver en worden ten slotte in een emmer omlaag getakeld naar de oceaan.’
`Waarom gebruiken de temmers eigenlijk een eiland?’ vroeg Opaal. `Waarom niet gewoon in de oceaan?’
`Ze willen niet dat er wilde draken naar de open zee ontsnappen,’ zei de zeedraak van boven hun hoofd. Hij had zijn kop een halve slag gedraaid. `We zijn zeedraken. Zodra we een voet aan wal zetten, verstenen we.’ Hij wendde zich tot oma Rithka. `Waarheen mevrouw-de-kapitein?
`Vaar naar het zuiden, naar het dichtstbijzijnde eiland. We hebben proviand nodig, water.’
`Er is een waterton in mijn ruim. Geen hap te eten helaas.’ Hij knikte. `Taurus is het volgende eiland. Negen dagen zeilen.’

 NIEUWE AFLEVERING MEI 2008

Het woestijneiland van Taurus
1
De waterton was maar goed voor vier dagen, zelfs als ze het op rantsoen zette. Tegen het einde dronken ze niet meer dan een theelepeltje water elke drie uur.
De vijfde dag zag Opaal de zon in zee zinken. Het was een zinderend hete dag geweest and haar lippen waren gesprongen, haar keel zo ellendig droog dat ze schor als een kraai klonk. Ze zag dubbel: twee zonnen zakten veel te langzaam weg in een zee die leek te gloeien.
‘Ik hoop dat jullie niet van de dorst omkomen,’ zei de draak. ‘Dat zou ik erg onhandig vinden. De bezwering dwingt me om naar de haven terug te zeilen als mijn eigenaar het loodje legt.’
‘Iedereen heeft zo zijn eigen problemen,’ zei Opaal schor. ‘Ik wou dat ik de jouwe had.’
Ze ging op het dek liggen, met haar hoofd op een kluwen touw en bad om een koele bries. Een regenbui was waarschijnlijk te veel om te vragen: Aerdelick was de enige weergod die ze kende en hij zou beslist niet meer naar haar luisteren. Niet nadat ze zo’n mooie bloembak geweigerd had in zijn tempel.
Ze sloot haar ogen en Ysidoor dook prompt in haar droom op en schudde de droomdruppels uit zijn pels.
 ‘Zijn jullie soms een beetje simpel?’ vroeg hij. ‘Ik bedoel, een beetje verdorsten terwijl er zoveel te drinken valt?’
MiYu roteerde traag op de punt van zijn neus en toonde het ene schitterende eiland na het andere.
 ‘Wat bedoel je?’
‘Rithka draagt mijn magische dauwdruppel nog steeds in haar tas mee. Dat is minstens tien liter.’
‘Maar dat is magie. Om de toekomst te zien.’
‘Als jullie niet heel snel drinken dan hebben jullie helemaal geen toekomst. En zo moeilijk is het niet om een nieuwe magische druppel te vinden.’
Opaals ogen sprongen open. ‘Oma! Ysidoor verscheen net in mijn droom en…’

Ze zaten weer aan de theelepels per drie uur toen de draak Taurus eindelijk bereikte. Ze zeilden eerst door een nauwe zeestraat die aan beide zijden bewaakt werd door grimmige wachttorens met tien meter hoge, stenen haaimuizen. De doorgang opende in een natuurlijke baai: de linkeroogkas van de stierenschedel die het eiland Taurus vormde. De machtige metropool Hanengekraai lag in een halve cirkel.
 ‘Ah,’ zei Morsige Eekhoorn, ‘daar heb je het paleis van de dove Khan. Je herinnert je? Met de befaamde smaragden weerhaan die elke ochtend zo luid kraait dat de hovelingen met hun vingers in hun oren moeten slapen.’ Hij leek bijzonder ingenomen met het feit dat zijn Handboeck het bij het rechte eind had gehad.

Het paleis was van flessengroen glas geblazen en leek een verzameling zeepbellen. Behoorlijk grote zeepbellen wel, met elk een diameter van ten minste vijftig meter en versierd met dierenriemtekens in zilverfiligrein. De magische weerhaan balanceerde op de hoogste koepel.
Gelukkig hoeven de haan niet meer te stelen, dacht Opaal. De Khan kan zijn stomme vogel houden. Alles wat we nodig hebben is een paar watertonnen.
 ‘Schip ahoi!’ De havenmeester stond aan het eind van de kade. Hij ving hun meertouw op en sloeg het om een meerpaal heen. ‘Een drakenschip, eh? Het eerste drakenschip dat ik hier ooit gezien heb. Jullie moeten van Aries komen.’
 ‘Ja dat klopt. Ik heet Opaal.’ O nee, dat was helemaal verkeerd. Lui van Aries hadden altijd insectennamen. ‘Opaalkever. Dat is een heel klein en erg zeldzaam kevertjes met vleugels die de kleur van een opaal hebben. Daarom heet ik dus ook Opaalkever.’
‘Jullie zien er allemaal nogal uitgedroogd uit.’ De havenmeester knikte naar een terras met kleurige parasols. ‘Daar verkopen ze water. Nog goedkoop ook. Slechts een pond maansteen per glas.’
Voor een pond maansteen kon je op Leo een volbloed renpaard kopen. Of verscheidene tonnen van de allerbeste, vijftig jaar oude port.
‘Hoeveel is dat in parels of robijnen? Dat is het enige wat we hebben.’
‘Niemand wil hier robijnen hebben. Om over parels nog maar te zwijgen.’ Hij tuurde naar de drijvende draak. ‘Aardig scheepje. Moet minstens een paar honderd liter waard zijn. Wanneer hebben jullie hem gestolen?’
‘We stalen hem n…’’
‘Je hoeft niet verlegen te zijn. We krijgen hier allerlei soorten mensen. Piraten, weerhaaien en allemaal op zoek naar woestijnrozen. Naar de grote slag.’
‘Wat zijn woestijnrozen?’
‘De kostbaarste edelsteen van allemaal. Ze zuigen al het water op van kilometers in de omtrek en veranderen zelfs het groenste woud in een woestijn. Maar als je er een roos plant op een plaats waar geen druppel water te vinden valt dan groeien ze razendsnel uit tot de prachtigste paleizen. Elke Keizer of schandalig rijke schurk droomt ervan eens een woestijnroospaleis te bezitten. Ze zijn een beetje moeilijk te vinden, helaas. Ze hebben dezelfde kleur als het zand.’
‘Laten we naar het terras oversteken en een glas water drinken,’ stelde Morsige Eekhoorn voor. ‘Ik wed dat ik wel iets met de ober kan ritselen. Ik ben nogal goed met deals.’

Er woei een welkom briesje en de schaduw van de parasols was bijna even goed als een glas water. Bijna.
Een ober slenterde naar hun tafel.
‘Iets te drinken, heren en dames? We hebben spuitwater met authentieke ijsblokjes. IJskoud mangosap met een kers en een papieren parasolletje.’ Hij glimlachte. ‘Zodat je drankje koel blijft, vat U?’
‘We zijn reizigers en we hebben toevallig geen maanstenen bij ons,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘Maar we hebben daarentegen een heel stel veel kostbaarder zaken in de aanbieding.’
‘Ik ben bang dat we hier alleen maanstenen accepteren.’ Zijn stem klonk aanzienlijk koeler. ‘Momentje. Ik meen dat tafel zestien mijn aandacht wil trekken.’ Hij beende weg, nam een nieuwe bestelling op en verdween naar binnen.
Hem zien ze niet meer terug, dacht Opaal. Of hoogstens met een agent om een stel steenloze zwervers van zijn terras te verwijderen.
De man van tafel zestien kwam overeind en ging aan hun tafel zitten.
‘Ik begrijp dat jullie dorstige reizigers zijn en op dit ogenblik helaas geen maanstenen bezitten.’
‘Ja?’ zei Opaal.
De ober keerde terug met een dienblad vol glazen en een drie liter karaf met water.
‘Drink zoveel je lust!’ zei hun nieuwe vriend. ‘Ik betaal.’ Hij trok een stoel naar zich toe en leunde gretig naar voren. ‘Ik heb een voorstel. Weten jullie wat woestijnrozen zijn?’
‘De havenmeester vertelde ons al over woestijnrozen.’
‘Ik organiseer een expeditie naar het binnenland, om woestijnrozen te plukken. Je krijgt al het water dat je kunt drinken terwijl we aan het zoeken zijn. Jullie verdienen een ton water per roos en elke derde roos mogen jullie zelf houden.’
‘Als ik jullie was, zou ik een gat in de lucht springen,’ zei de ober. ‘Je zult niet snel een beter aanbod krijgen.’
‘We verdienen drie watertonnen per roos,’ stelde Morsige Eekhoorn voor.
 ‘Twee.’
‘Nee, drie. En dat is ons laatste bod.’
‘Aangenomen!’ De man had zo’n brede grijns dat Opaal begreep dat ze erin getrapt waren, als de buiteneilandse dwazen die ze waren.
‘Leidt u de expeditie zelf?’ vroeg Opaal.
‘Zie ik er als een idioot uit? De brandende zon, de zoutstormen! Hongerige zandspinnen die achter hun valdeuren op rozenzoekers loeren! Nee, ik bezit een waterput en dat maakt de hele expeditie mogelijk. Water in ruil voor rozen en iedereen is gelukkig.’
Hij nam een stel contracten uit zijn krokodillenleren aktetas en ze zetten allemaal hun handtekening. Veel keus hadden ze niet.
‘Ik zie jullie morgenochtend, bij de Oostpoort. Tien stappen verder begint de grote zandwoestijn.’ Hij sprenkelde zout op de contracten om de inkt te laten drogen. ‘Dit soort contracten is bindend. Als je ze breekt, sturen ze je regelrecht naar de zwavelmijnen.’
Opaal bekeek haar contract. Misschien waren we een beetje  te haastig. Misschien hadden we de contracten eerst moeten lezen voor we ze tekenden?

‘Viel je niets op aan onze ober?’ vroeg Opaal toen ze naar de haven terugwandelden.
‘Dat hij geen schaduw had?’ zei Tijgeroog. ‘Denk je dat hij een soort geest was?’
‘Een god eerder. Een die we al eens eerder ontmoet hebben.’
‘Bedoel je dat Gliph Abar nog steeds met ons aan het spelen is?’
Een stokoude zeeman wenkte hen. Hij nam de pijp uit zijn mond en blies een rookring. De rook veranderde in een solide zilveren ring die prompt op de keien kletterde en in de goot wegrolde.
‘Mijn lieve Opaal,’ zei hij. ‘Ik beloofde je dat je alle eilanden van MiYu zou bezoeken. Welnu, er zijn er nog een stel over.’
‘Ik wil ze niet meer zien! Ik wil alleen maar naar huis!’
‘Een wens kan eens gemaakt nimmer ontwenst worden.’ Hij had geen schaduw zag Opaal nu. Natuurlijk had hij geen schaduw.
‘Ik zie je wel op het volgende eiland!’
De god stapte weg in een muur.
Oma Rithka bukte en plukte de zilveren ring uit de gortdroge goot. ‘Hij wordt een beetje nonchalant. Laat nooit iets van jezelf achter als er een heks in de buurt is.’ Ze hield de ring op. ‘Dit is bijna even goed als een nagel of een baardhaar.’
‘Denk je dat je een god kan betoveren?’ zei Opaal.
‘Ik kan het altijd proberen. Heksen vinden het ook heerlijk om zich met de zaken van anderen te bemoeien. Wacht eens even, hij liet zijn pijp ook nog achter!’Ze glimlachte en het was absoluut geen lief-oud-grootmoedertjes-glimlach. Zelfs een trol had geen valser grijns kunnen produceren.

 De havenmeester wachtte hen op de steiger naast het schip op, witheet van woede.
‘Wie vertelde jullie dat je hier kunt aanmeren? Dit is een heilige aanlegsteiger! Gereserveerd voor de grote Gliph Abar zelf!’
‘Tja,’ zuchtte Opaal, ‘dat valt een beetje moeilijk uit te leggen. Wijs ons nu maar gewoon waar we wel moeten liggen.’
‘Hij werpt een schaduw,’ merkte Tijgeroog op.
Opaal knikte. ‘Ik wed dat hij er geen had toen we aankwamen.’

‘Ik heb Taurus en de woestijnrozen eens goed nagelezen,’ zei Morsige Eekhoorn. Hij klopte op het Handboeck. ‘Nu schijnt er een soort edelsteen te bestaan waarmee je woestijnrozen kunt opsporen. Ze noemen het haviksoog en het is gestreept. Honderden lijntjes die voortdurend aan het verschuiven zijn. Ze geven de afstand tot de dichtstbijzijnde woestijnroos weer. Als het er minder worden, kom je dichterbij. Zodra je maar één lijn over hebt, sta je met je schoen op een roos.’
 ‘Klinkt handig,’ zei Slimme Fruitvlieg. ‘Laten we er eentje stelen.’
‘Het zijn magische stenen,’ zei Morsige Eekhoorn, ‘en ze hebben het standaardprobleem van magische stenen. Hoogstens één op de duizend werkt echt.’
Slimme Fruitvlieg dacht een moment na. ‘Dan moeten we er dus duizend stelen?’

‘MiYu Magic Stones,’ meldde het uithangbord bij de winkel. ‘Jij hebt het probleem, wij de edelsteen!’
Een dame met een zwierige muts van wit kant stond achter dienbladen met glanzende juwelen, open schatkisten vol fonkelende kettingen en jaden haaimuizen, gouden armbanden in de vorm van zeeslangen. Op het deksel van de schatkisten stond het drakenteken van de Keizer van Scorpio.
Opaal keek naar de vloer: de vrouw wierp een schaduw. Ze ontspande zich. Geen god of godin in ieder geval.
‘Waar kan ik jullie mee helpen?’
 ‘We zoeken een haviksoog.’
‘Ik kreeg juist een nieuwe zending binnen van Echt De Allerlaatste Put. Loop maar achter mij aan.’
Ze daalde een stenen wenteltrap af en het werd bijna koel. Hier beneden kon het hoogstens dertig graden zijn.
De dame opende een kist. ‘Zoek maar uit.’
De kist was tot de rand met edelstenen gevuld. Duizenden stenen.
 ‘Werken ze allemaal?’
‘Dit zijn originele haviksogen. Meer kunnen we niet garanderen. Magie is zo persoonlijk. Wat voor mij werkt, is voor jou misschien niet meer dan een doffe kiezel.’ Ze knikte. ‘Neem de tijd. Je vindt me straks boven, in de winkel.’
‘Het is hier veel te donker om lijntjes in een steen te zien,’ zei Opaal. ‘Heeft iemand een of ander briljant idee? Oma?’
‘De magie van een haviksoog is subtiel. Als er te veel andere stenen in de buurt zijn, verdwijnt het in de achtergrondruis. Alsof je naar het fladderen van mottenvleugels luistert terwijl honderd papegaaien zich schor krijsen.’
 ‘Srweek!’ Steentjes ratelden en Opaal hoorde het trippelen van piepkleine pootjes. De haviksogen verschoven opnieuw en de puntsnuit van een vette rat dook op.
‘Ze hebben hier ratten!’ Ulrich klonk een beetje hysterisch en hij omklemde steel van zijn mokerhamer. ‘Ik haat ratten! Ze zitten altijd aan je spullen te knagen. Net als steenmollen!’
Opaal hield hem tegen. ‘Ratten zijn oké. Ratten zijn de vrienden en troeteldieren van Arre Umphard en ze eten nooit steen.’
‘Scoort!’ beaamde de rat en hij spuwde een haviksoog op de vloer. ‘Arre skeurk! Umphard.’
Hij dook terug in de juwelen.
‘Sprak hij?’ vroeg Kiezel. ‘Ik dacht dat…’
‘Ja, Arre Umphard. De god zond hem.’ Opaal pakte de edelsteen op. ‘Ik vind dat we deze steen moeten kopen. Hoeveel die dame er ook voor vraagt. We moeten toch iets hebben dat zij wil? Ook al geven ze niets om robijnen en parels.’

‘Alleen deze steen, mevrouw,’ zei Opaal. Ze opende haar geborduurde geldbuidel. ‘Misschien kunnen we stenen met elkaar ruilen?’
 ‘Alleen dit steentje? Nou, dan is dit je geluksdag. Je bent deze week de 73ste klant: dus krijg je deze steen gratis.’

 
2.

‘KUKELEKUUUH!’
Opaal rolde bijna uit haar hangmat van schrik. Ze lag te trillen onder haar deken. Zo’n krankzinnig luide krijs. Geen wonder dat de mensen hier met hun vingers in de oren sliepen. Dat krijg je als je land geregeerd wordt door een dove koning.
 ‘KU KU KUKELEKUUH!’
Opaal zuchtte. Ik kan net zo goed opstaan. Ik ben nu toch klaarwakker.
‘KUKELEKUUUH!’
Hoeveel keer was dat rottige beest van plan te kraaien?
Ze hoorde de anderen woelen, gapend en scheldend.

Het was nog belachelijk vroeg in de ochtend maar de dag was al verstikkend heet.
Voorbij de Oostpoort leek de Grote Zoutwoestijn in de hete lucht te golven. Honderden mijlen zoutkorst en zwarte ijzerstruiken met bloemen van glas.
Ze waren de laatsten die aankwamen. Een half dozijn rozenzoekers zat al in de schaduw van de poort. Ze droegen hoeden met brede randen en overmaatse zonnebrillen van zwart vulkaanglas.
Gemmel Yucca, de voorman, besteeg zijn struisvogel.
‘Mannen!’ brulde hij, ‘eh, vrouwen! Wij trekken nu het wijde, witte land in, op zoek naar ons fortuin en ik wed dat we het nog gaan vinden ook!’ Hij bracht een trompet aan zijn lippen, blies. ‘En hop, hop, daar gaan we!’ Zijn struisvogel ging over op een galop. De voorman draaide zich in het zadel. ‘Volg de voetsporen van mijn trouwe rijdier. Ik zie jullie in de avond, bij de herberg van Echt de Allerlaatste Put!’

De groep bestond uit dwazen en schavuiten uit zowat half MiYu, ontdekte Opaal. Neem die uitzonderlijk dikke kerel van Scorpio, met een tatoeage van een moeraal op zijn kale knar. Grimmige Zonnebloem was bijna zeker een piraat. Of nee, dat was vast een vooroordeel. Best aardige mensen konden natuurlijk ook een tatoeage van een bijtende moeraal laten zetten. Woeste Zonnebloem aaide waarschijnlijk kleuters over hun bolletjes en hield thuis een kanarie.
De hoofdmeester van Libra was echter een andere zaak. Van zijn riem bungelde een keur van gebroken kettingen maar niet één wetboek of zelfs maar een notitieblokje. Belezen Konijn was vast slechts op een haar na een wandeling over de zeebodem ontsnapt, vertelde Morsige Eekhoorn haar. Ze pakten je boeken alleen maar af als je een werkelijk onvergeeflijke misdaad had begaan.
Dan waren er ook nog de tweelingzusjes van Virgo: Regenboog en Sneeuwvlok. Ze leken op elkaar als twee bonen in een peul.
De laatste twee rozenzoekers waren monniken die een zwijggelofte afgelegd hadden. Dat dacht Opaal tenminste omdat ze nooit antwoord op een vraag gaven en geen boe of ba tegen elkaar zeiden. In de groep zat geen enkele Taurusbewoner. Lui die op Taurus woonden, haalden het niet in hun hoofd om woestijnrozen te gaan zoeken.
‘We kunnen in ieder geval de weg niet kwijtraken,’ zei Kiezel. Een lijn van pootafdrukken slingerde naar de horizon. Bij elke stap waren de poten van de struisvogel dor de dikke korst zout gebroken. ‘Heb je al naar je steen gekeken?’
‘Ik telde de lijnen bij onze laatste pauze. Nog precies evenveel als op het schip. Ik denk dat het hier nog niet droog genoeg voor woestijnrozen is.’
‘Mag ik ze tellen?’
Als je wilt, kun je onze officiële telster zijn.’ Opaal reikte haar de haviksoog aan. ‘Neem jij hem maar onder je hoede.’
Een minuut later gaf Kiezel een juichkreet.
‘Het zijn en nu drieënzeventig, Opaal. We komen in de buurt.’
 ‘Nou, in de buurt,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘Eerst moeten we nog zeventig lijnen kwijtraken.’’
‘Je hebt gelijk,’ zei kiezel een half uur later. ‘Nu zijn het er ineens weer zevenentachtig.’
 
