
Indien gij mij, schrijver dezes, in mijn persoon, denkwijze en
particuliere omstandigheden kende, zou ik U niet behoeven te
verzekeren, dat ik geen fortuinzoeker ben; dat ik niet alleen
nooit enig ambt heb bekleed, maar dat ik er zelfs nooit een
bekleden noch begeren kan; dat ik derhalve volkomen belangeloos
en daarom geloofwaardig ben, wanneer ik U betuig, gelijk ik voor
den Alwetenden God doe, dat niets dan verontwaardiging over de
goddeloze wijze, waarop ge verkocht en verraden wordt, mij dringt
om mij tot U te wenden; en daarnaast met een vurige begeerte om,
eer het voor altijd te laat is, nog een poging tot Uw, tot ons
aller redding te doen.
Het is, mijn waarde medeburgers!
niet sinds gisteren of eergisteren dat men U bedriegt en
mishandelt; neen, ge zijt, om niet van vroeger tijden te spreken,
nu sedert bijna twee eeuwen de speelbal geweest van
allerlei heerszuchtige lieden, die, onder de schijn van voor Uw
belangen en vrijheid te zorgen, niets - ja, zowaar als er een God
is, aan wie ik wegens dit geschrift rekenschap zal moeten geven -
volstrekt niets anders beoogd hebben dan een erfelijk juk op Uw
vrije halzen te drukken.
Vergun mij derhalve, dat ik U uit de
geschiedenis van ons vaderland - niet zoals die U door gehuurde
schrijvers of onkundige of met vooroordelen behepte mensen maar
al te dikwijls wordt voorgesteld, maar zoals de zaken waarachtig
gebeurd zijn - met weinig woorden en in een eenvoudige en
verstaanbare taal mag uiteenzetten, hoe het er eigenlijk mee
gelegen is, en wat men met U, met ons allen, met het
Nederlandse Volk steeds heeft voorgehad.
Van de
vroegste tijden af zijn deze landen bewoond geweest door dappere
en vrije volken. De Batavieren zijn de oudsten, waarover men
inlichtingen heeft. Zij voelden de waarde van de vrijheid en
kenden het juiste en enige middel om die vrijheid te
bewaren.
Zij lieten zich daarom niet regeren door lieden die
zich zelf verkozen of door een ander - naar zijn goedvinden -
gekozen werden; die bij gevolg niet van hen afhingen, die hun
geen rekenschap schuldig waren en waar zij, als ze niet goed
regeerden, geen macht over hadden; neen, zij hielden het heft
zelf in handen. De voornaamste zaken van hun land deden ze zelf
af in hun algemene vergaderingen, waar het gehele volk gewapend
bijeenkwam en elke Batavier evenveel te zeggen had. Om hen in de
oorlog (waar ze bazen in waren) voor te gaan en aan te voeren,
kozen ze de dapperste, de wijste, de deugdzaamste uit het midden
van hun landgenoten. Zij riepen daartoe geen vreemde prinsen of
hertogen, die toch alleen maar om fortuin, dat is om den brode,
dienen en doorgaans te machtig zijn om, als zij zich misdragen,
naar verdienste gestraft te kunnen worden. Voldeed hun het
verkozen opperhoofd, dan lieten ze hem die post houden, zo niet,
dan dankten ze hem af. En had hij zijn vaderland verraden, of
door zijn aanhangers en creaturen van binnen of door vreemde hulp
van buiten getracht zijn Huis machtiger te maken en zich als
een Soeverein te gedragen, dan behoef ik U niet te zeggen,
hoe die Batavieren zo een zouden hebben getrakteerd!
Behalve
de Batavieren woonden er ook nog andere moedige volken, onder wie
de Friezen zeer beroemd waren.
Omstreeks het jaar 277 na
Christus veroverden de Franken (een volk uit Duitsland afkomstig,
dat zich later neergezet heeft in dat grote, vruchtbare land, dat
nog heden naar hen Frankrijk wordt genoemd) die Franken, zeg ik,
veroverden deze en de naburige landen, en lieten deze regeren
door een soort gouverneurs, toen hertogen en graven
genaamd. Het ambt van deze hertogen en graven, die eerst maar
voor hun leven - mogelijk voor kortere tijd - werden aangesteld,
werd langzamerhand erfelijk, gelijk dat doorgaans zo gaat als men
een belangrijk ambt lang in hetzelfde huis van vader op zoon laat
blijven; en, in plaats van langer gewoon maar gouverneurs te
zijn, werden die graven en hertogen zelf de heren van deze
landen, en trouwden zo lang onder en met elkaar tot bijna al deze
provincien door erfenis onder de heerschappij kwamen van Keizer
Karel de Vijfde. Deze nam Gelderland en Utrecht, welke provincies
hij nog niet had, er met geweld bij en zag zich dus heer van alle
de zeventien Nederlandse provincien, die hij, omdat het regeren
hem ging verdrieten, of om andere redenen, in het jaar 1555 aan
zijn zoon Filips (daarna Koning van Spanje) afstond en
overdroeg.
Denk evenwel niet, mijne landgenoten!, dat die
graven, hertogen en heren - hoezeer hun macht, gelijk dit
doorgaans gebeurt, van tijd tot tijd ook was toegenomen en
vergroot, denk niet, dat zij hier te lande maar alles konden doen
wat zij wilden, neen waarachtig! Zij konden het minder naar hun
zin krijgen dan onze Prinsen van Oranje, ofschoon die slechts de
naam van Stadhouder voeren. Ze hadden net als alle vorsten en
groten, die er ooit geweest zijn, die er tegenwoordig zijn en die
er nog zullen komen, best zin om de grenzen van hun gezag uit te
breiden, om de baas te spelen, om alles alleen voor het zeggen te
hebben. Met andere woorden: om zich Soeverein te maken,
maar onze brave voorouders beletten hun dit. Het volk, dat wil
zeggen, de hele natie, de ingezetenen des lands, burgers en
boeren, groten en kleinen, rijken en armen, die allen tezamen de
natie of het volk uitmaken, vergaderden wel niet meer als vroeger
de Batavieren deden (en nog tegenwoordig op sommige plaatsen in
Zwitserland gebeurt) om zelf te regeren. Dit was ook niet
praktisch, omdat er onder zo'n grote vergadering van allerlei
mensen altijd te veel verwarring heerst om rustig over de
landsbelangen te kunnen beraadslagen, en omdat een heel volk ook
geen tijd heeft om - met verzuim van zijn affaires - steeds maar
bijeen te komen. Maar overal had onze natie zekere lieden, die
ervoor zorgden en opletten dat de zaken des lands goed gingen,
die moesten zeggen, hoeveel geld er ten dienste van de vorst of
het gemenebest zou worden opgebracht, en toezagen of dat geld wel
goed besteed werd. In de steden waren bijna overal of gilden of
schutterijen of gezworen gemeenten of andere goed bekendstaande
mannen die een oog in het zeil hielden en op verscheiden plaatsen
zelfs de regenten kozen. Op andere plaatsen hadden - zoals nog in
Drente, Groningen en Friesland gebruikelijk is - zelfs de boeren
ook wat te zeggen, en dat was ook heel juist, want zij zijn ook
ingezetenen des lands die even goed als de overigen hun belasting
opbrengen ten dienste van het land.
De ingezetenen waren
allemaal gewapend en strijdbaarder dan wij thans zijn. En de
vorsten des lands hadden eerst helemaal geen en daarna maar heel
weinig soldaten in dienst, waarmee ze het land konden dwingen,
gelijk onze Prinsen van Oranje dat tegenwoordig kunnen, wanneer
ze maar willen, en ook meer dan eens gedaan hebben. Die vroegere
vorsten hadden ook niet zoveel aanzienlijke vette en tevens
onnodige ambten te vergeven als onze prinsen en konden dus ook
niet zo'n groot aantal hongerige, trotse, kale edelen en andere
verachtelijke groten zo makkelijk aan zich verbinden en in de
hoge vergaderingen - waar liefst over het geluk en ongeluk van
onze hele natie wordt gedelibereerd en beslist -, zo laten
stemmen als het hun behaagt, en zoals met hun bedoelingen
overeenkomt, - al zijn die nog zozeer in strijd met het heil en
de voorspoed van het land.
Onze landaard was er altijd op
bedacht om bij alle mogelijke gelegenheden allerlei voorrechten
te bedingen en om de eerbiediging daarvan door de vorsten bij hun
komst tot de regering, te laten bezweren. Onze landgenoten
waakten er bijvoorbeeld altijd voor dat door de vorst geen
vreemdelingen in het bestuur werden gedrongen. Zij zorgden er
steeds voor, dat de vorst hun geen schattingen of lasten oplegde,
dan die waartoe zij zelf of hun gecommitteerden hun toestemming
vrijwillig hadden gegeven. Zij lieten de vorst niet toe op eigen
gezag over vrede of oorlog te beslissen, of overal, waar hij maar
wilde, garnizoenen te leggen, dat betekent de meester te komen
spelen. Ja, zo'n diep doorzicht had men toen in gezonde
staatkunde en zo goed begreep men toen, welke invloed huwelijken
met vreemde huizen kunnen hebben, dat men in 1477 van de Gravin
Maria van Bourgondie eiste, dat zij niet zou trouwen dan met
toestemming van de Staten van het land. Die Staten - dat moet ge
steeds goed beseffen - waren toentertijd op de een of andere
manier van het volk, van de ingezetenen afhankelijk, in elk geval
niet van de vorst, zoals onze tegenwoordige regenten van de
Prinsen van Oranje, onze Stadhouders afhankelijk zijn.
Nu
dan - die Filips, Koning van Spanje en onze landsheer, was een
heerszuchtig vorst die, net als zijn vader en verdere voorouders
hun onderdanen in Spanje en elders reeds van alle voorrechten en
vrijheden beroofd hadden, ook van plan was in onze Nederlanden de
slavernij in te voeren. Hij kon niet verkroppen, dat hij die in
zijn andere erflanden reeds als een God regeerde, hier ook niet
alles naar zijn boze zin kon krijgen.
Het eerste wat hij deed
was krijgsvolk op de been brengen, waarmee zijn vader ook al was
begonnen. Maar dat was nog niet genoeg. Hij zond onder allerlei
voorwendsels vreemd krijgsvolk naar ons toe, want daar kon hij
nog beter staat op maken dan op inlands krijgsvolk, ofschoon dit
waarachtig reeds gevaarlijk genoeg is voor de vrijheid. Hij
vertrouwde het roer der regering aan vreemdelingen toe, die -
zoals de brave Heren van Amsterdam zeer juist zeggen - beschouwd
worden als mensen die onze regeringsvorm onvoldoende kennen,
noch ons land een goed hart toedragen.
Om zijn gezag uit
te breiden en een van de gewichtigste rechten van het volk:
dat ieder door zijn eigen wettige rechter moet worden
berecht de bodem in te slaan, maakte hij allerijselijkste
plakkaten tegen allen die de roomse godsdienst verlieten, en
voerde een rechtbank in, de inquisitie genaamd, die zonder
aanzien van personen, rechten of voorrechten, die plakkaten moest
uitvoeren met pijnigen, moorden, hangen en branden.
Gij moet
weten, mijn landgenoten! dat voor die tijd in ons land - gelijk
bijna overal in Europa - geen andere godsdienst was dan de
roomse. In Zwitserland, Duitsland, Frankrijk en elders waren al
enige tijd tevoren een groot aantal mensen begonnen die
godsdienst te verlaten. Dat begon hier onder de regering van
Keizer Karel en deze Koning Filips ook. Die slimme vos begreep
direct, dat hij nu een gunstige gelegenheid had om onder de
dekmantel van heilige ijver voor het oude geloof al de
voorrechten van onze natie de bodem in te slaan. Maar onze natie
begreep zijn toeleg, en de roomsen zowel als de onroomsen, die
eerst maar een klein en machteloos kuddeke waren, doch allengs
toeloop kregen, verenigden zich allen als broeders, om het
gemeenschappelijk gevaar af te wenden. Men beloofde elkaar over
en weer in al zijn rechten en ook in de vrije uitoefening van
elkanders godsdienst, te zullen beschermen en men nam de
wapenen op tegen de gemeenschappelijke dwingeland en zijn
aanhang.
In deze tijd bevonden zich, onder veel andere edelen,
drie grote en machtige mannen in het land, Prins Willem de
eerste van Oranje, een Duitser, doch die hier vele goederen
en dus vrij wat te verliezen had; de Graaf van Egmond en de Graaf
van Hoorne, beide Nederlanders. Deze drie heren werden vanwege
hun pogingen om de vreemdelingen (in het bijzonder de Kardinaal
van Granvelle, die het oor des Konings en een onbeperkte
invloed op diens geest had) uit het staatsbestuur te verwijderen,
het allermeest door de vorst gehaat.
Evenals de brave heren
van Amsterdam in deze bittere dagen onze Oranjevorst trouwhartig
en welgemeend gewaarschuwd hebben, dat het met ons lieve
vaderland gedaan is, en hijzelf bij de natie wel eens een
voorwerp van minachting en wantrouwen zou kunnen worden als hij
nog langer gehoor geeft aan de raad en influisteringen van de
Hertog, een vreemdeling, die door groten en kleinen gehaat
wordt en door iedereen als de oorzaak van al onze tegenwoordige
rampen wordt beschouwd - precies op dezelfde manier schreven deze
drie heren in een brief aan Koning Filips:
'Dat zij wel
lang gezwegen hadden, maar nu, zonder Zijne Majesteit een
ondienst te bewijzen en deze landen aan een onvermijdelijke
ondergang bloot te stellen, niet langer konden verbergen hetgeen
hun kwelde. Dat er een algemeen gevoelen heerste onder de
landzaten, dat de hele spil van de regering in handen van de
Kardinaal Granvelle was,- welk gevoelen de Koning niet zou kunnen
weg nemen, zolang hij de Kardinaal aan het bewind liet,- dat het
hele volk ontevreden was over die bewindsman, wat als oorzaak
gerekend moest worden, dat 's Konings zaken hier niet
voorspoediger gingen,- dat zij hierom de vrijheid namen Zijne
Majesteit voor te houden dat hij er goed aan zou doen liever zijn
voornaamste Leenmannen en het ganse Volk dan een enkele Granvelle
te gerieven.'
Hierop antwoordde de Koning:
'Dat hij
zich verzekerd hield van de ijver der Heren tot zijn dienst, dat
hij van plan was eerlang hierheen te komen om de toestand te
onderzoeken, doch dat hij intussen graag zou zien, dat een van
hen naar Spanje zou komen om hem van alles meer in het bijzonder
te onderrichten, aangezien de brief slechts algemene
beschuldigingen inhield, en het 's Konings gewoonte niet was
iemand van zijn dienaren te ontslaan, zonder behoorlijke kennis
van hetgeen hun ten laste werd gelegd.'
De heren, zegt de
historieschrijver Wagenaar, uit wiens werk ik dit stuk woordelijk
overneem, toonden zich over die brief zeer misnoegd. Zij vonden
het zeer vreemd, dat van hen een reis naar Spanje gevergd werd om
een enkele man te beschuldigen, en beantwoordden 's Konings brief
op de volgende wijze:
'Terwijl ze Zijne Majesteit prezen,
dat hij geen van zijn dienaren zonder reden ontslaan wilde,
merkten ze op, dat hetgeen zij tegen de Kardinaal inbrachten,
niet ertoe strekte om hem te beschuldigen, maar veeleer om hem te
doen ontheffen van een last die hem weinig lag en die hij niet
langer zou kunnen dragen zonder veel ongemak en beroering te
veroorzaken. Dat zij zich in bijzonderheden over hem hadden
uitgelaten, omdat de verwarring en de ontevredenheid in de staat
genoeg toonden, van hoe weinig dienst zijn tegenwoordigheid,
reputatie en bewind hier te lande waren. Dat zij zich echter niet
als zijn beschuldigers beschouwen, noch tegen hem willen pleiten,
maar als trouwe vazallen (onderdanen) de Koning alleen in kennis
willen stellen van hoe de toestand is, in de veronderstelling,
dat hun aanzien nog groot genoeg zou zijn, om hierin geloof te
verdienen.'
De Koning, wel verre van deze edelen dankbaar
te zijn voor dit blijk van trouw en ijver voor zijn waarachtige
belangen, was woedend. Hij wilde zijn raadsman, zijn Achitophel,
die hem zo meesterlijk diende in het onder de duim houden van
deze vrije landen, niet missen. Hij wilde hem de natie ten spijt
handhaven, zoals onze Prins nu ook de Hertog doet. Doch de partij
tegen Granvelle werd te sterk. Een menigte andere edelen viel
bovengenoemde heren bij. Zij verbonden zich onderling. De Staten-
Generaal, niet zoals tegenwoordig door de geest van een
Engelsgezinde Stadhouder, maar door de geest der vrijheid
gedreven, ondersteunden deze patriottische pogingen. Zij
weigerden te vergaderen of enig voorstel aan te horen waar de
gehate vreemdeling bij tegenwoordig was. Eindelijk liep het zo
hoog, dat de Koning zich gedwongen zag de Kardinaal, die zijn
leven niet langer zeker was, van hier te doen vertrekken. Doch
intussen zon hij op wraak. Vier jaar later zond hij de Hertog van
Alva met een leger Spaanse soldaten. Egmond en Hoorne lieten zich
naar Brussel lokken, waar Alva hen met nog een menigte andere
patriotten de kop voor de voeten liet leggen.
Willem de Eerste
was te slim. Hij hield zich buiten schot en toen hij zag dat er
geen vergiffenis of verzoening voor hem te krijgen was, maakte
hij met onze onderdrukte natie gemene zaak en heeft aan onze
natie grote en gewichtige diensten bewezen. Hij was een heel
verstandige, brave, vriendelijke, goedhartige en goedaardige
Prins, die walgde van alle vervolgingen om de godsdienst en graag
gezien zou hebben, dat men tegenover de roomsgezinden toen beter
woord had gehouden.
Denk echter niet, mijne landgenoten, dat
deze Prins al die grote diensten aan ons land, waar hij eigenlijk
maar een vreemdeling was, enkel uit edelaardigheid of voor niets
bewees. Neen voorwaar! In 1584 had hij het al zover gebracht, dat
men hem Graaf van Holland zou hebben gemaakt, welke titel hij en
de zijnen ook erfelijk zouden hebben gedragen, als hij niet door
een omgekochte Spanjaard verraderlijk was vermoord. Want er
mankeerde alleen nog maar de inhuldiging aan, die voornamelijk
door het vrijheidminnend Amsterdam werd tegengehouden, omdat de
regering van die stad zei zo'n grote stap niet te durven doen
zonder raadpleging van tevoren van haar burgers en schutterijen.
Dat nam Prins Willem de stad zeer kwalijk, en hij wilde niet
langer dat de burgers of gilden of schutterijen over 's lands
zaken zouden worden geraadpleegd. De Staten van Holland hadden
namelijk op zijn aandringen in 1581 besloten, dat in 't vervolg
dit raadplegen niet meer zou geschieden zonder hun permissie. En
achteraf is genoeg gebleken en het blijkt nog steeds, dat de
Staten niet van plan waren die permissie ooit te geven.
Op
zo'n manier begonnen de groten aan onze voorvaders de vrijheid te
ontnemen, reeds terzelfder tijd dat zij ter verdediging van die
vrijheid tegen de Koning van Spanje goed en bloed gaven! Dit
deden de Staten van Holland die overigens brave regenten waren.
Dit deed een Prins die het inderdaad goed met ons land meende!
Wij kunnen hieruit leren, dat de volken, willen zij hun vrijheid
behouden, steeds waakzaam moeten zijn en in geen sterveling - wie
het ook is - een onbeperkt vertrouwen moeten stellen.
Integendeel, zij moeten ieder die enig gezag en macht in handen
heeft, maar vooral de vorsten en lieden van hoge geboorte, wel
degelijk wantrouwen, en hen steeds in het oog houden, omdat de
ondervinding van alle tijden, van het begin der wereld tot op
onze dagen toe, geleerd heeft, dat zelfs de beste mensen
doorgaans zwak genoeg zijn om de hun toevertrouwde macht te
willen vergroten. Het heersen is zoet! Waakt dan landgenoten, en
gij zult vrij blijven!
Toen Willem de Eerste dood was en zijn
zoon Prins Maurits nog maar een jongeling, die te Leiden op de
academie was en nog niet de minste ondervinding had, trof het
zeer gelukkig dat de voorzienigheid vader Barneveld ons
had gegeven. Deze grote en goede man, wiens bekwaamheden, wiens
deugd en trouw en wiens rampzalig uiteinde de bewondering van
alle eeuwen zal behouden, was de enige hoop en de enige steun van
onze opkomende Republiek. De Engelsen, dat trouweloze volk,
hadden toen reeds in de zin om zich met list van ons meester te
maken. Voor dat doel hadden zij ons Graaf van Leicester met enige
hulptroepen toegezonden, een schijnheilige booswicht, die door
een voorgewende ijver voor het protestantisme de vromen en de
predikanten in ons land had weten te begoochelen. Hij moest -
zoals ook geschiedde - aan het hoofd van onze regering worden
gesteld onder de titel van Gouverneur Generaal der Verenigde
Nederlanden. Doch, eer hij nog hier was, had vader Barneveld,
wiens eerlijke en wijze raad doorgaans blindelings gevolgd werd,
de jongeling Maurits groot gezag laten opdragen. Hij overreedde
de Staten om hem tot Stadhouder en kapitein-generaal van Holland
en Zeeland te verkiezen. Dus viste Leicester achter het net, die
er dan ook zo verbolgen over was, dat hij sindsdien een plan
smeedde om Barneveld en Maurits beiden gevankelijk naar Engeland
te zenden. Maurits geleid door deze brave man, die inderdaad en
in waarheid zijn tweede vader was, gelijk ook de Prinses-weduwe
van Prins Willem I hem tot het laatst toe als zodanig heeft
geeerd, deed grote daden. Hij werd de grootste generaal van zijn
tijd, en bewees ons land als zodanig vele diensten. Het zou voor
ons gelukkig geweest zijn, indien Maurits net zoveel deugd en
vaderlandsliefde had bezeten als heerszucht. Maar in dat opzicht
leek hij op de meesten die met groot gezag speciaal over het
leger bekleed zijn; daarbij wist hij hoe weinig het maar
gescheeld had of hij was een geboren Graaf van Holland en dus
waarschijnlijk heer van de overige Verenigde Nederlanden geweest,
en zo werd de begeerte om zich Soeverein te maken geprikkeld. De
schrandere Barneveld merkte dat en het deed hem verdriet.