Iedereen had zo zijn eigen manier om woestijnrozen op te sporen. Grimmige Zonnebloem gebruikte twee afgerichte schorpioenen die nerveus rondrenden, stenen omkeerden en aan elke derde kiezel snuffelden.
De monniken stopten elk half uur en fluisterden de geheime naam van een woestijnroos en hielden dan hun hoofd scheef om naar een bladstil antwoord te luisteren. De tweelingen porden met ijzeren staven in de grond.
 De zon kroop over de hemel als een vurige slak en zakte omlaag naar een rij lage heuvels. Niemand had ook maar één woestijnroos gevonden. Zelfs geen gebroken bloemblaadje.
Ze sjokten langs een houten plaatsnaambord met:
ECHT DE ALLERLAATSTE PUT
19 inwoners
plus eventuele idioten
die op zoek zijn naar woestijnrozen
Er zouden aasgieren op dat bord moeten zitten, dacht Opaal, maar het is hier veel te heet voor aasgieren.
‘Een oprecht goede avond!’ Gemmel Yucca stond voor de enige herberg van het dorp,  zijn armen over elkaar. ‘De waard heeft het avondmaal al bereid: gebakken woestijnratjes, cactusvruchten en zoveel water als jullie kunnen drinken.’
‘Woestijnratjes?’ jammerde Smarg. ‘Is er echt niets anders?’
‘Er zijn een paar saucijzenbroodjes van gisteren over. Gevuld met geplette zandvliegen.’
‘Laat maar,’

‘We komen in de buurt,’ zei Kiezel. ‘Ik heb nu nog maar vierenzestig streepjes.’
‘Ik zie dat je daar een zoeksteen hebt,’ zei Yucca. ‘Haviksogen doen het maar zelden. Hoogstens een in de duizend heeft de juiste magische lading.’
‘Hoe zoek je ze dan zelf?’
‘Dat doe ik nooit. Ik ben de voorman. Ik verzamel de rozen die jullie vinden.’ Hij stond op en keek om zich heen. ‘Er zijn bepaalde zaken die jullie waarschijnlijk niet weten. Als je een dikke, vette woestijnroos ziet glinsteren, ren er dan nooit pardoes op af. Jachtspinnen gebruiken ze vaak om rozenzoekers te lokken. Ze graven een diepe kuil en verschuilen zich dan achter een gecamoufleerd valluik. Zorg er dus voor dat je eerst even stevig in de grond port voor je een stap zet.’
 ‘Zijn die jachtspinnen dan groot genoeg om een mens te verslinden?’ vroeg Slimme Fruitvlieg.
 ‘Groot genoeg om een struisvogel op te schrokken en dan nog een rommelende maag te hebben.’

`Alle kraaien van september!’ Kiezels knallende vloek wekte Opaal. ‘Hij is weg!’
‘Wat is weg?’
‘Iemand jatte onze steen, Opaal! Ik had het in de punt van mijn linkerlaars verborgen.’
‘Je had het beter moeten verbergen,’ mopperde Morsige Eekhoorn. ‘Ik bedoel, kijk eens naar de lui waarmee we optrekken. Tuig is het. Je moet bovendien behoorlijk wanhopig zijn voor je naar woestijnrozen op zoek gaat. In je schoen of onder je kussen is de eerste plaats waar een dief kijkt.’
‘Ik heb de spreuk nog steeds waarmee ik het kompas maakte,’ zei oma Rithka. ‘Ik kan hem zo veranderen dat de naald naar haviksogen wijst.’
‘Maar kun je hem dan niet…’ begon Tijgeroog.
 ‘Nee, dat werkt alleen ij onschuldige juwelen. Een woestijnroos is magie van het duisterste soort. Even slecht als pyriet.’
Oma trok een naald uit een naaiset.
 ‘Ik wist niet dat je kon borduren?’ zei Opaal.
‘De naalden zijn alleen voor voodoopoppetjes. Geef me eens een kurk en een glas water?’

De rest van de groep zat al om de grote zandstenen tafel van de gelagkamer. Oma Rithka zette het glas met de drijvende kurk en naald in het midden en gaf een draai met haar linkerduim. ‘Naald, o naald,’ galmde ze. ‘Toon de waarheid. Wijs naar het haviksoog in ons midden.’
De aanwijsnaald draaide om zijn as, kwam met een ruk tot stilstand. De naald wees onmiskenbaar naar Belezen Konijn.
Kiezel balde haar vuisten. ‘Je stal ons juweel!’ Ze leek klaar te staan om zijn ogen uit te krabben.
 ‘Ik ben bang dat je nu toch een vergissing maakt, jongedame.’ Hij viste vier haviksogen uit zijn borstzakje. ‘Jullie magische naald wijst haviksogen aan. Alle haviksogen. Deze zijn mijn eigendom en dat altijd al geweest.’
‘Ik wed dat er een van ons is,’ mopperde Kiezel.
De hoofdmeester glimlachte. ‘Dat zul je toch eerst moeten bewijzen.’ Hij stak de edelstenen terug.

De volgende dag trokken ze de heuvels in. De hoofdmeester vond een woestijnroos, de allereerste van het groepje. De volgende dag spoorde hij er nog twee op. Geen van de anderen had verder ook maar het geringste succes.
‘Het schijnt dat ik nu net die ene steen in de duizend  gevonden heb,’ grinnikte hij.
Kiezel knarste haar tanden. Als blikken hadden kunnen doden dan waren nu bezig geweest met het hakken van Belezen Konijns grafzerk.
 ‘Ik heb een briljant idee,’ zei Slimme Fruitvlieg. ‘We wachten tot hij een dozijn woestijnrozen verzameld heeft en dan springen we hem op zijn nek. In het holst van de nacht. Ze jatten ze allemaal terug want eigenlijk zijn ze van ons.’
‘Mooi plan, alleen draagt hij ze nooit bij zich. Zodra hij ze vindt, levert hij ze bij Yucca in en de voorman stopt ze in de brandkast van de herberg.’ Opaal schopte geërgerd naar een van zijn hazen. ‘Waarom lopen ze ons altijd voor de voeten? Moet je nu toch eens zien: ze klimmen zowat tegen je enkels.’
‘Ik denk dat ze bang zijn. Ze ruiken de jachtspinnen vermoed ik.’ Hij verstijfde. ‘Hun valkuilen. Ze leggen lokaas bij hun valkuilen.’ Hij spreidde zijn handen. ‘Ik heb een nog beter idee.’
‘O alsjeblieft, niet weer een briljant plan.’
‘Nee, deze werkt wel. Ze leggen woestijnrozen bij hun klapluiken. Ze moeten dus zelf woestijnrozen verzameld hebben. Misschien hebben ze er wel honderd. Diep in hun valkuilen.’
‘Je wilt op spinnenjacht? Om hun woestijnrozen te stelen? Je bent niet goed bij je hoofd!’
‘Nou nee, ik denk dat hij gelijk heft,’ zei Ulrich. ‘Spinnen zijn vast niet gevaarlijker dan steenmollen.’Hij kletste zijn mokerhamer tegen zijn open hand. ‘Met een beetje fatsoenlijke hamer, een zestig kilo bonker bijvoorbeeld, kun je zelfs steenmollen zo plat als een maki pletten.’
De anderen snelden zodra Ulrich drie keer op zijn vingers floot, het afgesproken alarmsignaal.
 ‘Wat vinden spinnen lekker?’ vroeg hij aan oma Rithka. ‘Behalve mensen dan? Jij bent de heks. Je weet alles over spinnen en wriggelbeesten.’
‘Vliegen. Zelfs een mensenetende spin zou liever bromvliegen leegzuigen als ze niet zo petieterig klein waren.’
Ulrich knikte. ‘Als we nu eens een betere, supersappige vlieg bouwden? Om de spin uit zijn hol te lokken. Zodra hij uit zijn valkuil springt…’
‘Ja?’ zei Opaal. ‘En dan?’
‘Daar kom ik nog wel op.’

Ze moesten in het diepste geheim werken. Het was een truc die waarschijnlijk maar één keer zou werken en een hele menigte zou de spin bovendien alleen maar achterdochtig maken.
 Ulrich gebruikte een holle kalebas als lijf, het vergeelde, kanten gordijn van hun slaapkamer voor de vleugels en een paar stukken roestig prikkeldraad voor de poten.
Tijgeroog bekeek zijn verzameling vogelfluitjes en vond er een voor het roodsnavelige bijenvogeltjes. Het bijenvogeltje lokte de insecten uit hun korf door een opgewonden bij na te bootsen die net een heel veld bloeiende klaver gevonden had.

De volgende morgen sloegen ze naar het westen af, naar de plaats waar de zebrahazen zo ongeveer in Slimme Fruitvliegs benen geklommen waren.
‘Ze lopen steeds dichter bij me,’ zei Slimme Fruitvlieg. ‘Moet je hem daar zien: hij heeft serieus de bibbers en zijn oren hangen halfstok.’
Nog tien stappen verder en de hazen sprongen jammerend en miepend op zijn schouders en probeerden in zijn jasje weg te kruipen.
Ulrich zette de vlieg in het zand, rolde een lang koord uit en knoopte hem vast aan een rotsblok zo groot als een orka. ‘En nu kruipen we weg achter dit duin. Op de buik en kop omlaag: hij mag ons niet zien!’
Tijgeroog bracht zijn fluit aan zijn lippen en plotseling was de woestijn gevuld met een diep, slaapverwekkend gegons. Alsof een enorme bij, een gigantische sappige bij, vlak voor het klapluik was neergestreken en daar innig tevreden zat te zoemen.
De spin was snel. Een vage streep en hij landde op de kunstvlieg, beet zich vast in het lijf. Het was een monster, minstens even groot als een wild zwijn en even borstelig.
‘Hebbes!’ fluisterde Ulrich toen de spin zijn poten in een houdgreep om de vlieg vouwde.
De spin stootte een verbaasde gak uit en probeerde een poot los te trekken. Het werkte van geen kanten: Ulrich had de complete vlieg met een uitzonderlijk krachtige lijm ingesmeerd.
De spin rolde door het zand en bij elke wapper van zijn poten raakte hij verder in het touw verstrikt terwijl hij de lijm over zijn hele lijf smeerde.
De hazen sprongen giechelend om de spin rond. Een hief zijn achterpoot op en poepte hele berg keutels uit. De andere begonnen de spin prompt te bekogelen.

Op de bodem van de spinnenkuil vonden ze een dozijn woestijnrozen. Ze waren rijker dan ze ooit hadden kunnen dromen. Als ze de rozen tenminste van het eiland af konden smokkelen.

Opaal bracht de kleinste roos naar de voorman.
 ‘Zo zie je maar,’ zei Yucca, ‘gewoon stug vol blijven houden. Jullie hebben al drie vaten water verdiend! Wie weet wat je morgen nog opspoort?’
Opaal schudde haar hoofd. ‘Nee, we vertrekken deze avond nog en lopen terug naar de stad zodra het wat koeler wordt. We wilden alleen genoeg water verdienen om door te kunnen zeilen.’ Ze glimlachte naar hem. ‘We zijn niet hebberig.’

Na een avondmaal van woestijnratsoep en zwart brood dat tussen hun tanden knerste, pakten ze hun bagage in.
 De twee monniken zaten onder het plaatsnaambordje.
‘We weten dat jullie een hele lading woestijnrozen vonden,’ zei de eerste.
‘We zagen de spin,’ vervolgde de tweede.
‘Maar wees niet bang.’
‘We vertellen het niemand.’
‘Die het niet al weet.’
Opaal verstijfde. ‘Wat bedoel je? Die het niet al weet?’
‘De hoofdmeester weet hij.’
‘We zagen hem smiespelen met de piraat.’
‘Dus de piraat weet het waarschijnlijk ook.’
Opaal keek omlaag. Haar schaduw reikte bijna tot de heuvels in het lage zonlicht.
De twee monniken wierpen helemaal geen schaduw.
‘Nou bedank dan maar denk ik.’Opaal wendde zich tot de anderen. ‘We kunnen maar beter wat haast maken. Ons geheim is niet erg geheim meer.’
Toen ze omkeek waren de monniken natuurlijk verdwenen.
Ik wist niet dat hij zich als twee mensen tegelijk kon vermommen, dacht ze. Dat moet een heel speciale truc zijn. Maar Gliph vergeet nog steeds zijn schaduw.

3.


Het warenhuis met scheepsbenodigdheden was nog op slot toen ze om zes uur in de ochtend arriveerden. Ze leunden tegen de muur en sloten hun ogen om even weg te doezelen. Toen de deur eindelijk openzwaaide, haalden ze hun drie zuur verdiende vaten water op en kochten een honderd-kilozak met scheepsbeschuit. Ulrich nam de zak op zijn schouders en rolde de vaten met welgemikte trappen voor zich uit naar de haven.

‘Nu, jullie hebben je niet meteen gehaast,’ zei de draak. ‘Weet je dat niet minder dan drie keer iemand geprobeerd heeft me te kapen?’ Hij knikte naar de drie leistenen beelden op de aanlegsteiger. ‘Wil je ze meeslepen? Er zijn niet veel mensen die een echte piraat als tuinkabouter hebben.’

‘Nee, dank je,’ zei Opaal. ‘Haal je anker op en vertrek.’


‘We zijn rijk,’ vertelde Opaal de zeedraak toen Taurus nog maar een iele witte lijn aan de horizon was. ‘We vonden een dozijn woestijnrozen.’

‘Ik vrees dat jullie niet erg lang schatrijk zullen blijven,’ zei de draak. Hij hief een geklauwde roeipoot op en wees.

Zeilen vulden de horizon. Toen Opaal door de telescoop keek, zag ze de gevreesde kakkerlak op de zeilen. Grimmige Zonnebloem was dus inderdaad een piraat geweest en hij zat hen op de hielen.

‘Ze hebben gewacht tot we de tienmijlszone gepasseerd waren. Op de volle zee heeft Taurus niets te vertellen. De piraten waren niet van plan hun buit met de Dove Khan te delen.’

Opaal kreunde. ‘Ik heb de hele nacht niet geslapen en ik ben te moe om te jammeren en mijn haren uit mijn hoofd te rukken. Heb je een suggestie?’

‘Ik zal zo snel zeilen als ik kan. Maar helaas, ze hebben een heel stel zeilen méér dan wij en tien roeiriemen voor elke zwempoot.’


De zeedraak was verbluffend snel. Het kostte de piraten wel drie uur voor ze hen insloten. Het vlaggenschip kwam langszij. Opaal zag de hoofdmeester en Grimmige Zonnebloem aan de reling staan. De hoofdmeester wuifde vrolijk.

‘Zou je willen weten hoe ik erachter kwam? Het was bij het laatste avondmaal. Ik was in mijn steen aan het turen en toen jij langsliep, verdwenen alle lijnen ineens. Er bleef er maar eentje over en die was opvallend dik. Ik had nog nooit eerder zo’n vette lijn gezien, zelfs niet als ik met mijn voet op een roos stond.

‘Er moet hier een allemachtige hoop rozen zijn, begreep ik, en vlakbij ook nog.’ Hij knikte naar de piraat. ‘Grimmige Zonnebloem en ik, we werken al jaren samen. Ik zoek een slachtoffer uit en hij grijpt hem in de kraag.’

‘Je wilt onze rozen zeker?’ zei Opaal.

‘Ja, allemaal. Tot het laatste zanderige bloemblaadje.’

‘En dan laat je ons gaan?’

‘Maar natuurlijk, lieve meid.’

‘Hij liegt,’ fluisterde Kiezel in haar oor. ‘Hij zal ons schip kapen en ons allemaal vermoorden.’

‘Dat snap ik echt wel.’

‘Wat staan jullie daar te schuifelpoten?’ zei de draak. ‘Zo’n moeilijke keus is het toch niet? Jullie leven of de rozen. De rozen slurpen al het water op, vertelde je me. Iedere druppel, voor mijlen in de omtrek. En schepen hebben water nodig om te varen.’

‘Ik snap het.’ Opaal schudde het zakje met rozen op haar handpalm uit en wierp ze vlak voor het andere schip in het water.

‘Roei!’ riep ze tegen het drakenschip. ‘Roei zo hard als je kan!’

Zelfs een heel dozijn woestijnrozen kan de oceaan niet leegdrinken, maar de rozen kunnen het natuurlijk wel proberen…

Plotseling draaide er een dreunende kolk in de oceaan terwijl de rozen het water opzogen als een gigantische, dorstige spons. Het was een monsterachtige maalstroom, minstens honderd meter wijd en het piratenschip werd vastgegrepen, woest rondgedraaid. Rondgeslingerd en omlaag getrokken om neer te smakken op de plotseling gortdroge bodem van de zee.

Het drakenschip kantelde zijn zeilen naar links en rechts en ineens waren het opnieuw vleugels. Hij sloeg ze uit: twee, drie machtige slagen en het schip sprong de hemel in. Ze zweefden een halve mijl door als een vliegende vis voor de draak weer in een schip veranderde en ze in de zee terugvielen.

‘Dat was geinig,’ zei de draak. ‘Dat zou ik toch vaker moeten doen.’

Opaal keek om. De oceaan was vol stuivend schuim en verspringende golven. Ze zeilden langs de rand van de immense draaikolk en er viel nergens meer een piratenzeil te bekennen.

‘Denk je dat ze zijn verdronken?’ vroeg Kiezel.

‘Dat kunnen ze niet,’ antwoordde oma Rithka. ‘Maar ze kunnen wel omkomen van de dorst. De piraten zullen op een klein stukje droge grond zitten, gevangen tussen zestig meter hoge muren van bulderend water. Woestijnrozen kunnen jaren blijven doordrinken.’

Hoofdstuk 10 ‘Ah,’ zei de draak. ‘Moet je die volle maan nu toch eens zien!’

De Geheime Tuinen van Capricornus


1.


‘Ah,’ zei de draak. ‘Moet je die volle maan nu toch eens zien!’ Twee weken waren verstreken. ‘Ik geniet zo van het licht van de volle maan. Kijk toch eens hoe zijn gloed de golven zilver schildert.’

‘Het ziet er wel mooi uit,’ zei Opaal.

Oma Rithka snoof. ‘Ik wist niet dat draken zo poëtisch waren.’

‘Ik heb een goede reden om dol op de volle maan te zijn.’ Zijn lantarenogen zetten haar in een groene gloed. ‘Vooral op deze volle maan. Hoewel hij niet meer helemaal vol is. Niet echt meer. Gisteren was het volle maan.’

‘Ja?’

‘Elke volle maan moet mijn eigenaar het wachtwoord veranderen. Dat is een essentieel onderdeel van de bezwering. Het is niet langer “Rode krullen”. “Rode krullen” werkt absoluut niet meer. Ik kan precies doen waar ik zin in heb.’

‘Je bluft.’

‘Nou, beveel me dan maar naar stuurboord te draaien, mevrouw-de-kapitein. Rechts is dat voor landlubbers.’

Oma zuchtte. ‘Draai naar rechts. Ik, je kapitein, beveel je naar stuurboord te draaien.’

De zeilen verschoven en het schip helde sterk naar links over.

‘Ik kan je verslinden,’ zei de draak. ‘Of me op mijn rug draaien en jullie allemaal verdrinken.’

‘Maar dat doe je niet,’ zei oma Rithka. ‘Mag ik vragen waarom?’

‘Ik ben nog steeds onder een betovering. De bezwering heeft mij in een schip met kajuiten veranderd, een ruim vol vaten en touwen. Mijn staart is een roer en mijn prachtige vleugels zijn verstijfd tot een mast en flapperende zeilen. Ik kan zelfs niet omlaag duiken om op potvissen en reuzeninktvissen te jagen.’ Zijn stem zakte af tot een gefluister dat hees van verlangen was. ‘Jij bent een heks. Verbreek mijn betovering. Bevrijd mij en ik zeil jullie regelrecht naar je eiland terug.’

Oma Rithka ging op een waterton zitten en trok haar benen op. ‘Ze hebben de bezwering uitgesproken toen je nog een ei was. Kun je je de woorden herinneren? Al zijn het er maar een paar?’

‘Woord voor woord. Iedere klank. Een draak vergeet niets.’

Hij begon de spreuk af te draaien.

Het was een aardig lange spreuk. Zeker vijf minuten lang en sommige woorden klonken als keelgeschraap of de benauwde hik van een roerdomp.

Oma Rithka schudde haar hoofd toen hij de laatste lettergreep gromde.

‘Sorry. Dat klink veel te ingewikkeld voor een eenvoudig kruidenvrouwtje als ik. Bovendien ben ik niet al te goed in terugtoveren. Nee, ik heb hulp nodig. Het advies van een getrainde magiër.’

‘Volgens het Handboeck woont de machtigste magiër op Capricornus,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘In de Geheime Tuinen.’

‘Hoe weten ze dat hij de machtigste magiër is?’ vroeg de draak achterdochtig.

‘Dat is makkelijk zat: niemand is ooit teruggekeerd uit de Geheime Tuinen.’

‘Dan moet het wel goed zitten.’ Zijn zeilen klapten open, bolden in de bries.

‘Capricornus, hier kom ik!’ joelde de draak en hij kwispelde met zijn staart als een opgetogen terriër.


Ze hielden krijgsraad in de kapiteinshut op de achtersteven, zo ver mogelijk van de drakenkop. Tijgeroog bleef op zijn vogelfluitjes toeteren terwijl Ulrich uit volle borst een dwergendrinklied zong. Het was onmogelijk dat de draak een woord kon opvangen: buiten zou je slechts feestgedruis en dronkemansgelal horen.

‘Ben je helemaal betoeterd geworden?’ tierde oma Rithka. ‘De Geheime Tuinen moeten zo ongeveer de gevaarlijkste plaats op heel MiYu zijn. Niemand die daar naar binnen ging, heeft het overleefd!’

‘Ik moest toch iets zeggen?’ sputterde Morsige Eekhoorn tegen. ‘Het deed er niet toe wat. Hij stond op het punt ons in de golven te dumpen toen je zei dat je hem niet kon helpen. Hij was laaiend.’

‘Goed, je hebt ons leven gered. Voor even.’

‘Voor altijd. We roeien naar Capricornus en zodra we aan land stappen, zijn we veilig. Hij kan ons niet op de vaste wal volgen zonder te verstenen. En natuurlijk lopen we met een allemachtig grote boog om de Tuinen heen.’


Ze beschreven een grote bocht om Aries en kwamen nooit dichter dan honderd mijl bij de kust. De draak nam geen enkel risico nu hij zo goed als vrij was.

2.


Opaal zat aan de uitklaptafel van haar cabine te schrijven toen haar grootmoeder zonder te kloppen naar binnen stapte. Opaal legde haar hand vlug op een strook perkament.

‘Opaal,’ zei oma Rithka, ‘je bent een pestkop. Een valse treitermeid.’

‘Wat bedoel je?’ Haar wangen werden heet en ze wist zeker dat oma haar kon zien blozen. ‘Ik ben geen pestkop. Smarg, die is een pestkop. Hij liet me bijna in een afgrond springen!’

‘Denk je nu echt dat ik het niet in de gaten heb als jij en Kiezel zwarte magie gebruiken? Smarg heeft al drie dagen niet kunnen slapen van de nachtmerries. Zodra hij zijn ogen sluit, schiet hij krijsend overeind.’

Ze pakte de blauwe steen met het boorgat en rolde hem tussen haar vingertoppen rond. ‘Een wenssteen. Je schrijft een wens op en daarna schuif je het papiertje opgerold in het gat. Als je het onder iemands kussen stopt, zal hij die nacht dromen over wat je opgeschreven hebt.’ Ze tilde Opaals hand op en las het wenspapiertje. ‘Grote harige gifspinnen en duizendpoten. Ze kruipen over je hele lijf.’

‘Het is niet echt,’ zei Opaal. ‘Gewoon een droom. Bovendien, niemand vindt Smarg aardig. Hij verdient het!’

‘Wie heeft het verzonnen? Kiezel? Jij?

‘De draak. Hij heeft ook de pest aan Smarg.’

‘Ben je stekeblind? Zie je niet wat hij aan het uithalen is? Hij wil dat we elkaar haten! Dat we niemand meer vertrouwen. Dat is de enige manier waarop hij ons onder de duim kan houden.’

‘Het spijt me,’ zei Opaal. ‘Ik was stom. Ik was gemeen. Een kreng.’

‘Smarg is geen juweel, ik weet het, maar ik wil niet dat een kleindochter van mij zich als Smarg gedraagt. Zelfs niet een beetje.’

‘Het spijt me,’ fluisterde Opaal. ‘Ik gedroeg me net zo vals als Smarg. Een pestkop.’ Ze voelde zich vies, smerig.

‘Nu ga ik even bij je zus langs.’

3.


‘Capricornus,’ zei oma Rithka. ‘Dat betekent “Steenbok” in een oeroude taal die alleen goden en heksen nog spreken.’

Capricornus was beeldschoon in het ochtendlicht. De majestueuze bergtoppen leken als marmeren wolken in de hemel te zweven. Met de telescoop kon Opaal rotsgeiten over ravijnen zien springen. Ze snelden langs de bergwanden over paadjes die hoogstens een centimeter breed waren.

Capricornus leek hen bijna te wenken, zo gastvrij.

Van de bergen woei een aangenaam verfrissende bries en Opaal snoof de geuren van blauwe gentianen en dennennaalden op.

Twee vliegende walvissen gleden hoog over, op weg naar een onbekende haven.

Een prima eiland om van je schip te deserteren. We kunnen hier zo een walvis pakken om naar huis te vliegen.

‘Ik zal jullie nu vertellen hoe we dit gaan aanpakken,’ rommelde de draak. ‘Opaal en Slimme Fruitvlieg gaan van boord. Net als vrouwe Barracuda om eventuele monsters af te maken en… ja, oma Rithka om met de magiër te spreken. De rest blijft hier aan boord. Op die manier weet ik zeker dat jullie zullen terugkomen.’

‘Je hebt ons afgeluisterd,’ zei Opaal.

‘Wij zeedraken, wij hebben net zulke zintuigen als haaien. We horen met heel ons lijf. Overal piepkleine minioortjes.’


Het drakenschip legde bij een brede, stenen steiger aan. Aan het andere einde slingerde een marmeren wenteltrap zich omhoog naar een verre pas. Er viel geen spoor van dreiging te bekennen. Enkel het kalme zonlicht, het klotsen van de golfjes tegen de pier.

‘Spring op de steiger,’ zei de draak. ‘Ik zal hier een maand wachten. Als je tegen die tijd nog niet terug bent dan weet ik dat jullie mij verraden hebben. Ik zeil dan recht de oceaan op en dump jullie vrienden waar het water het diepst is.’

‘We brengen je de spreuk,’ zei vrouwe Barracuda. ‘Je hoeft het niet in te wrijven.’

Ulrich reikte haar een hamer aan. ‘Je kan mijn moker lenen. Hij kraakt de hardste schedels.’

‘Dank je.’ Ze gaf hem een verblindende glimlach. ‘Precies wat ik nodig heb.’

Vrouwe Barracuda en Ulrich hadden iets met elkaar hoewel Opaal hen nooit had zien kussen. Misschien was het genoeg dat je wist dat je allebei dol was op beren worstelen of het berijden van een schuimbekkende zeeluipaard? Of om gezellig om Ulrichs slijpsteen te zitten terwijl je je zwaarden en strijdbijlen scherpte tot ze een haar overlangs konden klieven?

Tijgeroog stopte een steen in Opaals hand. ‘Gewoon zodat je me niet vergeet.’

‘Alsof ik jou ooit zou vergeten! Je bent mijn vriend!’ Ze opende haar hand. Het was een wenssteen. Net zo’n doorboorde edelsteen als Kiezel en zij tegen Smarg hadden gebruikt. ‘Wat heb je op het papiertje geschreven?’

‘Als je dat wist, zou hij niet meer werken.’


Ze wandelden onder een triomfboog door die met bloemen, een pijl-en-boog en een stel maskers versierd was. In het midden stond een plakkaat met de volgende mededeling:

WELKOM, O GODEN,

IN MIJN NEDERIGE TUINEN!!!

‘Vertrouw niemand die het woord “nederig” gebruikt,’ zei oma. ‘Nederig is meestal het laatste wat ze zijn. En hij gebruikte drie uitroeptekens. Dat is nog erger.’


Het was een magische trap. Zodra ze hun voet op de eerste trede zetten, kwam hij met een zoemend gerommel in beweging.

‘Roltrappen,’ snoof oma. ‘Hoe lamlendig kun je worden? Gebruik een roltrap om naar je huis te klimmen en binnen de kortste tijd vallen je benen van je lijf.’ Ze had duidelijk al een hekel aan de magiër, zonder de man zelfs maar ontmoet te hebben.

Ze bewogen zich verbluffend snel, ongeveer twee keer zo hard als een renpaard dat zich de longen uit zijn lijf galoppeert. Het schip slonk tot een gouden vonkje en de kade werd een wit draadje. De muren van de kloof kropen dichterbij en ze verloren de haven uit het oog. Een uur verstreek en de kloof waaierde uit en opende in een stralend groene vallei. Het gerommel stopte en de treden kwamen tot stilstand.

‘Dat ziet er niet slecht uit,’ zei vrouwe Barracuda. ‘Doet me een beetje aan thuis denken. Al zou er wel een mijl of twee water boven moeten zitten.’

‘Ik waarschuwde toch dat we hem niet konden vertrouwen?’ zei oma Rithka. ‘Kijk maar eens om.’

Machtige rotswanden rezen achter hen op. Er was geen spoor van de bergpas meer, niet eens een spleet.

‘Ik vermoed dat de tovenaar wil dat we hier blijven,’ zei Opaal.


Het was de mooiste tuin die Opaal ooit had gezien. Het deed haar eigen tuin op Scorpio op een uitlaatveldje lijken. Zelfs Sagittarius had niet half zo groen geleken, zo uitbundig sappig of met zulke schitterende bloemen. Een tuinpad van glanzende edelstenen slingerde zich langs fonteinen van doorzichtig porselein. Windgongen tinkelden.

‘Vrienden!’ Een man liep hen tegemoet, gevolgd door een hondje. ‘Welkom, welkom. Driewerf welkom in de Geheime Tuinen van mijn meester. Zijn jullie goden?’

‘Niet precies,’ zei oma Rithka. ‘En eigenlijk zijn we hier om de magiër om raad te vragen. We kennen uiteraard wel een heel stel goden. Een paar zijn zelfs goede vrienden van ons.’

‘Je kunt de magiër op dit ogenblik niet spreken. Het spijt me, maar hij is net met zijn middagdutje bezig.’

‘Als hij wakker is dan?’

‘Je kunt je het beste even bij het paleis melden. Vraag naar de Kamerheer. Hij gaat over de Tovenaarlijke Slaapkamers.’

Het kleine hondje liep naar Opaal en snuffelde aan haar laarzen. Opaal hurkte om hem achter zijn oren te krabben. ‘Hey, jochie.’

‘Jij ook “Hey!”’

‘Je kan praten!’

‘Ik ben een magische hond. En “jochie” klopt niet. Ik ben een teef. Een meisjeshond.’

‘Weet je de weg soms naar het paleis? We moeten de magiër spreken. Het is nogal urgent.’

‘De nieuwkomers willen altijd met de magiër spreken en het is altijd vreselijk dringend. Een draak steekt hun boerderijen in de fik. De trollen marcheerden omlaag uit de bergen en hebben hun koning verslonden. Ik snap niet wat daar nu zo urgent aan is. Maar goed, ik zal jullie de weg wijzen.’


Het was heerlijk om zo ontspannen door het park te slenteren. Zo vredig. Nergens loerende monsters, zelfs geen regiment soldaten dat je op de hielen zat. Ik zou zo een slaapmat tussen twee bomen kunnen spannen en gewoon wegdoezelen, dacht Opaal.

‘We zijn er bijna,’ zei het hondje. ‘Nog maar eventjes.’

Ze stak over naar het beeld van een man met een sik en een zwierende mantel. Het hondje trok een achterpoot op en waterde op zijn laarzen.

‘Hier krijg ik nu echt een kick van. Hij stond erop dat zijn laarzen altijd glimmend gepoetst waren. Regelrechte spiegels.’

‘Wie moet het eigenlijk voorstellen?’

‘Meneer de grote tovenaar zelf.’ Ze rende vooruit. ‘Daar heb je zijn paleis.’

Het paleis rees uit het perfecte golfbaangras en Opaal vond het meteen foeilelijk. Het zag eruit als de bruiloftstaart van een struikroverhoofdman. Ordinair, dat was het enige juiste woord.

‘Hij bouwde het om indruk op de goden te maken,’ zei het hondje. ‘Dat werkte niet al te best. Dinja gierde het uit zodra ze het paleis zag. Ze lachte zo hard dat ze de hik kreeg.’

‘Dinja heeft de magiër bezocht?’

‘Lang, lang geleden. En het was niet precies op bezoek komen. Ze werd opgeroepen, naar de tuin bevolen. Hij is zo machtig dat zelfs de goden hem moeten gehoorzamen.’

Hij commandeerde Dinja. Ze had nog geen glimp van de magiër opgevangen en Opaal had nu al een bloedhekel aan hem. Hij is gewoon een bullebak. Niets dan een bullebak.

De poorten van het paleis zwaaiden geruisloos open zodra ze het bordes betraden. Nog meer magie, dacht Opaal. Het irriteerde haar alleen maar. En moet je die domme poorten zien: puur 24 karaats goud en met zo’n duizend kronkelende draken en rondrennende nimfen versierd.

‘Hij is een beetje een opschepper,’ zei het hondje. ‘Hij begon als een straatarme schoenlapper die goocheltrucs deed op kinderpartijtjes. Later leerde hij jammer genoeg echte magie.’

Trompetten galmden en een man verscheen in een wolk paarse en groene rook.

‘Ik ben de Kamerheer die de Tovenaarlijke Slaapkamers beheert.’ Hij klonk nogal opgeblazen, iemand die zich erg bewust was van zijn eigen status. Opaal had zijn soort eerder ontmoet. Van die dienaren die dachten dat ze de meester zelf waren.

‘Mijn naam is Dame Opaal tsal Everetto Maginoisse,’ sprak ze met heldere stem. ‘Ik wens uw meester te spreken, en wel nu.’

‘Hij slaapt. Zijn middagdutje, begrijpt u. Maar mijn meester zal waarschijnlijk spoedig ontwaken en dan blij verrast zijn om een zo hooggeboren dame als u te ontmoeten.’

‘We zullen hier op hem wachten.’ Je moest ferm zijn als het om bedienden ging. Anders liepen ze zo over je heen. ‘Breng ons iets te drinken.’

‘Uw wens is mijn bevel, vrouwe.’

Hij keerde een paar minuten later terug. Een dienblad zweefde voor hem uit.

Nog een truc, dacht Opaal, of misschien echte tovenarij. Het deed er weinig toe.

‘Ik heb hier thee,’ zei de kamerheer. ‘In deze glazen zit frambozenwijn.’

‘Dank je, beste man.’ Opaal zag hem niet vertrekken.

De stoelen waren heerlijk zacht, volkomen comfortabel. Opaal schonk een kop thee in en knabbelde op een rabarberwafel. Ik doe mijn ogen gewoon eventjes dicht om wat te doezelen. De Kamerheer zal ons ongetwijfeld wekken zodra de magiër ons kan ontvangen.


Toen Opaal haar ogen opende, was de zaal gevuld met het bloedrode licht van de ondergaande zon. Ze gaapte, strekte zich behaaglijk uit. De anderen werden op hetzelfde moment wakker.

‘Wat voeren we hier eigenlijk uit?’ informeerde een jongen met een slaperige haas op zijn schouder.

Opaal keek om zich heen en merkte het dienblad op. ‘Zo te zien zaten we thee te drinken.’

Een dame met groene krullen legde haar hand op de pot. ‘Hij is nu koud.’

De oude vrouw knikte. ‘En de gebakjes zijn op. Laten we naar buiten gaan. Hier valt duidelijk niets meer te halen.’

Een schattig hondje wachtte Opaal op bij de poort.

‘Heb je hem ontmoet?’ vroeg het hondje.

‘Wie bedoel je?’

‘Zo gaat het nu altijd,’ klaagde het hondje. ‘Niemand herinnert zich waarvoor ze kwamen.’ Zij klonk een beetje verdrietig.

De jongen kwam naast haar lopen. ‘We horen bij elkaar, herinner ik me. Ben je mijn vriendin soms?’

‘Ik denk het wel.’


Opaal douchte in de fonteinen, rende joelend met haar hondje achter de zebrahazen van haar vriendje aan, hoewel het ze nooit lukte er eentje te vangen. Er was een oude dame die haar scheen te kennen en een andere vrouw die altijd aan het rondplonzen was in het zwembad.

De boomtakken bogen door onder het rijpe fruit en verschillende fonteinen spoten wijn en frambozensap met prik hoog de lucht in. Elke avond werd er een barbecue gehouden.

Ze kuste een paar keer met haar vriend maar om de een of andere reden werkte dat niet al te best. Kussen zou toch spannender moeten zijn dan dit. Ze vond hem nog steeds best wel aardig maar als vriend viel hij toch tegen.

Het leven was goed, het leven was als een eindeloze zomernamiddag. Natuurlijk was dat altijd zo geweest omdat ze hier altijd gewoond had.


Nog drie weken verstreken, hoewel Opaal niet de moeite deed om de dagen te tellen. Waarom zou ze ook?

Op de twintigste dag vond ze een edelsteentje onderin haar tas. Het was blauw en eerder een langwerpige kraal dan een steentje. Een rolletje papier was door het gat geduwd.

Een wenssteen, dacht ze. Hoe is die hier nu gekomen? Wie zou mij nu een wenssteen geven? De hazenjongen in ieder geval niet: een wenssteen was niks voor hem. Een levende kikker in haar tas was meer zijn stijl.

Ze herinnerde zich hoe het werkte. Je moest de steen onder je kussen stoppen en dan genas het je, gaf je heerlijke dromen. Je mocht het papiertje niet uitrollen. Zodra je dat deed, verloor het onmiddellijk al zijn toverkracht.

Na de gebruikelijke barbecue stopte ze het steentje onder haar kussen en sloot haar ogen.


Opaal ontwaakte met een intens gevoel van verlies. Ze voelde zich zo treurig dat ze elk moment in huilen kon uitbarsten. Ze had over een jongen gedroomd die een cape van glinsterende edelstenen droeg. Hij was ongetwijfeld een prins en hij was haar vriend geweest. Haar echte vriend.

Ik ben bedrogen, ging het door haar heen, ik hoor hier helemaal niet. In ieder geval niet zonder hem.

De droom was opvallend helder geweest en er hadden andere mensen in rondgelopen. Een kapitein, een dwerg en een meisje dat zo vertrouwd, zo veilig voelde dat het alleen maar haar zuster kon zijn.

Er was maar één plaats waar ze het antwoord kon vinden. Met trillende vingers pakte ze de wenssteen en rolde het papiertje uit.

Het was een nogal kort berichtje. Zoveel ruimte was er ook niet op zo’n klein strookje papier.

Droom alsjeblieft van me, Opaal. Ik hou van je.

Tijgeroog.

Tijgeroog! En haar eigen naam was Opaal.

Een stortvloed van herinneringen vulde haar hoofd. De vrouw in het zwembad was vrouwe Barracuda. De oude vrouw was oma Rithka en een heks ook nog.

We gingen bij de magiër op bezoek… Er was een man, ja, de Kamerheer. Hij moet ons een toverdrank gegeven hebben. Een magische wijn die ons zelfs onze namen liet vergeten.


Opaal wandelde naar het zwembad.

‘Jij bent vrouwe Barracuda,’ zei ze. ‘Je bent een zeemeermin en worstelt voor de lol met reuzeninktvissen en ijsberen.’

Vrouwe Barracuda’s ogen verloren prompt al hun dromerige loomheid. Ware namen zijn krachtig.

‘Hij durfde mij in een tamme goudvis te veranderen!’ siste ze.

Toen ze haar grootmoeder haar ware naam vertelde, knikte oma Rithka enkel.

‘Daarom voelde ik me dus zo lusteloos. Heksen zijn volkomen ongeschikt voor een relaxvakantie.’

‘Wat doen we met hem?’ vroeg vrouwe Barracuda. ‘Hakken we hem in kleine stukjes en voeren we hem aan Slimme Fruitvliegs hazen?’

‘Misschien later. Eerst moeten we de magiër eens opzoeken.’ Ze verstarde. ‘Hecate sta me bij! Het is de eenentwintigste! De allerlaatste dag!’


De Kamerheer moest hen aan hebben zien komen. Deze keer zwaaiden de poorten in ieder geval niet automatisch open. Opaal hoorde een dozijn grendels knarsend dichtschuiven. Het hield hen maar even tegen. Vrouwe Barracuda had immers Ulrichs mokerhamer?

De Kamerheer stond midden in het voorportaal te beven, een open toverboek in de hand. Oma Rithka wierp een woedende blik op hem.

‘Ik ben een heks en jij bent beslist geen tovenaar. Lees één woord op en ik verander je in een kikker.’

Hij liet het boek uit zijn handen vallen.

‘Ik kan er niets aan doen! Niemand mag mijn meester storen. Hij slaapt.’

‘Nog steeds?’ zei vrouwe Barracuda. ‘Breng ons naar zijn bed en ik schud hem wel wakker.’

‘U begrijpt het niet, vrouwe. Hij…’

‘Breng ons naar zijn slaapkamer!’


De machtigste magiër van heel MiYu sliep. Hij was op zijn troon in slaap gevallen en Opaal kon hem horen snurken. De spinnenwebben lagen zwaar als draperieën over hem heen. Hij moest al eeuwen in slaap zijn.

‘Je had gelijk,’ zei oma Rithka. ‘Ik begrijp er niets van. Leg het uit.’

‘Het is een treurig verhaal,’ zei de Kamerheer, en hij begon.