Eindelijk kwam de gelegenheid die Maurits gunstig scheen en ook
was.
De twist over de opvattingen van Gomarus en Arminius
bracht verdeeldheid in onze burgerstaat zowel als in onze kerk.
Barneveld, een vijand van scheuringen, had de Staten van Holland
maatregelen aangeraden om scheuring in kerk en burgerstaat te
voorkomen. Maurits daarentegen, die in troebel water moest vissen
om wat te vangen, zocht juist scheuring. Hij bereikte zijn doel.
Hij liet door allerlei vuile lasterschriften en door zijn
afgezanten, de brave Barneveld eerst zwart maken, en toen hij hem
gehaat genoeg gemaakt had, liet hij hem gevangennemen. De Staten
van Holland, wier dienaar de oude man was, namen hem wel in
bescherming. Maar wat deed de Prins? Hij trok met zijn gardes en
soldaten langs de Hollandse en andere steden en veranderde overal
met geweld de regeringen. Hiervan was natuurlijk het gevolg - nu
de oude en beste regenten afgezet waren waarvoor in de plaats
slechts afhangelingen van Maurits gesteld waren, - dat de Staten
van Holland uit slaven van Maurits bestonden en al zulke
besluiten namen als hij hun voorschreef. Hij liet toen de
remonstranten (wier denkbeelden, als hij enige religie heeft
gehad, hijzelf zonder het te weten was toegedaan) niet alleen uit
de kerk zetten, maar ook - waar het hem eigenlijk om te doen was
geweest, omdat zij de ijverigste voorstanders der vrijheid
waren - overal uit de regering zetten. En hij liet 24 rechters
aanstellen, die, althans de meerderheid, godvergeten boos genoeg
waren, (om Maurits en hun eigen fortuin te gerieven) de oude
zeventigjarige patriot ter beloning van zijn langdurige en trouwe
dienst, het eerwaardige grijze hoofd te laten afslaan, en
anderen, onder wie de vermaarde Hugo de Groot tot levenslange
gevangenisstraf te laten veroordelen.
0, mijne waarde
landgenoten! Welke Uw godsdienstige begrippen ook mogen zijn,
gelooft u toch nooit dat Barneveld een landverrader was of ooit
ook maar iets gedaan heeft dat straf verdiende! Hij en hij alleen
is in Gods hand het werktuig geweest om het benauwde vaderland na
de dood van Prins Willem I door die zo bijzonder moeilijke
Leicesterse tijden heen te helpen. Wij hadden toen met de
Spanjaarden van buiten en met de nog veel geduchter Engelse
factie van binnen te strijden. Deze partij had evenals nu haar
aanhangers overal verspreid in alle provincies, in alle
vergaderingen. Barneveld moest op zijn eentje de spits afbijten.
Aan hem alleen is Maurits zijn verheffing en het Huis van Oranje
bijgevolg al zijn grootheid verschuldigd. Zij die U een andere
voorstelling hiervan geven of willen aanpraten, zijn of
huurlingen van het Huis van Oranje, (dat altijd naar de
soevereiniteit heeft gestreefd en degenen, die zich daartoe niet
hebben willen lenen gehaat en vervolgd heeft) of het zijn domme
weetnieten die over zaken praten waar ze geen verstand van
hebben.
Gelooft iedereen wanneer hij van dingen spreekt die
tot zijn beroep horen. Gelooft de geestelijken als zij U de
godsdienst leren; die dienen ze te kennen, maar de staatkunde is
hun vreemd; geloof dus de staatsman of nog liever geloof de
eerlijke vergeten burger, die de lotgevallen van zijn vaderland
zonder vooroordelen en zonder andere bedoeling dan alleen om zijn
kennis te vermeerderen en U van nut te zijn, in het stille hoekje
van zijn haard bestudeerd heeft. Geloof dezulken, wanneer zij U
zeggen hoe het is toegegaan.
Maurits leefde niet lang meer na
het plegen van deze gruwelen en bereikte er zijn doel ook niet
geheel mee. Vol wanhoop, angst en wroeging gaf hij in 1625 de
geest. Hij was een man van zeer slechte zeden, een wreedaard, een
vals mens en een overmatig geile boef, die jacht maakte op elke
schone vrouw - of ze nu maagd, getrouwd of weduwe was - om haar
tot zijn boze lusten te verlokken. Op deze wijze liet hij dan ook
verscheidene onechte kinderen na. Volgens de verzekering van zijn
vleiers is deze vrome vorst rechtstreeks ter eeuwige heerlijkheid
ingegaan.
Zijn broer Frederik Hendrik volgde hem niet
alleen op in dezelfde macht, maar wist ook nog bij de
stadhouderschappen die hij reeds bezat door list en kuiperijen
zijn neef Willem Frederik het stadhouderschap van
Groningen en Drente afhandig te maken, en die vorst zo lang te
plagen en te treiteren dat hij hem uit verdriet ook nog alle
recht op het erfstadhouderschap van Friesland afstond. Hierna
bewerkte hij in 1640 een huwelijk tussen zijn zoon Willem II en
Maria, dochter van Karel I, Koning van Engeland. Niets anders dan
de begeerte de macht van zijn Huis te vergroten en zich door de
verbintenis met het Koninklijk Huis van Engeland te sterken,
school achter deze toeleg. De Koningin-Moeder, Henriette van
Frankrijk, had er het initiatief toe genomen in Engeland, waar
men eerst meende dat het beneden de waardigheid van een
koningsdochter, die drie rijken zou kunnen erven, was om zich te
verbinden met een klein prinsje, dat slechts in dienst was van
een republiek, die bovendien bij velen nog de naam van rebellen
droeg. Maar men bracht Vorst Karel aan 't verstand, dat die naam
er niets toe deed, en dat de Stadhouder inderdaad de Soeverein
van de Republiek was, o,fschoon hij er de titel niet van
voerde.
Let wel, mijn landgenoten, dat ofschoon de
Stadhouders zoals uit hun instructies blijkt - toentertijd
onvergelijkelijk minder te zeggen hadden dan onze Prinsen sedert
het jaar 1672, men hen evenwel in 't buitenland reeds toen als
Soevereinen beschouwde.
Vorst Karel dan gaf zijn dochter aan
Willem II, en deze heilloze echt is de naaste oorzaak geworden
van alle rampen, die ons vaderland hebben getroffen. Maar
hierover straks nader.
Willem II volgde zijn vader op in het
jaar 1647, en wel nadat de vrede met de Koning van Spanje, onze
oude landheer, reeds zo goed als gesloten was.
Wat deze
Stadhouder, hoewel pas drieentwintig jaar oud, heeft durven
ondernemen, kunt gij uit de volgende staaltjes opmaken.
Prins
Maurits had de stad Nijmegen in het jaar 1591 ingenomen en van
het Spaanse juk verlost. De gilden plachten daar vanouds - zelfs
ten tijde der Hertogen van Gelder en Koningen van Spanje - de
regering te kiezen. Wat deed Maurits na het innemen der stad?
Liet hij de gilden en burgerij hun oude rechten houden? Neen! Hij
hield de jaarlijkse aanstelling der regering, zogenaamd slechts
gedurende de oorlog aan zich; doch had geen de minste
intentie om die eens verkregen macht ooit weer af te staan Toen
de oorlog tegen Spanje in 1648 geeindigd was, zonden de regering
en burgerij van Nijmegen een plechtige deputatie aan Vorst
Willem; bedankten hem voor de moeite, die hij tot dusver genomen
had om de regering jaarlijks te benoemen, en verklaarden dat zij
voortaan dit werk weer zelf op zich zouden nemen en volgens de
oude privileges uitvoeren. Maar wat deed onze jonge Prins?
Hij versterkte het garnizoen en kwam bovendien vergezeld van nog
een menigte ander krijgsvolk in de stad en stelde daar in januari
1649 - tegen wil en dank der burgerij die dit moest toestaan,
schoon ze op haar tanden beet van spijt - een regering aan, die
enkel uit zijn afhangelingen bestond.
Op zulke en dergelijke
wijzen, landgenoten, zijn onze Prinsen van Oranje, net als alle
andere koningen en vorsten van Europa, aan hun grote macht
gekomen, en ik zou wel een heel boek kunnen schrijven als ik U al
de geweldenarijen van die erfonderdrukkers der Bataafse vrijheid
zou willen beschrijven.
Let intussen weer op hoe gevaarlijk
het is militairen bij zich in garnizoen te hebben. Gave God, dat
het krijgsvolk, waar de provincie Holland thans mee volgepropt
zit, hier duizend uren vandaan was! Het is daar vast niet met een
goed oogmerk gelegd! Onze Willem V wil er zijn ontevreden
onderdanen, burgers en boeren mee dwingen, en hoopt vurig om ook
eens een garnizoen in Amsterdam te krijgen. Dan zouden hij en de
zijnen het gewonnen hebben, en zouden ze geen tegenstand van die
patriotse stad meer te vrezen hebben. Laat die van Rotterdam ook
maar op hun hoede zijn en alles wat garnizoen is buiten hun muren
houden!
Doch ik ga voort.
De Stadhouders hebben altijd
graag veel troepen onder hun commando en zijn er daarom altijd
erg op gesteld geweest dat er oorlog in het land is. Dat was de
reden dat Maurits zo vuilaardig boos was op vader Barneveld,
omdat die had weten te bewerken dat er met de Spanjaarden een
wapenstilstand voor 12 jaren werd gesloten. Om diezelfde reden en
niet uit liefde voor zijn vaderland of uit eerbied voor de
traktaten met Frankrijk die strekten om de oorlog tegen Spanje,
dat ons gunstige voorwaarden aanbood, door te zetten, probeerde
Frederik Hendrik de vredesonderhandelingen te Munster te
stremmen, totdat de Spanjaarden hem formeel omkochten om er
eindelijk zijn toestemming toe te geven.
Om diezelfde reden
trachtte ook Willem II de vrede, waarover men het reeds eens was,
trouweloos te verbreken. De Staten van Holland met Amsterdam weer
aan het hoofd, waren de enigen die moed genoeg hadden om zich
tegen deze overmoedige en ondernemende Stadhouder te verzetten.
Zij wilden enige troepen afdanken, die, nu men vrede had, nergens
anders toe konden dienen dan om de goede ingezetenen met het
onderhoud ervan te bezwaren en de Prins in staat te stellen om
het hele land en allen die niet naar zijn pijpen wilden dansen,
naar zijn hand te zetten. De Staten van Holland, die aan het
geval van Nijmegen en de geweldige ondernemingen van Maurits
hadden gezien hoe vermetel de Oranjevorsten de staatstroepen tot
vergroting van hun macht durfden te gebruiken, wilden meer
troepen afdanken - en daaronder vooral de vreemdelingen.
De Prins daarentegen wilde er minder afdanken en dan vooral de
binnenlandse, omdat hij meer op de vreemdelingen
kon vertrouwen. De twist daarover ging zover, dat de Prins op 30
juli 1650 in de grootste stilte, op zijn eigen autoriteit
een leger van onze eigen troepen zond om Amsterdam onver-
wachts te overvallen, met de bedoeling om daar de regering naar
zijn zin om te zetten en er - evenals in de meeste andere
plaatsen - garnizoen te leggen, wel wetende, dat als deze
machtige stad eenmaal het onderspit had moeten delven, al de
overige steden en de provincies, die 't met hen eens waren, dan
wel spoedig zouden moeten volgen. Maar de goede voorzienigheid
waakte voor het behoud der stad en deed dat snode plan mislukken.
Jammer is het, dat de Amsterdammers het hele leger - om andere
Willems die dezelfde weg bewandelen willen af te schrikken - niet
hebben laten verdrinken. Amsterdam is altijd te toegevend
geweest.
Ongeveer tezelfdertijd dat Amsterdam met de wapenen
van de staat aangevallen werd, had Willem II, insgelijks op
eigen gezag, enige heren die toen voor hun steden de
Statenvergadering van Holland bijwoonden en zich het moedigste
tegen hem hadden durven verzetten, in hechtenis genomen en naar
Loevestein gezonden. En ziet, zo ver was de laagheid en zucht tot
vleien onder onze groten al doorgedrongen, dat de meeste
provincies hem voor dit schenden van eed, plicht en trouw, als
voor een Romeins staal van moed prezen en bedankten!
Het zijn
de groten, o medeburgers, voor wie ge U wachten moet. De Prins
heeft ze bijna allen aan zijn leiband.
Voor ambten en
commissies, voor een maaltijd eten aan het hof doen ze alles. Eed
en plicht en het welzijn van het vaderland gaat hun doorgaans
weinig ter harte. De schade die zij zowel als anderen - door het
verval van de koophandel en de welvaart lijden, wordt hun - zo
denken ze - rijkelijk vergoed door de gunst van onze heer, de
Prins, die het altijd in zijn macht heeft om de keuken van hen en
de hunnen aan het roken te houden, gelijk hij ook trouw doet.
Bovendien hebben de meeste groten en andere voorname heren veel
van hun geld aan Engeland geleend en daarom willen ze Engeland
niet op 't lijf vallen, maar houden het met de prins. Ze zijn
bang dat Engeland te arm zal worden en dan zal ophouden te
betalen ja, zo vast zijn velen meer aan Engeland dan aan hun
eigen vaderland verkleefd, dat zij dit rijk, onze openlijke
vijand, ook nu nog met geld ondersteunen! Dit is verraad en
behoorde onderzocht en gestraft te worden. Het is niet voor niets
dat men de Engelse paketboot op Hellevoetsluis nog laat doorvaren
alsof er geen oorlog was. Maar 't is ook zo: de Prins is niet in
oorlog met de Engelsen; ze zijn zijn trouwste vrienden (doch
hiervan straks meer).
Intussen moeten wij ons met dankbaarheid
verwonderen over het edelmoedig gedrag van de heren van
Amsterdam, Haarlem, Dordrecht en die zich bij hen aansluiten, dat
zij - ofschoon zij evenals andere vermogende lieden in ons land
veel van hun bezit in Engeland hebben - dit volk nochtans nooit
hebben ontzien, maar altijd kordaat hebben aangedrongen ook in de
hoge vergaderingen dat men zich tegen de geweldenarijen ons
aangedaan met geweld moest verzetten; en dat men alle volgens de
traktaten geoorloofde takken van koophandel - wat er ook van
mocht komen - met de macht van de staat moest beschermen, zonder
zich door de Engelsen daarin voortdurend de wet te laten
voorschrijven.
Willem II overleefde zijn schande niet lang.
Het behaagde de voorzienigheid ons van deze ondernemende
dwingeland te verlossen. De kinderpokjes sleepten hem weg, de 6de
november 1650, in de ouderdom van vierentwintigjaren. Hij liet
een zwangere weduwe na, die onze Republiek weer een Willem
schonk, wiens naam aan ieder, die de zaken van ons land van nabij
kent, steeds bitter moet zijn.
Het huwelijk van Willem II met
een Engelse Prinses had intussen de rampzaligste gevolgen voor
ons vaderland. Karel I die niet kon verduwen dat hij in zijn rijk
niet even machtig was als de andere koningen van Europa, had een
plan gesmeed om de Engelse natie van haar vrijheid te beroven en
onder een absolute heerschappij te brengen. Maar die toeleg
mislukte. Het land nam de wapenen op met het gunstige gevolg, dat
de Koning zelf overwonnen en gevangen genomen werd. Maar toen de
Engelsen zelf op 't punt stonden de vruchten te plukken van de
strijd voor de vrijheid, die hun zoveel bloed gekost had, werden
zij op hun beurt door Cromwell onderworpen, die het
commando over het leger der natie had, en die met dat leger de
natie zelf tot zijn slaven maakte.
Wacht U daarom, mijne
waarde landgenoten, voor allen die de troepen commanderen, want
het is bekend dat zij bijna altijd en overal de baas gespeeld
hebben over hun eigen landslieden en medeburgers. Er is geen
vrijheid in Europa meer geweest sinds de vorsten begonnen zijn
vaste legers in dienst te houden. Voor die tijd toen men nog geen
soldaten had, trokken de leenmannen met de burgers en boeren ten
oorlog. Maar de listige vorsten, wel wetende dat zulk soort ge-
wapende krijgslieden de hand niet zouden lenen om hun eigen land
onder het juk te brengen, vonden er dit op, dat zij de in-
gezetenen gingen voorstellen om liever geld op te brengen dan
zelf in persoon - met verzuim van hun zaken en gevaar voor hun
leven - ten oorlog te trekken. Voor dat geld zou men dan soldaten
in hun plaats huren. De eenvoudige ingezetenen waren wonderwel in
hun schik met deze vondst, maar begrepen niet wat er de
natuurlijke gevolgen van zouden zijn. Want de vorsten konden van
dat ogenblik af dat zij een steeds op de been zijnd, van hen
alleen afhankelijk, en van het overige deel der natie geheel
afgescheiden landmacht in handen hadden, doen wat ze wilden. Geen
stad of land kon zijn voorrechten meer tegen hen verdedigen. De
geschiedenis leert ons, dat al die volken om ons heen, die nu
onder een willekeurige eenhoofdige regering zitten te zuchten -
zelfs de Spanjaarden, de Fransen, geheel Duitsland - nog niet
eens zo heel lang geleden vrije lieden waren en alleen door die
gehuurde troepen in slavernij zijn geraakt, zonder tot dit uur
toe in staat te zijn geweest om hun vrijheden en voorrechten - al
waren die nog zo fraai op oude perkamenten met zegels eraan
beschreven - te verdedigen.
Spiegelt U aan die van Nijmegen en
anderen, en weest meer en meer op Uw hoede, want, nog eens, hij
die het leger in handen heeft, kan doen wat hij wil. Hij kan het
beste deel van onze koophandel, hij kan onze oorlogsschepen, hij
kan onze kolonien in handen van onze vijanden leveren, ja, hij
kan zich zelfs Soeverein maken! Het ongewapend weerloos volk kan
daar niets tegen doen, maar moet dat lijdzaam aanzien. Een volk
derhalve, dat verstandig en voorzichtig wil handelen, moet er
altijd voor zorgen om zelf de sterkste in het land te blijven.
Tegenwoordig moet men soldaten in dienst hebben, omdat alle
andere mogendheden die hebben en de burgers en boeren geen tijd
hebben om ver en lang van huis gezonden te worden; maar om hun
eigen steden en omstreken te verdedigen - en voornamelijk om door
de opperbevelhebber van hun eigen troepen, om door hun eigen
kapitein-generaal niet onderdrukt te worden, moeten onze burgers
en boeren elk een goede snaphaan met een bajonet erop en een
sabel hebben, en daarmee leren omgaan. Zij moeten zich in
regimenten en compagnieen verdelen en officieren kiezen om hen te
commanderen. Die officieren moeten ze zelf kiezen. En ze moeten
dan - vooral zondags na kerktijd - nu en dan eens exerceren. Zo
doen de Zwitsers en zo doen de Amerikanen ook. En landgenoten,
het is heus zo vreemd niet wat ik U hier voorstel als sommigen
misschien denken. Het is geen nieuwigheid. Neen, voorwaar! Ziet
maar eens wat het achtste artikel van de Unie van Utrecht zegt,
een artikel, zoals trouwens de gehele Unie, door
elke regent van ons land - ook door onze
Oranjevorsten - bezworen, doch opzettelijk, omdat zij de
natie niet gewapend wilden hebben, nooit ten uitvoer
gebracht.
Dit zijn de eigen woorden:
'En ten einde men
ten allen tijde zal mogen geassisteerd wezen door de inwoners van
het land, zullen de ingezetenen van elk van deze Verenigde
Provincies, Steden en Platteland hoogstens binnen den tijd van
een maand na dato van dezen gemonsterd en geregistreerd worden,
te weten, diegenen die tussen 18 en 60 jaren zijn, zulks ten
einde wanneer eenmaal het aantal van dezen bekend is, daarna op
de eerste samenkomst van deze Bondgenoten verder te worden
geordonneerd als ten dienste van de grootste bescherming en
veiligheid van deze verenigde landen nodig gevonden zal
worden.'
Hoe gelukkig, mijn waarde medeburgers, zou het
voor ons vaderland geweest zijn, indien deze zo heilzame grondwet
van de tijd dat zij is vastgesteld, te weten in den jare 1579,
tot onze dagen toe, werkelijk gehandhaafd ware geweest! Hoeveel
dingen zouden er niet gebeurd zijn, die gij nu niet hebt kunnen
beletten! En als het nog zou geschieden, als gij dit artikel
zoals op elk onzer de verplichting rust, in deze benauwde tijden
nog, hoe eer hoe beter ten uitvoer zoudt brengen, o hoe gauw
zouden de verraders ontdekt, de eerlijke regenten bekend en het
zinkend vaderland gered zijn! Hoe gauw zouden we een vloot
in zee en een alliantie met Frankrijk en Amerika hebben, en ons
wreken op onze vijanden! Hoe gauw zouden wij onze zieltogende
handel doen herleven en al die duizenden nijvere ingezetenen die
als gevolg van deze ons op goddeloze wijze aangedane en in elkaar
gezette oorlog hun broodwinning missen en met vrouwen en kinderen
bitter gebrek lijden, weer als voor enige maanden, toen er wat te
verdienen was, aan de kost helpen!
0, landgenoten! nog eens,
wapent U allen tezamen, en draagt zorg voor de zaken van het hele
land, dat is voor Uw eigen zaken. Het land behoort aan U allen
met elkaar, en niet aan de Prins met zijn groten alleen, die U,
die ons allen, die Neerlands hele volk, de afstammelingen der
vrije Batavieren beschouwen en behandelen als hun erfelijk
eigendom, als hun ossen en schapen, welke zij naar hun goeddunken
of scheren of slachten kunnen en mogen. Het volk dat in een land
woont, de ingezetenen, de burgers en boeren, armen en rijken,
groten en kleinen - allen bijeen - zijn de ware eigenaren,
de heren en meesters van het land, en kunnen zeggen hoe zij het
hebben willen, hoe en door wie zij geregeerd willen wezen. Een
volk is een grote maatschappij, een compagnie en niets anders. De
regenten, de overheden en magistraten, de Prins, wie 't ook is,
die een post in die maatschappij bekleedt, zijn enkel maar de
directeurs, de bewindhebbers, de rentmeesters van die compagnie
of maatschappij en in deze kwaliteit minder dan de leden
van die maatschappij, dat wil zeggen de gehele natie of het
gehele volk.
Bij voorbeeld. De Oost-Indische Compagnie is een
grote maatschappij of compagnieschap van kooplieden die zich
verenigd en aaneengesloten hebben, om handel op Oost-Indie te
drijven. Hun aantal is veel te groot en zij wonen te ver van
elkaar om voortdurend als het nodig is, bijeen te kunnen komen,
of om de zaken van hun maatschappij zelf in eigen persoon te
kunnen besturen. Ook worden daartoe kundigheden vereist, die
juist niet alle participanten hebben. Om die reden doen de
participanten zeer wijs, dat zij directeuren of bewindhebbers of
rentmeesters aanstellen, die zij voor hun moeite betalen en aan
wie ze precies zoveel macht geven, maar niet meer dan nodig is om
datgene te doen waartoe ze geroepen, gehuurd en aangesteld zijn.
Die bewindhebbers hebben natuurlijk over de zaken van de
compagnie wel meer te zeggen dan deze of gene participant
afzonderlijk; ook meer dan zelfs een grote hoop participanten bij
elkaar, die de meerderheid niet uitmaken. Maar als alle
participanten tezamen, of een volstrekte meerderheid een
verandering in het bestuur van de compagnie - dat is van hun
eigen zaken - gebracht willen hebben, dan is het de plicht
van de directeuren of bewindhebbers, die in dit opzicht de
dienaren van de participanten zijn, te gehoorzamen en te
doen wat de participanten wensen. Want niet zij
bewindhebbers, maar de participanten zijn de
waarachtige eigenaars, heren en meesters van de compagnie
of maatschappij. Evenzo is het met de grote
volksmaatschappij gesteld. De groten, die over U
regeren, de Prins of wie verder enige macht in het land
uitoefent, doen dat alleen uit Uw naam. Al hun gezag is aan U
ontleend. Gij zijt de participanten, de eigenaars, de heren en
meesters van de volksmaatschappij, die zich in deze landstreek,
onder de naam van Verenigde Nederlanden heeft neergezet.
De groten, de regenten daarentegen zijn slechts de
bewindhebbers, de directeuren, de rentmeesters van die
volksmaatschappij. Gij betaalt hun uit Uw eigen, dat is 's
volks beurs. Zij zijn dus in Uw dienst, zij zijn
Uw dienaren en aan Uw meerderheid onderworpen en
rekenschap en gehoorzaamheid schuldig.
Nog eens. Alle
mensen zijn vrij geboren. De een heeft van nature over de ander
niets te zeggen. De ene mens is wel wat verstandiger van geest of
wat sterker van lichaam of wat rijker dan de ander; doch dat
geeft hun, die verstandiger, sterker of rijker zijn, niet het
minste recht om over de minder verstandigen, minder sterken,
minder rijken te heersen. God, ons aller Vader, heeft de mensen
geschapen om gelukkig te worden en aan alle mensen - niemand
uitgezonderd - de verplichting opgelegd, om elkaar zoveel
mogelijk gelukkig te maken. Om dit goede doel van de Schepper te
bereiken, dat is om hun geluk te bevorderen, hebben de mensen
gevonden dat zij niet beter kunnen doen dan zich in groten getale
- somtijds van enige miljoenen - bijeen te voegen en grote
maatschappijen te vormen, waarvan de leden (wat gij altijd goed
in het oog moet houden) van nature allen aan elkaar gelijk
zijn, en de een niet onderworpen is aan de ander. In deze
maatschappijen, meestal burgermaatschappijen, volken of naties
genoemd, verbinden zich de leden of participanten om elkanders
geluk zoveel mogelijk te bevorderen, en elkaar onderling met
vereende krachten te beschermen en in het ongestoorde genot van
alle eigendom, bezittingen en alle geerfde en wettig verkregen
rechten te handhaven. Gij begrijpt dus, dat als enige leden van
die maatschappij op een gewelddadige wijze in hun rechten en
bezit worden aangevallen en te kort gedaan, zoals bijvoorbeeld
onze kooplieden en weerloze zeelieden al zoveel jaren van de
Engelsen hebben moeten ondervinden, de gehele maatschappij dan
verplicht is om dit geweld tegen te gaan en al haar krachten te
verenigen om er zich tegen te verzetten en aan haar medeleden en
mededeelgenoten volkomen vergoeding van schade en zekerheid voor
de toekomst te bezorgen. Gij ziet dus hoe trouweloos onze
admiraal-generaal en zijn afhangelingen met zoveel duizenden der
nuttigste leden van onze burgermaatschappij hebben gehandeld door
konvooi en bescherming te weigeren aan de schepen met hout en
scheepsmaterialen beladen, die naar Frankrijk moesten, en volgens
de traktaten ook mochten!
Dit zijn de rechten van het volk!
Dit zijn Uw rechten, o mensen, o Nederlanders! Die 't U anders
leren - al was het van de predikstoel - zijn Uw vijanden en door
de Prins en zijn groten omgekocht, of - ze begrijpen er niets
van. Gelooft ze dus niet, maar overdenkt hetgeen ik U hier zo
eenvoudig en duidelijk geleerd heb. En dan zult gij zelf voelen,
ja voelen dat het zo is en niet anders zijn kan, wat ze U
ook mogen aanpraten en hoe ze ook deze eeuwige waarheden voor
gevaarlijke ketterijen uitkrijten. Nog eens, geloof ze niet, ze
bedriegen U. Wilt ge over dit gewichtig onderwerp wat meer weten,
lees dan de geschriften door Baron van der Capellen tot den Pol
van tijd tot tijd uitgegeven, voornamelijk de volgende twee
stukjes: van de eerwaarde Price Over den aard der burgerlijke
vrijheid en van de Baron zelf zijn Vertoog over de
vrijheid der Overijselse boeren, alles bij Herding te Leiden
gedrukt.
Toen Cromwell dan het heft in handen gekregen had,
regeerde hij veel soevereiner dan de vorige koningen, doch om het
volk zand in de ogen te strooien, onthield hij zich er wijselijk
van de titel van koning aan te nemen. Zo bedriegen zij, die naar
de soevereiniteit staan, de goegemeente! Zo wordt onze Prins ook
maar Stadhouder genoemd, hoewel hij waarachtig wel onze
soevereine heer is!
Cromwell liet de Koning, die heus de dood
dubbel en dwars verdiend had - doch niet hij maar de gehele natie
of haar vertegenwoordigers hadden dat vonnis moeten uitspreken en
ten uitvoer leggen - openlijk onthoofden, en Engeland kreeg de
naam van een republiek, onder het opperbestuur van een parlement.
Dit parlement had reeds zeven jaar een agent in ons land gehad en
zou zich met niemand liever dan met ons hebben verbonden. Alle
vorsten van Europa zochten de vriendschap van die nieuwe en
machtige republiek, uit angst haar te zullen verbitteren. Maar
wij, die 't meest van allen haar te vrezen hadden, versmaadden
door het drijven van de Oranjefactie de aangeboden vriendschap,
net als we nu weer met de Amerikanen doen. De Engelse ambassade,
die gedurende het leven van de Prins nooit audientie bij de
Staten-Generaal had kunnen krijgen - wat reeds geen geringe
verbittering had gewekt - werd later bij haar officiele vestiging
openlijk mishandeld door opgeschoten jongens en slecht volk, dat
door een page of adellijke livreidienaar van de Prinses-weduwe
was omgekocht. En Cromwell, die zag hoeveel invloed de
Oranjepartij hier te lande had, en door ondervinding wist hoe
graag die partij haar invloed tot zijn ondergang en tot herstel
van het Koninklijk Huis zou willen gebruiken; en die bovendien
een buitenlandse oorlog nodig had om de Engelse natie werk te
geven en zo zijn gezag door vloten en legers, die van hem alleen
afhankelijk waren, over die natie te verstevigen, besloot ons een
oorlog aan te doen. Deze oorlog is vanwege zijn ongelukkige
gevolgen de grond van onze ondergang geweest.
De Oranjefactie
hier te lande was, evenals zij nu weer ontaard genoeg is om zich
over onze tegenwoordige rampen te verblijden, over die oorlog
niet weinig verheugd. Zij had die oorlog zoveel zij maar kon
aangeblazen, en deed vervolgens haar best om hem ongelukkig te
doen uitvallen, ten einde daardoor gelegenheid te hebben om de
overige regenten die niet van hare partij waren, te kunnen
bekladden en de rampen, die zij zelf aan het vaderland berokkend
had, op hun rekening te stellen. Deze oorlog duurde ongeveer twee
jaren en eindigde met een spoedige en schandelijke vrede, want de
staatse partij durfde die oorlog niet langer voort te zetten
vanwege het onophoudelijk gewoel der Oranjefactie om door middel
van deze oorlog verandering in de regering te bewerken.
Na 't
overlijden van Willem II had onze regering een vorm gekregen, die
zij tevoren nimmer gehad had. De Staten der meeste provincies
hadden zelf het roer in handen genomen. Doch het was de
raadpensionaris De Witt, die in feite in dit tijdperk,
namelijk van begin 1653 tot 1672, het meeste te zeggen heeft
gehad. Door zijn verstand, deugd en onkreukbare eerlijkheid had
hij, evenals vader Barneveld, het vertrouwen der Staten van
Holland, wier dienaar hij ook maar was, zodanig gewonnen, dat zij
niets zonder en bijna alles volgens zijn wijze raad en advies
deden. Hij had een broeder, die burgemeester van Dordrecht en
ruwaard van Putten was en die hem in verschillende opzichten
evenaarde.
Onder het bestuur van deze brave mannen floreerde
de koophandel meer dan ooit, en het ging derhalve de hele natie
goed, groten en kleinen, de land- zowel als de zeeprovincies. De
vreemde mogendheden - wie zij ook waren - moesten zich toen wel
wachten onze vlag te onteren! Nooit heeft onze Republiek meer eer
en aanzien door de gehele wereld gehad dan toen!
De Koning van
Denemarken (om slechts een staaltje te geven) stond op het punt
van door de Koning van Zweden uit zijn rijk gejaagd te worden.
Het handelsbelang dat deze brave patriotten meer ter harte ging
dan het ooit onze Prins of zijn voorvaderen gedaan heeft (die
altijd afgunstig geweest zijn op de grootheid, macht en
onafhankelijkheid welke de koophandel vooral aan Amsterdam geeft,
en waardoor zij er tot nu toe niet in geslaagd zijn die grote
stad naar hun zin te buigen of daar garnizoen in te leggen), dat
belang van de koophandel, herhaal ik, vorderde om dit onderwerpen
van de Koning van Denemarken niet toe te laten. In een ogenblik
waren er een vloot en troepen klaar die naar het Noorden zeilden
en de bijna verdreven Koning in zijn rijk herstelden.
Terwijl
de ene van die beide broers in de vergadering ijverde voor het
welzijn van het vaderland, ging de andere als gecommitteerde op
de vloot mee en woonde daar zeeslagen bij die dagen achtereen
duurden. Dit was recht mannenwerk!
Maar wat kunnen nu onze
groten? Voor de Prins, hun afgod, kruipen om er een baantje of
commissie uit te slepen!
Doch, waarde landgenoten, hoe eerlijk
en goed het land toentertijd ook geregeerd werd, hoezeer ook
alles bloeide, de burgerij, het gros van de natie was nochtans
misnoegd. En wat zal ik zeggen? Zij had er reden toe. Want in
plaats dat men bij het overlijden van de laatste Stadhouder het
volk in zijn geschonden rechten had hersteld en een behoorlijk
aandeel in het bestuur van het gemenebest, althans enige teugel
over zijn eigen regeerders had gegeven; in plaats dat men het
volk zelf of via zijn afgevaardigden zijn eigen regeerders had
laten kiezen; in plaats dat men het volk geen lasten en
schattingen had opgelegd dan die waarin het zelf had toegestemd;
in plaats van het volk te laten zien en voelen, dat het door de
dood van de Stadhouder inderdaad pas vrij was geworden trokken de
heren bijna overal alle macht aan zich. Zij verkozen elkaar in de
regering die daardoor zo goed als erfelijk werd. Ze gaven onder
elkaar de ambten weg. En het volk was en bleef van alle invloed
en bestuur over de publieke zaken, dat wil zeggen zijn eigen
zaken, uitgesloten. Ja zelfs werden sommigen die het herstel van
deze nationale misstanden hadden durven eisen, openlijk als
oproerkraaiers gestraft. Zozeer en zo licht wordt, mijne
landgenoten, de macht misbruikt, al is ze zelfs in handen van de
beste mensen! Ziet daarom, om Gods wil, toe in wiens handen gij
ze toevertrouwt, of liever houdt ze zelf in handen en zorg altijd
dat gij de sterkste partij in het land blijft.
De
Oranjefactie, die altijd gewoon is en het nodig heeft in troebel
water te vissen, stookte deze ontevredenheid listig aan en maakte
de regenten (die zoals ik gezegd heb het land werkelijk tot bloei
brachten, en 't alleen daarin mis hadden, da zij de natie van
alle invloed in eigen zaken uitsloten) zwart, net als onze
tegenwoordige Prins met zijn factie de onschuldige heren van
Amsterdam, de pensionaris van Berckel, de beide Capellens, de
heer de Neufville en andere eerlijke mannen bij U verdacht
probeerde te maken. De Oranjefactie beschuldigde hen van kwade
bedoelingen, ja van verraad. Maar waarom deed zij dit? Niet, mijn
vrienden, om U herstel van Uw wettige eisen te bezorgen, niet om
U de vrijheid, het recht tot het verkiezen van Uw regenten,
althans een voldoende teugel over hen, terug te geven. Neen!
Enkel en alleen om de pasgeboren Willem III tot Stadhouder te
doen verheffen, en dan op hun beurt weer over U te heersen! Om
dit snood oogmerk te bereiken, berokkende de Oranjepartij ons de
tweede oorlog met Engeland, die van 1663 tot 1667 duurde. Karel
II, oom van de jonge Willem, was de man die ons weer een
stadhouder zou bezorgen. Hij heeft zijn plan niet kunnen of
willen verbergen. De Oranjefactie deed wederom al wat zij kon om
die oorlog slecht te laten aflopen en oproeren te verwekken. Maar
het mislukte haar nog een keer, en de ontevredenheid van het volk
bleef voortduren. Doch enige jaren later stond de kans
gunstig.
De Koning van Frankrijk, onze oude bondgenoot, die
ons uit de Spaanse slavernij had verlost, die ons tachtig jaar of
heimelijk ondersteund of openlijk aan onze zijde had gestreden,
en met wie wij zelfs de Spaanse Nederlanden kort tevoren bij
traktaat hadden verdeeld om ze tezamen met de wapenen te
veroveren, met de belofte dat de een zonder de ander geen vrede
zou maken; Lodewijk XIV zeg ik, was misnoegd, omdat wij tegen
onze zo plechtige verbintenissen, hem in 1648 trouweloos hadden
verlaten en wel een aparte vrede met de Koning van Spanje, onze
gemeenschappelijke vijand, gesloten hadden. Dit misnoegen, hoe
gegrond ook, begon echter allengs te bedaren en zou
waarschijnlijk nooit verdere gevolgen hebben gehad, als wij maar
zo voorzichtig waren geweest om die machtige vorst niet opnieuw
te verbitteren.
Omstreeks het jaar 1668 was Lodewijk de
Spaanse - nu Oostenrijkse Nederlanden genaamd - binnengevallen in
een gedeelte waarop hij zei recht te hebben. Ofschoon het nu onze
zaak niet was in dat geschil te beslissen, zo begreep de brave de
Witt, dat toch ons belang en onze veiligheid vorderden om de
Koning van Frankrijk te beletten de Nederlanden te overmeesteren.
De Witt wilde namelijk dat die Zuidelijke Nederlanden als een
scheidsmuur tussen Frankrijk en onze Republiek in de macht van
Spanje bleven. Overigens schijnt 't me toe dat de Witt - met alle
verschuldigde eerbied voor zijn onsterfelijke naam - hier een wat
al te diepzinnige politiek wilde bedrijven. Dit idee leek heel
mooi; maar op de keper beschouwd was 't meer schijn dan
werkelijkheid. Het steunde op twee veronderstellingen, waarvan de
ene vals was en de andere zeer onwaarschijnlijk, zoals de
ondervinding ook heeft geleerd. De eerste was, dat Frankrijk als
buur gevaarlijk voor ons is. De tweede, dat de bezitters der
Spaanse - nu Oostenrijkse - Nederlanden steeds vijanden, althans
nooit bondgenoten van Frankrijk zouden zijn. Dit laatste was
nodig, wilden we van deze scheidsmuur (waar naderhand die
kostbare en nutteloze barriere uit ontstaan is) enig nut hebben.
Maar in onze dagen hebben we gezien dat dat heel anders is
uitgevallen. Onze Republiek had van Frankrijk niets te vrezen, zo
lang zij dit rijk maar niet irriteerde. Frankrijk had te veel nut
van ons, en was daarom zoals tegenwoordig nog onze natuurlijke
bondgenoot.
Lodewijk XIV had bovendien aan verscheidene andere
streken van Europa stof en gelegenheid genoeg om zijn oorlogslust
te voldoen en zich buiten adem te vechten, dat hij die hier niet
hoefde te gaan zoeken. Al hadden we stilgezeten, het zou Spanje
heus niet aan hulp ontbroken hebben; anderen dan wij zouden zich
dan wat meer uitgeput en wij onze krachten behouden hebben.
Elkanders landen te nemen en te houden gaat tegenwoordig zo
gemakkelijk niet, en in alle geval waar Frankrijk toen reeds zo
buitengewoon machtig was, hadden de regels van gezonde politiek
en voorzichtigheid ons, voor wie niets erger is dan een oorlog te
land, moeten raden geen enkele stap te doen, waaruit direct een
landoorlog zou moeten volgen. Althans zo'n stap niet te doen dan
in geval van de dringendste noodzaak, die hier zeker niet
aanwezig was. Doch de schrandere raadpensionaris zag het anders
in. Hij bewerkte in 1668 de beruchte Triple Alliantie of
Drievoudig Verbond tussen Engeland, Zweden en onze
Republiek, waardoor Frankrijk gedwongen werd vrede te
sluiten.
Dat Lodewijk XIV - die trotse vorst - daardoor op
onze Republiek, die hij en zijn voorvaderen vrij en groot hadden
gemaakt, ten uiterste verbitterd moest worden, was te voorzien.
Maar wie kon verwachten, dat Koning Karel, oom van Willem III,
goddeloos genoeg zou zijn om zich met diezelfde Lodewijk, tegen
wie hij met ons die Triple Alliantie had aangegaan, te verbinden,
om ons, die hem niets misdaan hadden dan dat men hier zijn neef
geen Stadhouder of Soeverein wilde maken, te beoorlogen? Dit is
niettemin gebeurd. Gevoegd bij de talloze geweldplegingen,
trouweloosheid, onderdrukking, omkopingen en verraad vooral in
onze dagen door dit hatelijke volk tegen ons gepleegd, moet dit
ons, stille vreedzame natie, die voor niemand gevaarlijk is, dan
voor degenen die ons te lang tergen, overtuigen, dat het
dwaasheid zou zijn met zo'n volk, welks nationaal karakter sedert
meer dan twee eeuwen blijkt te bestaan uit trouweloosheid, trots,
wreedheid en afgunst, ooit meer enige verbintenis aan te
gaan.
Het zijn vijanden van hun vaderland die de schone en
waarschijnlijk nooit meer terugkomende gelegenheid om ons te
ontdoen van het Britse juk, waar wij en onze vaderen zo lang
onder gezucht hebben, tot nog toe hebben laten voorbijgaan. Ze is
misschien nog niet geheel voorbij, die gelegenheid. De vijfde
augustus , die glorierijke dag die onze zeelieden met
onsterfelijke roem en onze vijanden en hun aanhang hier te lande
met schande en verlegenheid heeft bedekt, heeft ons geleerd,
welke grote dingen wij nog met een kleine macht kunnen
bereiken.