DE TREURIGE EN HOOGST ALARMERENDE GESCHIEDENIS VAN RODE MOEFLON


Rode Moeflon was een verdraaid machtige magiër. In feite de machtigste magister die MiYu ooit gekend had. Hij kon een berg optillen door achteloos met zijn vingers te knippen, hij kon modderig water in eeuwen gerijpte wijn veranderen, over de wolken lopen. En dat waren nog maar zijn eenvoudigste bezweringen.

Hij toverde een tuin in het hart van Capricornus en keek om zich heen. De tuin was volmaakt: fruitbomen, bloemen zo groot als wagenwielen, paradijsvogels.

‘Mijn Geheime Tuinen zijn ongetwijfeld nog schitterender dan de Tuin der Goden. Ik zal ze voor een tuinfeest uitnodigen en de goden vragen mij een Citroen der Onsterfelijkheid te brengen. Ik ben machtiger dan de goden dus het is niet meer dan normaal dat ik ook onsterfelijk ben.’

De goden verschenen. Ze hadden geen enkele keus: Rode Moeflon bezat zelfs nog meer magie dan Gliph Abar. Als hij niet zo vreselijk opgeschept had dan was hij gewoon een van de goden geworden. Dat is de manier waarop goden gewoonlijk omgaan met almachtige magisters, ze rekruteren hem.

‘Hallo, Di,’ zei hij, ‘kijk eens, ik heb ook een boog.’

Dinja’s lippen verstrakten. Alleen haar allerbeste vrienden mochten de godin-met-de-boog “Di” noemen. Rode Moeflon had dat recht absoluut niet.

Rode Moeflon legde een pijl op zijn boog en schoot. Dinja’s pijl had de maan gehaald, Rode Moeflons pijl boorde zich in de zon. Hij trok een koord achter zich aan. Net als Dinja’s koord was dat uit spinrag gedraaid, maar het zijne was door de gigantische spinnen van Aquarius vervaardigd. Dinja’s koord was stevig genoeg geweest om haar naar de grond te laten zakken. Rode Moeflon toverde drie olifanten met feestmutsen op om op zijn koord te dansen.

Vervolgens wendde hij zich tot Aerdelick. ‘Ik hou er ook van om wat rond te rommelen in mijn tuin.’

Hij liet een zaadje vallen en het groeide in een oogwenk tot een vruchtboom. Moeflons boom was anderhalve mijl hoog en droeg zo’n duizend verschillende soorten fruit. Granaatappels, passievruchten, gallia meloenen. Ja, zelfs de geurige wilde bosaardbeitjes die Aerdelicks favoriete vruchten waren.

Aerdelick balde zijn vuisten. Vertel een tuinier nooit dat het gras groener is in je eigen tuin.

Rode Moeflon keek Gliph Abar glimlachend aan. Hij tikte de punt van zijn neus aan en plotseling droeg hij het gezicht van de Keizer van Scorpio. Hij tikte opnieuw op zijn neus en veranderde in Dinja.

‘Ik hoef geen masker te gebruiken of een andere vermomming. Bovendien kan ik ook schaduwen doen.’

Gliph Abar keek vast behoorlijk nijdig. Je kon het niet zeker weten, want hij droeg nog steeds een masker. Nu kan je een jachtgodin vertellen dat ze nog geen manke haas kan raken, of een vruchtbaarheidsgod dat zijn radijsje flauw smaken, maar vertel een magiër nooit, never nooit, dat jij betere trucs kunt doen.

Gliph Abar glimlachte, nee, zijn masker glimlachte.

‘Jij bent beter dan wie ook. De absolute top. Niemand verdient het meer om een god te worden.’ Hij trok een kristallen flesje uit zijn zwierige mantel. ‘Dit is het sap van de Citroen der Onsterfelijkheid. We hebben hem zelfs al voor je uitgeperst.’

Rode Moeflon trok de kurk uit de fles en een hemelse geur vulde de tuin.

‘Dit is de Citroen, zonder enige twijfel. Je hebt er waarschijn wat druppels cobragif bijgegoten. Niet dat het er iets toe doet. Er is geen gif op MiYu dat mij nog kan deren.’ Hij dronk de toverdrank tot de laatste druppel op.

‘Het was geen vergif,’ zei Gliph Abar. ‘Alleen een magisch slaapdrankje. Je bent nu onsterfelijk. En je zult voor eeuwig slapen.’

Rode Moeflon hoorde hem niet. Zijn ogen waren al dichtgevallen en hij zat onderuitgezakt op zijn troon, luid snurkend.


‘Ik begrijp het,’ zei oma Rithka. ‘Bestaat er geen enkele manier om hem wakker te maken?’

‘Hij zal voor altijd doorslapen. Zelfs Gliph Abar zou hem niet wakker kunnen schudden. Maar je kunt hem wel vragen stellen. Rode Moeflon praat soms in zijn slaap.’

‘Tja, ik kan het altijd proberen.’ Oma Rithka keek op naar de ronkende god. ‘We hebben een zeedraak. Of eigenlijk heeft hij ons. Een bezwering heeft hem in een levend schip veranderd. Hoe kan ik de betovering opheffen? Weer een draak van hem maken?’

Rode Moeflon mompelde in zijn slaap.

‘Nee, mijn lieve Myra, ik wil twee suikerklontjes in mijn hibiscusthee. Geen drie. Wat voor bezwering? Zeg eens op.’

‘Ik heb het allemaal opgeschreven.’ Ze viste een rol perkament uit haar tas. Heksen hebben verbazend goede geheugens maar niet zulke goede als draken.

‘Ik zal de woorden even voorlezen.’

‘Heb je het?’ vroeg ze toen ze de hele bezwering opgedreund had.

‘Helemaal. Myra, deze gebakjes zijn voor één keer bijna goed. Neem er zelf eentje. Die met bosbessen zijn bijzonder geslaagd.’ Hij likte zijn lippen. ‘Het is de bezwering van een knoeier. Een eerstejaars leerling-magiër. Echt diep waardeloos. Een makkie om haar op te heffen. Zeg, heb je de hond wel uitgelaten?’

‘Uitgelaten?’

‘Je zegt de bezwering gewoon nog een keer op, Myra, achterstevoren, en de betovering is verbroken.’

‘Achterstevoren opzeggen?’ Oma Rithka sloeg zich op het voorhoofd. ‘Het kan niet zo eenvoudig zijn!’

‘Rode Moeflon is de machtigste magister van MiYu,’ wees de Kamerheer haar terecht. ‘De machtigste van alle slapende magisters,’ verbeterde hij zichzelf.

‘Nog een vraagje, Rode Moeflon,’ zei oma Rithka. ‘Hoe komen we deze tuin weer uit? Alle wegen zijn betoverd en leiden naar zichzelf terug en de rotswanden zijn te steil om te beklimmen.’

‘Je hebt het oog van een gems nodig, van een echte berggeit en haar slimme hoeven om die klippen te beklimmen. Je moet van richel tot richel springen en de meeste zijn nog geen halve centimeter breed.’

‘Dat is goed om te weten. Jammer genoeg heb ik geen geitenogen en ook geen slimme hoefjes.’

‘Eh, machtige mevrouw de heks?’ zei de Kamerheer. ‘Ik denk dat hij het over een magische steen heeft. Hij heet gemzenoog en het maakt je ogen zo scherp dat je zelfs het kleinste barstje in de rots ziet. Bovendien krijg je er het evenwichtsgevoel van een gems door.’ Hij viste een snoer van amuletten uit zijn borstrok en wees op een glanzend bruine kiezel. ‘Deze is het.’

‘Ik betaal je er zeven parels voor,’ zei oma.

‘Aangenomen!’ zei de Kamerheer iets te snel.

‘Ik neem aan dat dit soort steentjes niet erg zeldzaam is?’ zei oma terwijl ze de parels uittelde.

‘Het grint op de tuinpaden: de meeste steentjes zijn gemzenoog.’

‘Hoe werkt deze steen precies?’

‘Wrijf de steen tegen je oogleden. Daarna raak je je voetzolen aan.’

‘Die Myra?’ vroeg Opaal. ‘Die Myra waar hij steeds tegen praat in zijn dromen? Wie was ze?’

‘Myra was zijn vrouw. Hij zat altijd op haar te vitten. Er was niks wat zij volgens hem op de juiste manier deed en ten slotte veranderde hij haar ook nog in een hond.’

‘Aha.’


Opaals hondje zat zoals altijd buiten op haar te wachten.

Opaal hurkte naast haar. ‘Jij bent Myra toch? Zijn vrouw?’

‘Dat is nu niet meteen iets waar ik trots op ben.’

‘We kunnen proberen om je terug te veranderen. Mijn grootmoeder is een heks, weet je.’

‘Nee, bedankt. Ik vind het heerlijk om een hondje te zijn. Dat is een stuk beter dan de echtgenote van een bruut van een tovenaar. En iedereen bewaart zijn botjes voor mij.’

‘Ik snap het.’ En Opaal deed dat inderdaad: er is niets mis met een hondje te zijn in een park met duizend bomen.


Opaal wreef de steen tegen haar oogleden, tikte haar zolen aan.

Toen ze haar ogen opende, begreep ze niet waarom ze ooit gedacht had dat de bergwanden onbeklimbaar waren. Er waren zoveel richels en diepe barsten. Sommige waren zelfs een volle twee centimeter breed! Er daar, die bergpijp, je kon zo ongeveer naar de top sprinten. Het enige wat je hoefde te doen was een beetje zigzaggen.


De trap begon op de top van de bergwand. Zodra Opaal haar voet op de eerste trede zette, kwam hij in beweging.

De trap ging even hard als de eerste keer, maar het leek Opaal afgrijselijk traag. De zon hing laag in de hemel en zakte voortdurend. Nog amper twee uur en hij zou achter de horizon wegduiken.

De kloof maakte een scherpe bocht en ze zag de haven. Dinjazijdank, het schip lag nog steeds aangemeerd...


Ze waren er bijna. ‘Niet vertrekken!’ hijgde Opaal. ‘We komen eraan!’

Ze hoorde een luide juichkreet. Kiezel sprong over de reling en rende de pier over. Ze vloog Slimme Fruitvlieg om de hals en kuste hem enthousiast.

Toen ze even ophield om adem te halen, legde Slimme Fruitvlieg zijn handen op haar schouders en bekeek haar van top tot teen.

‘Jij moet dus Kiezel zijn, denk ik.’

‘Denk je?’ Kiezel klonk beledigd. ‘Wat bedoel je, denk je?’

‘Dat is een lang verhaal,’ zei oma Rithka. ‘Het schijnt dat we een paar dingen vergeten zijn.’

Kiezel staarde Slimme Fruitvlieg aan. ‘Je bent mij vergeten?’

‘Ahum,’ zei de draak. ‘Het spijt me dat ik dit roerende tafereeltje moet onderbreken, maar jullie houden er echt van om woest en meeslepend te leven. Jullie hebben nog maar een uur te gaan.’ Als hij een horloge had gedragen dan had hij op zijn pols getikt.

‘Het was niet eenvoudig om uit de Geheime Tuin te ontsnappen,’ protesteerde Opaal.

‘Maar de tegenspreuk? Jullie hebben de tegenspreuk? Toch?’

‘Het is even eenvoudig als het ABC,’ zei Opaal. ‘Je hoeft alleen, auw!’ Oma had haar tegen haar schenen geschopt, keihard.

‘De magiër had geen tegenspreuk. Sorry. Hij vertelde ons wel waar we hem konden vinden. Het is een veranderspreuk, van een schip naar een draak, ja? De kikkermagiërs van Pisces weten alles over veranderen. Ze doen niet anders. Kikkerdril naar kikkervisje, kikkervisje naar kikker. Begrijp je?’

‘Kikkermagiërs? Ik heb anders nog nooit van kikkermagiërs gehoord.’ De draak klonk nogal achterdochtig. Terecht natuurlijk: oma Rithka had de kikkermagiërs ter plaatse verzonnen.

Oma vouwde haar armen over elkaar. ‘Nu heb je er wel over gehoord. Kom op, draak, hijs de zeilen! Pisces wacht op ons!’

De draak duwde zich af van de kade zonder verdere protesten. Hij had uiteindelijk toch in het aas gehapt, had het doorgeslikt met haakje en dobber en al.

‘Hé!’ zei Opaal. ‘Waar is Tijgeroog?’

‘Ik moest hem uiteindelijk in een gangkast opsluiten,’ zei de draak. ‘Hij probeerde niet minder dan drie keer te ontsnappen. Om jou te zoeken.’

Hoofdstuk 11 Opaal en Kiezel zaten op de achtersteven, zo ver mogelijk van de drakenkop.

In de Mystieke Mistmoerassen van Pisces


1.


Opaal en Kiezel zaten op de achtersteven, zo ver mogelijk van de drakenkop. Niet dat het hen veel privacy gaf: de draak had overal oren, zoals hij gepocht had.

‘Vertel het,’ zei Kiezel. ‘Vertel me de waarheid met heel je hart en ziel.’

Het klonk bijna als een toverspreuk, dacht Opaal en ze zette zich schrap. Dit zat goed mis. Haar zus klonk veel te serieus.

‘Heb je hem gekust? Jullie waren bijna een volle maand weg.’

‘Ik heb hem niet gekust. Hij is jouw vriend toch en...’

Je liegt.’

Opaal zuchtte. ‘Goed, ik heb hem gekust. Omdat ik dacht dat ik zijn vriendin was. Maar ik vond er niks aan.’

Kiezel knikte. ‘Dan is alles in orde. Een kus telt niet als je er niks aan vindt. Dat is net als een kus van je oudtante.’

‘Ik vond er echt niks aan.’

‘Je hoeft je niet te verdedigen. Ik geloof je.’


Die avond las Morsige Eekhoorn weer eens voor uit zijn Handboeck:

‘Pisces is beslist het mooiste van alle eilanden! Het pronkt met duizenden kreken en lagunes. Overal hoor je het geritsel van riet en het vredige “Kwahak” van veelkleurige kikkers. De inwoners zijn een vriendelijk volkje. Ze luieren in hun hangmatten terwijl ze aan hun glazen met flutwar nippen, een overheerlijk drankje dat uit waterlelieknollen gebrouwen wordt.

Zelfs dolende piraten vinden hier een veilige haven. Vaak besluiten ze spontaan, na een kruik of vier flutwar, al hun geroofde goederen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven.

Natuurvrienden kunnen hier een prauw huren en waterwegen afzakken, op zoek naar krokodillen en koningskikkers. Het eiland is doordrenkt met magie. Bloemen fluiten vrolijke deuntjes en veel dieren kunnen spreken.

Piscanen kunnen de gedachten van bezoekers moeiteloos lezen met behulp van hun oceaanjaspisstenen. Ze verkopen ook prachtige krokodillenleren handtasjes. Zet die vooral op je boodschappenlijstje!’

‘Hm,’ zei Opaal. ‘Ik weet het niet. Het klinkt bijna als een reclamefolder. Weet je nog, op Aries? Als dit stukje door de Piscanen zelf geschreven is, denk ik niet dat we het kunnen vertrouwen.’

‘De hoofdstad heeft de prachtige naam Kwakarikwar,’ vervolgde Morsige Eekhoorn zonder op Opaals opmerking in te gaan. ‘De huizen staan op palen en je kunt vanaf je eigen vensterbank vissen.’ Hij sloot het boek. ‘Dat klinkt goed. We zijn wel aan een vakantie toe.’

‘Jouw boek zei anders niets over kikkermagiërs,’ zei de draak van boven hun hoofd.

‘Kikkers schrijven geen stukjes voor het Handboeck. En het boek had het over reuzenkikkers. Ongetwijfeld zijn een paar daarvan tovenaars.’

2.


‘Nu wil ik dat je de vaarkaart aandachtig bekijkt,’ zei de draak. ‘Rondom Pisces is het vergeven van de zandbanken en ondieptes. Ik heb geen zin om te stranden.’

‘Ik ben een kapitein,’ sputterde Morsige Eekhoorn. ‘Ik zeil al jaren en jaren rond en ik ben nog nooit...’

‘Op dit ogenblik is het vloed. Als we nu vastraken, komen we niet meer los. We moeten dan op springvloed wachten en dat duurt nog een maand.’

‘Draai naar stuurboord,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘En daarna moet je de kreek volgen tot de derde zijarm.’

Pisces bleef een lokkende groene lijn langs de horizon. Ze waren al uren aan het zigzaggen tussen de modderbanken en Pisces leek geen centimeter dichterbij.

Morsige Eekhoorn smeet de kaart op het dek. ‘Dit onding is het papier niet waard waar het op gedrukt is! Het is zuivere fantasie. Waarom geven ze de vaarroute naar de stad niet aan? Een paar markeringsboeien zou geen overbodige luxe zijn.’

‘De zeekrokodillen zouden ze alleen maar opeten,’ verklaarde een stem ter hoogte van de boeg. Een kano kwam langszij, bestuurd door een jochie. Hij was hoogstens een jaar of zes oud maar waarschijnlijk zelfs dat niet.

‘Ik ben Kleine Stekelbaars, jullie loodsman. Voor drie parels wijs ik jullie de weg naar Kwakarikwar.’

‘Hoe weet je dat we parels bij ons hebben? Vroeg Morsige Eekhoorn.

‘Ik las gewoon jullie gedachten.’ Hij liet een edelsteen zien. ‘Oceaanjaspis. Het is eenvoudig als je maar eenmaal weet hoe.’

‘Hebben jullie geen oudere loodsen? Je lijkt me nogal jong.’

‘De anderen doezelen in hun hangmatten. Te lamlendig om een eerlijke parel te verdienen. Je moet wel een beetje opschieten. Zodra het tij keert, zit het hier propvol met krokodillen die op zoek zijn naar gestrande boten.’ Hij knoopte zijn overhemd open en toonde hen een koord met scherpe paarse steentjes. ‘Ik hoef niet bang voor ze te zijn. Ik heb een hele rits paarse krokodillenstenen.’

‘Zijn ze magisch?’ vroeg oma. ‘Van die steen heb ik nog nooit gehoord.’

‘Hij is niet echt magisch, nee. Hij redt wel je leven en dat is magisch genoeg voor mij. Kijk, zeekrokodillen, ze slikken alles zonder kauwen door. Ze hebben een maag die vol scherpe stenen zit en die doen het kauwen. Malen je tot hamburger. Dat soort stenen wordt behoorlijk snel glad en dan spuwen de kroko’s ze uit. Nu, als een kroko je ontdekt, dan gooi je je paarse krokodillensteen zo ver mogelijk weg. De krokodil zwemt snel achter je steen aan. Er zijn altijd hordes mensen en dieren te vinden om te verslinden maar scherpe kiezels zijn zeldzaam.’

‘Ik vat het. Misschien moet je ons ook maar een paar van die stenen verkopen.’

‘Ze zijn een parel per stuk.’ Hij keek Morsige Eekhoorn aan. ‘En voor een parel extra vertel ik ze je grote geheim niet.’

‘Wat voor groot geheim? Ik heb geen groot geheim!’

‘Tja, dan kan ik het ze natuurlijk wel vertellen.’

‘Je bent een akelig hebberig rotjochie, weet je.’

‘Natuurlijk, kapitein, en daar ben ik trots op.’

Morsige Eekhoorn betaalde, ook de extra parel.

‘Over wat voor geheim had hij het eigenlijk?’ vroeg Opaal.

Morsige Eekhoorn knarste zijn tanden en siste: ‘Dat is een geheim!’

‘Weet je iets over kikkers?’ vroeg de draak.

‘Aardig wat kikkers hier. O, je bedoelt een magische kikker? Die je betovering kan verbreken? Ik zal morgen de weg wijzen.’


Ze kwamen geen enkele zeekrokodil tegen. Het jochie had ze waarschijnlijk verzonnen om zijn waardeloze steentjes te verkopen, dacht Opaal.

Pas vlak voor Kwakarikwar passeerden ze de eerste havenboei. Hij was voorzien van ijzeren punten. Net als bij de Geheime Tuinen en Echt De Allerlaatste Put prijkte er een opschrift op:

U vaart nu Kwakarikwar binnen,

de stad des vredes,

waar hebzucht en woede onbekend zijn

0 – 30,000 inwoners

‘Hoezo nul tot dertigduizend mensen?’ vroeg Opaal. ‘Was iedereen te lui om ze een keer te tellen?’

‘Zo nu en dan moeten we de stad evacueren,’ zei Kleine Stekelbaars. ‘Wanneer de kikkers uit hun humeur raken of de blauwe moerasbessen bloeien. Wees maar niet bang, dat gebeurt hoogstens drie keer per jaar.’

Ze voeren dieper de stad in. Het was een stad van steigers en houten bruggen, van huizen op ijzerhouten staken met daken van gouden stro. Overal hingen netten en bungelde witte stokvis aan de waslijnen. Opaal zag het vel van een reuzenkikker dat op een rek gespannen was om te drogen. Van de tenen tot de neus mat het minstens vijf meter. De open bek was gevuld met naaldtanden. Dit was het soort kikker dat vast niet tevreden was met het eten van bromvliegen.