Duldt daarom niet, dat onze helden tevergeefs zouden
gestreden hebben! Duldt niet, dat men met de trouweloze Brit
vrede sluit voordat hij genoeg vernederd is en van alle
heerschappij over de vrije zee heeft afgezien! Duldt niet dat hij
de van ons geroofde schatten als zijn eigendom behoudt. Gij zijt
dit uit hoofde van het burgercontract aan de kooplieden
verplicht. Duldt niet dat wij ooit weer tot het strijken van onze
vlag als erkenning, een vernederende erkenning van onze
minderwaardigheid verplicht worden! Maar duldt vooral niet meer
die heilloze echtverbintenissen van het Stadhouderlijk Huis met
het Huis van Engeland! Deze zijn de oorzaken van al onze rampen,
van al onze oorlogen, van alle oude schulden die ons nog drukken.
Volgt het voorbeeld van de Britten zelf na, die hun Koning een
klein Duits prinsesje hebben bezorgd, dat geen machtige
familiebelangen had. Doet ook zo, en duldt in 't vervolg die
huwelijken met grote huizen niet meer, maar vooral en vooral
belet die met het Engelse Huis. Ik moet U waarschuwen dat ze het
daar alweer op toeleggen!
De Witt wist alles wat er zelfs in
de allergeheimste raad der vorsten omging. Hij zag het onweer van
verre opkomen. Hij waarschuwde bijtijds en raadde dat men een
grote vloot en leger moest gereed maken: maar vruchteloos! Hoe
dringend ook het gevaar was, hoe nader het dagelijks aan de
lippen kwam, de Oranjefactie was onverzettelijk en wilde
volstrekt de jonge Willem eerst kapitein-generaal hebben, eer zij
haar toestemming tot enige werving wilde geven, en deze
hardnekkige en verraderlijke tegenstand was oorzaak dat wij geen
leger en de vijand in het hart van het land kregen. Gelukkig was
de vloot, waarover de Witt door middel van de Staten van Holland
meer zeggenschap had gehad, in enigszins betere toestand, en
daaraan alleen hebben wij te danken dat onze Republiek toen niet
geheel is vernietigd.
De Fransen waren intussen, in 't begin
van 't jaar 1672, naar ons land komen afzakken en onder
begunstiging der algemene ontsteltenis en ontevredenheid werd
Willem III, een nog onkundige jongeling van tweeentwintig jaar,
tot kapitein-generaal verheven. De Oranjefactie was nu een eind
op weg haar gehele oogmerk te bereiken. De Fransen namen de ene
stad voor de andere na, tot zij in korte tijd de drie provincies
Gelderland, Utrecht en Overijsel in handen hadden en zelfs tot
ver in Holland doorgedrongen waren. Toen had de Oranjefactie dan
een prachtgelegenheid om alle rampen en ellende, die zij zelf
door het beletten der wervingen had veroorzaakt, op rekening van
de onschuldige de Witten en hun partij te schuiven.
De
natie zag wel dat het niet goed met het vaderland ging, maar was
zo naief om zich te laten wijsmaken dat de broeders de Witt en de
Loevesteinse Factie (dit was de schimpnaam, die men toen aan de
regenten gaf die tegen de aanstelling van een stadhouder waren)
het land aan de Koning van Frankrijk hadden verraden en verkocht;
dat men niets anders te doen had dan de jonge Prins Stadhouder te
maken en de beide broers de hals te breken, en dat dan alles
beter zou gaan! Helaas! De natie, onze goede voorvaders,
geloofden die bedriegers en vielen van de ene slavernij in een
andere, die veel ondraaglijker was.
Willem III werd
Stadhouder gemaakt en de burgerij van den Haag, opgehitst door
omgekochte fielten, vermoordde in blinde ijver de beide broeders
de Witt. Een van hen, te weten de burgemeester van
Dordrecht, had nog pas als gecommitteerde op 's lands vloot (iets
dat nu, God beter 't! ook al uit de mode schijnt) een
allerverschrikkelijkste zeeslag bijgewoond en thuisgekomen werd
hij tot beloning gevangen gezet en op de valse beschuldiging van
een enkele getuige (die reeds berucht was door meer dan een
rechterlijk vonnis, waaronder zelfs een wegens laster, die
hij de heer en schout van Piershil had aangedaan)
meedogenloos gepijnigd en ofschoon geheel onschuldig bevonden,
toch door het Hof van Holland, alleen om de Prins te behagen, uit
al zijn ambten ontzet en verbannen! Willem III had die valse
getuige omgekocht om de Witt te beschuldigen, dat deze hem had
willen huren om de Prins te vermoorden. In elk geval is het zeker
dat hij die snoodaard met een jaarlijks pensioen heeft beloond,
zoals men onlangs ontdekt en onweerlegbaar bewezen heeft. Ook
heeft die brave vorst, die beschermer van het protestantisme,
openlijk durven aanraden, dat er naar de moordenaars der beide
broeders geen onderzoek moest worden ingesteld, onder
voorwendsel, dat het gevaarlijk zou zijn tegen zovele voorname
burgers strenge middelen te gebruiken. Verder zijn - tot ergernis
van alle eerlijke mensen - de voornaamste aanstichters met ambten
en baantjes begunstigd.
Geveinsd, listig, heerszuchtig, wreed
en schijnheilig was hij van aard. Van welke soort die ene
ondeugd was, waaraan bisschop Burnet (hoewel overigens zijn
vleier en lofredenaar) hem moest schuldig erkennen, en welke
ondeugd hij volgens het getuigenis van die hoofse geestelijke,
zorgvuldig bedekt wist te houden, kan ik niet met
zekerheid zeggen. Maar het moet zeker iets zeer schandelijks zijn
geweest, want een man die zich er niet voor schaamde openlijk
moordenaars te begunstigen en valse getuigen in zijn dienst en
bezoldiging te hebben, oordeelde het nochtans de moeite waard
deze ene ondeugd ZORGVULDIG te bedekken. Het moet
dus vrij wat meer geweest zijn dan het houden van MAITRESSEN,
iets dat vanouds de mode en een gewone verstrooiing der vorsten
was, doch waarvan ik mij niet herinner, dat het aan deze Willem
ooit is ten laste gelegd.
Alle middelen om zijn doel te
bereiken waren bij hem geoorloofd. Toen hij Koning van Engeland
was geworden, schaamde hij zich niet de beruchte valse getuige
Oates genaamd, zoals hij Tichelaar had gedaan, een
pensioen toe te kennen. Bij zijn verheffing kreeg hij meer gezag
dan ooit enig Stadhouder voor hem gehad had: de vergeving van
alle ambten, politieke zowel als militaire; het aanstellen van
regenten; het bevel over het leger, enz. Nadat de Fransen de
provincies Gelderland, Utrecht en Overijsel verlaten hadden,
oordeelden de Staten-Generaal, die toen reeds afhangelingen van
Willem waren, dat de regeringen in die drie provincies dezelfde
verandering dienden te ondergaan als in de overige provincies in
1672 was geschied, te weten, dat de oude regenten, die de
staatspartij waren toegedaan geweest, voor deze keer, en zonder
dat dit consequenties hoefde te hebben voor het vervolg en zonder
krenking der privileges, werden ontslagen en anderen in hun
plaats gesteld. Willem werd daartoe, en daartoe alleen
gemachtigd. Maar ziet, zover ging zijn vermetelheid en
onbeschaamdheid, dat hij deze ongelukkige provincies een geheel
nieuwe regeringsvorm voorschreef en opdrong, waarbij hem weinig
minder dan de soevereiniteit over deze werd toegekend.
In
Utrecht bestaan de Staten uit drie leden, waarvan het
eerste de oude geestelijkheid laat voortleven, het tweede zijn de
edelen en het derde lid maken de steden uit. Volgens het nieuwe
reglement op de regering kreeg Willem de macht (ik spreek van de
macht en niet van het recht, want zulke usurpatien zijn het
onrecht zelf) hij kreeg, zeg ik, of liever nam de macht om het
eerste lid elke drie jaar en de regenten der steden elk jaar naar
goedvinden af te zetten en aan te stellen; alsmede de leden van
de ridderschap te verkiezen en dit college zo dikwijls het hem
behaagde - met nieuwe leden aan te vullen. Voeg hierbij de
begeving van alle ambten en het commando der troepen, en wat
mankeert er dan aan de soevereiniteit?
In Gelderland en
Overijsel, waar de Staten uit twee leden bestaan, maakte hij
de helft der stemmen direct van zich afhankelijk - door de
regeringen der steden in Gelderland elke drie jaar en in
Overijsel elk jaar naar willekeur te verkiezen. Het is waar, in
Overijsel liet hij zogenaamd de jaarlijkse keure van de regenten
aan het college der gezworen gemeente blijven, doch hij
hield de macht aan zich om die keure te bekrachtigen of niet. En
ingeval ze hem niet beviel, om dan zonder enige nieuwe keure der
gezworen gemeente (die hij ook al aanstelde, maar voor hun leven)
direct anderen in hun plaats te benoemen. Om die reden kozen en
kiezen nog heden ten dage (want onze tegenwoordige Stadhouders
hebben, sedert 1747, dezelfde macht als Willem III) de gezworen
gemeenten geen anderen dan van wie ze van te voren weten dat zij
de Stadhouder welkom zullen zijn.
Als men nu op deze wijze
meester is van de helft der stemmen der Statenvergadering en
bovendien door ambten, commissien en gunsten, door straffen en
beloningen de andere helft - dat zijn de doorgaans laffe en kale
edelen - geheel onder zijn invloed weet te houden, en dan nog, zo
dikwijls de stemmen staken, beslissen kan hoe het besluit zal
vallen (want dit recht had hij ook al bedongen) kan men dan niet
alles naar zijn zin krijgen? Is men dan niet zo goed als
Soeverein? Dit was in feite de macht van Willem III en dit is ook
de macht van onze hedendaagse Stadhouders die er zelfs in 1747 in
andere provincies nog veel meer bij hebben gekregen dan Willem
III ooit heeft gehad.
Doch ik keer nog even tot deze terug. In
1677 voelde zich de gezworen gemeente van Deventer - en waarlijk
niet zonder reden - bezwaard, om de jaarlijkse regering naar het
voorschrift van het nieuwe reglement te verkiezen. Zij kozen
daarom volgens de oude privileges van de stad en lieten de
gekozenen beedigen zonder 's prinsen goedkeuring af te wachten,
want - zo verklaarden ze - ze hadden gemoedsbezwaren om het
reglement van 1675 in strijd met de privileges na te komen. Doch
Zijne Hoogheid deed de zaak spoedig af. Hij beval de
burgemeesters om de gemeenslieden die zo teer van conscientie
waren, uit hun ambt te ontslaan, en voegde erbij, dat gelijk
hij niet gezind was het recht, hem bij dat reglement opgedragen,
af te staan, hij ook niemand wijde dwingen om zich tegen zijn
gemoed met de regering te bemoeien. Zo werden na het
ontvangen van dit bevel zonder vorm van proces tweeentwintig van
de achtenveertig gemeenslieden ontslagen en anderen in hun
plaatsen aangesteld, wier gewetens wat ruimer waren.
In
Gelderland liet hij zich door zijn creaturen het hertogdom
aanbieden, doch toen die vlieger in de andere provincies niet
opging, bedankte hij maar voor de eer.
Overal waar twist was,
of waar hij twist maken kon, stak hij zich erin om zo gelegenheid
te hebben zijn gezag uit te breiden. Zoals bijv. in 1695 in Goes,
waarheen hij om een dispuut over het vergeven van enige ambten,
tegen de wil van de meerderheid der magistraat en de gehele
burgerij, met geweld troepen zond en de regering omzette. Door
die nieuw aangestelde van hem afhankelijke regenten liet hij de
burgemeesters Westerwijk en Eversdijk, en anderen, allen
voorstanders van vrijheid en privileges en geliefd bij de
burgerij, vonnissen en op een om wraak roepende wijze (te lang om
hier te verhalen) door zijn militairen mishandelen.
In
Middelburg was twist over het beroepen van een predikant. Zelfs
dit (wie zou 't hebben kunnen denken!) gaf onze geweldenaar
gelegenheid tot veranderingen in de regering en vergroting van
zijn gezag - alles uitgebreider te lezen bij Wagenaar,
deel 14, bl. 445, en deel 16, bl. 203 e.v.
In 1688 verjoeg hij
met behulp van een Hollandse vloot en leger zijn schoonvader
(want hij was ook al met een Engelse Prinses getrouwd) van de
troon en zette zichzelf erop. Hij bleef, hoewel nu Koning
geworden, toch Stadhouder van onze provincies, waar hij
despotischer regeerde dan in Engeland. Hij stortte onze Republiek
in een voortdurende oorlog met Frankrijk, waarin wij tot zelfs
tien jaren na zijn dood, die in 1702 voorviel, onze krachten
verspilden en waarvan alleen het verraderlijke Engeland de
vruchten plukte, zoals Baron van der Capellen tot den Pol in zijn
Advies over de Schotse Brigade in het jaar 1775, naast andere
zaken terecht heeft aangetoond.
Ja, landgenoten! het is zo!
door ons gedurig in oorlog met Frankrijk te houden heeft deze
Willem onze koophandel en welvaart onherstelbare slagen
toegebracht en ons land met onnoemelijke schulden beladen. Om de
renten van die schulden te betalen moet gij nu nog zware lasten,
schattingen en cijnzen opbrengen.
En toen wij enigszins op
adem gekomen waren, sleepten ons de vrienden van het dierbaar
Huis van Oranje, in 1747, opnieuw in een kostbare en volstrekt
nutteloze oorlog.
Dit zijn de diensten door die van Oranje aan
ons bewezen!
Na de dood van Willem III in 1702, hadden wij tot
op het jaar 1747 weer dezelfde regeringsvorm als van 1650 tot
1672. De heren, de groten, maakten zich in de meeste provincies
weer van de hele regering meester en sloten het volk weer van
alles, zoveel zij konden, uit. Behalve in enige Gelderse steden,
waar de burgerij haar regenten koos. Het volk werd opnieuw
misnoegd en met nog meer reden dan in het vorig tijdperk onder de
gebroeders de Witt, omdat er toen veel beter en thans veel
slechter geregeerd werd, nu de stadhouderlijke regering alles
vergiftigd had, de zeden bedorven waren en bijna iedereen geleerd
had alleen zijn eigen voordeel en belang na te jagen.
Deze
schadelijke invloed op het nationale karakter is aan de
stadhouderlijke regering uit haar aard eigen. In landen waar het
volk zijn eigen regenten en ambtenaren kiest - zoals nog in enige
republieken van Zwitserland, maar in volle omvang in de dertien
Verenigde Staten van Noord Amerika gebeurt - is ieder die enig
fortuin of baantje zoekt, genoodzaakt zich goed en deugdzaam te
gedragen, beleefd, vriendelijk en gedienstig te zijn tegenover
zijn medeburgers, en vooral zich een voorstander te tonen van 's
lands vrijheid en welvaart. Met andere woorden om de goedgunstige
stem van het volk voor de post, die hij verlangt, te verwerven
moet hij een rechtschapen patriot zijn. Maar in ons land is het
geheel anders gesteld. Tegenover zijn medeburgers beleefd,
vriendelijk en gedienstig, een voorstander van de vrijheid van
het land, van de oude privileges en van de welvaart, een
rechtschapen patriot te zijn, helpt hier niet alleen niets, maar
is integendeel nadelig. Degene die hier enig fortuin zoekt, moet
daartoe een heel andere weg inslaan. Het is alleen de gunst van
de Stadhouder, die hij nodig heeft. En wij allen weten en zien
dat die niet te winnen is door deugdzaam gedrag, door beleefd,
vriendelijk en gedienstig tegenover zijn medeburgers, door een
voorstander van 's lands vrijheid, voorrechten en welvaart, door
een rechtschapen patriot te zijn. Verre van dien. De Stadhouders
moeten inschikkelijke, toegevende mensen hebben. Die ouderwetse
stijfhoofden van het jaar 1500 dienen hun niet.
Door
voorrechten en vrijheden worden onze Oranjevorsten in hun macht
beteugeld en beperkt. Daarom trachten ze die maar zoveel ze
kunnen te vernietigen. En daarom haten en vervolgen ze de
patriotten, die de voorrechten en vrijheden des lands durven te
verdedigen, terwijl ze juist degenen die karakterloos genoeg zijn
om, tegen eed en plicht in, hun de hand te lenen bij de
uitvoering van hun plannen, met gunsten en voordelen
overladen.
0, landgenoten! Onze dierbare Oranjevorsten, hoe
fraai ze zich door hun vleiers en loontrekkers ook laten
afschilderen, zijn vorsten, net als alle andere vorsten ter
wereld. Zij krijgen dezelfde verdorven hoofse opvoeding; zij
zuigen van hun jeugd af aan dezelfde sentimenten in, dezelfde
hoogmoed, trots, heerszucht, dezelfde begeerte om zich boven
alles te verheffen. Van hun jeugd af aan zijn ze gewend geen
enkele tegenstand te ondervinden en dat is de reden dat zij
daarna zelfs de tegenstand van 's lands rechten en voorrechten
niet kunnen dulden; dat die hun onverdraaglijk zijn. Zij hebben
dezelfde hofhouding, dezelfde manier van leven - met een woord:
zij zijn vorsten en handelen als vorsten. Rijke slaven zouden ze,
evenals andere monarchen, die de koophandel hunner ingezetenen
begunstigen, wel willen hebben. De koophandel van Amsterdam, die
men nu te gronde wil richten, zouden ze ook wel gaarne zien
bloeien, als die stad maar eerst haar poorten voor 's Prinsen
garnizoen geopend had en de benoeming van haar regering aan hen
had overgedragen. Maar machtige ingezetenen die vrij zijn, die
hen met ernstige verzoekschriften komen vervelen en hen dwars
zitten bij hun plannen, die zijn hun onverdraaglijk.
Het is
een juist gezegde dat de vrijheid van het volk de slavernij van
de vorst is.
Omdat nu (want ik merk dat de veelheid van stof
me te ver voert) omdat nu door deugd en vaderlandsliefde in dit
ongelukkig land geen fortuin te maken is, ziet ge, landgenoten,
dat ieder die graag wat wil hebben of worden - en dit aantal is
bij ons, niet zonder reden, veel groter dan ergens anders - of
niet moet deugen en niet vaderlands- en vrijheidslievend moet
zijn, of zijn eigenlijke gevoelens daarover moet weten te
verbergen en door veinzen moet leren bedekken; en dan ziet ge
toch dat ik niet overdrijf als ik de stadhouderlijke regering uit
haar aard een schadelijke invloed op de zeden en het nationaal
karakter ten laste leg.
Doch ik ga voort.
De Oranjefactie,
altijd met dezelfde oogmerken bezield, leefde intussen nog en
roerde zich steeds, zelfs zo, dat de partijen op verscheidene
plaatsen de wapenen tegen elkaar opnamen Maar de staatse partij
behield de overhand en liet het volk haar juk tegen wil en dank
dragen. Eindelijk evenwel kwam het jaar 1742. De omstandigheden
waarin Europa zich toen bevond, gaven de Oranjefactie hoopvolle
kans op oorlog (want in tijden van rust, vrede en matige
voorspoed is het nauwelijks mogelijk een volk in beweging te
krijgen en grote veranderingen in een land tot stand te brengen).
Frankrijk zo riepen Uw verleiders - moest in zijn heerszuchtige
bedoelingen worden tegengewerkt! We moesten de Koningin van
Hongarije steunen! Ieder die daar geen zin in had, was door
Frankrijk omgekocht; die voor neutraliteit durfde pleiten was een
landverrader en verdiende de haat van het volk! enz. Dus
verbonden wij ons weer nauw met het verraderlijk Engeland, dat
door zijn betaalde agenten en afgezanten het vuur hier had
aangestookt en zich niet weinig verheugde dat wij weer net als
vroeger dwaas genoeg waren om ons te hunnen voordele uit te
putten en een weg in te slaan die noodzakelijkerwijs op een
verandering in de regering moest uitlopen, die ons land weer
geheel onder hun invloed zou brengen.
0, Nederlanders! Hoe is
't mogelijk dat wij niet allang gemerkt en begrepen hebben, dat
de Engelsen, onze gezworen vijanden, die steeds en bij alle
gelegenheden onze ondergang gezocht en inderdaad bewerkt hebben,
nooit zulke ernstige en rusteloze pogingen zouden hebben
aangewend om in ons land het stadhouderschap hersteld te krijgen
en tot een toppunt van macht verheven, als zij deze regeringsvorm
als voordelig voor onze koophandel, welvaart en vrijheid hadden
beschouwd! Ons geluk, onze voorspoed was steeds een doorn in hun
vlees; een steen des aanstoots. Om die voorspoed te belemmeren,
om ons ten val te brengen, om onze handel te ruineren, om ons
klein en in een staat van afhankelijkheid te houden, gaven ze ons
Stadhouders, die hun verheffing alleen aan hen te danken hebben;
en omdat die Stadhouders ook alle verdere ondersteuning - zowel
tot het behouden als tot het vergroten van hun gezag -
voornamelijk van hun helpers, de Engelsen, te verwachten hebben,
verbonden zij zich ook altijd ten nauwste met dat volk, ofschoon
het onze natuurlijke vijanden waren en hebben zij hun steeds als
trouwe bondgenoten ten dienste gestaan. En zoals wij - helaas! -
nu weer ten duidelijkste ondervinden, zullen zij liever ons land
met alles wat ons dierbaar is, verloren zien gaan dan de Engelse
partij te verlaten. Dit, o landgenoten, is de sleutel van alles
wat wij in deze dagen hebben zien gebeuren! Overdenkt dat eens
bij Uzelf! Ik zeg U de waarheid. De Stadhouders zijn een present
van de Engelsen, en iets goeds, iets voordeligs, iets dat voor
ons heil is, zullen zij ons nooit geven. Laten zij die zo
geleerd en kunstig over het Nut der stadhouderlijke
Regering weten te schrijven, dit bewijs nu maar eens
ontzenuwen, zo zij kunnen.
Wij geraakten dan in oorlog. De
Fransen, hoe dichter zij onze bodem naderden, boden ons de
neutraliteit aan, terwijl zij ons aanrieden ons toch niet meer in
geschillen te steken die ons niet aangingen, maar veeleer op onze
hoede te zijn voor de listige aanslagen der Engelsen, die door
ons in de oorlog te wikkelen alleen hun eigen voordeel en een
wijziging in onze regeringsvorm zochten. Maar neen! De
Oranjefactie, ondersteund door Engelse guinjes kreeg de overhand.
Wij wilden de oorlog. We verloren slag op slag, stad op stad. De
Fransen waren aan onze grenzen. Toen verhief de Engelse factie
haar stem: Er is verraad in het land! We moeten weer een
Stadhouder hebben! Niemand kan ons redden dan de Prins! net
of hij alleen legers zou kunnen verslaan.
Men maakte de
regenten gehaat, die ofschoon geen landverraders, toch de liefde
van het volk in 't algemeen nu niet bepaald verdienden. Maar wat
trouweloos was: men bedroog 't grootste gedeelte van U; men
beloofde U gouden bergen: alle misbruiken zouden worden
geweerd, - ge zoudt geen lasten en schattingen meer hoeven op te
brengen, maar daarentegen zouden al Uw oude rechten en
voorrechten worden hersteld! De felsten onder U liepen te
hoop, de overigen zagen het aan. Niemand had moed of doorzicht
genoeg om U ten beste te raden. Gij riept om een Stadhouder, en
men gaf U Willem IV - gelijk Saul de Israelieten - en wat hebt ge
daarmee gewonnen? Heeft hij of zijn zoon, die ons thans
ongelukkig maakt, U in Uw oude rechten en privileges hersteld?
Verkiest gij nu Uw eigen regenten? Betaalt gij minder lasten? en
wordt U nu gevraagd hoeveel en welke schattingen ge wilt
opbrengen? Wordt U nu rekenschap afgelegd, hoe 's lands geld -
dat is Uw eigen geld, zweet en arbeid - wordt besteed? Weet ge
zelfs wel op welke verbazende sommen het onderhoud van de
Stadhouder met zijn nasleep U jaarlijks komt te staan? Wat hebt
ge bij de verandering gewonnen dan dat ze U een andere heer en
meester op de rug hebben gezet, die U veel moeilijker uit het
zadel kunt lichten dan Uw vorige berijders?
Wat deed de
aangestelde Stadhouder?, die lieveling des volks, die herstellen
(God betert) der vrijheid? Wel wetende dat hij U door zijn
afgezanten en creaturen had laten bedriegen en verleiden, en uit
vrees voor Uw wraakneming als 't mocht gebeuren dat de schellen
van Uw ogen vielen, stelde hij zijn hoop op het leger, op de
soldaten. Maar omdat hij zich daarop nog niet genoeg verlaten
kon, zolang zij door ingezetenen gecommandeerd werden, vulde hij
ons leger - onder voorwendsel van het moderne oefening en
discipline te verschaffen - met vreemdelingen aan, vooral met
Duitsers. Hele zwermen van die hatelijke fortuinzoekers kwamen er
afzakken. En voor die vaderlandsgezinde vorst was het feit
dat men vreemdeling was al aanbeveling genoeg om met allerlei
militaire commando's begiftigd en bij onze eigen vaderlanders
voorgetrokken te worden. Ja zelfs, zag men onze staatswapenrok
dragen door mannen met een brandmerk op de rug die door andere
volken openlijk te schande gesteld of verbannen waren.
En
opdat het krijgsvolk enkel en alleen van hem afhankelijk zou zijn
en met niemand anders dan met hem alleen te doen zou hebben,
voerde hij de militaire jurisdictie weer in en dreef die
met geweld door. Hij wilde niet toestaan, dat enig militair, als
hij iets misdaan of enige rechtszaken - als processen, testa-
menten e.d. - te verrichten had, door enige andere rechtbank zou
worden gestraft of voor een andere rechtbank zou mogen
verschijnen - al was 't maar om te getuigen ~ dan alleen door en
voor de krijgsraad, waarvan de Stadhouder heer en meester is, en
waar hij de vonnissen laat maken en vellen, zoals hij wil; of als
ze niet naar zijn zin uitvallen, net als de Turkse Keizer in zijn
rijk, ze naar goedvinden zelf verandert.
Deze militaire
jurisdictie is voornamelijk door Prins Maurits bedacht, als een
krachtig middel om zijn gezag in dit vrije land uit te breiden.
En al de volgende Stadhouders, door dezelfde geest gedreven,
hebben tegen al de bittere klachten, door Staten van provincies,
steden en gerechtshoven sedert het begin der vorige eeuw tot nu
toe onophoudelulijk tegen die gevaarlijke nieuwigheid geuit, dit
hun zo geliefde dwangmiddel als een der dierbaarste voorrechten
van het stadhouderschap gehandhaafd. Wie er zich tegen verzet,
wordt aan het hof met een zwart krijt aangetekend, zoals niemand
meer heeft ondervonden dan de heer van der Capellen tot den Pol.
Gij begrijpt intussen, mijne landgenoten! dat het gevolg van die
militaire jurisdictie is, dat wij tegen een militair geen meerder
recht kunnen verkrijgen dan onze heer de Prins ons gelieft te
vergunnen, wat zij U ook misdaan hebben, of hoeveel zij U ook
schuldig zijn. Hoe daarenboven de justitie door die krijgslieden
(die natuurlijk meer verstand van oorlog dan van rechten hebben)
wordt behandeld, en hoe kostbaar en moeilijk het is om voor een
vreemde rechtbank, om in den Haag voor de Hoge Krijgsraad tegen
een militair recht te gaan halen, dat hebben zovelen van U
ondervonden, dat ik me daar niet verder over hoef uit te laten.
Doch ik keer terug waar ik gebleven was.
Het kwartier van
Nijmegen had voor het geld der inwoners de graafschap Culemborg
gekocht. De laffe regenten - om aan de nieuwe afgod een offerande
te doen, bieden hem die graafschap aan en hij neemt ze. De Oost-
Indische Compagnie presenteert hem niets minder dan een
drieendertigste van al haar dividenden; de Amphioen-societeit ik
weet niet hoeveel aandelen. Hij sleept het allemaal in zijn
nest.
Kan zulk een man, mijne landgenoten, met de oude vader
Samuel zeggen: Ziet, hier ben ik, getuig tegen mij voor den
Here, wiens os ik genomen heb en wiens ezel ik genomen heb, en
wie ik verongelijkt heb, wie ik onderdrukt heb en van wiens hand
ik een geschenk genomen heb? Kan zo'n Prins, die openlijk
uitspreekt, dat hij het zich een onwaardeerbaar voorrecht rekent
het voorwerp der liefde van een VRIJ VOLK te wezen, en
niettemin een gezag aanvaardt en erfelijk aan zijn geslacht
verbindt, dat met alle denkbeelden over vrijheid strijdt,
kan zo'n prins in ernst eisen dat men hem gelooft? Gelooft mij,
mijn vrienden! Wat men U ook moge voorpraten of voorpreken,
welke betuigingen onze erfstadhouders U ook mogen doen dat zij
altijd alles voor Uw vrijheid over hebben die zij tot een
eeuwigheid zullen verdedigen! Geloof me! het bedriegen en veinzen
is de vorsten evenzo eigen als het onophoudelijk streven naar
meer en hoger macht. Er is geen vrijheid en er kan ook geen
vrijheid zijn in een land waar een enkel persoon
erfelijk het commando van een groot leger heeft; de
regenten van het land afzet en aanstelt of onder zijn bedwang en
invloed weet te houden; alle ambten vergeeft; door zijn invloed
op de benoeming van professoren meester is van hetgeen de
studerende jeugd op de hogescholen geleerd zal mogen worden; waar
het volk onkundig gehouden wordt, waar het volk ongewapend is en
niets ter wereld, God, niets te zeggen heeft! Dit is Uw
toestand, Nederlanders! Maar ik keer nog een ogenblik terug tot
Willem IV.
Na het weer invoeren van de militaire jurisdictie
(door de bovengenoemde Baron van der Capellen tot den Pol
zeerjuist een gedrocht of monster genoemd) trok het plakkaat over
de jacht zijn zorg.
De stadhouders zijn altijd zeer attent op
dit stuk geweest, omdat hoe minder mensen er mogen jagen, hoe
minder er ook leren met een geweer om te gaan, en hoe meer de
natie de wapenen ontwent. En dat heeft men graag want hoe minder
weerbaar de natie is, hoe gemakkelijker men haar naar zijn zin
kan dwingen. Om diezelfde reden - doch onder andere
voorwendsels - is ook het schijf- en valk-schieten uit de mode
geraakt.
Het beste dat onze Willem IV gedaan heeft (want hij
was lang de ergste vorst niet) is zijn poging om een vrijhaven in
ons land in te voeren. Dat is, dat er van de koopwaren geen in-
en uitgaande rechten meer zouden betaald worden. Jammer, dat het
niet doorgegaan is, want dit is het enige middel om onze
kwijnende handel weer wat nieuw leven in te blazen. En wij zouden
verstandig doen, als we in dit opzicht bijtijds de Keizer
navolgden.
Na het overlijden van Willem IV vielen we in handen
van mevrouw de Gouvernante. Zij regeerde op een wijze als men van
een Engelse Prinses kon verwachten en overeenkomstig de bedoeling
waartoe de Engelsen haar gezonden hadden. De koophandel - 't is
nog vers in ons aller geheugen - gaf zij ten prooi aan haar
roofzuchtige landgenoten, en zij wilde niet dulden dat die
behoorlijk beschermd werd. Ja, zover ging haar onbeschaamdheid,
dat zij door haar secretaris Larrey, ook al een
vreemdeling, aan de om bescherming, om oorlogsschepen smekende
kooplieden ronduit liet antwoorden: Dat het voor haar een
point d'honneur was geworden in geen equipage van oorlogsschepen
te bewilligen, zonder een vermeerdering van de landmacht, die
ze overigens alleen maar gebruikte om ze tot hulp van haar vader,
de Koning der Engelsen, aan onze erfvijanden toe te zenden, en
ons zodoende weer in een oorlog te wikkelen met de Koning van
Frankrijk die onsjuist goed deed en alle mogelijke voordelen in
de commercie bezorgde.
God verloste ons eindelijk van deze
Jezabel en zo kwam žs lands regering gedurende de minderjarigheid
van de tegenwoordige Stadhouder in handen van de Staten, of
liever van de Hertog Louis van Brunswijk, die Willem IV,
toen hij zich zwak begon te voelen uit Duitsland had laten
overkomen, om na zijn dood voor de belangen van zijn Huis te
zorgen, waar hij zich dan ook meesterlijk, haast boven
verwachting, van gekweten heeft. Ik zeg voor de belangen van het
Oranjehuis, want de belangen van de natie waren hem eigenlijk
niet aanbevolen. Daar was hij niet toe gehuurd.
Willem V onze
tegenwoordige Stadhouder begon, toen hij meerderjarig geworden
was, in alles gesterkt door de raad van deze zijn getrouwe
Achitophel, de weg van zijn vaderen te bewandelen, dat is de weg
die naar de soevereiniteit leidt, of liever, hij gedroeg zich al
als Soeverein.
Te Kampen hadden negenentwintig leden der
vroedschap, die daar uit zesendertig bestaat, zich verenigd om te
protesteren tegen het reglement op de voogdijschap van de jonge
Prins, hetwelk de Gouvernante hun wilde opdringen, en waaraan de
vroedschappen der andere Overijselse steden zich niet dan met
weerzin hadden onderworpen, omdat het een allerduidelijkste
inbreuk was op het privilege der steden.
Toen de Gouvernante
overleden was, wilde de vroedschap volgens stadsprivilegien, die
van de oudste tijden af altijd in gebruik waren geweest en nog
zijn, de jaarlijkse regering van veertien burgemeesters kiezen.
Maar dertien van deze knapen hadden de Hertog en zijn aanhang,
dat wil zeggen de Staten der provincie, te vriend en het
garnizoen gereed om op de eerste wenk onder de wapens te komen.
Zij bleven, ofschoon de vroedschap hen voor het volgend jaar niet
alleen nog niet had gekozen, maar zeer zeker, als zij haar
wettige keuze had kunnen uitbrengen, al de overtreders van eed en
plicht zou hebben overgeslagen, zij bleven, zeg ik, door de
gehele Oranjefactie ondersteund, tegen uitdrukkelijk protest van
de vroedschap, het stadhuis bezetten en bleven ook op het kussen
zitten zonder enige wettige verkiezing. En de vroedschap, die al
had moeten ondervinden dat men haar met geweld belette haar keuze
te publiceren, ja - ongehoord geval! - die gedurende haar
beraadslagingen door een militaire wacht bewaakt werd, oordeelde
raadzaam, nadat zij in een schriftelijke memorie had verklaard
die zogenaamde burgemeesters voor usurpateurs en geweldenaars te
houden, de vergadering voor die dag op te heffen. Zeven
vroedschapsleden echter bleven zitten, fortuinzoekers, van wie
drie kort daarna ook burgemeester zijn geworden. En ziet, zo
verging de euvele moed van die dertien burgemeesters, dat zij met
die zeven vroedschappen (die zij bij overlijden van een der
zesendertig altijd met een van hun eigen creaturen aanvulden)
meteen al de stad begonnen te regeren. En de andere
negenentwintig, ofschoon die de grote meerderheid vormden, hebben
ze tot dit uur toe nooit meer ter vergadering toegelaten,
uitgezonderd een paar die na verloop van ettelijke jaren laag
genoeg waren gezonken om het hoofd in de schoot te leggen en
zeker geschrift te tekenen. Ja zelfs zonden de dertien
burgemeesters hun collega de heer Roldanus een resolutie
thuis, waarbij zij die heer, omdat hij de partij der onderdrukte
vroedschap was toegedaan, verboden de vergadering der magistraat
bij te wonen, wanneer er over de kwestie der negenentwintig
vroedschappen zou worden gedelibereerd. De ontzette of eigenlijk
maar thuisgelaten negenentwintig vroedschappen (want dit
kunstje heeft de hofpartij er in Overijsel op uitgevonden, zoals
straks aan het geval van de heer Van der Capellen nader zal
blijken) hebben bij niemand ooit enige bescherming gevonden,
zelfs niet bij onze tegenwoordige Stadhouder, die, wel verre van
deze geweldpleging bij zijn meerderjarigheid af te keuren en die
eerlijke lieden in hun posten te herstellen, integendeel, de
drijvers van dit goddeloos werk, tot heden toe de meest openlijke
blijken van zijn goedkeuring, gunst en vertrouwen heeft
gegeven.
Prof. van der Marck, een braaf, door en door
eerlijk en kundig man, die de Groningse Academie roem verschafte,
leerde zijn studenten begrippen en gevoelens van vrijheid, die
voor het Stadhouderlijk Huis, hetwelk hij een diepe eerbied
toedroeg niet alleen niet gevaarlijk, maar zelfs zeer gunstig
waren. Dit woordje vrijheid was echter onduldbaar.
Mijnheer de Prins kon deze hoogleraar niet vergeven dat hij zijn
talent niet wilde gebruiken om - zoals andere professoren gewoon
zijn jonge slaven voor hem te dresseren. De man moest weg. Onder
voorwendsel van onrechtzinnigheid liet hij hem, ofschoon met een
talrijk gezin bezwaard, op de infaamste en onrechtmatigste wijze
uit zijn ambt ontzetten. En hij schaamde zich niet eens - zoals
zijn gedrukte brieven en adviezen bewijzen de hoofdrol in dit
drama te spelen. Dat de zogenaamde onrechtzinnigheid van de heer
van der Marck slechts het voorwendsel en niet de ware reden van
zijn ontzetting kan geweest zijn, blijkt niet alleen daaruit, dat
de professor terstond op een andere gereformeerde academie in het
buitenland is benoemd en tot ouderling der kerk aldaar is
aangesteld, maar ook en vooral daaruit, dat de prins de heer
Perennot, die in de plaats van de heer van der Marck
beroepen was, doch bedankte omdat hij op het gebied van de
godsdienst van dezelfde gevoelens was, door de curatoren
ter aanmoediging liet voorstellen, dat hij - als hij het
professoraat maar wilde aannemen - van het tekenen der
formulieren van instemming met de rechtzinnige beginselen werd
vrijgesteld. Het was dus enkel te doen om de goede van der Marck
weg te krijgen.
De Baron van der Capellen tot den Pol en lid
van de ridderschap en steden van de provincie Overijsel, een man
die in de regering is gegaan met het voornemen om nooit enig ambt
of commissie te willen hebben - hetgeen hij zowel na als voor
zijn intrede meermalen op verschillende plaatsen openlijk
verklaard en door zijn gedrag op politiek gebied tot spijt van
zijn vervolgers volkomen bevestigd heeft - de heer van der Pol
zeg ik, begreep, dat - zou de geringe vrijheid die ons onder het
stadhouderschap nog is overgebleven, niet geheel verloren gaan -
het hoog tijd was om zich openlijker en rondborstiger dan
totnutoe gebeurd was tegen de dagelijks toenemende macht en
onophoudelijke kuiperijen van het Huis van Oranje te verzetten.
Omdat de kracht van dat Huis hoofdzakelijk op de landmacht
berust, verzette de Baron zich steeds zoveel mogelijk tegen alle
vermeerdering van die landmacht, drong aan op het weren van
vreemdelingen en op het recht dat alle volken hebben om - zoals
hij zich in tegenwoordigheid van onze Prins in 1773 uitdrukte -
in hun eigen land, welks lasten zij alleen dragen, ook alleen
te worden aangesteld.
Ter gelegenheid van de vergeving van
de Overijselse commissies, bracht hij onze Willem V met een
beleefde brief (waarop deze zich echter niet verwaardigde te
antwoorden), onder het oog, dat het reglement op de regering
vorderde, dat er nominatie van enige personen tot het vervullen
van die commissies zou worden opgesteld, zoals ook nog onlangs
tijdens het leven van de Prinses-Gouvernante was geschied. Hij
herinnerde er onze Willem aan, dat hij zowel als alle regenten
dat reglement had bezworen, wees hem op bescheiden wijze op de
gevolgen die het hebben moest als zo'n grondwet steeds werd
overtreden. De Baron bracht als lid van de Staten een
schriftelijk voorstel dienaangaande ter vergadering van Overijsel
ter tafel, maar de heren dier provincie, zoals ze in de
landprovincies bijna allemaal zijn, nl. afhangelingen van de
Prins, weigerden dat voorstel in overweging te nemen, totdat de
Prins zo brutaal mogelijk, met schending van hetgeen hij onder
ede bezworen had, de commissies zonder nominaties vergeven had en
de Staten al die aanstellingen hadden goedgekeurd, dwars tegen
het protest van de Baron in.
De Koning van Engeland en onze
Prins overlegden, hoe zij de Republiek het best in de haken en
ogen zouden kunnen halen waarin Engeland op žt punt stond te
geraken door het onderdrukken van de Amerikanen; en zij spraken
met elkaar af om te voorkomen dat wij in die omstandigheden ons
voordeel deden en onze koophandel zich zou uitbreiden - dat de
Prins zelf in eigen persoon (zoals hij evenals een Engelse
commissaris in een zeer dringende brief gedaan heeft) aan de
Staten van elke provincie zou verzoeken om de Schotse
regimenten, die in onze dienst zijn, aan zijn lieve neef en
bondgenoot uit te lenen.
In alle provincies ging dit voorstel
er vlot door, doch het was onze Overijselse Baron, die het gevaar
van zo'n stap doorzag en duidelijk toonde, en dit listig verzoek
dat alleen bedoeld was om als deze schaapjes eenmaal over de brug
waren, ons evenals in 1742 en vervolgens steeds dieper in de
nesten te wikkelen, ronduit afsloeg. Zoals Amsterdam het enige
weken later - doch wat diplomatieker - ook deed.
De Baron
doorzag behalve de gevolgen die het lenen van deze troepen voor
de rust en welvaart van zijn vaderland noodzakelijk moest hebben
en de onbillijkheid om mensen die ons nooit wat misdaan en een
rechtvaardige zaak hadden, te helpen onderdrukken, ook nog de
verborgen toeleg van onze Prins, om hierdoor nog enige regimenten
meer in zijn dienst te krijgen. Want in plaats van die Schotten
zouden anderen worden aangeworven (precies zoals was geschied met
de troepen die naar de West gezonden waren) om ze vervolgens
allemaal in dienst te houden. De Baron bracht deze toeleg
openlijk aan het licht en verklaarde op zijn oud-Hollands
dagelijks groter tegenzin in al die vermeerderingen van onze
landmacht te krijgen, zolang het monster van de militaire
jurisdictie op de troon bleef.
0, hoe gaarne zou onze Willem
die Baron toen reeds hebben weggewerkt! Hoe weinig scheelde het,
of hij en zijn getrouwe bondgenoot de Koning van Engeland hadden
het door openlijk genoegdoening te eisen de door niemand
ondersteunde edelman het land te benauwd gemaakt! Maar de tijd
scheen nog niet gekomen, om zich van hem te
ontdoen.