Dat was echt een slim idee, oma. Op zoek gaan naar een kikkermagiër.

‘Ik zal jullie de weg wijzen naar de herberg van mijn oom,’ zei Kleine Stekelbaars. ‘Hij laat zijn eten aanbranden en de wc’s zijn smerig maar hij heeft wel de beste muskietennetten van de hele stad.’

Hij sloeg linksaf en ze staken een meer over met honderden kwakende eenden.

‘Hier is het dan,’ zei Kleine Stekelbaars. ‘Het huis met het ooievaarsnest op de schoorsteen. Denk eraan, eet geen hap van zijn voedsel en blijf binnen na zonsondergang. Ik zie jullie weer in de ochtend.’ Hij peddelde weg om zijn parels te verstoppen.


De waard knikte naar hen. Hij sloot zijn ogen en raakte het oceaanjaspissteentje om zijn nek aan. ‘Zeg maar niks, vrienden,’ sprak hij plechtig. Ik schouw dat jullie op zoek zijn naar vier comfortabele kamers en een goed maal.’

‘Laat die abracadabra maar,’ zei oma. ‘Ik ben een heks. En erg goed ben je niet in gedachtelezen. We willen hier onder geen voorwaarde eten.’

‘Oy, Kleine Stekelbaars heeft jullie gewaarschuwd.’


Opaal en Kiezel gingen shoppen. Hun vriendjes bleven in de herberg, om van de veranda te vissen en elkaar stomme grappen te vertellen. Het deed er niet toe: vriendjes waren toch onbruikbaar bij het winkelen. Ze begonnen al te gapen voor je een dozijn schoenen gepast had.

‘Had vrouwe Barracuda geen zin?’ vroeg Opaal. ‘Ze draagt toch altijd van die dure designkleren? Purperen zeewier baljurken met platina glitter.’

‘Ze is al met Ulrich op stap. Om naar zwaarden en dat soort zaken te zoeken. Ze houden allebei van scherpe en puntige dingen.’ Ze glipte opzij. ‘Moet je die handtasjes zien, Opaal! Het is authentiek krokodillenleer, staat er op de labels.’

De eigenaar wenkte hen dieper de winkel in. ‘De krokodillenjagers hebben ze persoonlijk gelooid en genaaid. Maar ik heb hier nog mooiere handtasjes.’

De handtasjes waren diep groen en stralend geel geverfd en uit een prachtig zacht leer gesneden. ‘Ze zijn wel een beetje duurder maar bijzonder exclusief. Ik ben de enige winkel in de stad die ze verkoopt. Ze brengen de huiden hier nadat ze de vellen gelooid hebben met eendenkroos en het stuifmeel van het moerasboterbloempje.’

‘Wie brengt ze hier?’ vroeg Kiezel.

‘Zwemt ze hier is het meer. De krokodillen natuurlijk. Nadat ze een jager gevangen hebben.’

‘Dat lijkt me niet meer dan eerlijk,’ zei Kiezel. ‘Ik wil er eentje.’

‘Ik ook. De steenmollen hebben mijn vorige handtas opgegeten.’

‘Hey,’ zei Kiezel, ‘dat stalletje verkoopt warme boterkoek en noga. De laatste keer dat ik iets fatsoenlijks at, is...’

‘Eerst de handtasjes.’


‘Waar is iedereen toch gebleven?’ vroeg Kiezel twee uur later. De stoepen waren ineens alarmerend leeg. Luiken ratelden omlaag, deuren sloegen dicht.

‘Het is sluitingstijd, denk ik,’ zei Opaal. ‘Maar waarom die vliegende haast?’

De deur van een winkel opende op een kier. De winkel waar ze niet minder dan eenentwintig paar sandalen met hoge hakken gepast hadden.

‘Waarom staan jullie daar nog?’ zei het winkelmeisje. ‘Ga naar huis! De zon is al bijna onder.’

‘We zijn al grote meisjes,’ zei Kiezel. ‘We mogen na donker opblijven.’

‘Zijn jullie gek?’ zei het meisje. ‘De muskieten komen eraan!’ Ze vergrendelde de deur.

‘Waar had ze het over?’ zei Kiezel.

‘Stil eens,’ fluisterde Opaal.

Uit het moeras voorbij de stad steeg een dof gezoem op. Het was een geluid, zo diep en grommend als een aardbeving en het werd iedere hartenklop luider. Het was het geluid van een miljoen muskieten. Bloeddorstige muskieten.

‘Krokodillen groeien hier wel twintig meter lang,’ zei Opaal. ‘Zouden muggen ook...’

‘Rennen!’ schreeuwde Kiezel.

De hemel werd plotseling donker. Het had niets met wolken of de ondergaande zon te maken. De hele oostelijke hemel zag solide zwart en een donderend geraas deed de planken van de straat meetrillen.

Een muskiet zo groot als een mus dook op Opaals nek af en ze gaf hem een oplawabber met haar nieuwe handtasje. Twee kilo noga raakte hem en hij kaatste weg en landde verfrommeld in het water, minstens twintig meter weg.

‘Een homerun!’ riep Kiezel.

‘Hierheen!’ Het was Tijgeroogs stem. Hij was van top tot teen bedekt met een net van kippengaas. Een wandelend muskietennet.

‘Kruip eronder! Ze zijn te groot om door de mazen te kruipen!’

Een gonzende wolk van monstermuggen omringde hen. Opaal zag harige poten wuiven. Hun zwarte glinsterogen leken op vette bramen. Tijgeroog had gelukkig gelijk: ze waren te groot om zich door de mazen te wringen.

Opaal kreeg de bibbers pas toen de deur van de herberg stevig achter hen vergrendeld was.

‘Ik had ongelijk,’ zei Kiezel. ‘Ik ben nog lang niet oud genoeg om laat op te blijven.’


De volgende ochtend wachtte het jochie al op de steiger voor de herberg, trappelend van ongeduld om te vertrekken.

‘Zijn jullie nu nog niet klaar? Hup, hup. Het is een heel eind varen. Eerst moeten we omhoog langs de kust, dan de Noordkaap om voor we de Mystieke Mistmoerassen bereiken. De kikkers zitten er ergens middenin.’

‘Weet je zeker dat ze magisch zijn?’ vroeg de draak en beslist niet voor de eerste keer.

‘De kikkerkoning is zo groot als een paard. Als dat geen magie is dan weet ik niet wat dan wel.’


Het was een volmaakte dag voor een vaartochtje, zonnig, met een verfrissende zeebries. Opaal leunde tegen de nek van de draak en ze had het gevoel dat alles met de wereld in orde was. Ze was alle eilanden aan het bezoeken, de grote rondreis over heel MiYu. Ze was zo vrij als een vliegende walvis.

Kun je me soms een van je jaspisstenen verkopen?’ vroeg ze. ‘Iemands gedachten lezen lijkt me geinig.’ Vooral het grote geheim van Morsige Eekhoorn.

‘Nee, het spijt me. Een oceaanjaspissteen is erg persoonlijk. We verkopen ze nooit. Bovendien kost het je weken om gedachtes te leren lezen. Dat gaat echt niet vanzelf.’

‘Jammer.’ Opaal geloofde er geen woord van. Hij wil gewoon niet dat we zijn gedachten lezen. Ze twijfelde er niet aan dat hij op dit moment een dozijn geniepige plannetjes zat uit te broeden. Kleine Stekelbaars was net zo’n figuur als Smarg, domweg verslaafd aan rottige streken.


De Noordkaap was gebeeldhouwd tot het glimlachende gelaat van een slapende god. Een meeuwenkolonie nestelde op zijn voorhoofd en zijn kale knar zat onder de druipstrepen vogelpoep. Het scheen zijn goede humeur volstrekt niet aan te tasten.

‘Dat is Varinda,’ zei Kleine Stekelbaars. ‘De god van het luilakken en het goede leventje. Hij doet nu even een dutje en daarom lopen al zijn volgelingen op de punten van hun tenen en fluisteren ze. Zijn dutje heeft nu al drieduizend jaar geduurd.’ Hij stak een hand op. ‘Luister. Daar ademt hij weer uit.’

De snurk rolde over de oceaan, een diep maar vredig gerommel. Hij blies een fontein van protesterende meeuwen uit zijn linkerneusgat.

Ik wed dat niemand op Leo ooit een god meeuwen zag niezen, dacht Opaal. Ik hoop dat deze reis nooit ophoudt.

Achter de Noordkaap strekten de Mystieke Mistmoerassen zich uit: een miljoen rieteilandjes, grijze modderbanken en kreken met melkachtig water. Waterschorpioenen volgden het schip, uitnodigend klikkend met hun scharen terwijl ze hoopten dat een bezoeker een frisse duik in het water zou nemen. Ze waren bleek als engerlingen en even lang als Opaals armen. Ze had deze beesten eerder gezien, in poeltjes. Alleen werden ze op Leo nooit langer dan haar pink.

‘Ze smaken naar kip,’ zei Kleine Stekelbaars. Hij grinnikte. ‘Ik vraag me af wat ze over onze smaak zeggen? Misschien smaken wij ook wel als kip!’ Hij gebaarde met zijn peddel. ‘Naar links nu. We zijn er bijna.’

Opaal kon de kikkers al horen: een koor van hoogst opgewonden gekwaak.

De draak werkte zich door een rietkraag en ze gleden een meertje op. Een kikker hurkte op een vlot van gekapseisde kano’s.

‘Wat is dat nou?’ klaagde de draak. ‘Mijn zwempoten zitten vastgehaakt in een of ander net.’

‘We gebruiken het grote net om op snoeken te vissen,’ zei de kikker. ‘Deze keer schijnen we wat smakelijkers gevangen te hebben.’

Het toontje van zijn stem beviel Opaal niet erg. Het leek te veel op de lijzige toon van een beroepspestkop. Toch kon het geen kwaad om een beetje beleefd te blijven en slijmen werkte altijd. Zelfs bij bullebakken.

‘O, u moet beslist een prins zijn!’ kirde ze. ‘In al onze sprookjes zijn kikkers altijd betoverde prinsen.’

‘Nou nee, een prins ben ik beslist niet. Hoewel ik er genoeg verslonden heb.’ Hij grijnsde en hij had inderdaad geen prinsengebit. Naaldtanden, giftige naaldtanden, en daarvan een driedubbele rij...

‘Je hebt het beloofd!’ riep Kleine Stekelbaars schril. ‘Hun parels en dingen, die zijn allemaal voor mij.’ Hij keerde zijn kano en peddelde haastig weg.

‘Wij houden onze beloftes,’ zei de kikker. ‘Kom morgen terug.’ Hij bekeek hen met grote, hongerige ogen. ‘Ik heb me altijd afgevraagd hoe een draak zou smaken.’

‘Mij opeten?’ sneerde de draak. ‘Jij en welk leger?’

De kikker wees.

‘O. Dat leger.’

Kikkers omsingelden hen. Honderden kikkers. Zelfs de kleinste had het formaat van een buldog en ze grijnsden allemaal hun naaldtanden bloot.


Ulrich hief zijn gloednieuwe strijdbijl op. De bijl zag er zeldzaam scherp uit en op de een of andere manier hongerig. Dit was niet het soort bijl dat je gebruikte om hout te hakken. ‘Ons verslinden zal je een hoge prijs kosten. Mijn bijl is van roestvast staal, dus kikkerbloed zal hem niet doen roesten.’

Vrouwe Barracuda stond naast hem. ‘Ik heb nog niet eerder op kikkers gejaagd. Het is nooit te laat voor een nieuwe hobby.’

Ze zijn aan het pochen, ging het door Opaal heen, net als van die barbaarse helden uit de oude sprookjes die overal rondrennen en iedereen het hoofd afhakken. Ze proberen de kikkers te overbluffen, ze bang te maken. Ik vrees dat het niet erg werkt.

Dat deed het ook niet.

‘O, je kunt best een paar van ons vermoorden,’ antwoordde de kikker. ‘Dat is van geen belang. Wij zijn niet bang om te sterven. Als we dood gaan, worden we immers ogenblikkelijk herboren als kikkerdril en beginnen we gewoon weer van voren af aan.’

‘Weet je geen toverspreuk?’ vroeg Opaal aan haar grootmoeder. ‘Of desnoods gewoon een valse rotstreek? Tover ze allemaal om in prinsen bijvoorbeeld? Prinsen die niet kunnen zwemmen?’

‘Werp de stenen,’ stelde Tijgeroog voor. ‘Je hebt Gliph Abar in geen weken om raad gevraagd.’

Een oorverdovend gekwaak galmde over het meertje en de kikkers rukten op.

Opaal wierp haar stenen, rekende koortsachtig. ‘Nummer vijf!’

‘Voor elk probleem is er een vogel,’ las Tijgeroog uit het open boek op. ‘Ik vat hem. Mijn vogelfluitjes.’

Hij rommelde gejaagd door zijn vogelfluitjes. ‘Zeemeeuw, specht. Kolibrie. Ja, ooievaar!’

Opaal begreep het. Ooievaars en reigers zijn de grootste nachtmerries voor een kikker. Geen kikker wordt als reus geboren. Ze begonnen allemaal als piepkleine kikkervisjes en de ooievaars slokten hen op zoals een mens zoute pinda’s.

Tijgeroog bracht het vogelfluitje aan zijn lippen en blies. De schorre kreet van een ooievaar galmde over het water.

De kikker giechelde. Hij was op de achtersteven geklommen en sprong heen en weer, waarbij hij moeiteloos Ulrichs slagen ontweek. ‘Ik was doodsbang voor Ooievaars. Eens. Dat is allemachtig lang geleden. Ik ben een grote kikker nu. Een reuzenkikker. Elke ooievaar die in mijn poel landt, eet ik op met snavel en veer!’

‘Blaas nog eens,’ zei oma. ‘Alle beesten groeien hier door. Ze worden allemaal gigantisch groot. De kikkers, de muggen. Waarom de ooievaars niet?’

‘Ja, ja, blaas vooral door!’ joelde de kikker. ‘Misschien krijgen we dan ooievaars als toetje.’ Hij landde middenop het dek, opende zijn muil.

‘We kwamen hier voor een maaltje ooievaar maar het schijnt dat er kikkerbilletjes op het menu staan.’

De leider van de kikkers verstijfde toen hij die lage, schurende stem hoorde. Het was een ijskoude en op de een of andere manier geschubde stem. De gouden ogen van de kikker werden groot van angst.

Krokodillen gleden uit de rietkraag en schoten het meer op. De kikkers waren enorm, giganten, maar de krokodillen waren een allemachtig stuk groter.


‘En hij?’ vroeg een van de krokodillen naderhand en hij wees naar het drakenschip. Een kikkerpoot spartelde nog in een mondhoek.

‘Nah, dat is een draak,’ zei hun aanvoerder. ‘Een reptiel, net als wij, en we doen niet aan kannibalisme. Bovendien ben ik vol, er kan echt geen hap meer in.’

‘Um eh?’ zei de draak. ‘Weten jullie soms iets over het verbreken van een betovering? Transformaties als het veranderen van een schip in een draak?’

‘Nee, sorry. Dat is meer iets voor een kikker. Hun koning had het vast wel geweten. Hij was een magiër.’ Hij gebaarde met een gedrongen voorpoot. ‘Het is jammer, maar je ziet: geen kikker of magiër over.’


Ze voeren op volle zee, tien mijl van Pisces’ Noordkaap.

‘Dit is het meest waardeloze eiland dat ik ooit heb bezocht,’ verklaarde de draak. ‘Een complete verspilling van mijn kostbare tijd!’

‘Er was een kikkermagiër,’ zei oma. ‘We hebben je naar het juiste eiland gestuurd. Het is onze schuld niet dat de krokodillen hem hebben verslonden.’

‘Waar moeten we nu heen?’ vroeg de draak. Hij klonk een beetje verloren.

‘Leo misschien?’ stelde Opaal voor.

‘Vergeet het maar! Daar woont je familie. Je zou je vader een of andere geheime boodschap sturen en honderd vliegende oorlogspotvissen...’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, niemands thuiseiland.’

‘Dan blijft alleen Virgo over, zei oma Rithka. ‘Niemand komt van Virgo. Niemand heeft het op deze reis bezocht. Het zou veilig voor jou moeten zijn.’

‘Dat is een begin, maar het is niet genoeg. Kunnen ze me daar helpen? Zijn het ook magiërs?’

‘Nee, iets beters dan tovenaar of heks. Als je ze een probleem voorlegt, zullen ze niet rusten voor ze het opgelost hebben. Een schip in een draak veranderen is precies het soort probleem waarin ze zich graag zullen vastbijten.’

‘Dat klopt,’ zei Morsige Eekhoorn. Hij hield zijn Handboeck open boven zijn hoofd zodat de draak de tekst kon lezen. ‘Je hoeft me niet te geloven. Lees het zelf maar.’

‘Ik zei het,’ zei de draak na een korte blik. ‘Goed, we zetten koers naar Virgo.’

Hij kan niet lezen, dacht Opaal. Morsige Eekhoorn hield het boek ondersteboven en niemand kan een hele pagina lezen in drie seconden.

‘Ik moet je iets laten zien,’ zei ze tegen oma. ‘In mijn hut.’


Binnen opende ze haar poëziealbum en schreef: ‘Muren hebben oren maar geen ogen, en zelfs als onze draak muurogen had, dan nog kon hij niet lezen.’ Dit was de eerste keer dat ze iets in haar poëziealbum geschreven had. ‘Waarom moeten we naar Virgo?’

Rithka pakte de pen op. ‘Dat komt door jouw domme wens. Gliph Abar zei het duidelijk: je moet alle eilanden bezoeken voor je naar huis kunt gaan. Het heeft geen zin om naar Leo te zeilen voor die tijd. Virgo is het enige eiland dat nog over is. Bovendien is Virgo het dichtst bij Leo en als klap op de vuurpijl: het is mijn sterreneiland. Nergens ben ik half zo effectief als daar.’

‘Wat voeren we op Virgo uit?’

‘We proberen de draak tevreden te stellen en we doen net of we naar een tegenspreuk op zoek zijn.’



Hoofdstuk 12 Drie gigantische bruggen verbinden de eilanden met elkaar.

De Oostbrug van Virgo


1.


‘Virgo bestaat eigenlijk uit drie eilanden,’ legde Morsige Eekhoorn aan Opaal uit. ‘Gigantische bruggen verbinden de eilanden met elkaar en de meeste mensen wonen op de bruggen zelf. Ze zijn vaak mijlen breed, met huizen, parken en graanvelden.’

‘Heb je daar ooit aangelegd?’

‘Nee, ik haal al mijn kennis regelrecht uit het Handboeck. Libra en Virgo kunnen niet al te best met elkaar opschieten. Ze zijn allebei nogal pietjes-precies en staan erop dat alles volgens de regels verloopt, maar wel twee verschillende soorten regels. Bovendien zeggen ze dat buren nooit goed met elkaar kunnen opschieten. Het is veel makkelijker je buurman te haten dan een volledig onbekende.’ Hij knikte. ‘Vertel ze dus maar niet dat ik van Libra kom.’

‘Ik geloof er niks van dat jij je aan regels houdt,’ zei Opaal. ‘Ik bedoel, je bent een smokkelaar, je handelt met kannibalen! Je liegt en je steelt.’

‘Nee hoor, ik ben een typische Libra. Mijn enige regel is dat ik me aan geen enkele wet hou. Dat is een regel die ik nooit breek.’


Het was een lange reis naar Virgo. Twee maanden. Zelfs op een drakengevleugeld schip, dat zijn zwempoten als roeiriemen gebruikte en nooit sliep. Tegen de tijd dat de draak ‘Land in zicht!’ brulde, had Opaal al bijna de hoop opgegeven ooit nog voet aan wal te zetten.

Ze kwamen uit het zuidoosten en het eerste wat Opaal zag, waren hun bruggen. Ze hurkten over de horizon. Sommige pijlers waren zo hoog dat de wolken onder hen door stroomden. Ze zagen er bijzonder vreemd uit, eerder als bergen dan als iets dat mensen gebouwd hadden.

Twee schepen schoten meteen op hen af. Ze voeren opvallend snel, hoewel Opaal geen spoor van zeilen of roeiriemen kon ontdekken. Misschien werden ze door machines aangedreven, net als de onderzeeboten van Scorpio?

Het grootste schip kwam langzij de draak. Het torende boven hen uit: zo gigantisch dat hun drakenschip een speelgoedbootje leek.

Een touwladder ontrolde en een douanier roetsjte omlaag, snel als een aapje.

‘Welkom in de Republiek van Virgo!’ Hij was gladgeschoren en alles glom en blonk, van de zilveren gespen op zijn puntschoenen tot het embleem op zijn kap. ‘Mijn naam is Bescheiden Donder. Bent u hier voor zaken of voor uw vakantie?’