Wolffenbuttel (Hertog v. Brunswijk), zijn
gezworen vijand, voorzag in het onverzettelijk karakter van deze
vaderlander, dat hij zich vroeg of laat - zoals men het toen
uitdrukte - wel eens erger zou vergalopperen. En de Prins
vergenoegde er zich ditmaal mee dat men in weerwil van al de
protesten van de Baron, zijn advies weer uit de registers van de
Staten wierp en op de loer bleef liggen op een geschikte
gelegenheid om zijn persoon zelf uit de vergadering te
werpen.
Deze gelegenheid verschijnt. De Baron, indachtig dat
hij als regent door eed en plicht gehouden was om onrecht te
weren en de rechten en vrijheden der ingezetenen te beschermen,
gaat in de bres staan voor de met slaafse en onverplichte
diensten belaste boeren in zijn provincie. Hij toont aan dat die
drostendiensten nooit geoorloofd zijn geweest. Dat zij 300
jaar geleden reeds verboden waren; dat zelfs onze tiran Filips er
tegen gewaakt heeft.
Hij toont dat de Staten in 1631 de
traktementen van de drosten verhoogd hebben met uitdrukkelijk
bevel, dat zij generlei diensten of voordelen meer zouden
genieten. Hij stelt voor dat men die diensten eens en voor al zou
moeten vernietigen, en de tegenwoordige drosten uit de
provinciale kas een douceurtje daarvoor moet toekennen. En
mijnheer de Prins, die het niet kan verkroppen dat men, zoals de
Baron, door het doen drukken en uitgeven van zijn memorie over de
drostendiensten gedaan had, aan de ingezetenen de ware gronden
van vrijheid en de rechten en belangen der burgermaatschappij had
leren kennen, de Prins laat hem, een geboren regent, door zijn
creaturen, die allen zeer bekend zijn en door Zijne Hoogheid
openlijk met gunst en zoveel mogelijk met ambten en commissies
beloond zijn, zonder enige rechtspleging uit de vergadering
zetten en tot heden - nu bijna drie jaren - uit de vergadering
houden! Men heeft de Baron evenals de negenentwintig
vroedschappen en burgemeester Roldanus te Kampen zogezegd wel
niet finaal ontslagen! Neen, hij blijft in naam lid van de
Staten; heeft - zoals ik uit goede bron weet - toegang tot de
papieren van de provincie; trekt nog zijn (geloof ik) honderd
guldens als ingeschreven edelman, wordt in alle opzichten als
ingeschreven (in de ridderschap) aangemerkt; maar de vergadering
bijwonen, dat wordt hem bij voortduring belet, daar men genoeg
had van zijn stem en zijn tegenstand. Men weigert niet alleen een
regent, die men bij openbaar plakkaat van 27 oktober 1778 door de
hele provincie met naam en toenaam valselijk als een
leugenaar en een volksverleider had tentoongesteld,
eerherstel, maar zelfs is de onbeschaamdheid van de Overijselse
ridderschap op de laatste landdag zover gegaan, dat ze op de
herhaalde aanbieding van de Baron, ja, op diens dringend verzoek
om toch de geschillen in der minne te schikken geantwoord hebben,
dat dat hun eer en aanzien te na zou gaan, dat zij het voor de
nazaten niet zouden kunnen verantwoorden; dat de waardigheid van
de Staten vorderde, dat men zich wegens de hoon en smaad, hun
door de heer van den Pol aangedaan, genoegdoening zou verschaffen
in rechte en soortgelijke snorkerijen meer, die nog zotter zijn
als men bedenkt, dat de rechtbank niet alleen voor de ridderschap
nooit gesloten is geweest, maar dat de heer van den Pol reeds in
november 1779 getracht heeft zijn partij door rechtsmiddelen
juist tot het beginnen van de procedure waarmee gedreigd wordt,
of tot een eeuwig zwijgen te noodzaken.
0 Willem de Vijfde!
Zijn niet Uw antwoorden op 's mans smeekschriften, waarin gij hem
zonder hem te horen schuldig verklaart, en al de stukken die
betrekking hebben op deze schandelijke zaak, gedrukt? Is Uw snode
toeleg ons niet wel bekend? Gij en Uw voorzaten hebt de hele
ridderschap van Zeeland reeds weten te vernietigen en haar plaats
en stem in de statenvergadering dier provincie onder de naam
slechts van Eerste Edele, alleen weten in te nemen en te
behouden. Gij en Uw voorzaten hebt reeds de steden onder Uw macht
doen bukken en gij kunt de magistraten van de steden in zoveel
provincies volgens Uw soevereine wil afzetten en aanstellen. Is
het niet Uw toeleg om evenzo nu ook nog de nog niet rechtstreeks
van U afhankelijke ridderschappen (iets waar Maurits nog
maar een enkele keer aan heeft durven tornen) ja, alle regenten
in ons vaderland van U geheel afhankelijk te maken, en U van
degenen die ongenaakbaar voor Uw verlokkingen zijn en zich tegen
Uw overheersing durven verzetten, door een omgekochte
meerderheid, die 't nooit aan voorwendsels zal ontbreken, te
kunnen ontdoen!
Wie is er veilig in ons land? Wie kan zijn
plicht doen, als een aan U verslaafde meerderheid de leden der
hoge regering die U mishagen omdat zij hun eed getrouw zijn, op
Uw wenk van het kussen kan en straffeloos mag schoppen? Als gij
door Uw schepsels de onschuldigste regenten buiten de bescherming
der wet kunt stellen? Als gij, wanneer 't U maar behaagt, iemand
van zijn dierbaarste, van zijn aangeboren rechten kunt laten
beroven? 0, Willem de Vijfde! Ik daag U uit voor God en onze
natie, U op deze beschuldigingen te verdedigen! Niet Uw
werktuigen in Overijsel, die zonder U heus geen moed genoeg voor
zoiets ongehoords gehad zouden hebben, maar gij, gij alleen, die
hen hebt gebruikt en ondersteund, gij hebt de heer van der
Capellen en in hem alle regenten beledigd, vervolgd,
mishandeld, in gevaar gebracht! Ik weet wel, o Vorst! dat deze
zaak evenals de oorlog met Engeland die door de natie heel anders
wordt opgevat dan U verwacht had, U een weinig verlegen begint te
maken en dat gij de baron - indien hij er U opnieuw om zou
vragen, misschien in schijn wel een rechtspleging zou toestaan;
doch ik hoop dat hij Uw vijandigheid tegenover hem en Uw invloed
in ons land te goed zal kennen, dan dat hij zich voor een tweede
keer aan U zal wagen. Het voorbeeld van Barneveld, de Witt,
Amsterdam, etc. moet hem geleerd hebben, wat een Stadhouder kan
doen, en wat men doet om hem te gerieven. Hij kan dus geen reden
hebben om naar een proces te verlangen en het is onbegrijpelijk
dat hij er zo menigmaal op heeft durven aandringen en zelfs de
stap heeft gedaan om er de Staten van Overijsel door een citatie
ex lege diffamari toe te dwingen!
Is er onder Uw
voorzaten een geweest, die tegen zoveel en zo bittere klachten
van zoveel leden van de staten, van zoveel gerechtshoven, zo
vermetel, zo onbeschaamd de militaire jurisdictie heeft durven
doorzetten als gij? Gij hebt zelfs Willem III daarin overtroffen
en durven klagen, dat die in dit opzicht de voorrechten van het
stadhouderschap had beknot!
Is niet Uw verachting voor de
vrijheid en veiligheid van een natie, die U en Uw Huis groot
gemaakt en steeds met een blind vertrouwen geeerd heeft, zo ver
gegaan, dat ge in 1768 zelfs een burger, een ordentelijk koopman
door het garnizoen en de krijgsraad van Zutphen hebt laten
straffen? Dat hij onschuldig is mishandeld is nog 't minste van
Uw misdaad; maar dat ge in Uw brief van 3 mei 1768 aan de Staten
van Gelderland, wier dienaar gij behoorde te zijn, nadat zij U
verschillende gerechtelijke bewijzen betreffende deze zaak hadden
toegezonden, het volgende durfde schrijven: Dat gij die
rapporten door Uw officieren, in hun kwaliteit aan U gedaan voor
een voldoend bewijs houdt en de in de provoost gevangen zittende
burger, zonder Uw speciale order zekerlijk niet had mogen worden
ontslagen, net alsof de Staten geen orders meer zouden mogen
geven aan de troepen die in hun provincie gelegerd zijn!
Dat
gij - ik beef voor de gevolgen! - alleen op zulke rapporten een
militair vonnis, dat gij toch altijd naar Uw goedvinden of laat
vellen of zelf velt (zoals gij in dit geval hebt gedaan) over
een burger hebt laten ten uitvoerleggen - hierdoor hebt gij
de heiligste rechten van onze natie vertrapt en getoond dat
niemand van ons tegen Uw gewapende arm enige schuilplaats in deze
woning der oude Batavieren meer is overgebleven! Verdedig U,
Prins, zo gij kunt!
Hoeveel voorbeelden hebben wij onder Uw
regering niet moeten aanzien van burgers, die door militaire
officieren mishandeld, niet de minste genoegdoening bij U hebben
kunnen krijgen; en dit ofschoon de magistraten van hun steden er
U op de dringendste wijze om verzochten en U aantoonden welk
gevaar de vrijheid en veiligheid der ingezetenen liep als tegen
dergelijke daden van willekeur van militairen tegen burgers niet
werd opgetreden. Maar gij wilt een militaire regering over ons
uitoefenen en bij ons invoeren en daarom ziet gij graag dat de
militairen, die immers Uw slaven en werktuigen zijn, de baas over
ons spelen. Daarom houdt ge de militairen altijd de hand boven
het hoofd, zodat men in plaats van als broeders en leden van
hetzelfde lichaam met hen te kunnen samenleven en hun die achting
te kunnen toedragen die de adel van hun beroep - zo er geen
misbruik van wordt gemaakt - verdient, men thans moet schrikken
als men een blauwe rok ziet.
Is er ook maar een artikel van
enige grondwet dat gij ongeschonden hebt gelaten, als ge maar zag
dat men toch niet genoeg moed had om het te verdedigen! Is er bij
wijze van spreken nog een ambt, waarvan het benoemingsrecht nog
aan de Staten of colleges is gelaten, dat gij van tijd tot tijd
niet aan Uzelf trekt ter vervulling of met Uw eigen creaturen,
waaronder dikwijls vreemdelingen, bezet? Zijn zij, die nog iets
te vergeven hebben, niet genoodzaakt dit in aller haast en stilte
te doen, uit vrees voor Uw onbescheiden aanbevelingen, die men
niet durft weigeren?
Eerbiedigt gij de stemmen der Statenleden
in belangrijke zaken waarin eenstemmigheid vereist wordt?
Hoeveel burgemeesters hebt ge sedert Uw regering niet, tegen de
stads- en landprivileges in, in de stadsbesturen van Gelderland
en elders gewerkt, die of geen burgers waren of de vereiste jaren
niet hadden f die te jong waren om de eed af te leggen f die
ambten hadden die hen van de regering uitsloten? Gij spot met
alle voorrechten. Die privileges haat ge, omdat ge als ze
behoorlijk gehandhaafd werden, dan minder willekeurig zoudt
kunnen handelen, omdat ze Uw gezag beperken.
Waarom laat ge in
de steden van Gelderland de colleges van de gezworen
gemeente, de enige steun van de burgervrijheid en ons aller
vrijheid, vervallen, uitsterven, veronachtzamen en van hun gezag
beroven? Waarom anders dan omdat gij van niemand enige
tegenstand wilt dulden, maar alleen over ons wilt heersen? Wie
heeft U de bevoegdheid gegeven om ongekwalificeerden, die niet
tot de jacht gerechtigd zijn door Uw aktes ten nadele van
anderen, verlof te geven om te jagen, terwijl ge weer anderen die
er wel toe bevoegd zijn, het jachtrecht ontneemt? Waarom voert ge
door Uw tirannieke en willekeurige jachtreglementen (een
wetgevende macht, die ge U ook al hebt aangematigd) de inquisitie
weer bij ons in? Zo zijt ge de oorzaak van duizenden valse eden
en zo laat ge de ingezetenen van het platteland op de meest
onverdraaglijke wijze plagen.
Wordt niet op de Veluwe
Uw naam door de arme landman gevloekt, omdat hij overdag moe en
afgewerkt, 's nachts in plaats van rust te genieten en door de
slaap zijn uitgeputte krachten te kunnen herstellen, zijn koren
net als in oorlogstijd moet bewaken tegen de herten? De herten
die Uw vader ook al uit het buitenland liet komen en die hier
onder Uw bescherming en enkel tot Uw vermaak (want gij zijt 't
alleen die een hert mag doden) doch ten koste van het zweet der
arme boeren hier leven en zich vermenigvuldigen. Indien U maar
het belang der boeren, die allernuttigste leden der
burgermaatschappij ter harte zou gaan. Indien ge wist wat
mensenliefde is, dan zoudt ge allang die arme boeren van
Overijsel - en zeker nadat zij er U op de deemoedigste wijze in
openlijke verzoekschriften om smeekten - van die slaafse en
alleszins onwettige diensten, die de drosten - Uw creaturen - hun
afpersen, hebben verlost. Ook zoudt ge allang de heer van der
Capellen de gelegenheid ontnomen hebben om in zijn vertoog over
de onwettigheid dier diensten te klagen, dat er wel jacht-
opzieners doch geen vroedvrouwen uit de provinciale kas worden
betaald! Gij zoudt dan niet verantwoordelijk geweest zijn voor de
levens van zoveel mishandelde kraamvrouwen en kinderen, die nu op
Uw hoofd neerkomen! Zeg niet, o Prins, dat U dat niet aanging!
Gij kunt, gij hebt tot alles de macht; alles wat er geschiedt en
niet geschiedt, het komt hier op aarde en in het hiernamaals op
Uwe rekening.
Wie wordt er met Uw vertrouwen vereerd dan
alleen dezulken die gij of Uw Achitophel al kennen als schurken
of waarvan gijlieden hoopt en verwacht dat zij het zullen worden?
Zijn niet verreweg de meesten van Uw lievelingen de slechtste,
zedelooste schepsels, hoerenlopers, echtbrekers, dobbelaars en
zwelgers?
Welk soort mensen kiest gij uit de provincies om in
de Staten-Generaal, Raad van State, admiraliteiten en andere
colleges zitting te nemen? Kiest ge daartoe niet alleen degenen
die doortrapt genoeg zijn om hun stemmen aan U te verkopen, of te
dom of te bang om zich tegen U te verzetten? De eerlijke, de
kundige, de moedige patriot, de man die spreken durft en kan,
beschouwt ge als Uw vijand, met afkeer, met schrik, met vrees.
Want zulke mensen dienen U niet. Dat zijn gevaarlijke
'karels'!
Waarom wordt - wat burgers en boeren betreuren
en allen die hem als regent kennen - Baron Van der Capellen,
heer van de Marsch door U gepasseerd? Waarom draagt gij deze
patriot ook al een kwaad hart toe, dan alleen omdat hij kan en
durft spreken en omdat hij de boezemvriend is van de heer Van der
Capellen tot den Pol; omdat hij voor het onbeperkt konvooi was;
omdat hij Uw plan om een veldleger bijeen te brengen (teneinde
ons nog gemakkelijker te overheersen en Uw soldaten nog beter bij
de hand te hebben) heeft laten mislukken! Omdat hij steeds
aandringt op het versterken der vloot, en als een eerlijk regent
op een alliantie met Frankrijk en Amerika; omdat hij wilde dat
men terstond op het eerste aanbod de gewapende neutraliteit zou
aannemen; omdat hij adviseerde dat men ons ongelukkig
vaderland tegen de aanvallen der Britten en hun verraderlijke
invloed (hoor je wel, vorst: verraderlijke invloed)
moest verdedigen; omdat hij het hatelijk en onverdraaglijk vindt
om de Schotten, die tegenwoordig nog onder de eed van Engeland
staan, niet alleen in dienst te houden, maar zoals Uw
vaderlandsgezind voorstel was, nu nog hun aantal - de nazaat zal
het waarachtig niet kunnen geloven - midden in een verraderlijke
oorlog met Engeland, te willen vermeerderen; omdat hij het recht
van onze brave vaderlanders om gebruikt te worden in de militaire
commando's van hun eigen land, heeft durven voorstaan en zijn
billijke verontwaardiging heeft durven tonen, dat gij de beste,
gewichtigste posten aan vreemde prinsen, hertogen, graven en
andere groten heeft gegeven en de ingezetenen voorbijgaat. Dat
zijn de misdaden van deze edelman. Hij is een gevaarlijke
karel, niet waar Vorst? Wat zou 't gelukkig voor U zijn als
de Zutphense ridderschap net zo laaghartig dacht als de
Overijselse. Dan zoudt gij U ook van deze lastige tegenstander
kunnen ontdoen!
Is niet de wijze waarop het U eindelijk gelukt
is, de brave belangeloze van Berckel, die ijverige voorstander
van onze handel en welvaart, uit de statenvergadering van Holland
te werken, een bewijs dat gij alles durft en alles kunt? Omdat ge
in Amsterdam geen 'afhangelingen' genoeg hebt om die man eronder
te krijgen, laat gij hem (ofschoon ge slechts een dienaar zijt
die de bevelen van zijn meesters ten uitvoer moet brengen, voor
welke bevelen niet de dienaar maar enkel zijn meesters
verantwoordelijk zijn), door Uw vriend York uit naam van
Uw neef, de Koning van Engeland, ofschoon men hem niets misdaan
had, een strafproces aandoen en in moeilijkheden brengen. En niet
alleen dit. De broeder van onze patriotse en bij ieder geliefde
pensionaris zou ook Uw haat voelen en werd door U van het
burgemeesterschap van Rotterdam, hoewel hij er het meest voor in
aanmerking kwam, uitgesloten.
Hoe springt gij met het
gratierecht om? Is er ooit onbeschaamder en willekeuriger
misbruik van gemaakt? In plaats van een hulpmiddel tegen de
strengheid der wet voor de ongelukkige misdadiger te zijn, is het
in Uw hand een toevlucht voor de slechtaard, voor de bedrijver
van halsdelicten geworden. 0, Willem! Waar zal men zich in ons
vaderland voor U verschullen, waar gij de macht hebt om
moordenaars straffeloosheid te bezorgen!
Wat hebt ge met het
leger gedaan? Hebt ge het lot van 36000 mensen, die voor een
gering loon (een miserabele 28) hun leven en hun vrijheid veil
hebben en eigenlijk slaven zijn in de ware zin des woords, hebt
gij het lot van die duizenden, toen de Overijselse Capellen het U
in 1773 voorstelde en de stad Amsterdam er U daarna meer dan
zeven ton gouds voor beschikbaar stelde, door een allerkleinste
verhoging van soldij wel eens willen verzachten? Zijt gij door Uw
onverzettelijke hardnekkigheid om steeds meer troepen te willen
hebben, niet de oorzaak dat het leger (welks soldij nu maar
tijdelijk verhoogd is) verstoken is gebleven van het blijvend
genot van zo'n aanmerkelijke som? Hebt gij het leger door het
wegzenden der oude officieren, die meestal de beschikking hebben
over de traktementen en compagnieen, en hun vervanging door jonge
lieden zonder traktementen, dat leger niet ongeschikt gemaakt
voor de dienst van het land?
Aan wie hebben onze troepen al
die plagerijen, kwellingen, dat onophoudelijk exerceren, dat
gedurig veranderen van garnizoen, dat manoeuvres houden en
soldaatje spelen te danken dan aan U alleen? Wat bedoelt ge
daarmee? De krijgsmacht van de staat discipline bij te brengen?
0, neen, vorst! De krijgsmacht van de staat te doen vergeten, dat
zij mensen, dat zij burgers zijn; haar geheel af te scheiden van
het overige der natie, haar alle gevoel te ontnemen en tot blinde
werktuigen van Uw wil te maken.
Met welk goed doel kan men de
militaire discipline zo ver drijven, dat de krijgslieden,
officieren en gewone soldaten zelfs in hun particuliere zaken zo
aan hun hoofden onderworpen zijn, dat in het leger ieder die
slechts een rang hoger is dan de ander, tegenover deze zijn
meerderheid (door U ondersteund) kan en mag doen gelden in zaken
die met de krijgsdienst niets te maken hebben? Ziet men zelfs
niet vrouwen naar de hoofdwacht brengen?
Wat bedoelt ge
daarmee, Vorst?
Ik zal 't U zeggen. Gij zijt de bron van alle
macht, die in 't leger uitgeoefend wordt. Alleen uit U vloeit zij
voort. Hoe meer het leger slaaf is, hoe vrijer en onafhankelijker
zijt gij; hoe meer gij er U op kunt verlaten, als gij 't eens
nodig vindt dingen te bevelen, die het leger U zeker zou
weigeren, als zij nog uit vrije mensen en burgers
bestond.
Misschien nadert de tijd dat gij de proef ermee zult
nemen. Nog eens, Vorst! Onze troepen waren steeds dapper toen zij
uit ingezetenen bestonden en gelukkig en vergenoegd waren. De
vrijheid is met de strengste krijgstucht best verenigbaar. Maar
de vrije krijgslieden van een vrij land als ossen met stokken
voor zich heen te drijven en hen tot zelfs in hun huishoudelijke
zaken en dagelijks leven aan U te onderwerpen, is het toppunt van
dwingelandij.
Hoe willekeurig behandelt gij de bevorderingen
in het leger! Hoe menig braaf man is door U en wordt er dagelijks
door U verongelijkt om plaats te maken voor Uw gunstelingen, voor
Uw vreemdelingen!
Schreeuwt het niet ten hemel, een vreemde
Baron, die wegens vrouwenroof veroordeeld en uit de keizerlijke
landen gebannen is, tot kolonel bij onze cavalerie te plaatsen
met toezegging van het bevel over een compagnie? En dan op de
bezwaarschriften van de notabelste regenten daartegen, in de
heerszuchtigste trant te antwoorden: Dat zulks nu zo blijven
moest, en dat gij er niet aan dacht daar verandering in te
brengen!
Hebt gij niet in het regiment van Baden twee
vreemdelingen - de een een Pool en de ander een bastaard van de
markgraaf - als kapiteins geplaatst, insgelijks met toezegging
der eerste compagnie, tot verdriet van waardige officieren,
waarvan er reeds een om dit geval ontslag heeft
genomen?
Waarom hebt ge de provincie Holland met zoveel
krijgsvolk - en wel bijna allemaal vreemde regimenten of door
vreemdelingen gecommandeerd - volgepropt? Waartoe dient dit? Om
de Engelsen een landing te beletten? Zotteklap! Ik zal het U
zeggen, Vorst! Gij en Uw vrienden probeerden door middel van deze
oorlog een opstand in ons land te verwekken. Als deze opstand
tegen de patriotse partij daarop was uitgelopen waar men
eigenlijk op had aangestuurd - en waarvan men zoveel
verwachtingen had, dat de Engelse nieuwsbladen er al van spraken
als van iets dat niet missen kon, ja dat zelfs in Amsterdam al
werkelijk was geschied - dan zoudt gij die troepen gebruikt
hebben om die opstand te ondersteunen, de patriotse partij geheel
te vermorzelen en U in de verwarring weer groter gezag te laten
opdragen. Maar nu dit anders is uitgevallen en het volk meer lust
toont zich tegen U te verzetten en tegemoetkoming aan zijn
grieven en bezwaren te eisen, nu is Uw toeleg, de misnoegde
ingezetenen desnoods door middel van die troepen en van Uw
afhangelingen in de regering, te dwingen en in toom te houden.
Zie daar, o Vorst, Uw geheime oogmerken, en de eenvoudige reden
waarom gij een veldleger wilde hebben, en waarom gij al die
troepen nog in Holland, de machtigste provincie, laat
blijven.
Hebt gij, o Willem, niet door ons hele land Uw
spionnen, aanbrengers en verklikkers, die zich in alle
gezelschappen weten in te dringen en ons van de genoegens van een
gulle openhartige samenleving beroven? Zijt gij 't niet, die onze
hele natie daardoor vreesachtig, achterhoudend en geveinsd
gemaakt hebt en haar rondborstig, eenvoudig en oud-Hollands
karakter en bestaan hebt bedorven? Door wiens toedoen, o vorst,
zijn zelfs de briefwisselingen niet meer heilig?
Hoe hebt gij
U sedert het uitbarsten van de Amerikaanse oorlog tegenover onze
kooplieden, onze zeelieden, ons hele vaderland en zijn
dierbaarste belangen gedragen? Steeds verknocht, verslaafd,
gehecht aan het Huis van Engeland - dat, ik herzeg het, om ons
vaderland en zijn koophandel te zekerder te gronde te richten,
aan Uw Huis reeds tweemaal het stadhouderschap heeft bezorgd en U
tenslotte omdat wij hun toch nog te veel in de weg stonden, nog
te veel voorspoed hadden, nog niet genoeg hun zijde kozen, geheel
Soeverein wil maken - hebt gij nooit toegestaan dat men zich
tegen de geweldenarijen en roverijen van deze Uw vrienden en
bondgenoten verzette. Gij wilde niet, dat de zee beschermd werd,
waar duizenden weerloze zeelieden in goed vertrouwen op de
tractaten rondzwalken met meer schatten dan mogelijk de drie
landprovincies Gelderland, Utrecht en Overijsel, voor 't gemene
bondgenootschap waard zijn, en dagelijks bloot staan aan de
roofzucht en wreedheid van Uw Engelsen.
De klaagstem der
kooplieden, die voor zovele duizenden, die voor het behoud van
het gehele vaderland spraken, baden, smeekten, werd door U
veracht. Het bloed van Uw landgenoten, door Uw Engelsen op zee
mishandeld, gepijnigd, gefolterd, vermoord, riep tevergeefs om Uw
wraak en Uw bijstand. Uw Engelsen eisen, dat wij te hunnen
behoeve van een der voordeligste vaarten zouden afzien, die ons
alleen in tijd van oorlog worden aangeboden, ons, wier handel in
vredestijd gering is en die juist alleen bij neutraliteit moeten
en kunnen leven. En gij laat door Uw landprovincies en andere
creaturen alle schepen, met scheepshout en materialen beladen
buiten bescherming stellen tegen het protest van Amsterdam en
anderen in, die niet machtig genoeg waren om U te weerstaan.
Onder voorwendsel dat de Republiek nog niet voldoende bewapend
was om haar rechten tegen Engeland te kunnen verdedigen! Maar
Vorst, zo stonden de zaken. Onder voorwendsel dat wij niet
voldoende bewapend waren, hield gij de onbeperkte konvooien tegen
en opdat wij nooit in de gelegenheid zouden raken om onze
houtschepen te beschermen, liet gij onder de hand op allerlei
manieren de aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen
tegengaan.
Voor de schijn en om U niet al te zeer bloot te
geven en zo nodig U voor de natie te kunnen verontschuldigen,
laat gij zogenaamd besluiten dat men eerst tweeendertig en
vervolgens tweeenvijftig oorlogsschepen gereed zal maken.
Ofschoon het even onredelijk, ja eigenlijk nog onredelijker is de
kooplieden hun eigen bescherming te laten betalen dan de
landprovincies het onredelijk zouden kunnen vinden als men haar
aan haar eigen krachten overliet, brengen toch de kooplui
blijmoedig de verzwaarde en de handel drukkende lasten daarvoor
op. Zij betalen dus te goeder trouw hun bescherming, maar tot dit
uur hebben ze nog geen bescherming genoten!
Is dit trouweloos
of niet Prins? Zijt gij de werkelijke, de enige oorzaak niet van
alle geleden verliezen, en van het feit dat zoveel brave
kooplieden geruineerd zijn? Zijt Gij, o Vorst! bijgevolg niet
rechtens verplicht tot schadeloosstelling? Hoe zoudt ge U kunnen
verdedigen, als men U wegens dit plichtsverzuim in rechten mocht
aanspreken? Antwoord daarop, o Neerlands admiraal generaal en
beveiligen der zee!
De Keizerin van Rusland biedt ons een
verbond van onderlinge bescherming aan, zendt haar schepen om
zich bij de onze te voegen. Wie anders dan gij alleen zijt de
oorzaak dat wij niet terstond - zoals had behoren te geschieden -
in dat verbond zijn getreden? Wie anders dan gij alleen hebt door
dit dralen de Engelsen tijd gegeven om dat wel uitgedacht verbond
door hun kuiperijen in rook te doen vervliegen? Iets dat niet
gebeurd zou zijn als wij van stonde af aan onze schepen bij die
der Keizerin hadden gevoegd, toen deze voor dat doel voor Texel
lagen?
Verontschuldig U niet Prins, want de brieven zijn
bekend, zeer bekend, waarin gij de regenten het toetreden tot die
alliantie tot het alleruiterste toe hebt afgeraden. Doch ditmaal
vreesden zij het volk meer dan U. Uw eis was duidelijk al te
gevaarlijk. Groot is intussen de dienst die gij door het
verijdelen van dit bondgenootschap ener gewapende neutraliteit,
aan Uw Engelsen bewezen hebt, want het was met hun heerschappij
over de zee gedaan geweest, als het was tot stand gekomen.
Vertrouw ook maar op hun dankbaarheid. Waarschijnlijk houden zij
hun woord en wordt Uw dochter - zoals York u beloofd heeft -
mettertijd Koningin van Engeland en een van hun Prinsessen weer
als vanouds aan Uw zoon, onze Erfprins gegeven.
Maar verder.
Kunt gij, o Neerlands Stadhouder voor God getuigen, dat gij niet
hebt getracht ons eerst in een oorlog met Frankrijk en Amerika te
slepen? En dat gij, toen dat niet lukte, van deze oorlog die de
Engelsen ons nu hebben aangedaan, niet lang vooraf hebt geweten?
Dat gij die oorlog niet tezamen hebt overlegd? Dat gij niet
geprobeerd hebt ons land ter zee ongewapend te houden om
gelegenheid te hebben de rampen die gij voorzag dat ons door
Uw zorg ongewapend gehouden Vaderland moesten treffen, op de
schouders van de onschuldige, volstrekt onschuldige Amsterdamse
regenten te schuiven, op de pensionaris van Berckel, op de beide
Capellens, op de rekwestrerende kooplieden en op andere eerlijke
mannen? In de hoop dat de gemene man dit net als vroeger in zijn
eenvoud zou geloven en terstond een opstand zou maken om U tot
redding van het vaderland nog meer gezag, dat is de
soevereiniteit zelf te doen opdragen, waarbij gij deze opstand
desnoods door Uw soldaten zoudt doen ondersteunen? Ontken het
niet, o Willem! Dit plan (gelijk aan het gedrag Uwer voorvaderen)
verraadt U; Uw eigenhandige brief aan de Staten van Friesland,
d.d. 24 januari 1779, waarin gij U over de alleszins billijke
maatregelen van de Koning van Frankrijk, onze natuurlijke
bondgenoot, tegenover die leden onzer Republiek, die door Uw
toedoen zich openlijk als de begunstigers der Engelsen,
Frankrijks vijanden, toonden, op zulk een wijze hebt durven
uitlaten dat het nog een wonder is, dat gij en Uw Engelse aanhang
niet allang de wraak van die vorst hebt ondervonden, verraadt U;
Uw hardnekkige verkleefdheid aan Engeland; Uw intieme omgang en
correspondentie met York, die gij nog tot het allerlaatste
ogenblik hebt onderhouden en mogelijk nog niet geheel hebt
afgesneden, Uw onverzoenlijke haat tegen iedereen die niet samen
met U Engelsgezind wil zijn, verraden U! De bereidvaardigheid,
ijver, ja, het genoegen waarmee ge U hebt laten gebruiken, om de
op de Amerikaanse gezant Laurens gevonden papieren (ofschoon die
tot gevolg zouden kunnen hebben dat Amsterdam en enige andere
daarbij betrokken patiiotten erdoor in moeflijkheden zouden
worden gebracht) aan Hunne Hoog Mogenden in persoon over te geven
onder toevoeging van bittere opmerkingen, verraden U! Ook de
verheugde gezichten van Uw hovelingen bij het vernemen van de
rampen die ons vaderland troffen; het onnatuurlijke genoegen, dat
gij durfde tonen bij het bericht van het gevecht met Parker op 5
augustus dat de Engselsen de vlag toch maar niet gestreken
hadden (men verzekert dat het Uw eigen woorden zijn). En de
vreugde door Uw Gelderse freule (die door haar nauwe betrekking
tot Uw persoon met Uw geheime gedachten wel niet geheel onkundig
zal zijn) de vreugde, zeg ik, door deze dame die ge laag genoeg
zijt - ook al op de manier zoals vorsten dat doen - boven Uw
jonge frisse echtgenote voor te trekken, openlijk en
onvoorzichtig getoond over het verlies van St. Eustatius, waaraan
zij nog toevoegde, dat het zo moest gaan om dat trotse
AMSTERDAM tot rede te brengen. En dan het genoegen waarmee
men aan Uw hof de faillissementen der kooplieden vernam. De
partijdigheid die onze republiek steeds tegenover de Amerikanen -
op Uw drijven - heeft moeten tonen, zelfs zo dat het vervoer van
buskruit naar onze eigen kolonien verboden moest worden en dat
aan onze West-Indische koopvaarders voorgeschreven werd, hoeveel
ze er voor eigen gebruik van mochten meenemen; terwijl
daarentegen de Duitse slaven, die Engeland gekocht had om tegen
de Amerikanen te vechten vrij door ons land mochten trekken en
openlijk gemonsterd werden zelfs met hulp van het garnizoen van
Nijmegen. Dan Uw koppigheid om liever het vaderland verloren te
laten gaan dan de Hertog uit Uw omgeving te verwijderen, ofschoon
hij het voorwerp van haat en afgrijzen dezer natie geworden is,
en alleen al daardoor - al was hij de eerlijkste man van de
wereld - ongeschikt is om aan onze natie als Uw raadsman van
enige dienst te zijn. Uw infame beleid in onze zeezaken; het stuk
voor stuk uitzenden van meer dan twintig oorlogsschepen vlak voor
de U stellig toen al bekende oorlogsverklaring, opdat ze maar
stuk voor stuk, de een na de ander, genomen zouden worden. Daarna
het weigeren om bevel te geven om uit te varen, juist toen enige
van onze oorlogsschepen de kans hadden om het konvooi met Duitse
rekruten, die naar Amerika moesten, in te pikken, en zo Engeland
een allergevoeligste klap te geven. Het uitzenden van Zoutman en
zijn helden met zo'n geringe vloot; het geven van geheime en
mondelinge orders, waarover zelfs een van Lynden klagen moet en
honderd andere dingen van deze aard, te veel om op te noemen,
verraden U en Uw bedoelingen, o Prins!
Maar waarom hebben we
bewijzen nodig? De zaken spreken voor zich zelf. Gij kunt, gij
vermoogt alles in onze Republiek. Gij kunt in verreweg de meeste
provincies, in de vergadering van de Staten-Generaal, in de
admiraliteiten, in de Raad van State (die allemaal voornamelijk
uit Uw creaturen bestaan) alle besluiten laten nemen die ge maar
wilt. Gij kunt ieder - zoals het U behaagt - aan zijn plicht
houden. Wat gij kunt - we hebben het gezien en ondervonden. Gij
hadt Uw afhangelingen, Uw landprovincies, Uw admiraliteiten
allang een vloot kunnen doen, ik zeg Vorst, doen, ja doen
uitvaren. Er zit toch immers bijna niemand in die hoge colleges,
dan die gij erin brengt en die van U alleen afhankelijk zijn. Gij
alleen zijt Staten-Generaal, Raad van State, admiraliteiten,
provinciale Staten. Gij zijt alles tezamen en wij eisen
daarom ook alles alleen van Uw hand. Als men U niet
durft en kan tegenspreken als gij iets besloten wilt hebben, dat
nadelig voor het vaderland is, wie zou U dan hebben durven en
kunnen tegenspreken of tegenwerken als gij in ernst gewild
had, dat men zich bijtijds wapende met een vloot, om de Engelse
geweldenarijen paal en perk te stellen en de handel te beschermen
en het land tot bloei te brengen? Of - nu we in oorlog geraakt
zijn - dat wij ons sterker zouden maken door voordelige en zo
natuurlijke bondgenootschappen met de vijanden van onze
erfvijand, met het Huis van Bourbon en Amerika? Wie zou U in
zulke patriottische pogingen kunnen, willen of durven
weerstreven?
Dat niets van dit alles is geschied; dat wij
thans in oorlog zijn en niet van de voordelen der neutraliteit
en vrije zeevaart mogen genieten zoals Rusland, Zweden en
Denemarken (welke landen gewapend en niet door hun eigen vorsten
verraden zijn en daarom door Uw Engelsen ontzien worden); dat wij
in ons eigen land geblokkeerd en opgesloten liggen; dat onze
dappere landgenoten op zee als maar weinig leeuwen tussen veel
jagers ter slachtbank worden gebracht; dat zoveel goede
vanzelfsprekende voorstellen om schepen te bewapenen van de hand
zijn gewezen; dat wij in deze hoogst gevaarlijke toestand nog
steeds zonder bondgenoten zijn; ja Vorst Willem, het is alles Uw
schuld! Ik herhaal: zowel het feit dat wij ons met het machtige
Frankrijk en Amerika niet mogen verbinden - ofschoon dit de enige
weg is om tot een spoedige en eerlijke vrede te eraken en onze
koophandel te doen herleven - als het feit dat de Amerikaanse
gezant, net als destijds de afgevaardigde van het Engelse
parlement hier geen gehoor kan vinden en ons Vaderland daardoor
gevaar loopt geheel door Engeland geruineerd te worden en zich zo
al niet de haat dan toch de onverschilligheid van Amerika op de
hals te halen en met gelijke munt betaald te worden - het is
alles Uw schuld!
Gij wilt niet dat wij met Frankrijk en
Amerika een verbond aangaan! Gij zijt het die dat belet, en
niemand anders. Dit alleen al is voor een verstandig mens een
duidelijk bewijs dat gij het niet goed met ons voor hebt.
Nu
de oorlog niet naar Uw wens is uitgevallen, nu Uw Engelsen en
andere vrienden en afgezanten niet in staat zijn geweest door
listige geschriften, Aanspraken, aangeplakte briefjes,
enz. enz. de regering van Amsterdam verdacht te maken en met
geweld omver te doen werpen, nu, o Vorst! zoudt gij U wel gaarne
willen verontschuldigen en een schandelijke vrede met Engeland
bewerken. Ja mogelijk zoudt gij het wel weer eens over een andere
boeg ~ een oorlog met Frankrijk - willen gooien. Maar God zal
hoop ik onze natie genoeg doorzicht geven, om zich niet langer
door U of de Uwen in de luren te laten leggen. Ik hoop en
verwacht ook dat onze zeehelden nu te goed zullen beseffen door
wie zij op de slachtbank gebracht zijn (en zo mogelijk
zeker opnieuw zullen gebracht worden) dan dat zij zich met gouden
degens, sabels met ceinturen of een miserabele vrolijke dag
zouden laten bedotten. Gij alleen, o Prins! en niemand anders
zijt de oorzaak, dat de dappere en kundige Zoutman met zo'n
geringe macht in zee heeft moeten steken, dat zijn eskader naar
alle menselijke berekening in handen der Engelsen moest vallen.
Dat dat niet is gebeurd; dat wij hebben opgehouden een voorwerp
van spot voor alle volken te zijn, ja zelfs dat onze oude glorie
begint te herleven; dat onze vijanden ons zullen vrezen en de
neutralen ons niet langer verachten; dat een Koning van
Denemarken en een Koningin van Portugal zullen begrijpen, dat het
gevaarlijk zou zijn ons nog te tergen of gemene streken uit te
halen; dat men weer als vroeger prijs zal stellen op een
bondgenootschap met onze republiek - niets van dat alles hebben
wij, o Willem! aan U of aan Uw wijs beleid, maar naast de
voorzienigheid alleen aan de helden van de vijfde augustus
te danken. Zij zouden de Engelse gevangenschap, waartoe gij ze
(evenals Volbergen, Satink, van Prooyen en anderen) bestemd had,
niet hebben kunnen ontgaan, noch hadden ze aan hun vaderland en
hun medeburgers al de bovengenoemde voordelen kunnen bezorgen dan
alleen door het betonen van een bovennatuurlijke moed en
koelbloedigheid gepaard aan een buitengewone kundigheid in
zeezaken.
0, Willem, geef de schuld niet aan de
Voorzienigheid, zij was ons gedurende deze hele oorlog
gunstiger dan gij ons zijt geweest!
Hadt gij, indien het U
ernst geweest was, niet een paar oorlogsschepen meer met de heer
Zoutman kunnen uitzenden? Hadt ge niet aan de Zeeuwse schepen
(aangenomen dan dat de Maasschepen toevallig niet konden
uitvaren, hetgeen overigens nader onderzoek verdient) hadt ge aan
de Zeeuwse schepen - zowel toen als nu - niet stellige
orders kunnen geven? En lagen er in elk geval in Texel niet
genoeg bijna volledig uitgeruste schepen om er door overplaatsing
van het zeevolk terstond enige voltallige van te maken? Slechts
een paar schepen meer hadden het eskader en konvooi van Parker in
onze havens gebracht! Nu, nadat ge gezien hebt dat het geduld van
ons volk ten einde loopt - en het fortuin Uw Engelsen in de steek
begint te laten, en dus Uw plan bij deze troebele gelegenheid
Soeverein te worden, in rook begint te vervliegen, nu kunt gij, o
Willem, nu kunt ge opeens die stellige orders wel zelf geven aan
de Rotterdamse, Friese, Noord-Hollandse en Zeeuwse schepen (die
Zeeuwse schepen die de Staten van Zeeland liefst niet van hun
rede zouden hebben zien uitvaren!). Diezelfde orders spreken Uw
vonnis! Zij geven U een ongeneeslijke snede door het aangezicht!
Diezelfde bevelen hadt gij eerder kunnen en eerder moeten geven.
Dit niet gedaan te hebben, zou al onvergeeflijk zijn van een
vorst, die men verder niets te verwijten had! Wat betekent het
dan wel voor U, Willem, die U al in zoveel opzichten tegenover
het vaderland onverantwoordelijk gedraagt, en wiens nauwe, ja,
God beteržt, maar al te nauwe betrekkingen met Engeland wij allen
kennen?
Waarom moet juist een Engelsman van afkomst, ja, bijna
van geboorte, te Amsterdam equipagemeester zijn? Verwekt het niet
terecht achterdocht, dat gij juist een Engelsman kiest voor zo'n
gewichtige post en zo de Amsterdamse regering ten spijt de
toegang tot de stad (want een equipagemeester heeft de sleutel
van de afsluitboom onder zich) aan een vreemdeling
toevertrouwt?