‘Voor zaken,’ antwoordde de draak prompt. ‘Hoogst belangrijke zaken. We zoeken een magiër om mijn betovering te verbreken. Ik mag op een schip lijken, maar eigenlijk ben ik een zeedraak.’

‘Een levend schip. Nu, dan bent u naar de juiste eilanden gekomen! Wij weten alles over levende schepen.’ Hij knikte naar zijn eigen monsterschip. ‘Onze eigen schepen beginnen bescheiden. Niet groter dan walvissen. De eerste brug die ze op hun rug bouwen is niet groter dan een tuinhuisje.’

Levende schepen? Opaal tuurde in het water. Het was opvallend helder: je kon zeker twintig meter diep zien. Een zijvin bewoog loom en liep helemaal tot onder hun kiel door. Hun eigen drakenschip schommelde heen en weer in de zuiging.

Hun hele schip is een vis. Een monstervis. Hij zou potvissen kunnen eten voor zijn ontbijt.

Bescheiden Donder merkte haar openvallende mond op.

‘Wees maar niet bang. Onze schipvissen eten enkel zeewier. Als ze een vissersboot doorslikken is het per ongeluk.’

De man loodste hen door de haven. De schepen lagen minstens twintig meter van elkaar aangemeerd en Opaal kon goed begrijpen wat de reden was. Elk dek was niet meer dan het topje van de ijsberg. Het allergrootste gedeelte lag onder water.

Ze belandden ten slotte in de schaduw van de brug, tussen twee schitterende jachten.

‘Hooggeëerde draak,’ zei de beambte. ‘U kunt hier aanmeren.’

‘Het liggeld?’ vroeg Morsige Eekhoorn. ‘Hoeveel bedraagt dat eigenlijk?’

‘U hoeft geen kiezeltje te betalen, mijn beste kapitein. Jullie zijn onze gasten.’

‘Zeg, om op mijn bezwering terug te komen?’ zei de draak.

‘Daar moet ik een van de schepenfokkers voor raadplegen. Zij…’

‘Schepenfokkers?’

‘Magiërs bedoel ik natuurlijk. Blijf hier wachten. Relax. Over een paar uur ben ik terug.’ Hij sprong de steiger af en vertrok met een enthousiaste zwaai.

‘Dit bevalt me niet,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘Dit bevalt me van geen kanten. Geen havengelden. Elke keer dat je aanlegt moet je betalen. Hij zei wel dat hij van de douane was maar hij heeft niets eens gevraagd of we iets aan te geven hadden.’

De draak gaf hem gelijk. ‘Ik ben heel wat havens binnengevaren en dit is het opgeprikte stuk. Voor jachteigenaars, schepen met goudversiersel, mahoniehouten masten en zijden zeilen. Geen plaats waar je ooit een eerlijk vrachtschip zou laten aanleggen.’

‘Moeten we hem volgen?’ vroeg Opaal. Dit ging hen allemaal aan. De draak mocht een vijand zijn, maar op een wildvreemd eiland waar je niemand kunt vertrouwen, is zelfs je vijand een soort vriend.

‘Jij en Tijgeroog. Meer zou te veel opvallen. De rest probeert proviand en water in te slaan. Voor het geval dat we abrupt moeten vertrekken.’

‘Goed. Ik zie je straks wel weer!’

Opaal rende met Tijgeroog de steiger af onder dekking van balen papegaaiduikerdons en kratten met zee-egelstekels. Bescheiden Donder ging de linkerpier op naar de veerboot. Geen probleem: de veerboot zat zo bomvol dat er weinig kans was dat hij hen opmerkte.

‘Moet je de prijslijst voor onze ligplaats eens zien,’ zei Tijgeroog. ‘Elitehaven DE GOUDKUST. Liggeld: 10 maanstenen per uur.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Je moet wel een prins of een erg succesvolle smokkelaar zijn om dat te kunnen betalen.’

‘Ik wed dat hij ons enkel een heel eind van de uitgang af wilde hebben. Zodra we proberen weg te zeilen springt een hele lading bewakers ons op de nek. Met het excuus dat we het liggeld nog niet betaald hebben.’


Het was maar een korte reis. De veerboot stak over naar een stenen kade en ze gingen van boord.

‘Verlies hem niet uit het oog!’ riep Tijgeroog en Opaal moest al haar ellebogen en een paar welgemikte trappen tegen schenen gebruiken om in zijn buurt te blijven. Tijgeroog zelf was lang genoeg om over de meeste hoofden heen te kunnen kijken en hij hoefde zich ook niet te verbergen. Bescheiden Donder had hem nooit gezien. Het was een voorzorg: houd altijd een paar mensen verborgen als ze je schip enteren.

Een lift zakte van de hoge brug omlaag en de beambte stapte de kooi in.

‘We nemen de volgende,’ zei Opaal. ‘Het is te riskant om dezelfde te pakken. Er passen maar vijf mensen in de lift.’


De bovenzijde van de brug was een volkomen nieuwe wereld. Er waren glooiende weilanden met grazende steenganzen, villa’s met glazen lichtkoepels, hoge grijze gebouwen die waarschijnlijk fabrieken waren. Windmolens snorden op elk dak en de hemel was gevuld met kleurige vliegers.

‘Ik zou het zo leuk vinden om voor de verandering eens een aardige persoon tegen te komen,’ klaagde Opaal. ‘Waarom probeert iedereen ons toch te bedriegen of op te eten?’

‘Slimme Fruitvlieg is best aardig,’ zei Tijgeroog. ‘Kiezel schijnt dat in ieder geval te denken. En er is niks mis met Ulrich.’

‘Dat was eilanden geleden. Neem die rottige kamerheer nu, Kleine Stekelbaars en…’

‘Ik zie hem!’ onderbrak Tijgeroog haar. Hij steekt over naar dat gebouw.’

Een gestyleerde schipvis vormde het logo boven de naam van het bedrijf:

SCHEPENFOKKERS B.V.

ZEILEN ZIJN VOOR DUMMY’S!

WIJ FOKKEN EEN VIS

VOOR ELKE TAAK

‘Hoe pakken we dit aan?’ vroeg Tijgeroog. ‘Sluipen we gewoon achter hem aan naar binnen?’

‘Ik klets ons wel naar binnen. Ik kan prima zo’n trutje nadoen, zo’n verwend krengetje dat een jacht voor haar verjaardag wil. Geen receptioniste zou mij tegen durven houden.’

‘Je kleren zien er nogal gescheurd en vies uit.’

‘Dat doet er niet toe. Wat ik draag, is mode. Dit is gewoon de berooide-weesmeisjeslook die net vreselijk populair is onder de rijke grietjes. Alleen het juiste toontje telt.’

De entree werd inderdaad bewaakt door een receptioniste. Een bloedmooie uiteraard, met haar als glinsterend gesponnen glas en een satijnen jurk. Ze sliep met haar hoofd op de balie en stootte een luid gesnurk uit.

WAAG HET NIET MIJ TE WEKKEN, waarschuwde een bordje, MENEER GRANDIOZE MOTREGEN WIL JE SOWIESO NIET ZIEN.

Opaal was de dochter van een schatrijke koopman. Ze had genoeg magnaten van Grandioze Motregens soort ontmoet en ze hadden allemaal dezelfde soort secretaresse.

Ze slopen op de punten van hun tenen voorbij en doken een gang in. Drie deuren verder hoorden ze stemmen. De laatste deur stond op een kier en Opaal gluurde naar binnen. Meneer Grandioze Motregen zat achter een glimmend zilveren bureau. Nee, geen zilver, het moest een enkele schub van een schipvis zijn.

‘Dat klinkt interessant,’ zei hij tegen de douanier, ‘maar hoe kan ik daar beter van worden? Haar eieren verzamelen en zelf drakenschepen fokken?’

‘Het is een mannetjesdraak. Geen eieren dus. En u zou ook de juiste bezwering niet kennen om ze in schepen te veranderen. Het enige dat een ei ons zou opleveren zodra het uitkwam, is een levensgevaarlijke draak, geen schip. Aries zou ons nooit hun spreuk verkopen. We hebben helemaal geen ei nodig. Dat is het mooiste. Bij draken gaat het net als bij hagedissen. Als je een poot van een hagedis afhakt, groeit hij een nieuwe poot. Draken kunnen het nog beter: uit de afgehakte poot groeit een compleet nieuwe draak. En het zou nog steeds een schip zijn, omdat de bezwering natuurlijk even hard voor de poot geldt. Het is per slot van rekening dezelfde draak.’

‘Dat klinkt als gouden handel.’ Motregens grijns reikte van oor tot oor. ‘Gouden handel.’

‘We kunnen hem makkelijk in honderd stukjes hakken en hij zou het nóg overleven!’

‘Waar heb je hem ergens geparkeerd?’

‘Dat is nu juist de grap. Ik wist dat uw zoon uw jacht naar het Westereiland aan het zeilen was en dus liet ik hem op uw eigen ligplaats aanmeren. In de Goudkust.’

‘En niemand anders weet over dat drakenschip?’

‘Ik ben regelrecht naar u toegerend, meneer.’

‘Goed om te weten.’ Hij trok een la open, woelde rond en haalde een geladen kruisboogje tevoorschijn. ‘Dit mag speelgoed lijken, maar de pijlen zijn in het beste cobrakwallengif gedoopt.’

‘Ik heb het echt aan niemand anders verteld!’

‘Iemand gaat stinkend rijk worden van deze draak en jij bent het niet. Ik doe niet aan compagnons en aan delen heb ik helemaal een hekel.’ Grandioze Motregen gebaarde met zijn kruisboog. ‘En nu ga je gehoorzaam in die hoek staan. Met je handen in je nek, terwijl ik een bewaker roep.’


Ze sprintten de gang door, glipten langs de nog steeds slapende receptioniste.

‘Handig,’ zei Tijgeroog. ‘We begonnen met een aasgier en nu hebben we een hongerige leeuw.’


Buiten klonk een rare gak en prompt begonnen er honderden sirenes te loeien.

‘Een alarm?’ zei Opaal. ‘Nu al?’

‘Nee, het komt van alle kanten tegelijk. Motregen is een belangrijke figuur maar zó belangrijk nu ook weer niet.’

Een minuut later begrepen ze dat het nog iets lastigers was dan een alarmsignaal. Het was spitsuur en alle fabrieken en kantoren sloten op dezelfde tijd. Bij elke lift vormden zich wachtrijen, elk ten minste honderd vermoeide arbeiders en getergde secretaresses met bloedrode pumps lang.

‘Is er nog een andere route omlaag naar de haven?’ vroeg Opaal aan een huisvrouw met een jengelende baby in een draagsjaal en een rukkende kleuter aan elke hand.

‘Alleen de noodtrappen. Maar wie gebruikt de noodtrappen nu ooit? Die…’

Opaal wachtte niet op de rest van de uitleg. Ze had de noodtrappen al ontdekt: lange wenteltrappen, elk als de kurkentrekker van een reus.


Twee jongens hingen rond bij de ingang van de noodtrap.

‘Je kunt hier niet omlaag,’ zei de grootste. Hij was zeker een kop groter dan Tijgeroog en zijn biceps deden zijn armen bollen. ‘De trappen zijn ons territorium. Alleen Geeltjes mogen door.’ Hij tikte tegen de okergele vlindertatoeage op zijn wang. ‘En zo te zien ben jij niet erg geel, jochie.’

‘Tja,’ zei Tijgeroog. ‘We doen niet moeilijk. We nemen gewoon de volgende trap.’ Hij klonk kalm en redelijk hoewel Opaal wist dat hij ziedde. Ze gaf hem gelijk: dit was niet het ogenblik om stennis te maken.

‘De volgende trap is van de Blauwen.’

‘Mijn beste vriend,’ zei Tijgeroog, ‘Ik ben bang dat dit je pechdag is.’ Hij keek omlaag. ‘Hoi, Ulrich.’

‘Wie is die dwerg?’ lachte het andere bendelid. ‘Je kleine broertje?’

‘Nee hoor,’ zei Ulrich, ‘je eerste gok was de juiste. Ik ben een dwerg. Van Cancer.’

‘Een dwerg?’ De jongen bekeek hem beter en verbleekte. Dwergen stonden bekend als de beste straatvechters van heel MiYu. Ze begonnen nooit als eerste, maar winnen deden ze altijd.

Ulrich keek op naar de leider. ‘Is er een probleem?’ vroeg hij. ‘Eentje dat opgelost kan worden door je zo’n honderddertig treden af te laten rollen?’

‘Nee, nee! Geen enkel probleem!’ Hij deinsde terug. ‘Ga gewoon jullie gang.’


‘Ik besloot jullie toch maar te volgen,’ zei Ulrich, terwijl ze de trap met drie treden tegelijk afrenden. ‘Niemand kijkt omlaag in de drukte en een dwerg kan zich zelfs door een kattenluikje wringen.’

‘Ik ben blij dat je gekomen bent,’ zei Opaal. ‘Precies op tijd.’

‘Uh, waarom rennen we deze trap eigenlijk zo idioot snel af?’

‘De douaneman heeft onze draak aan een scheepsfokker verkocht. Hij wil hem in duizend stukjes hakken.’

Ja, dat kunnen we niet toestaan,’ zei Ulrich. ‘Hij is nu niet meteen een vriend, maar hij is onze draak.’


Ze kwamen te laat: de steiger zag zwart van de soldaten. Een ketting ketende de draak aan een meerpaal en zijn zeilen hingen moedeloos omlaag.

‘Waarom bijt hij die ketting niet gewoon door?’ zei Tijgeroog. ‘De schakels lijken me belachelijk dun. Ze zijn niet dikker dan mijn vingers.’

‘De ketting is zwart,’ zei Opaal. ‘Van een pikzwarte steen.’

‘Hematiet!’

Hematiet zoog magie op. Het was een steen die alle bezweringen opslokte, die magisch goud in lood terugveranderde. Geen draak kon, als magisch beest, een ketting van hematiet verbreken. Louter de ketting aanraken maakte hem al even hulpeloos als een gestrande potvis.

‘Laten we een beetje dichterbij gaan,’ zei Ulrich. ‘Je zei dat de magnaat onze draak aan de ketting liet leggen. Hij kent ons geen van drieën en weet niet dat we bij de bemanning horen. En Bescheiden Donder zal hem dat nu beslist niet vertellen. Die zit ergens in een cel.’

Hij slenterde naar de versperring die de bewakers opgericht hadden.

‘Mensen,’ zei hij, ‘wat is er hier aan de hand?’ Hij trok zijn schouders naar achteren. ‘Ik ben Getergde Wolkbreuk, de befaamde staalbaron die de IJzeren Toren van Dahlgren bouwde.’ Hij wees. ‘Mijn jacht ligt daar verderop. Het schip met de gouden aasgier op de boeg.’

‘Het spijt ons vreselijk, edele heer! Het drakenschip is net in beslag genomen. Daarom ligt het ook aan de ketting. De eigenaar meerde aan zonder liggeld te betalen. Op een particuliere ligplaats.’

‘Hmph!’ zei Ulrich. ‘Ik hoop dat dit niet al te lang gaat duren.’ Hij gaf de bewakers elk een nogal grote parel.

‘Geen minuut langer, edele heer! We hebben het schip aan de ketting gelegd. Wij moeten erbij blijven om het te bewaken, maar u kunt natuurlijk doorlopen naar uw eigen boot.’

Mijn eigen jacht,’corrigeerde Ulrich hem. ‘Goed, ik zal mijn kapitein vertellen dat we alsnog kunnen uitzeilen.’


Ze vonden de rest op de kade terug, waar ze op de veerboot stonden te wachten. Vrouwe Barracuda balanceerde drie watervaten op haar hoofd, terwijl de anderen meelzakken droegen en stromanden met gedroogde vruchten. Zelfs Slimme Fruitvliegs hazen zeulden met slierten peperworst.

‘Hé, lui!’ riep Ulrich, ‘hebben jullie mijn nieuwe breekijzer al gezien? Het is stevig genoeg om de poort van een reus te forceren.’ Het breekijzer was twee keer zijn eigen lengte en hij droeg het alsof het niet meer woog dan een holle rietstengel.


‘Hematiet,’ oma klakte met haar tong. ‘Ja, dat kan een probleem worden. Ik ken aardig wat spreuken, maar het hematiet zou ze moeiteloos opslokken. Hoe ze ooit genoeg hematiet bij elkaar hebben geschraapt voor een hele ketting is mij een raadsel. Dat spul is duurder dan rood dwergengoud.’

‘Ik heb een idee,’ zei Slimme Fruitvlieg. ‘Misschien is het een stom idee, en natuurlijk ben ik geen magiër... Hematiet slokt toch magie op? Nou, ik ben aardig wat verslindende monsters tegengekomen maar er was er niet eentje die eindeloos door kon blijven eten. Hij moest altijd stoppen voor zijn maag uitscheurde.’

‘Je wilt de ketting zich laten overeten? Tot hij niet meer kan of breekt? Het enige probleem is…’ Ze spreidde haar handen. ‘Kijk, ik ben vrij bedreven in toveren na zo’n drie eeuwen. Je zult geen betere heks vinden in heel Leo. Als ik al mijn spreuken gebruikte, al mijn toverkracht, dan zou dat nog niet genoeg zijn om een enkele schakel te verzwakken, en die ketting moet honderden schakels hebben.’

‘Je kent dus niet genoeg bezweringen,’ zei Kiezel. ‘Waarom kopen we er dan niet een paar bij?’ Ze wendde zich tot Morsige Eekhoorn. ‘Jij bent het hebberigst. Zeg eens, wat is ons kapitaal?’

‘Nog aardig wat parels. Robijnen. Ik heb een paar zakken smaragd meegenomen toen we van Aries vluchtten. Ik vermoed dat we aardig rijk zijn. Voor berooide schooiers dan.’

‘Een magiewinkel dus,’ zei Opaal. ‘Maar het is na sluitingstijd. Alle winkels zijn gesloten.’

‘O nee, magiewinkels juist niet,’ zei oma Rithka. ‘In ieder geval niet het soort winkels dat wij zoeken. Die gaan pas ‘s nachts open. Als de laatste straal van de ondergaande zon dooft.’


Ze namen de lift naar de bovenbrug en daar struinde Ulrich recht op de jongens af. De aspirant-gangsters hingen nog bij hun eigen trap rond en ze zagen Ulrich te laat om weg te rennen. Ulrich drukte het uiteinde van zijn breekijzer tegen de kin van hun leider.

‘Dit is gewoon een vriendelijk bezoekje, vat je?’ gromde hij. ‘Nu ga jij ons vertellen waar we wat serieuze zwarte magie kunnen vinden en ik bedoel echt hard spul. Het soort spreuken waarvoor zelfs demonen het in hun broek doen.’

‘Je hebt Kleine Johannus Zonnestraal. Hij is een rotzak. Zou zijn eigen grootmoeder voor een handvol kiezels verkopen.’

‘Dat zou ik hem graag eens zien proberen met deze grootmoeder!’ zei Ulrich. Hij porde opnieuw met zijn breekijzer. ‘En nu ga je ons de weg wijzen. Pronto. Als je dacht dat Kleine Johannus een schuimbekkende wolf is, nou, vergeleken met ons is hij een troetelpoedeltje met een roze strik om zijn staart.’

Elke stad (en waarschijnlijk ook elke brug) heeft straten waar een verstandige burger zich na zonsondergang niet in waagt. Of zelfs in de stralende zon. Met een dwerg en een heks voorop legde niemand hen echter een strobreed in de weg. De hazen probeerden bovendien extra gemeen te kijken en klapperden met hun kaken naar elke schaduw.

‘We zijn er,’ zei de jongen. Ze stonden voor een deur die uit zware balken getimmerd was en versterkt werd met brede banden geblakerd staal. De jongen keek smekend naar oma Rithka. ‘Mag ik nu gaan? Alstublieft?’

‘Is er een geheime code om binnen te komen? Een wachtwoord, een bepaald aantal kloppen?’

‘Laat mij maar,’ zei Morsige Eekhoorn en hij schudde zijn zak met parels. ‘Klanten!’

De deur zwaaide prompt open.

‘Mooi zo,’ zei de gezette koopman. ‘Jullie zien er even gevaarlijk uit als mijn verklikkers beweerden. Nu kreeg ik net een prachtige lading weyrdstenen binnen. Amuletten om de bliksem uit de hemel omlaag te roepen en de demonen uit het diepst van de aarde. Ik verkoop bovendien vervloekte…’

Morsige Eekhoorn schudde zijn hoofd. ‘Je kunt je verkooppraatje achterwege laten. We kopen ze. Allemaal.’

‘Eh, wat? Allemaal? Wat zijn jullie van plan? Willen jullie de hele brug opblazen?’

‘Iets veel ergers.’

‘Je hebt natuurlijk gelijk. Het gaat mij niets aan. Kom binnen en laat me zien waarmee je dacht te betalen.’


Er staan nog steeds twee bewakers,’ fluisterde oma Rithka toen ze bij de steiger terugkwamen. ‘En door al dat rottige hematiet kan ik zelfs geen baby’tje-slaap-dan-spreuk tegen ze gebruiken.’

‘Laat maar aan mij over,’ zei Ulrich. ‘Ze kennen me.’

Hij slenterde naar de bewakers. ‘Hallo. Weten jullie nog wie ik ben?’

‘Jazeker, meneer,’ zei een van de bewakers. ‘U bent de befaamde staalmagnaat die de IJzeren Toren van Dahlgren heeft gebouwd.’

‘Nu wil ik jullie twee zaken laten zien.’

‘Een mokerhamer, meneer?’

‘En deze, jongen?’

‘Twee joekels van smaragden en elk ervan is meer waard dan wij in tien jaar verdienen.’ Hij salueerde, zijn collega salueerde en ze draaiden zich om, liepen de steiger af. Halverwege mikten ze hun helmen in het water.


‘Ik dacht dat je hen een dreun op hun hoofd zou geven,’ zei vrouwe Barracuda. ‘Met je hamer.’ Ze klonk een beetje teleurgesteld.

‘Het mag een beetje ongeloofwaardig klinken voor een dwerg, maar ik gebruik niet graag geweld. Niet tegen zulke slappelingen. Dat is niet sportief.’

Oma Rithka opende haar tas en pakte drie vonkensproeiende beeldjes. ‘Ik probeer het eerst maar eens met het oproepen van drie donderdemonen. Achteruit graag. Ze zijn sterk genoeg om een stenen wachttoren met de grond gelijk te maken.’

Ze fluisterde de spreuk om de beeldjes te activeren. Ze lichtten op met een griezelig groene gloed, sisten als natte voetzoekers en gingen uit. Ze hadden hun hele lading verloren en waren in helder bergkristal veranderd.

Handig,’ zei oma. ‘Echt handig. De ketting werd zelfs niet warm. Goed, best, oké. Deze keer gebruik ik zeven donderamuletten en een djinnroeper. En als we toch lekker bezig zijn, ook nog de klauw van een dystrodont!’

‘Wat is een dystrodont?’ vroeg Opaal.

‘Dat wil je niet weten. Nu leg ik er ook nog een dodemanshand bij, plus de schaduw van een maansluiper. En daar gaan we!’

Een dof gerommel steeg uit de zee op en de complete steiger veranderde in glas. Het water rondom het schip bevroor en twee overvliegende vleermuizen veranderden in dansende zeepbellen.

Ulrich legde zijn hand op de ketting. ‘Nog steeds hetzelfde. Hij voelt zelfs niet lauw.’

‘Lastig. Hele legers werden in barnstenen beelden veranderd met minder. Wat hebben we nog over, Morsige Eekhoorn?’

‘Stop!’ zei Ulrich. ‘Kap ermee voor de hele brug op ons hoofd valt. We zijn stom geweest. Zo stom!’

‘Hé!’ protesteerde Slimme Fruitvlieg. ‘Spreek voor jezelf.’

‘Nee, ik ben de enige die zijn verstand bij elkaar heeft. We gebruiken al onze magie tegen die ketting en dat geval zuigt het doodleuk op. Denk eens door: die ketting is niet eens zo hard als staal, zelfs niet zo stevig als koper. Hij is van steen en steen breekt makkelijk.’ Hij hief zijn hamer. ‘Vooral als iemand deze bijzonder onmagische mokerhamer gebruikt.’


Ze boomden het drakenschip voorbij de ingang van de Goudkust. De draak ontwaakte uit zijn trance en vouwde zijn zeilen open. Het was middernacht toen ze de oceaan op zeilden.

‘Je kunt maar beter roeien met alles wat je hebt,’ spoorde oma Rithka de draak aan. ‘De scheepsfokker zal binnenkort achter zijn ontsnapte schip aan komen racen en bovendien hebben we dit hier.’ De schakels van de gebroken ketting ratelden tussen haar vingers. ‘Dit is een paar fortuinen waard en kan een heel leger toverstafzwaaiende magisters stoppen.’

Het zeil zwiepte over: de klauwpunt haakte in de ketting en rukte hem uit oma Rithka’s handen. De ketting plonsde in het water en zonk meteen.

‘Hij kan een leger magisters stoppen,’ zei de draak, ‘of een zeedraak binden. Vergeet het maar.’



Hoofdstuk 13 Het planeetschip Jupiter

Het planeetschip Jupiter


1.


Drie weken verstreken terwijl ze zo ver mogelijk van Pisces zeilden. Twee keer ontsnapten ze aan een eskader bewapende schipvissen: zo makkelijk gaf Grandioze Motregen het niet op.

Het was een benauwd hete nacht en iedereen sliep op het dek. Of probeerde dat. Opaal leunde tegen de reling en tuurde wat verwezen naar de sterren. Elke keer dat ze knipperde leek het alsof er zand onder haar oogleden zat. Ze was doodmoe, maar op een onaangename manier klaarwakker.

Iets bewoog in de verte, op de grens van haar gezichtsvermogen. Het was reusachtig, minstens zo groot als een wolk. Er was geen maan en het was moeilijk om zaken te onderscheiden bij sterrenlicht. Ze knipperde, maar de omtrek bleef zo vaag dat ze hem zich net zo goed verbeeld had kunnen hebben. Maar nee, hij verduisterde de sterren over een heel stuk van de horizon. Ja, kijk, daar knipte weer een ster uit.

‘Opaal?’ kwam de stem van haar grootmoeder. ‘Opaal?’

‘Ja, wat is er?’ Ze drentelde naar Rithka’s hangmat: de ogen van haar grootmoeder bleven gesloten. Ze praat in haar slaap. Wat lief.

Oma Rithka giechelde in haar slaap. ‘Als hij het eens wist! Het is zo eenvoudig. Hij hoeft de spreuk alleen maar omgekeerd op te zeggen!’

Opaal sprong naar voren, drukte haar hand op oma’s mond.

‘Ik sliep niet,’ zei de draak. ‘Draken slapen nooit. Zelfs niet als ze met hun ogen dicht doorzeilen.’

Hij begon de bezwering omgekeerd op te zeggen.

Rithka schoot omhoog. ‘Wat gebeurt er?’ Ze keek naar het hoofd van de declamerende draak. ‘Wat doet hij?’

‘Hij verbreekt zijn betovering,’ zei Opaal.

‘Hoe? Hoe wist hij dat? Welke idioot...’

‘Jij vertelde het hem. In je slaap.’


De draak sprak het laatste woord, een omgekeerde gorgel, en hij begon te veranderen.

De transformatie voltrok zich razendsnel. Het ruim vulde zich met geschubd vlees, het roer kronkelde en werd een drakenstaart. Eén hartenklop was het doodstil, en toen schudde de mast en wierp de rest van de bemanning uit hun hangmatten op het dek.

‘Kijk uit!’ gilde oma Rithka, en Opaal dook maar net op tijd omlaag. Een van de zeilen zoefde een handbreedte boven haar kruin langs en veranderde in een geribbelde vleugel vol weerhaken en stekels.

Opaal krabbelde overeind. Ze stond tot haar enkels in het water, tussen de manshoge stekels van een drakenrug.

‘Geen havens meer,’ zei de draak. ‘Nooit zal ik meer aanmeren. Ik zal op reuzeninktvissen jagen en masten van angstige vissersboten afbijten! Ha, de Schrik van de Zeventien Zeeën zullen ze me noemen!’ Hij keek neer op zijn in elkaar gedoken passagiers. ‘Wat moet ik nu met jullie aan? Jullie hebben me verraden. Ik had weken geleden al vrij kunnen zijn.’ Hij keek woedend naar oma Rithka. ‘Hoe lang kende je de tegenspreuk?’

‘Eigenlijk al sinds Capricornus,’ gaf ze toe. ‘Wat maakt het uit? Je bent nu vrij. We hebben je gered!’

‘Wij draken zijn wijs en genadig. Dus ik zal niet meteen de diepzee induiken. Pas als ik zo dicht bij iets droogs ben gezwommen dat jullie gered kunnen worden.’

‘Misschien kunt u ons afzetten op een eiland?’ vroeg Morsige Eekhoorn hoopvol.

Zo genadig ben ik nu ook weer niet. Nee, daar in de verte zeilt een planeetschip. Jupiter vermoed ik.’ De draak lachte. ‘Ze hebben een bloedhekel aan eilandbewoners, weet je. Ze geloven zelfs niet dat de eilanden bestaan en als ze dat wel doen, dan weten ze zeker dat die door monsters en duivels bewoond worden. Dus jullie kunnen ze maar beter niet vertellen waar jullie vandaan komen.’


Het planeetschip leek uit de duisternis te stollen. De zeilen gloeiden op met de wapperende kleuren van het noorderlicht. Daarna kon Opaal de lampen onderscheiden, de gebeeldhouwde romp die zo groot als een berg was. De masten reikten tot de top van de hemel en ze groeiden regelrecht uit het dek. Levende bomen met meer zeilen dan Opaal kon tellen. Boven de boegspriet draaide een machtige globe, net als MiYu op de punt van Ysidoors neus.

‘Dit is wel dichtbij genoeg,’ besloot de draak. ‘Ik hoop dat jullie kunnen zwemmen?’

Hij dook.


Opaal worstelde zich omhoog door het inktzwarte water. Ze sloeg met haar benen, klauwde wild om zich heen. De draak had hen in zijn kielzog meegezogen, als kurken in een draaikolk.

Er was geen licht, geen lucht, en het water voelde ijzig koud. Opaals longen stonden al op het punt om te barsten toen ze een afschuwelijke gedachte kreeg: Misschien zwem ik wel de verkeerde kant uit. Omlaag in plaats van omhoog.

Een koude hand greep haar pols vast en ze gilde het bijna uit. Een koude hand, flitste het door haar hoofd. Onder water. Dat moet vrouwe Barracuda zijn. Zeemeerminnen hoeven geen adem te halen.

Ze voelde zichzelf omhoogschieten en haar hoofd brak door de waterspiegel.

Zuurstof! Het kostbaarste goed op MiYu.

Tijgeroog pakte haar arm vast en trok haar op de dobberende robijn. Ysidoors magie maakte de edelsteen zo licht dat hij bleef drijven. Ook de rest zwom dichterbij en klampte zich vast aan de geïmproviseerde reddingsboei.

‘Ze hebben ons opgemerkt,’ zei oma Rithka. ‘Ik zie ze een reddingsboot neerlaten.’ Ze wuifde. ‘Hier! Hier zijn we!’ Ze draaide zich naar de anderen. ‘Geen woord over de eilanden. We zijn schipbreukelingen. Van het Marsschip. Dat zeilt zo ver van dit schip dat ze elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet hebben. We waren aan het vissen en een potvis vernielde onze boot. Iedereen weet hoe slechtgehumeurd die bakbeesten zijn.’

Opaal zag vlammende fakkels, hoorde het plonzen van roeiriemen. Gespierde armen trokken haar uit de zee.

‘Wat zijn jullie voor een eigenaardige lui?’ vroeg een stuurse stem.

‘We komen van Mars,’ zei Ulrich. ‘Het Marsschip.’ En dat was het laatste dat Opaal hoorde voor ze flauwviel.


Opaal werd wakker op een goddelijk zachte matras, onder een donzig dekbed. Een baan zonlicht viel schuin binnen door een patrijspoort.

‘Wat kun jij maffen, zeg,’ zei haar grootmoeder. ‘Het is bijna middag, slaapkop.’ Ze stond op. ‘Schiet je kleren aan. De kapitein wil ons spreken. Vergeet niet dat we van Mars komen.’

‘Wat hou je daar in je hand? Je was aan het breien?’ Opaal barstte in lachen uit.

Haar grootmoeder ontweek Opaals blik. ‘Alle vrouwen aan boord breien,’ mompelde ze. ‘We willen toch niet opvallen?’

‘Alle vrouwen moeten hier breien?’ Opaal was ontzet. Breien was zo ongeveer het meest stupide dat ze zich kon voorstellen.

‘Nee, alleen de oudere vrouwen.’ Oma Rithka mikte haar breiwerk op het bed. ‘Laten we maar naar buiten gaan. De kapitein wil ons spreken.’


De anderen stonden al op een kluitje op de brug en in het daglicht leek het schip nog reusachtiger dan eerst. Een weiland glooide omlaag van de brug naar het dek. Opaal zag een kudde lama’s grazen. Je kon bijna vergeten dat je over de zee zeilde. Of nee, nooit dat je zeilde. Opaal keek omhoog tot ze een krik in haar nek kreeg. De hoofdmast leek eindeloos door te gaan. Hij boorde zich in de wolken en liet een zog van kronkelende mistslierten na.

Zo hoog, dacht ze. ‘s Nachts moet hij zo ongeveer tegen de onderkant van de maan krassen.

Op de buurtschool had de meester het maar één keer over de planeetschepen gehad. Voor elke planeet voer er een schip over de oceaan en ze waren tegelijk met de eilanden geschapen. Voor de eilanden waren de schepen van weinig belang: die monsterachtig grote schepen voeren zo ver buiten de normale handelsroutes dat geen koopman ze ooit tegenkwam.

‘Geen woord over de eilanden,’ waarschuwde oma Rithka opnieuw. Een kleine groep zwoegde tegen de heuvel op. Vier dragers torsten een draagstoel met wapperende banieren. Boven de stoel klapwiekte een zwerm papegaaien. ‘Groot, groot,’ krijsten ze, ‘driewerf groot en genadig is de Opperadmiraal van Jupiter. Hij bestuurt het machtigste schip van alle!’

‘Geen erg bescheiden man, zo te horen,’ zei oma Rithka. ‘We zullen op onze woorden moeten letten. Doop elk woord in de honing en glimlach tot je mondhoeken uitscheuren.’

De dragers hielden halt en de gordijnen van de draagstoel schoven opzij.

‘Zo, jullie zijn dus de nieuwe scheepsmaten die gisternacht aanspoelden,’ zei de Opperadmiraal. ‘Bij Yaareds drietand, ik heb zelden zo’n bijeengeraapt zootje gezien!’

Glimlach tot je mondhoeken uitscheuren, dacht Opaal, doop al je woorden in honing. Ze klemde haar kaken op elkaar tot haar tanden knarsten.

‘We komen van Mars. Een potvis kraakte onze sloep.’

‘Mars? Och ja, is dat niet een van de mindere scheepjes? Kop op, niet van die lange gezichten: dit is jullie geluksdag! Uit de zee gevist en dan op het meest glorieuze schip belanden dat de waterwegen bevaart!’ Hij bekeek hen als een achterdochtige boer zijn net aangeschafte kudde schapen. ‘Ik zie een joch dat hazen hoedt. Prima, haasherders kun je nooit te veel hebben.’ Hij priemde een worstvinger in oma’s richting. ‘Jij, braaf besje, kun je breien en borduren? Ik wens een nieuwe lapjesdeken voor mijn zevende bed. Een team van tweehonderd oude vrouwtjes is al druk aan het naaien.’

‘Natuurlijk kan ik naaien en borduren,’ zei oma Rithka. ‘Zoals U zelf zei, ben ik een braaf oud besje.’ Haar woorden klonken zacht en waren in de honing gedoopt. Zo klinkt de bedeesde sis van een gehoornde adder ook, vlak voor hij zich in je enkel vastbijt.

‘De anderen zijn duidelijk ongeschoold.’ Hij wendde zich tot een man met een notitieblok van gestreken berkenbast. ‘Voorman Blount, vind een geschikt baantje voor ze. Niets al te ingewikkelds. Ze komen van een achterlijk schip.’

‘Komt voor elkaar, meneer!’

‘Ingerukt mars!’ blafte de admiraal en hij trok de gordijntjes dicht.


Opaal werd naar de boegspriet gestuurd waar ze netten moest boeten met drie andere ongetrouwde meisjes. Hun namen waren Suyla Oostdek, Stir Derde-Mast en Anharre Ruimzicht zoals ze Opaal al in de eerste minuut vertelden.

‘Jij draagt zulke prachtige kleren,’ zei Suyla smachtend terwijl ze de stof van Opaals gescheurde rok tussen duim en wijsvinger wreef.

‘Hoezo prachtig? Mijn jurk is intussen niet veel beter dan een poetsdoek. Meer teer dan zijde.’

‘Wat doet het er toe dat je kleren een beetje vies zijn? Ze zijn nog steeds kleurig en glanzend. Jouw broers moeten schatrijk zijn. Wij kunnen alleen maar grauw zeelinnen dragen.’

Suyla had gelijk, zag Opaal nu. Vergeleken met de andere meisjes droeg ze de baljurk van een prinses.

‘Ze zeggen dat je van Mars komt en dat jullie schip piepklein is. Niet meer dan twintig zeilen. Klopt dat echt?’

Doop je woorden in honing. ‘Ja, jullie schip is zoveel groter! Ik wed dat jullie wel duizend zeilen voeren!’

‘Nee hoor, echt geen duizend. Zeshonderdvierendertig.’

Opaal was het volgende uur druk bezig met netten knopen. Het was een buitengewoon vervelende klus en na een kwartier begonnen haar vingertoppen al te bloeden.

‘Na een week of zo wordt je eelt dik genoeg,’ troostte Stir haar. ‘Dan doet het niet zo’n pijn meer.’

‘Heb je ooit een eiland gezien?’ vroeg Opaal.

‘Ik heb alleen over ze gehoord. Ze bestaan niet en niemand wil er ooit naartoe gaan. Daar wonen duivels en allerlei monsters en ze hebben niet eens zeilen!’

Oma had dus gelijk: dit schip legt nooit bij een eiland aan. Ik moet een manier verzinnen om van dit schip af te komen. Misschien kunnen we een sloep stelen?

‘Op Mars was ik visvrouw. We gingen altijd de zee op, met een sloep.’

‘Wat een rare en domme plaats was dat Mars van jou!’ Stir schudde haar hoofd. ‘Hier mag geen enkele vrouw uit vissen gaan. Dat is mannenwerk en een meisje hoort zelfs geen roeispaan aan te raken. De boot zou binnen een week vergaan. Voor de veiligheid zouden ze hun boot meteen moeten verbranden.’

Vergeet een boot stelen dus maar. De vissers zouden elke vrouw die in de buurt van hun boot kwam met adelaarsogen in de gaten houden.


Opaal was moe tot op het bot toen ze naar hun lekkende boeghutje terugschuifelde. De anderen lagen al in hun hangmatten, te uitgeput om een pink te bewegen. Ze vertelden over hun werkdag en iedereen was het erover eens dat het niet eenvoudig zou worden om van dit schip te ontsnappen.

‘Ze lieten me een nieuw anker smeden,’ vertelde Ulrich. ‘Dit schip heeft bijna driehonderd ankers en ze blijven om de haverklap in koraalriffen haken. Wat ik bedoel is dat ik al het gereedschap heb dat nodig is om een eigen boot te bouwen. Zagen met haaientanden, vlijmscherpe beitels.’

‘Je kunt hier niet zomaar een boom omhakken,’ zei vrouwe Barracuda. ‘Hout is hier bijzonder prijzig. Ze kennen elke individuele boom en ze geven ze zelfs koosnaampjes.’ Ze was in een rothumeur. De voorman had haar terecht aangezien voor een hofdame en had haar aan het borduren van eierwarmers en het bloemschikken gezet.

‘Ik mis iemand,’ zei Kiezel. ‘Ik bedoel niet dat ik hem echt mis, maar waar is Smarg?’

‘Stil eens.’ Vrouwe Barracuda trok het gordijn open. ‘Daar komt een stel lui met fakkels aan.’ Ze kneep haar ogen tot spleetjes. ‘Met fakkels en hellebaarden.’

Smarg rende voor hen uit met een grijns van oor tot oor en ogen die glommen van puur leedvermaak.

‘Ik heb de Opperadmiraal verteld waar jullie werkelijk vandaan komen! Schorriemorrie en piraten van de eilanden. Niet veel beter dan wilde beesten.’

De Opperadmiraal stapte lillend uit zijn draagstoel.

‘Schitterende Smaragd vertelde ons alles. Dat hij de zoon van de kapitein van Mars is en dat jullie hem ontvoerd hebben.’

‘Dat is de zuivere waarheid, Opperadmiraal! Kielhalen is nog te goed voor ze!’

‘Uiteraard geloofde ik er geen woord van.’

‘Wat?’ Smarg wapperde met zijn handen. ‘Nee, nee! U maakt een vreselijke vergissing! Ik ben van Mars. Ik kom echt van Mars!’

‘Hoeveel zeilen voert jullie schip? Noem de twaalf soorten hardhout op die een meestertimmerman gebuikt om een roeiriem te verlijmen? Jij zou dat moeten weten, als de zoon van een kapitein.’