Dat gij de gewezen koetsier van York (wiens naam
hier steeds gehaat moet en zal zijn) in Uw dienst hebt genomen,
wordt terecht ook bedenkelijk genoemd. Althans toont gij, o
Vorst, met zulke daden, dat het U nogal onverschillig laat de
schijn van het kwade te vermijden. Ligt gij niet voortdurend
als 't ware te loeren op de gelegenheden om de magistraten of
burgerijen zelfs de sleutels van hun eigen steden afhandig te
maken? Welke stad, waarin garnizoen ligt, zit niet te zuchten
onder de trots en heerszucht van Uw commandanten?
Is het geen
openlijk geweld de toch al zo zeer mishandelde soevereine
landschap van Drenthe - onze medezuster en achtste provincie -
tegen de wens van alle ingezetenen, een Overijselse edelman, de
Baron van Heiden, Uw gunsteling, tot drost op te dringen,
ofschoon het ontegenzeglijk - zoals gijzelf trouwens niet ontkent
- ditmaal een Drents ridder had moeten wezen?
Is het voor de
ingezetenen der kleine Gelderse steden te dulden, dat gij daar
overal een of andere jonker, die tevens lid van de ridderschap is
(en daar zijn portie in de commissies dikwijls al rijkelijk
krijgt) als burgemeester heen zendt? En zožn man die niet eens in
de stad woont of zich met de stedelijke zaken bemoeit, de
voordelen van de regering laat genieten, terwijl zijn andere
ambtgenoten er alleen de last van moeten dragen?
Is die
despotische regering van Uw premiers in de Friese steden
niet van hetzelfde allooi? Denkt gij, o Vorst! dat de
vrijheidminnende Friezen aan Uw voorvaders ooit zo'n macht over
het kwartier der steden zouden gegeven hebben, als ze hadden
kunnen voorzien, dat die macht zo grof zou zijn misbruikt? De
Friese steden z' n inderdaad Uw domeinen, Uw eigendom geworden,
die gij door Uw premiers, als door gouverneurs of onderkoningen
laat regeren!
Als men al Uw gedragingen met elkaar vergelijkt,
als men ziet hoe gij op het voetspoor van Uw voorvaderen alles
aan U trekt, zelfs zo, dat gij de gewone militaire eerbewijzen
aan de provinciale Staten laat beknibbelen door Uw creaturen en
instrumenten, zoals bij Uw zittingnemen in Overijsel is gebeurd,
terwijl gij Uzelf op uitdrukkelijke order zelfs in de
stemhebbende steden het Koninklijk saluut laat geven en
dagelijks soortgelijke nieuwigheden invoert - is men dan wel
oneerbiedig als men U verdenkt van streven naar hoger gezag? dat
het oude burgerlijke gezag U niet langer kan voldoen? dat gij
niet zult rusten voordat gij ook een kroon draagt en gij en Uw
nakomelingen dus niet langer aan Uw Koninklijke gemalinnen -
zoals thans nog moet geschieden - de hogere rang zult behoeven
toe te kennen?
Maar wat zal ik, o Willem, van Uw particulier
gedrag en levenswijze zeggen? Mijn voornemen was om U tenminste
in dit opzicht te sparen. Maar daar ge goed vindt dat
laaghartige geestelijken U als een heilige, als een man, 'die
in zo'n nauw verbond met zijn God staat' aan de eenvoudige
gemeente voorstellen, als een patriot, die met zijn raadsman, de
Hertog, zich nacht en dag tot heil van Uw medeburgers afslooft en
om alles nog weer in orde te brengen - nu kan ik niet
zwijgen.
Is Uw levenswijze, tot verdriet van Uw verstandige
deftige Prinses, niet echt beestachtig? Ziet men U niet dagelijks
dronken in het publiek verschijnen, zodat gij voor iedereen een
voorwerp van spot en minachting wordt? Hoe zijn Uw zomervermaken
op het Loo? Zot, kinderachtig, soms erger! Hoe gij de
huwelijksband eerbiedigt, is bekend. En dit, o Nederlanders is de
man, die in zo'n nauw verbond met zijn God staat. En dit
durft men van de predikstoel in een onzer volkrijkste steden, de
grote en alwetende God voorhouden en als 't ware in herinnering
brengen! 0, landgenoten, bedenkt toch dat de geestelijken ook
maar mensen zijn met dezelfde gevoelens, van hetzelfde vlees en
bloed als het overige mensdom. Hun ambt is in aanzien en als hun
gedrag in overeenstemming is met het gewicht ervan, zijn zij alle
eer en aller achting waardig. Maar nog eens, mensen zijn ze allen
en men vindt onder hen als overal ook fortuinzoekers. De
Prins kan aan hun kinderen en nabestaanden ook gunsten bewijzen
en kwijt raken. Zijt dus op Uw hoede als zij zich over de
oorzaken van de ellende van het land op de preekstoel uitlaten.
Gelooft niemand blindelings, maar onderzoekt of zij die U dit of
dat voorpraten of voorpreken, wel belangeloos zijn; of zij niet
beloond worden en gehuurd zijn om U te misleiden en de zaken van
ons land in een vals licht voor te stellen. Doch denkt niet, dat
ik de geestelijkheid in het algemeen bij U in minachting wil
brengen. Neen! Ik dank God, dat er in onze dagen zoveel ware en
verlichte vaderlandslievende figuren onder hen zijn. Maar ik
wilde U alleen waarschuwen, dat zij net zo zwak zijn als andere
mensen, en dat gij ze nergens minder in moet geloven dan in
staatkundige zaken. Voor de staatkunde is een heel aparte studie
nodig, waarvoor zij zelden tijd en gelegenheid gehad hebben om er
zich op toe te leggen. Ook zouden zij de politiek nooit vanaf de
preekstoel moeten verkondigen, want die is alleen voor de
godsdienst geschikt. Doch ik hervat de draad.
Uw voorstel, o
Willem! van de 10de maart 1779, om namelijk vijftig a zestig
oorlogsschepen uit te rusten, werd een openlijke bespotting,
zodra gij dat verbondt aan een volstrekt nodeloze en voor de
vrijheid vernietigende vermeerdering van het landleger tot niet
minder dan 60000 man. Ook werd Amsterdam daardoor gedwongen om
het een zowel als het ander te weigeren, en te adviseren, dat men
zich bij voorraad maar moest houden aan de in het laatst van het
jaar 1778 besloten en vastgestelde uitrusting van tweeendertig
schepen. Dit aantal schepen was indien het op tijd klaar en
eerlijk door U als admiraal-generaal ter beteugeling van de
overmoed der Engelsen was besteed geweest, meer dan toereikend
geweest om ons buiten de oorlog te houden. Hebben de Noordse
mogendheden elk wel zoveel schepen? En worden zij niet door de
Engelsen ontzien? De grootste vloot evenwel, die ooit de zee
heeft bevaren, al zou die geheel met helden zijn bemand, kan ons
niet tegen de Engelsen beveiligen, zolang zij onze opperadmiraal
te vriend hebben. Wat wij ook mogen doen, 't kan ons op den duur
niets baten. Het is alles vruchteloos!
Uw voorstellen ter
vermeerdering der zeemacht, waar gij U nu met zoveel nadruk op
beroept en in de couranten mee pronkt, zijn, o Willem! nooit te
goeder trouw gedaan. Al had men het leger om U te gerieven nog zo
vergroot, we zouden evenmin als nu een vloot gehad hebben, omdat
een vloot tegen Engeland gebruikt zou kunnen worden, en dit zou
niet in Uw kraam, in Uw plannen, te pas komen.
Indien het in
zee brengen van een vloot U ernst was geweest, waarom zijn dan
die tweeendertig schepen, waartoe in april 1779 al was besloten;
waarom zijn die tweeenvijftig schepen waarvan de bondgenoten in
het vorig jaar 1780 reeds besloten hadden dat ze op deze eerste
mei 1781 klaar moesten zijn, (en dat zelfs boven degene die men
reeds in dienst had) waarom zijn die niet in zee gekomen? Wiens
schuld is dit, o Willem! dan de Uwe alleen? Wat! Is het niet
bekend dat moedige zeelieden, die graag dienst wilden nemen om
maar tegen onze gemeenschappelijke vijand aangevoerd te worden,
zo menigmaal werden afgewezen? Weet het - men wilde geen vloot
in zee hebben - men maakte expres geen voortgang.
Voor het
laatst, o Willem! en hiermee neem ik afscheid van U. Laat ik
aannemen, hetgeen niettemin onwaar is. Ik neem aan, dat Amsterdam
en de leden der hoge regering die het met die stad eens zijn, in
geen enkele vermeerdering van het landleger tot dan toe
hadden willen toestemmen. Mag ik U dan voor God en deze natie
vragen, of dit U en Uw landprovincies en andere van U
afhankelijken dan bevoegd maakte, om van Uw kant ook de wervingen
voor de zeemacht te beletten, terwijl het toch in ieder geval
duidelijk was dat wij vooreerst geen landoorlog maar wel een
oorlog ter zee te verwachten hadden? Ik ga verder. Ik
veronderstel dat we zowel een oorlog te land als ter zee te
wachten hadden, en dat Amsterdam en zijn factie (zo gelieft ge ze
toch te noemen) zo onredelijk waren om zich alleen ter zee te
willen wapenen en te land volstrekt niets te willen doen. Wat
zouden dan de regels der voorzichtigheid, wat zou Uw eed, plicht
en de liefde tot het vaderland in zo'n geval van U eisen? De
versterking der zeemacht van Uw kant ook te beletten? Neen,
Vorst! Indien ge het wel met het land meende, zoudt ge - als het
buiten Uw vermogen lag voor de beveiliging ter zee en te land
beide naar behoren te zorgen tenminste zoveel moeten doen als wel
in Uw macht lag, en evenals de brave de Witt in precies zo'n
omstandigheid deed, tenminste een vloot in zee moeten brengen en
de verwaarlozing van het leger ter verantwoording laten van hen,
die er de schuld van waren.
Doch zo staan de zaken
niet.
Amsterdam heeft - U ten gerieve - meer dan eens
toegestemd in een matige vermeerdering van de landmacht, die gij
ook maar beweerde te eisen; doch Amsterdam begeerde tevens dat
dezelfde zorg en onkosten aan de deerlijk vervallen zeemacht
werden besteed. Was dat onbillijk?
Nog eens: Waarvoor zullen
wij onze landmacht gebruiken? Kunnen wij ooit zoveel troepen
betalen - en bovendien nog behoorlijk voor de vloot zorgen - dat
wij er onze vestingen mee kunnen bezetten en beschermen, en dan
nog genoeg overhouden voor een veldleger?
Men moet wel gek
zijn om dat te veronderstellen. De financien, het vermogen van
onze Republiek laten dit niet toe. Wat dan te doen in onze
omstandigheid? Eenvoudig dit: steeds in goede verstandhouding en
een nauw bondgenootschap leven met Frankrijk, de machtigste en de
inschikkelijkste, maar als we het reden geven tot verbittering
(zoals we meer dan eens ondervonden hebben) de geduchtste van
onze buren. Verder ons leger van 36 a 40000 man, goed betalen en
in goede conditie houden, om op die manier zodra het nodig mocht
zijn, door aanwerven van nieuwe manschappen alleen, er een dubbel
aantal van te kunnen maken. Ten slotte ons erop toeleggen dat
wij steeds een goede vloot hebben, om zo dikwijls andere
mogendheden in oorlog zijn (wat zeer vaak gebeurt) onze
neutraliteit en vrije zeevaart tegen iedereen te kunnen
handhaven, de koophandel te kunnen beschermen en door de bloei
ervan de hele republiek te doen floreren.
Dit is de ware weg,
maar die gij, o Prins en Uw voorzaten, nooit ingeslagen hebt!
Verontschuldig U maar niet, Uw daden zijn te bekend en hun
bedoeling is te duidelijk. Hij die in een land alles kan,
alles mag, alles doet, en laat doen naar zijn
eigen wil, naar zijn eigen genoegen en goeddunken,
is ook voor alles aansprakelijk, moet alles verantwoorden en kan
de schuld nooit op anderen schuiven.
De Hertog heeft
beantwoord aan het doel waartoe hij door Uw vader geroepen en
gehuurd was. Hij heeft steeds voor de vermeerdering van het
stadhouderlijk gezag (dat hij of de zijnen toch nooit konden
erven) en dus voor U en Uw Huis alleen gewerkt. Zo moeten U en Uw
Huis bediend worden. Hij heeft dus verreweg de minste schuld.
Hetgeen hij de natie misdaan heeft, heeft zij aan zichzelf te
wijten. Nooit had zij zo onvoorzichtig, zo achteloos en slap
moeten zijn om zoveel gezag zo lang in zulke handen te laten.
Doch Vorst Willem, dit verontschuldigt U niet en gij zoudt de
Hertog - Uw trouwe raadsman en geleider op de weg die naar de
soevereiniteit leidt zeer trouweloos behandelen als gij hem in
deze voor hem gevaarlijke toestand niet met al Uw macht en
invloed, ja met het hele leger van de staat, dat is Uw leger,
ondersteunde.
Want wie zou U of Uw huis ooit meer durven of
kunnen dienen, als gij niet in staat zoudt blijken om Uw dienaren
en werktuigen tegen de aanvallen der patriotten te beveiligen en
hun straffeloosheid te bezorgen? Wij zijn alleen daardoor
ongelukkig; onze koophandel staat alleen daardoor stil; onze
werklieden lijden alleen daardoor honger en ellende omdat wij
geen vloot hebben, en een VLOOT had gij ons moeten,
en gij, Willem de Vijfde! gij alleen bijtijds
kunnen bezorgen.
Ziedaar, waarde
landgenoten, een getrouw verslag van de toestand van ons
vaderland van de oudste tijden af tot op de dag van heden. Ik heb
U de oorzaken van Neerlands kwalen naakt blootgelegd. Ik heb
niets voor U verborgen van hetgeen voor U van belang was te
weten. Ik heb - voor zover de beperkte ruimte van deze brief mij
toeliet - getracht tot zelfs de eenvoudigste mens te verlichten;
maar juist daardoor zal ik de woede van de Prins en zijn groten,
die de gemene man niet al te wijs willen zien maken, tegen dit
mijn geschrift, en zo ze mij kenden of in hun macht hadden, tegen
mijn persoon niet weinig doen ontbranden.
Dus als ge plakkaten
of publikaties ziet verschijnen, waarin deze brief wordt
verklaard te zijn een vuilaardig, oproerig, schandelijk,
eerrovend, berucht lasterschrift en een premie wordt beloofd aan
wie er de schrijver of drukker van weet aan te wijzen, bedenkt
dan, dat zulke plakkaten en premies de gewone toevlucht zijn van
lieden die de macht in handen, en de waarheid niet gezegd hebben
willen; van lieden wier gedrag geen onderzoek kan velen.
Het
is veel makkelijker een schrijver die de waarheid aan het licht
brengt, te mishandelen dan te bewijzen dat hij leugens
vertelt.
Herinnert U, hoe de Koning van Spanje onze voorouders
allen voor rebellen verklaarde; een premie zette op het hoofd van
Prins Willem I en zijn verdediging en die der Staten als
schandelijke oproerige lasterschriften door beulshanden liet
verbranden! Herinnert U, hoe de Staten van Overijsel in onze
dagen, nog geen drie jaar geleden, de Baron van der Capellen als
een leugenaar, bedrieger, verleider des volks aan alle
kerkdeuren der provincie hebben laten aanplakken; ofschoon de
hele wereld ziet en weet dat de Baron gelijk en de Staten
ongelijk hebben, en al die fraaie benamingen niet op de Baron
maar op Hun Edel Mogenden toepasselijk zijn.
Laat U dus niet
aan het wankelen brengen, als ge de Prins of zijn groten de
plechtigste betuigingen van hun onschuld en van hun ijver voor Uw
welzijn zult horen doen. Of als ge een proces zult zien op touw
zetten om mij of dit geschrift in een kwaad daglicht bij U te
stellen. Gelooft geen groten, vooral geen vorsten; het veinzen is
hun een gewoonte; dit wordt van hun jeugd af aan geleerd. Maar
gij moet doen als die van Berea en onderzoeken 'of deze dingen
alzo waren' en zo ja, sla dan spoedig de hand aan het werk
eer het te laat is. Er is geen tijd te verliezen. Wij staan op de
rand van de ondergang. De heren van Amsterdam en de andere
patriotten moeten ondersteund worden in hun pogingen. Amsterdam
heeft ons de weg gewezen. Er moet naar de oorzaken van 's lands
ongeluk onderzoek gedaan worden. Er moet een algemeen nationaal
onderzoek gedaan worden naar ieders gedrag van de afgelopen
jaren, naar alle orders en contraorders, zowel geheime als
openlijke, naar alle maatregelen die er genomen zijn en die men
had moeten en kunnen nemen, en die niettemin verzuimd zijn. Opdat
blijkt wie verraders zijn, wie alleen uit vrees en zwakheid
hebben gezondigd en wie zich standvastig, eerlijk en kordaat
hebben gedragen en dus Uw goedkeuring en vertrouwen verdienen.
Er moeten spoedig efficiente middelen worden bedacht en in het
werk gesteld. De Prins moet niet langer aan zichzelf en nog
minder aan zijn slechte Engelsgezinde raadslieden worden
overgelaten, maar er moet een adviesraad van enige eerlijke
mannen aan Zijn Hoogheid worden toegevoegd. Die voorstellen van
Amsterdam zijn zeer goed en verdienen ons aller dankbaarheid en
erkentelijkheid, maar ze zullen alle in rook vervliegen. De Prins
zal ze alle naast zich neerleggen, zoals hij reeds gedaan heeft,
tenzij de natie zelf, tenzij het volk van Nederland, tenzij
gijlieden zelf deze heilzame voorstellen ten uitvoer
brengt.
De Prins - zo hebt ge gezien - is volkomen meester in
onze gehele Republiek. De Staten van verreweg de meeste
provincies, de vergaderingvan Hun HoogMogenden in den Haag, de
Raad van State en de admiraliteiten hangen volkomen van hem af.
Alleen in Friesland (omdat daar het volk ook wat te zeggen heeft)
evenals in Amsterdam (omdat hij daar de regering niet kiest) kan
hij nog niet alles naar zijn zin krijgen.
Gij begrijpt dus,
dat elk onderzoek dat door die groten, die afhangelingen van de
Prins zijn, zou gedaan worden, precies zover zou gaan en net zo
zou uitvallen als het de heer Prins behaagt.
Gij begrijpt ook
dat als het al zover kwam (waartoe de Prins echter nooit en te
nimmer zal overgaan) dat de Staten van elke provincie enige heren
benoemden die hem tot raadsmannen zouden worden toegevoegd, dat
in zo'n geval de Prins wel zou weten te zorgen, dat er alleen
maar jabroers werden gekozen. Daartoe zouden heus geen
burgemeesters Temmink, Hooft of Rendorp, geen pensionarissen als
van Berckel of de Gijselaar, geen der beide Barons van der
Capellen tot den Pol of Marsch, geen Friese heren als Aylva,
Eysinga, Humalda, Beijma, Wielinga, van Haren of soortgelijke
patriotten benoemd worden!
Alles wat er thans ondernomen wordt
ter redding van ons waarlijk bijna onherstelbaar verloren
vaderland is daarom vergeefs, indien gij, o Volk van Nederland
nog langer werkeloze toeschouwers blijft. Doet dan
dit!
Verzamelt U elk in Uw steden en ten plattelande in Uw
dorpen. Komt vreedzaam bijeen, en kiest uit Uw midden een matig
aantal goede, deugdzame, vrome mannen; kiest goede patriotten,
waarop gij vertrouwen kunt. Zendt dezen als Uw gecommitteerden
naar die plaatsen, waar de Staten van Uw verschillende provincies
vergaderen en beveelt hun, dat zij zodra mogelijk bij elkander
komen om uit naam en op het gezag dezer natie, met en
naast de Staten van elke provincie een nauwkeurig onderzoek te
doen naar de redenen van de verregaande traagheid en slapheid
waarmee de bescherming van het land tegen een geduchte en vooral
actieve vijand wordt behandeld. Beveelt hun verder, dat zij
insgelijks met en naast de Staten der bijzondere provincien een
raad voor Zijne Hoogheid kiezen, en hoe eerder hoe liever al
zulke middelen helpen beramen en in het werk stellen als tot
redding van het benauwde vaderland dienstig zullen worden
geoordeeld.
Laat Uw gecommitteerden U van tijd tot tijd door
middel van de drukpers in het publiek en openlijk verslag doen
van hun verrichtingen. Zorg voor de vrijheid van drukpers, want
zij is de enige steun van Uw nationale vrijheid. Als men niet
vrij tot zijn medeburgers kan spreken, en hen niet bijtijds kan
waarschuwen, dan valt het de onderdrukkers van het volk al zeer
gemakkelijk hun rol te spelen. Daarom is het dat zij wier gedrag
geen onderzoek kan velen, altijd zo tegen de vrijheid van
schrijven en drukken ageren en wel graag zouden zien dat er niets
gedrukt of verkocht zou worden zonder toestemming.
Wapent U
allen, verkiest zelf degenen die U bevelen moeten, en gaat
(evenals het volk van Amerika waar geen druppel bloed gevloeid
is, voordat de Engelsen hen eerst hebben aangevallen) in alles
met kalmte en bescheidenheid te werk, en Jehova, de God
der Vrijheid, die de Israelieten uit het diensthuis heeft geleid
en hen tot een vrij volk gemaakt, zal onze goede zaak
ongetwijfeld ook ondersteunen.
Ik ben,
Volk van
Nederland!
Waarde medeburgers!
Uw getrouwe
medeburger.
Ostende
den 3 september 1781.
15 januari 1998.