‘Uh.’

‘Jij bent geen haar beter dan de anderen. Een vale eilandrat en onwaardig om over het gras van onze fraaie deklanden te wandelen.’ Hij draaide zich naar zijn lijfwachten. ‘Laat in de ochtend een boot neer en reik ze een vaatje water uit. Ze zijn verbannen. Laten ze maar naar een van hun vervloekte eilanden roeien.’

‘Eh, meneer?’ zei Opaal. ‘Edele Opperadmiraal, is er heel misschien toevallig een piepklein eilandje in de buurt?’

‘Niet dat ik weet.’


Hoofdstuk 14 De witte kliffen van de Maan

De witte kliffen van de Maan


1


Het planeetschip werd een mistig silhouet aan de horizon, niet langer helemaal echt en bovendien onbereikbaar. Morsige Eekhoorn kwam overeind en nam hun schommelende roeiboot in ogenschouw. ‘Ik zal dit geen lekkende badkuip noemen, want dat zou beledigend voor een lekkende badkuip zijn.’

Smarg zat ineengedoken in de voorpunt, zo ver mogelijk van de anderen. Opaal had hem met liefde aan de vissen gevoerd als ze hem niet nodig hadden gehad om naar hun eiland terug te keren.

‘Ik kan natuurlijk proberen om een waterpaard te roepen,’ zei vrouwe Barracuda. ‘Ik ben alleen bang dat onze boot te wiebelig is. Één golfje en we zinken.’

‘Enig idee waar we precies uithangen?’ vroeg oma.

‘Ik heb vannacht onze positie bepaald,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘Een sterretje schieten zoals wij zeelieden dat noemen. We zitten belachelijk ver in het zuiden. Ongeveer zo ver als je van de eilanden kunt raken zonder tegen de zuidpool aan te botsen.’

‘Geen eilanden in de buurt dus. Mooi is dat.’

‘Nee, geen eiland waar ik ooit van gehoord heb.’ Hij tikte op het kaft van zijn favoriete boek. ‘Of mijn Handboeck.’

‘Gliph Abar heeft ons hier neergeplant,’ zei Tijgeroog. ‘Het is zijn spel en hij heeft er niks aan als zijn pionnen domweg verdorsten. Hij zal ons wat raad moeten geven.’ Hij keek naar de hemel, hoewel dat de laatste plaats was waar je Gliph Abar zou verwachten. Hij was per slot van rekening geen zeemeeuw. ‘Wijze Gliph, vertel Opaal alsjeblieft hoe ze op een eiland moet komen?’

Opaal rolde de stenen.

‘Nummer drie? Laat me eens zien. Vraag het gewoon aan je achternicht? Heb jij een achternicht?’

‘Glanzend Git moet hier duizenden mijlen vandaan zitten. Bovendien had ze een bloedhekel aan varen. Ze werd al zeeziek als ze een goudvissenkom zag.’ Opaal knaagde op haar onderlip. Het boek gaf altijd het juiste advies. Als je het niet snapte was dat jouw probleem. Gliph Abar was een god voor slimmeriken.

Een herinnering dreef omhoog. Achternicht Git was negen jaar ouder dan Opaal en even pietluttig als een geraniumgrootmoeder.

‘Je had het mij toch kunnen vragen?’ foeterde ze tegen Opaal. ‘Een goudvissenkom is alleen om naar te kijken, niet om uit te drinken. Moet je nu toch eens zien: het hele kleed is kletsnat!’

Kleine Opaal balde haar vuistjes. ‘Dan vraag ik het je nu! Kan ik een slok water krijgen? Ik verga van de dorst!’

‘Ik vat het,’ zei Opaal. ‘Dank je, Gliph.’ Ze wendde zich tot haar grootmoeder. ‘Is er nog iets over van Ysidoors bol?’

‘Een paar druppels hoogstens. We hebben het water zo goed als opgedronken.’

‘Meer dan een druppel hebben we niet nodig. We vragen de druppel gewoon waar we heen moeten. In welke richting onze redding ligt.’

‘Je kunt niet in een druppel kijken. Die is toch veel te klein?’

‘Niet als ik mijn verrekijker omdraai,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘Ik tuur door de grote lens en dan wordt het een soort vergrootglas.’


‘Ik zie een wolkje,’ zei Morsige Eekhoorn even later. Hij schoof zijn telescoop in. ‘Dat is alles, een wolkje. Ik heb geen flauw idee wat dat moet betekenen.’

‘Was het dat wolkje misschien?’ Opaal wees naar achteren. De hemel was een diep, leeg blauw. De enige wolk hing net boven de horizon, niet meer dan een dotje wit.

‘We zijn gered! Wolken ontstaan vaak boven een eiland, in de buurt van bergtoppen. Maar vreemd blijft het. Er horen helemaal geen eilanden buiten de Grote Kring van MiYu te liggen.’

2.

Steile witte kliffen rezen pardoes uit de oceaan. Ze waren minstens drie mijl hoog en volkomen onbeklimbaar.

Ze roeiden verbeten door en na een paar uur zonken de rotswanden al lager en lager. Een wijde baai opende zich. Het blauwe water fonkelde met zilveren vissen en Opaal zag een zwerm flamingo’s overvliegen.

Ze fronste haar wenkbrauwen. Er was iets met flamingo’s. Je zag ze nooit een nest bouwen. Ja, dat was het, in het boek met sterke verhalen dat ik Kiezel altijd moest voorlezen. Je ziet nooit een flamingokuiken omdat ze op de maan nestelen. Opaal grinnikte. Wat een kletskoek. Iedereen wist dat de maan veel te ver stond. Het zou zelfs de snelste, onvermoeibaarste vogel jaren kosten om helemaal naar de maan te vliegen.

‘Al die rare eilandjes,’ zei vrouwe Barracuda. ‘Ze liggen allemaal in cirkels. Zelfs waar ze onder water doorlopen.’

‘Ze doen me ergens aan denken,’ zei Morsige Eekhoorn. ‘Als ik door mijn telescoop kijk…’ Hij knikte. ‘Ja, de maan. Ze zien er uit als maankraters.’

Nu herinnerde Opaal zich dat het boek nooit beweerd had dat flamingo’s op de maan nestelden, nee, ze bouwden hun nesten op het Eiland van de Maan.

‘Ik weet waar we beland zijn. Dit is het Eiland van de Maan. Net als elke planeet een schip heeft, moet de maan haar eigen eiland hebben.’

Het Veranderlijke Eiland van de Maan’ had het boek gezegd en Kiezel had gevraagd wat dat ‘Veranderlijke’ eigenlijk betekende. Opaal was nog steeds op zoek naar het antwoord.


Een schitterende stad omgaf de baai, een ring van marmeren paleizen en torens, palmbomen. Alles had een zilverwitte tint, vol gedempte fonkeltjes, in feite precies als maanlicht. Achter de stad strekten zich weiden uit met golvend gras dat aan de vacht van een sneeuwvos deed denken. Sneeuwwitte herten met glazen geweien graasden er. In de verte glansden de toppen van de kliffen.

‘We hadden op een beroerdere plaats kunnen aanspoelen,’ zei oma Rithka.

Opaal was daar niet zo zeker van. ‘Wat betekende “veranderlijk” als het om een eiland ging?

Vrouwe Barracuda tuurde in het water. ‘Het ziet er onder de golven bijna als mijn eigen stad uit. Er staan huizen in de diepte, tuinen met perkjes zeewier en zeeanemonen.’

‘Misschien is hun stad verdronken?’ zei Opaal. ‘Net als op Scorpio?’

‘Nee, er wonen daar mensen. Je kunt lampen achter de ramen zien branden. Zie je al die pijpen die net boven het water uitsteken? Ik wed dat het snorkels zijn, zodat ze ook onder de zee kunnen ademen.’


Ze probeerden hun boot niet eens aan te meren. Ze mikten het watervat en de robijn op de steiger en sprongen er zelf achteraan. De sloep sidderde, gaf een vermoeide gorgel en zonk.

‘Dat was echt wat je noemt op het nippertje,’ zei Ulrich.

Ze liepen de steiger af en belandden op een brede boulevard. Maanmensen slenterden tussen de rijen palmbomen en op alle gezichten lag een dromerige glimlach.

‘Eh, hallo?’ zei Morsige Eekhoorn en hij stapte op een man af die zijn Afghaanse windhond aan het uitlaten was. ‘We zijn net aangekomen. Kunt u…’ Hij moest achteruit springen want anders was de man pardoes tegen hem aangebotst.

‘Ik denk dat ze ons niet kunnen zien,’ zei oma. ‘Die dromerige glimlach. Dat is letterlijk dromerig. Ze zijn volgens mij aan het slaapwandelen.’

‘Het Eiland van de Maan,’ zei Kiezel. ‘In het maanlicht hoor je te slapen. Of zuchtend op de vensterbank van je open raam te zitten, om droevige, romantische gedachten te denken.’

‘Ik hou me nooit bezig met droevige, romantische gedachten als de maan schijnt,’ zei Slimme Fruitvlieg. Hij klonk een beetje ongerust. ‘Ik ben meestal zo afgepeigerd na een dag achter de hazen aanrennen dat ik pardoes in slaap val.’

‘Mannen hoeven niet voor een raam te zuchten. Dat is meer iets voor meisjes.’


Het was een vreemde, een beetje griezelige ervaring, alsof je in een stad vol geesten woonde. Je kon zo een restaurant inwandelen als je honger had. Aan een tafeltje gaan zitten en naar een ober wuiven, had geen enkel nut. Je moest de keuken binnenlopen en je bord zelf vol scheppen met alle zaken waar je zin in had. Het voedsel zelf was gelukkig allesbehalve spookachtig, hoewel de koks een duidelijke voorkeur hadden voor koolvis, slagroom, witlof en bleke asperges. Geen rood vlees of ijsbergsla.

‘Is dit geen stelen?’ maakte Opaal zich ongerust.

Oma haalde haar schouders op. ‘Ze slapen. Ze hebben niet eens door dat ze aan het koken zijn en bovendien is geld dat je in dromen verdient ‘s ochtends nooit terug te vinden.’

3.


Een week verstreek en al dat bleke, delicate spul kwam Opaal goed de neus uit. Ze kreeg bovendien een bloedhekel aan zoet kwelende nachtegalen en nachtkrekels.

Ze speurden de hele stad af, op zoek naar een schip, een sloep, een badkuip of desnoods een stel lege biervaten. Het deed er eigenlijk niet toe wat, zolang het maar kon drijven. Misschien lag er een betovering over de stad, of zelfs over de zee die het eiland omgaf: wat ze ook voor vaartuig bouwden, zodra ze het te water lieten, zonk het als een baksteen.

Op een ochtend, waarschijnlijk omstreeks de tiende dag, keek Opaal uit haar raam en daar was de zee ineens, tegen de treden van het portaal kotsend. Ze schudde Tijgeroog aan zijn schouder.

‘Word wakker! Het eiland is aan het zinken!’

Ze keken uit over de stad. De meeste wijken lagen al onder water en ze realiseerde zich dat het al dagen aan de gang was. De zee kroop elke vloed wat verder het land op. Een deel van de stad was al overspoeld geweest toen ze aankwamen. En alle straten leken zó op elkaar, verlicht door die kalme parelachtige gloed en in de stilte van een diepe slaap gedompeld... Het naderbij kruipen van de zee was ze domweg niet opgevallen.

‘Het veranderlijke Eiland van de Maan,’ fluisterde Opaal en ineens werd ze koud van angst. ‘Het eiland is aan het krimpen, net als de afnemende maan! Het wordt kleiner en kleiner en straks is er niks meer van over.’

‘We kunnen op de toppen van de bergen klimmen. Ze zijn mijlen hoog. Geen vloed kan ooit zo ver komen.’

‘Je snapt het echt niet, hé? Kom op, vertel me hoe groot de nieuwe maan is.’

‘Er is niks van de maansikkel over. O…’

‘Ja, de kliffen zullen domweg verdwijnen, wegsmelten. Het enige dat overblijft is de oceaan.’

Na die ochtend kromp het eiland angstig snel. Binnen een paar dagen spoelden de golven over de hele stad.

Ze zaten op een heuvel, net buiten de stad en keken somber toe hoe de vloed oprukte door de Derde Glasblazerssteeg, de allerlaatste straat van de stad. De zee leek geen haast te hebben. Elke doorzichtige golf was maar een paar centimeter hoger dan de vorige.

Ulrich sprong op.

‘Wat zijn we een prijsoenen! Bot als loden beitels! We kunnen ons gewoon in een huis opsluiten, terwijl we wachten tot de maan weer aangroeit. Dankzij de snorkel is er binnen altijd zuurstof genoeg.’

Ze sprintten de heuvel af, plonsden door enkeldiep water. Een nieuwe golf rolde aan. Hij reikte tot boven Opaals knieën.

Ulrich rende naar het laatste huis, rukte aan de deurknop.

‘Laat ons binnen! Laat ons alsjeblief binnen.’

‘We willen niet verdrinken!’ riep Kiezel.

‘Dichtgeplakt,’ zei Ulrich. ‘Volkomen waterproof.’ Hij deed een stap achteruit. ‘Ik gebruik mijn mokerhamer wel.’

Vrouwe Barracuda greep zijn pols vast.

‘Nee, dat heeft geen zin. Het huis zou als een schip met een gat in de romp zijn. De bewoners zouden hoogstens met ons mee verdrinken.’


Zo eindigden ze toch nog op de hoogste top van de kliffen. Van het eiland was alleen nog maar een zielig boogje over, een maansikkeltje dat razendsnel slonk.

Ze waren niet de enige vluchtelingen. Duizenden ratten en ritselende kakkerlakken verdrongen zich op de slinkende bergkam.

‘Jij bent het meisje met de acht voor bidden en offeren, Opaal,’ zei haar grootmoeder. ‘Ik weet geen enkele toverspreuk tegen zinkende eilanden. Je kunt maar beter een god om hulp vragen.’

De zee trok zich gorgelend terug maar alleen om een aanloop te nemen. De volgende golf spoelde compleet over de bergkam om met het water aan de andere kant samen te vloeien.

‘Dinja!’ schreeuwde Opaal. ‘Help me!’ en op hetzelfde moment wist ze al dat het niet zou werken. Als je goed in bidden bent, weet je wanneer je verbinding krijgt, wanneer een godin naar je aan het luisteren is. Dinja was beslist niet aan het luisteren.

Ik wed dat ze met Gliph Abar aan het kussen is, ging het door Opaal heen en meteen wist ze zeker dat het waar was. Balen. Gliph Abar kon ze dus ook wel vergeten.

‘Ik ken geen andere goden!’ jammerde ze en toen herinnerde ze zich de rat in de magische stenenwinkel. Zelfs een klein godje is beter dan niets.

‘Arre? Arre Umphard?’

‘Ik dacht dat je me nooit zou vragen.’

De ratten waren allerminst aan het verdrinken, zag ze nu, ze zwommen zij aan zij en haakten hun voorpoten in elkaar, verknoopten hun staarten tot ze een reusachtig vlot werden. Arre Umphard, de god van de bedienden, ratten en kakkerlakken zat op een troon van aangeknaagde kaaswielen en worstenkettingen.

‘Gegroet, vrienden. Willen jullie misschien een lift naar iets minder waterigs?’

Hij gebaarde met een oplichtende worst en het vlot krulde omhoog en veranderde in een galjoen dat uit levende ratten en kakkerlakken gemaakt was. Een wolk maanmotten steeg op en veranderde in bollende zeilen.

‘Mijn ratten hebben goede herinneringen aan je koekjes,’ vertelde Arre Umphard. ‘Hoewel Dinja ze zelden heeft geproefd, vraten mijn lieve rattenboutjes graag hun buikjes vol.’

Arre Umphard zag er weldoorvoed uit, niet langer het hongerige skeletje van Cancer.

‘Ik neem het terug,’ zei grootmoeder Rithka. ‘Bidden en offeren hebben wel degelijk hun nut.’


4.


Als je gelooft dat een vloedgolf van galopperende waterpaarden snel gaat, dan zou je eens een magisch rattenschip moeten proberen. De vleugels van de maanmotten lieten hun eigen storm gieren. Men beweert dat de slome wapper van een enkele vlindervleugel in Japan een orkaan in Kansas kan veroorzaken. Stel je nu eens tienduizend van zulke fanatiek flapperende vleugels voor…

Het schip sprong als een keilsteen over de oceaan en tikte alleen elke honderdste golftop aan. Zij ging zo snel dat ze haar eigen schaduw achter zich liet.

‘Ik zie de mangrovebomen!’ riep Opaal. ‘We zijn al bijna thuis!’

Het was een juichend heldere dag en Opaal herkende de kust. Daar was de stapel omgevallen basaltzuilen waar ze op de gong geslagen had om Dardamesh te lokken. De kloof met edelstenen moest ergens rechts liggen.

Het rattenschip gleed iets te dicht langs een van de mangrovebomen. Een boos gekwetter steeg op en een zwerm babydraakjes omcirkelde het schip. Ze waren niet groter dan zwaluwen maar al onverschrokken als tijgers.

‘Blijf doodstil zitten,’ raadde Tijgeroog aan. ‘Ze vallen alleen bewegende prooien aan.’

‘Donder op, rare mus!’ schreeuwde Smarg. Hij slingerde een stok naar een rondcirkelend draakje.

‘Maak hem niet boos!’ riep Opaal. ‘Dat is geen vogel, dat is…’

Het was al te laat. Het draakje haalde diep adem en gele vlammen spoelden over Smarg. Toen de rook optrok, zat er een beeld op de achterplecht. Het was van grijze lei gemaakt, de goedkoopste steen van alle.


Zelfs als je thuiskomt na een ongelooflijke reis, nadat je alle eilanden van MiYu bezocht hebt, dan hoeft dat nog geen afknapper te zijn. Je hebt nog een heel stel leuke zaken om naar uit te kijken, zoals:

- Aankloppen bij Hogepriester, met een levend godje op je schouders.

‘We komen je zoon terugbrengen,’ zei Opaal. ‘We hebben hem terugveranderd maar hij smeet een stok naar een draakje en nu is hij weer versteend. Het is lei deze keer. Erg makkelijk om hem terug te halen. Goedkoop ook.’

‘Hij daar,’ zei de Hogepriester terwijl hij met open mond naar Arre Umphard staarde, ‘is dat een echte god?’

En Opaal begreep iets belangrijks: de Hogepriester had nooit eerder een god gezien. Ze kreeg bijna medelijden met hem. Goden liepen immers overal rond? Je moest stekeblind zijn om ze te missen.

‘Eh, en Schitterende Smaragd?’ drong Opaal aan.

‘Zet hem maar ergens in de achtertuin. Ik laat hem daar een paar jaar staan, denk ik. Dat geeft hem alle tijd om eens rustig na te denken.’

- Of om naar Tijgeroogs huis te wandelen terwijl je een robijn zo groot als een wagenwiel voor je uit rolt.

Tijgeroogs ouders waren verdraaid zwaar. Ze hadden al hun kracht nodig om ze op de robijn te tillen.

De magie ontlaadde uit de beelden, een bloedrode schicht die alle magie uit de robijn zoog en hem helder als glas achterliet. Twee mensen stonden op het wiel van bergkristal te wankelen.

‘Achter me!’ riep Tijgeroogs vader. ‘De draak heeft ons ontdekt!’ De vrouw dook echter niet achter zijn rug weg. Ze wierp zich vóór hem, in een poging om hem tegen de magische vlam te beschermen.

Ze gingen allebei onderuit op het spekgladde kristal, rolden door het gras.

De man keek verwilderd om zich heen. ‘Waar is de draak gebleven? Waar ben ik?’

‘Thuis?’ zei zijn vrouw. ‘We zijn thuis?’

‘Eh, ja,’ zei Tijgeroog.

‘En wie ben…Tijgeroog?’ Moeders hebben speciale gaven, zoals het herkennen van hun eigen kind. Zelfs als dat jaren en jaren ouder is.

‘De draak heeft jullie versteend, in robijn veranderd.’ Hij duwde Opaal naar voren. ‘Dit is mijn vriendin Opaal. Ze heeft geholpen jullie te redden, om al die robijn te verzamelen.’

‘Dit hele kristallen wagenwiel?’ zei Tijgeroogs vader. ‘Dat was van robijn? Je was zo rijk als een handelsprins en je hebt het allemaal opgebruikt om ons te redden?’

‘Och, we zijn nog steeds redelijk rijk.’ Tijgeroog opende zijn geldbuidel. Er was de glans van parels, de fonkeling van robijnen en smaragden. Zelfs een stel maanstenen die hij op het laatste eiland had opgepikt. ‘We weten nu waar we ze moeten vinden, maar ik denk dat Opaal en ik de eerste tijd niet verder reizen dan het stadspark. De goudvissen voeren is avontuurlijk genoeg.’